Bomen

René Descartes vergeleek de filosofie, of eigenlijk alle wetenschappen, eens met een boom. Hij vond dat de wortels stonden voor de metafysica (filosofie), de stam de fysica (natuurkunde) en de takken voor alle andere wetenschappen. Nu was dit niet erg origineel: de 16e eeuw was een tijd waarin die boommetafoor voor kennis populair was. Het idee van de encyclopedie is ook van toen en de gedachte dat in een dergelijk boek alle kennis die in de wereld beschikbaar was, op nette, geordende wijze kon worden opgenomen, was gewoon een van de spannende en nieuw ideeën die toen rondzoemden. Nog altijd is de boommetafoor voor kennis populair, maar de vraag is natuurlijk wel – vergeef me de woordspeling – of ze wel hout snijdt.

Vaak is het zo dat ideeën die populair zijn ook een bepaalde elegantie hebben. Zo is het met kennis als boom zeker. Voor elke discipline, theorie of kernidee valt vrij gemakkelijk een kennisboom te tekenen.De theorie is ontsproten uit meerdere voorlopers (wortels); daar is een stabiele kern uit gekomen (stam); die zich vertakt in allerlei toepassingen (takken). De evolutietheorie heeft bijvoorbeeld wortels in de geologie en de ecologie en heeft vertakkingen naar de techniek en politieke filosofie. De boom is een prima metafoor om de vragen ‘waar komt het vandaan’ en ‘waar gaat het heen’ aan op te hangen.

Maar, het is natuurlijk ook te mooi om waar te zijn. Want hoe moeten we al die boommetaforen rondom verschillende ideeën eigenlijk verenigen? In de metafoor van Descartes ontstaat meteen ruzie over wie de wortels mogen zijn. Ik studeerde ooit natuurkunde en natuurkundigen zien de natuurkunde als de moeder van alle wetenschappen, niet de filosofie. Wiskundigen zijn het daar weer helemaal niet mee eens. Maar, als we allemaal de wortels willen zijn dan blijft er van de boom niet zoveel over. De vertakkingen staan ook niet los van elkaar. Heel verschillende ideeën komen voort uit dezelfde wortels en uit heel verschillende ideeën volgen vaak gelijksoortige toepassingen.  Als een individuele theorie gezien kan worden als een boom, dan is onze complete kenniswereld een mangrovebos, of iets dat nog veel ingewikkelder is.  Het is niet duidelijk welke wortel bij welke stam hoort, en eigenlijk ook niet of iets een stam of een vertakking is. Totale chaos is misschien wel een betere beschrijving voor onze kennis dan een bos.

De boommetafoor voor kennis is dus wat narcistisch: ze bestaat bij de gratie van het wegdenken van alle andere bomen die van dezelfde wortels gebruik maken en de zelfde toepassingen voeden. De metafoor is ook onnodig hiërarchisch omdat ze veronderstelt dat elke toepassing een ‘vertakking’ is van een fundamenteler basisidee. Daarmee is de boom zeker geen handige metafoor voor onze totale kennis, zoals Descartes dacht.

Niettemin, als je de boommetafoor tegenkomt: schrik niet terug. De auteur richt zich op één stukje kennis en probeert de boom te gebruiken om, geïnspireerd op de historie van het idee dat hij bespreekt en de mogelijke toepassingen die kunnen volgen, het bestaan van de stam te rechtvaardigen. Daarbij denkt hij alles wat hem niet uitkomt weg: misschien is die ‘stam’ zelf wel een ‘tak’ van een andere boom of een wortel, maar dat doet er even niet toe. Wanneer de boomschrijver het bos even vergeten is, is het aan ons om het er weer bij te denken. Daardoor zien we misschien door de bomen het bos niet meer, maar zonder het bos zien we de boom dan weer niet in het juiste licht, – en dat zou pas echt jammer zijn.

Meer Lezen?

Ik besprak eerder andere kennismetaforen waaronder ideeënsex, kennisnetwerken, geheugenmachinememen, kennisstroom en kenniscontainers. Het belang van metaforen voor ons denken besprak ik in metaforen voor het leven.

Plat

NRC kopte gisteren dat één op de tien Fransen gelooft dat de aarde plat zou kunnen zijn. Ik moest meteen lachen natuurlijk. Zo van: dat is wel een heel merkwaardige overtuiging in deze moderne tijd. Meteen daarna bekroop me toch een ongemakkelijk gevoel. Ik maakte me zorgen over toestand van de wereld. Want zeg nou zelf: Frankrijk! Dat er Amerikanen zijn die geloven dat de aarde plat is. Ach. Een paar verdwaalde creationisten die het geloven? Zit ik niet mee. Maar 10% van iedereen. Dat is wel veel. En Frankrijk is om de hoek. Voor je het weet slaat dat de-aarde-zou-best-wel-eens-plat-kunnen-zijn virus over naar hier. Brrr.

Ik hoor zelf dus nog bij de groep die denkt dat de aarde rond is, maar door het berichtje ging ik me wel afvragen hoe dat ik zo zeker kon weten. Terwijl ik nog aan het nagniffelen was ging ik het bij mezelf na. 1: iedereen weet dat de aarde rond is. 2: ik heb op school geleerd dat de aarde rond is. 3: dat de aarde rond is past in andere ideeën die ik heb over de wereld, zoals dat de aarde om de zon draait. 4: een ronde aarde die om haar as draait geeft een mooie verklaring voor dag en nacht. 5: je kan helemaal om de aarde heen vliegen en varen. 6: op foto’s die vanuit de ruimte genomen zijn, ziet de aarde er uit als een bol.

Kortom: ik heb het van horen zeggen.

Want zeg nu zelf… direct bewijs voor de rondheid van de aarde kom je in dit lijstje niet tegen. Ik zou natuurlijk rond de aarde kunnen vliegen, maar ik heb het nog nooit gedaan. En toen ik eens naar Amerika vloog – dat is ongeveer een kwart rond – had ik na de landing helemaal niet het gevoel dat de aarde scheef stond. De grond was recht onder me en ik had helemaal geen moeite mijn evenwicht te bewaren. Die foto’s zijn eigenlijk ook geen direct bewijs: ze zouden nep kunnen zijn en je ziet eigenlijk een schijf, dus per saldo zit die hele bolvormigheid meer in je hoofd dan dat je het op de foto kan zien.

Het sterkste bewijs dat ik heb voor de rondheid van de aarde is dat al die verschillende indirecte bronnen het eens zijn met elkaar. Het is altijd een sterke aanwijzing dat je goed zit wanneer verschillende bronnen in dezelfde richting wijzen, maar in dit geval is dat gewoon weer terug te voeren op punt 1: iedereen denkt dat de aarde rond is.

Ik ben natuurlijk niet écht gaan twijfelen door deze gedachtegang, maar het laat wel iets belangrijks zien: voorwetenschappelijke ideeën, zoals een platte aarde, zijn niet zo dom als dat je zou denken. Het wereldbeeld waar wij mee opgevoed zijn is eigenlijk nogal tegen-intuïtief. Als je je zintuigen vertrouwt in plaats van wat je op school leerde, ontwikkel je hele andere ideeën over de wereld dan de wetenschap ons voorschotelt. We weten zelfs vrij precies welke ideeën dat zijn. Dat blijkt bijvoorbeeld uit onderzoek aan misconcepties van middelbare scholieren over de natuur en natuurkunde. De ideeën die scholieren daarover hebben komen precies overeen met hoe de Griekse filosofen, zoals Aristoteles, over de wereld dachten. Er zijn geen IQ scores van Aristoteles bekend, maar ik schat in dat die niet tegenvallen. Geloof in voorwetenschappelijke ideeën is dus niet te verklaren vanuit een gebrek aan logisch redeneren of kritisch denken. Het gaat er om welke bronnen je gebruikt en welke je daarvan het meest vertrouwt.

Terug naar de Franse wereldbolontkenners. Is het een probleem dat zij het wereldbeeld waar wetenschappers honderden jaren op gepuzzeld hebben niet blijken te vertrouwen? Dat hangt er natuurlijk van af waar het wantrouwen vandaan komt. NRC suggereerde een beetje dat er een schrikbarende opkomst van collectieve paranoia gaande is en het past natuurlijk ook mooi in recente berichten over filterbubbels en feitenvrije politiek, maar ik durf wel te betwijfelen of dat is wat hier aan de hand is.

Ik denk dat het bericht, of vooral de reactie er op, laat zien dat we de invloed van de wetenschap op het grote publiek structureel overschatten. Zo wetenschappelijk zijn onze denkbeelden nu ook weer niet. We denken er allemaal het onze van als het zo uitkomt. We maken massaal gebruik van therapieën die niet bewezen zijn of waarvan zelfs bewezen is dat ze niet werken. We geloven misschien niet in God, maar hebben het vervangen door “ietsisme”. Wereldwijd trekken intellectuelen hele registers vol met drogredenen open om de klimaatwetenschap te ontkennen. Zo kan ik nog wel even doorgaan.

Wat mij wel interessant lijkt is een meting door de tijd heen van dit soort ideeën. Hoeveel mensen dachten in 1850 dat de aarde wel plat kon zijn in vergelijking met nu? Dan kunnen we tenminste zien of we echt met plotselinge paranoia te maken hebben of met normale, gezonde, variatie van publiek gedachtengoed rondom wat wetenschappers bedacht hebben. Maar voor zover ik weet is de invloed van de wetenschap als geheel op het grote publiek nooit wetenschappelijk onderzocht.

Misschien is ongeloof in klimaatverandering en geloof in homeopathie en ‘iets’ van een andere orde dan denken dat de aarde plat is, maar het mechanisme is hetzelfde. Het écht pijnlijke feit achter dit krantenbericht is dat het ook over onszelf gaat. We geven gewoon met zijn allen vaak de voorkeur aan onze eigen, weinig geïnformeerde meninkjes, boven het magnifieke puzzelwerk van wetenschappers van over de hele wereld. Als het om onze denkbeelden gaat lijden we collectief aan dezelfde arrogantie en hoogmoed, niet alleen die 10% platdenkers.

Meer lezen?

Ik schreef al eens over ideeën het publiek versus de wetenschap in Eksters. Ik beschreef ook al eens verschillende kennisbronnen, waarvan getuigenis de belangrijkste is voor ons. Dit blogje suggereert eigenlijk dat ons wetenschappelijke wereldbeeld tot de basiskennis behoort.

De mogelijkheid dat nieuwe media wel degelijk collectieve paranoia aanjagen onderzocht ik in Collateral damage of the robotsrace (on the web).

Het volledige NRC artikeltje vind je hier. Ook de column van Rosanne Hertzberger uit die zelfde week is een aanrader.

Brein in een vat

We hebben er allemaal wel eens een gesprekje aan een kampvuur of in de kroeg aan gewijd: wat nou als alles een illusie is? Ongeveer zoals in die film “The Matrix”, waar machines ons gebruiken als energievoorziening en in ruil daarvoor een virtuele wereld in ons brein injecteren. Dit heet het “brein-in-een-vat scenario” en ik heb het altijd heel onwaarschijnlijk gevonden. De wereld is gewoon te echt om nep te zijn.

Maar, vreemd genoeg doet dit “te echt om nep te zijn” argument het maar matig bij het kampvuur. Je opponent verzint gewoon een nog slimmere computer, godheid of demon die de virtuele wereld in je hoofd maakt – en voor je het weet breng je de avond alsnog in diepe twijfel over het bestaan van de echte wereld door. Misschien is het wel goed zo: misschien is het gewoon menselijk om af en toe aan de wereld te twijfelen, maar, dat begrijp ik best: soms wil je er ook wel eens onder uit. Dan biedt de redenering uit dit blogje mogelijk uitkomst.

Origineel is het brein in een vat scenario natuurlijk niet hè? Er waren al Griekse filosofen die beweerden dat de werkelijkheid net zo goed een illusie kon zijn. René Descartes beweerde in de 16e eeuw op basis van het brein in een vat scenario dat je wél kan twijfelen aan het bestaan van de echte wereld, maar niet aan het bestaan van menselijke gedachten. In zijn geval maakte een demon de illusies. Zelfs in de hedendaagse filosofische literatuur komt het brein in een vat scenario regelmatig terug; al was het alleen maar omdat er weer eens een nieuwe manier bedacht is om het te weerleggen. Want dat is natuurlijk de crux. Bijna niemand gelooft echt dat we een brein in een vat zijn, maar het blijkt knap lastig om een deugdelijke tegenargumentatie te vinden.

Pogingen zijn er genoeg, maar mijn favoriete weerlegging komt van Hilary Putnam. Putnams argument bouwt op het idee van verwijzen. In iets aangepaste vorm gaat het als volgt. Stel je voor, zegt Putnam, dat je met een vriendin naar het strand gaat. Daar zie je een mier lopen die een spoor in het zand achterlaat waar ze gelopen heeft. Jullie kijken er een tijdje naar en plotseling blijkt er een afbeelding van Justin Bieber te staan. Wow!  Even staan jullie verbouwereerd te kijken, maar dan vraagt je vriendin: “heeft die mier nu écht zojuist een portret getekend van Justin Bieber?”.

Putnam stelt dat het antwoord op die vraag nee moet zijn. De mier heeft misschien een spoor in het zand achtergelaten dat er voor jullie precies uitziet als Justin Bieber, maar de mier heeft Justin Bieber natuurlijk nog nooit gezien. De mier kan dus niet bedoeld hebben om een Justin Bieber portret te tekenen; hij kan niet verwijzen naar Justin Bieber omdat hij geen weet heeft van wie Justin Bieber is. Vanuit de mier gezien is het dus niet bedoeld als een portret van Justin Bieber en Putnam stelt dat dat nou juist nodig is om het een portret te maken. Als het bedoeld is als een portret van Justin Bieber en naar Justin Bieber verwijst is het een portret – of het er nou op lijkt of niet. En dus ook: zonder bedoeling en verwijzing geen portret.

Wat kunnen we met dit inzicht? Een gemene wetenschapper heeft ons brein uit ons hoofd gehaald, in een vat met voedingstoffen geplaatst en alle zenuwuiteinden aan een supercomputer aangesloten; zodat het net lijkt alsof we nog steeds doorleven.

Stel nu dat dat brein een boom voor zich ziet en misschien zelfs wel roept “kijk daar staat een boom!”. Verwijst dat brein dan naar een boom?

Nee, zou Putnam zeggen. Het is net als in het verhaal van de mier en Justin Bieber. Er is niet echt een boom, er is alleen de illusie van een boom. Het brein heeft geen zintuigen en leeft niet in de echte wereld. Daarom heeft het alleen weet van boom-illusies, maar niet van echte bomen. Het kan dus ook alleen verwijzen naar die illusie. Als het brein in een vat roept “kijk daar is een boom” dan bedoelt het brein niet een echte boom, maar een boomillusie.

Maar als dat zo is bijt het brein in een vat argument zichzelf in de staart! Want… Kan het brein in een vat dan wel verwijzen naar een brein in een vat? Kan, met andere woorden, een brein in een vat denken dat ze alleen maar een brein in een vat is? Of kan ze dat met een collega brein in een vat aan het kampvuur bespreken?

Nee dat kan dus niet. Als een brein in een vat over een brein in een vat begint dan bedoelt het brein in een vat de illusie van een brein in een vat. Je kan dus niet tegelijkertijd een echt brein in een vat zijn en over een echt brein in een echt vat spreken. Of anders gezegd: als we breinen in een vat waren en we hallucineerden de echte wereld bij elkaar dan konden we het niet hebben over echte breinen in echte vaten omdat de enige breinen en vaten die we kenden hallucinaties waren. Putnam trekt daaruit de volgende conclusie: als we breinen in vaten waren konden we het er niet over hebben en dus zijn we het niet.

Ik zal eerlijk toegeven dat ik dit verhaaltje nog nooit bij het kampvuur heb uitgeprobeerd. Hoe briljant ik het argument van Putnam ook vindt, het is heel ongemakkelijk omdat er een soort van Droste effect in zit. Ik zie me al een avond bij het kampvuur praten over illusies van illusies van illusies van breinen in vaten. Dan denk ik nog liever wat langer na over het bestaan van de echte wereld; of over hoe echt echt moet lijken om echt te zijn. Of ik zet the Matrix nog eens op, want die breinillusies zijn tenminste nog te hacken.

Meer lezen?

Hoewel Emanuel Kant geloofde dat de buitenwereld bestond, geloofde hij niet dat we hem kunnen kennen. Zijn visie vind je in het blogje kenvermogen

Als je net als ik van gedachtenexperimenten houdt is mijn blogje over dat onderwerp een aanrader. Of mijn blogje over het EPR experiment.

Hilary Putnam gebruikte Winston Churchill in zijn versie van het mier in het zand voorbeeld. Je vind zijn argumentatie in: Reason, Truth and History.

Nuance

Een klein beetje nuance: ik kan er hevig naar verlangen als ik een tijdje in verhitte discussie zit, maar op andere momenten kan ik nuance enorm vermoeiend vinden. Nuances kunnen als drijfzand zijn: je kunt er gemakkelijk in wegzakken, je kan er in verstrikt raken en ze kunnen je zicht op de zaak behoorlijk vertroebelen. Ik vraag me dus vaak af of genuanceerdheid niet enorm wordt overgewaardeerd. Ik moest hier aan denken toen ik, nota bene midden in de jaarlijkse zwartepietendiscussie, een stuk van Herman Vuijsje las over het racismedebat in Nederland.

Een goed stuk hoor, daar niet van. Aan de hand van 10 dogma’s laat Vuijsje zien welke misvattingen de polarisatie in het Nederlandse racismedebat aanjagen. We denken volgens Vuijsje in twee kampen ‘zwart’ en ‘wit’, terwijl er in werkelijkheid een veelvoud van meningen zijn die ook nog eens dwars door die kampen heen lopen. We doen alsof racisme alleen de blanken in de genen zit, terwijl racisme in alle bevolkingsgroepen te vinden is. We maken slecht onderscheid tussen wat er op internet gezegd en hoe er in werkelijkheid over racisme gedacht wordt… en ga zo maar even door.

Het hele stuk door laat Vuijsje zien hoe we de genuanceerde waarheid geweld aan doen door dingen eenvoudiger en gepolariseerder voor te stellen dan ze werkelijk zijn; en zo komen we natuurlijk niet verder in het debat. Daar zou hij best gelijk in kunnen hebben, maar ik vraag me op mijn beurt af of de genuanceerde standpunten die Vuijsje als alternatief aandraagt dan wèl zo behulpzaam zijn.

Want stel je het racismedebat eens in alle nuance voor. We zouden met elkaar moeten spreken over hoe sommige mensen anders behandeld worden door sommige andere mensen; om redenen die soms wel en soms ook niet helemaal racistisch van aard zijn; en hoe we dat eventueel beter zouden kunnen aanpakken met zijn allen; of ten minste met sommigen van ons.

Precies. Dat is geen debat, dat is een brij. Het probleem met nuance is dat het niet zonder tegenpolen kan. Een genuanceerde mening is altijd een middenweg tussen uitersten – en ze is alleen waardevol als middenweg tussen uitersten. Het heeft weinig zin om te weten dat de waarheid in het midden ligt als je niet weet tussen welke uitersten je dat midden moet zoeken. Nuance kan dus niet zonder polarisatie. Die hebben elkaar nodig als yin en yang: de een betekent niets zonder de ander.

Maar, onrechtvaardig genoeg heeft polarisatie een slechte naam en nuance een goede. We vinden het dom en naïef om alle blanken en zwarten over één kam te scheren en we vinden het juist heel verstandig als iemand er op wijst dat het zo eenvoudig niet zit. We vinden het kortzichtig om te denken dat alleen witte mensen racistisch zijn en vinden het heel doortastend als iemand voorbeelden aandraagt van zwart racisme om dat standpunt te nuanceren. Nuance is het mooiste meisje uit de klas, terwijl we collectief op polarisatie neerkijken -zij is gewoon te lelijk en te brutaal.

Hoe komt dat toch? Misschien staat nuance hoger in aanzien omdat het de angel uit een standpunt haalt waar we oncomfortabel mee waren. We voelen ons gewoon beter als nuance haar werk gedaan heeft. Of misschien ligt het genuanceerde standpunt gewoon bijna altijd dichter bij de waarheid dan de extremen waarop het gebaseerd is en vinden we nuance daarom beter. Of misschien vinden we het zelf fijn om genuanceerd te zijn: met nuance in de hand sta je immers altijd aan de redelijke kant en niet op de plek waar de klappen vallen.

Wat er ook achter zit: ik denk dat die eenzijdige waardering voor nuance ons niet helpt. Het is tijd de polarisatie te herwaarderen. Het zijn immers de polen die het debat maken: ongenuanceerde standpunten vormen bakens waardoor het speelveld voor nuance bepaald wordt. De nuance zelf is niet meer dan een mediator die een dikke boterham verdient aan twee strijdende partijen. Ze staat aan de goede kant, maar alleen bij gratie van de onhoudbare posities waar ze een weg tussen zoekt. Toegegeven: dat maakt haar broodnodig, maar niet harder nodig dan de polarisatie waar ze tegenwicht aan bied.

Alles goed en wel zul je zeggen: maar is het alternatief niet eeuwige polarisatie? Belanden we, zonder nuance, niet in een langdurige loopgravenoorlog, waar niemand ooit uit zijn eigen fort van overtuigingen geholpen wordt? Is nuance niet de vredesduif die we nodig hebben het debat uiteindelijk te beslechten?

Ik denk van niet. Nuance kan best een rol spelen heeft in het maatschappelijk debat, maar niet om het te definitief te beslechten. Een collectief “het zit nu eenmaal complex in elkaar dus laten we de gulden middenweg zoeken” heb ik in ieder geval zelden meegemaakt. Ik denk dat we verder komen als we nuance gebruiken als opmaat naar een nieuw debat langs andere lijnen. Ik heb niets tegen auteurs die laten zien dat de extremen in het debat niet deugen of dat ze te simplistisch zijn. Maar als lezer moeten we ons, na de eerste opluchting, afvragen of de auteur meer te bieden heeft dan plotselinge redelijkheid. Draagt hij of zij ook nieuwe zienswijzen en standpunten aan? Worden er nieuwe posities ingenomen waardoor het speelveld veranderd? Want het is volgens mij die verschuiving die het debat verder brengt, niet de nuance die er aan vooraf gaat.

Meer lezen?

Ik schreef al eens over de rol van (nieuwe) taal in het maatschappelijke debat in betekenisdrift. Ook mijn blogjes eerlijk vergelijken en groepsidentificaties gaan over kennis in het maatschappelijke debat.

Het stuk van Herman Vuijsje is hier te vinden. Overigens vind ik dat hij wel degelijk ook beantwoord aan mijn laatste oproep om de debatbakens te verzetten, alleen springt dat wat minder in het oog.

Samenloop

“Vind je dat niet een beetje link?”, vroeg ik een collega toen hij een stapel stenen soepkommen op de rand van een balustrade plaatste. Een verdieping lager was een ruimte met flexplekken voor studenten. Het is al jaren geleden, maar zijn antwoord is me altijd bijgebleven. “Verantwoordelijkheid is een netwerk” zei hij. Hij bedoelde iets in deze geest: elke gebeurtenis is een samenloop van omstandigheden; er ligt een keten van oorzaken aan ten grondslag.

Stel je voor dat de soepkommen van de rand zouden vallen en een student zouden verwonden. Dat komt net zo goed door diegene die ze van de balustrade afstoot als door diegene die ze er opgezet heeft; of door de student die op zo’n onhandig plek is gaan zitten: of door de catering die met stenen in plaats van met plastic soepkoppen werkt; of de collega die ze zag staan en ze niet weghaalde; of door de architect die de flexplekken onder zo’n potentieel gevaarlijke richel geplaatst heeft. En zo kun je nog wel even doorgaan. De meeste oorzaken zijn ook maar als gevolg begonnen. Ik heb er maar even een tekening van gemaakt.

netwerk droog

Dit plaatje is op zichzelf niet eens zo heel interessant. Maar, het punt is dat je voor elke gebeurtenis die je kan bedenken zo’n plaatje kan tekenen. Er zijn meerdere oorzaken aan te wijzen voor het feit dat je vanochtend wakker werd, dat je thee minder heet is dan je zou verwachten, dat de zon schijnt en dat je dit blogje leest – en aan elk van die oorzaken zit weer een keten van oorzaken vast. Alles wat er gebeurd is met elkaar verbonden.

Op dat feit kan je prima een hele spirituele gedachtegang bouwen, maar vaak zit het ons nogal in de weg. Ons brein wil de complexiteit van het hele netwerk dat aan een gebeurtenis ten grondslag ligt graag terugbrengen tot één of, heel misschien, twéé oorzaken.

Misschien heb je in het voorbeeld hierboven -zo ongeveer toen ik over de verantwoordelijkheid van de architect begon – wel gedacht: maar dat is wel heel erg ver gezocht. Dat is precies wat ik bedoel. Je brein werd wanhopig van de uitgebreidheid van de keten van oorzaken die ik aandroeg en probeerde er alles aan te doen om het klein te houden. Misschien is het daar nog mee bezig. Dat snap ik best.

Ik geef je ook geen ongelijk. Het denkt gewoon een stuk vlotter met eenvoudige voorstellingen van zaken dan met complexe. Dus …: hoe perk je je in?

Één manier is om alleen directe oorzaken aan te wijzen. Je begint  bij de gebeurtenis zelf en telt alleen die dingen die daar direct toe geleid hebben mee. Dit lijkt heel zuiver. Een besluit van je baas veroorzaakt loonsverhoging; een virus veroorzaakt verkoudheid. Het probleem is dat dit vaak heel onbevredigend is. In het soepkoppen voorbeeld is het omgooien van de soepkoppen een directe oorzaak, het gevaarlijk wegzetten niet. Als iemand met zijn dronken kop tegen een boom rijdt is een stuurfout de directe oorzaak, niet het dronkenschap. En… waarom besloot je baas eigenlijk tot loonsverhoging? Bij een directe-oorzaken-strategie vallen die dingen die we het meest belangrijk of interessant vinden vaak juist buiten beschouwing. Meestal, zeker in het geval van een loonsverhoging, vinden we de diepere oorzaken belangrijker.

Het kan dan een betere strategie zijn om een cirkel van invloed te tekenen. Bij een cirkel van invloed kijk je niet zozeer naar de hele samenloop van omstandigheden, maar naar dat stuk dat onder jouw invloed staat. Mijn collega kon niet zorgen voor plastic koppen, maar wel zorgen dat hij de stenen versies niet zo enorm gevaarlijk wegzette. De architect kon het gedrag van de catering, of mijn collega, niet veranderen, maar kon wel zorgen dat dit soort gevaarlijke situaties onwaarschijnlijk werden. Als iedereen nu vanuit zijn of haar cirkel van invloed het goede deed was de wereld een paradijs.

Of, nou ja, misschien ook niet. Het cirkel-van-invloed denken is een handig benadering en het zou waarschijnlijk wel werken als we allemaal dezelfde doelen nastreefden, maar dat is niet zo. Hierdoor maken we voortdurend de verkeerde inschattingen over de grootte van onze cirkel van invloed.

Het probleem is dat iedere beslissing een verandering teweeg kan brengen in meerdere cirkels-van-invloed tegelijk. Als de architect uit het soepkommenvoorbeeld rekening moet houden met elke oen die later in zijn gebouw gaat werken en elke gevaarlijke situatie wil voorkomen, dan neemt hij veiligheid heel serieus. Maar, je kunt op je vingers natellen dat er een draak van een gebouw uit komt. Hij tekent een grote ‘veiligheidscirkel-van-invloed’, maar dat gaat ten koste van zijn ‘leefbaarheidscrikel-van-invloed’ of zijn ‘kostencirkel-van-invloed’. Een duivels dilemma.

De andere kant van die medaille is dat als niemand buiten zijn cirkeltje durft te kijken, we de problemen met diepere oorzaken niet op kunnen lossen. We kunnen als consumenten duurzame boodschappen doen zoveel we willen, als we niet òòk zorgen dat het bedrijfsleven en de politiek hun verantwoordelijkheden nemen kunnen we de klimaatverandering niet oplossen. We moeten buiten onze normale cirkel van invloed opereren omdat andere partijen andere doelen nastreven dan wij. Lastig.

Gelukkig is er nog een derde strategie over. Je kunt ontrafelen. Heel zorgvuldig breng je het totale netwerk van oorzaken in kaart, van elke oorzaak stel je vast hoe direct, beïnvloedbaar en belangrijk die is en dan kun je een zorgvuldige afweging maken over welke combinatie van strategieën het makkelijkst kan voorkomen dat er een soepkom op het hoofd van een student valt.

Ik kom die strategie soms tegen bij historici, die allerlei omstandigheden aanwijzen die geleid hebben tot een bepaalde gebeurtenis in de geschiedenis of bij sociale wetenschappers die een heel netwerk van psychologische of sociale mechanismen proberen bloot te leggen en soms ook proberen door te meten. De gedachte is dat als je eerst een overzicht schetst van alle oorzaken en hun invloeden, dat je daarna kunt beslissen wat doorslaggevend is. Wacht! Dit teken ik ook even uit.

netwerk ontrafelt

Mooi hè? Als je dat je door dit plaatje ineens het licht ziet en roept: “oh zó zit het dus met die gevaarlijke soepkommen”, hoor je waarschijnlijk bij de uitzonderingen. Omdat de ontrafelstrategie alle verbanden ook nog eens van een gewicht voorziet maakt deze het vaak eerder ingewikkelder dan eenvoudiger. Je ziet eigenlijk door de rafels het netwerk niet meer.

Is er dan niets aan te doen? Nee, denk ik. Dat bijna elke gebeurtenis een gevolg is van een samenloop van omstandigheden, waar we ons hoofd nooit helemaal omheen krijgen, is iets waar we mee moeten leren leven. Als de wereld te ingewikkeld voor ons is, moeten we met een eenvoudige versie werken. Maar wat we wèl kunnen doen is onthouden dàt we het doen. Niemand heeft de keten van oorzaken op de juiste manier in kaart, ook de ontrafelaars niet en niemand kan een monopolie hebben op een oplossing. Dat is misschien een ontnuchterende gedachte, maar van een handjevol bescheidenheid is nog nooit iemand dood gegaan.

Oh…. en die soepkommen hebben we natuurlijk gewoon weer veilig weggezet.

Meer lezen?

In verkoudheid besprak ik al eens hoe discussies mis kunnen lopen als we  vergeten dat dingen een samenloop van omstandigheden kunnen zijn. In groepsidentificaties en eerlijk vergelijken bespreek ik andere dingen die mis kunnen gaan in het alledaagse redeneren.

Tijdmeters

Hoe wapenen wetenschappers zich tegen de tijd? In mijn vorige blogje betoogde ik dat wetenschappelijke kennis een halfwaardetijd heeft: hoe belangwekkend een vinding ook is, over tijd wordt de waarde ervan langzaam minder. Hierdoor zitten onderzoekers in een lastig spanningsveld.

Immers:

1 het kost (veel) tijd en moeite om aan nieuwe kennis te komen

2 die kennis gaat maar een beperkte tijd mee

Hoe gaan ze daar eigenlijk mee om? Hoe zorgen ze dat de kennis die ze opleveren de moeite waard is, ook als ze een houdbaarheidsdatum heeft?  Ik denk dat er een paar strategieën te bedenken zijn die onderzoekers tot hun beschikking staan. Je zou aan elke strategie een type onderzoeker kunnen toekennen en misschien ook van elke strategie kunnen zeggen in welke disciplines ze het meest gangbaar zijn, maar ik denk dat de meeste onderzoekers een combinatie van deze strategieën gebruiken.

1 De fundamentswerker: richt je op het ontwikkelen van fundamentele kennis

Zou het niet wat zijn om zoiets als de evolutietheorie of de wetten van de logica ontdekt te hebben? Het fijne van het ontwikkelen van dit soort fundamentele kennis is dat deze op allerlei problemen toepasselijk is en daardoor ook lang meegaat. Deze theorieën hebben een lange halfwaardetijd, waardoor het de moeite waard kan zijn om veel te investeren in het maken ervan.

Jammer genoeg komen deze fundamentswerkers, verschillende hindernissen tegen. Zo is het een strategie met een hoog risico. Ik zou helemaal niet durven beweren dat fundamentele kennis in het algemeen een langere halfwaardetijd heeft dan toegepaste kennis in het algemeen. Dan moet je ook alle fundamentele theorieën meetellen die ooit bedacht zijn, maar die al snel niet bleken te kloppen of die niemand ooit begrepen heeft waardoor toepassingen uitbleven. Het is dus een beetje alles of niets: als het lukt gaat je theorie een hele tijd mee, maar verreweg de meeste fundamentele theorieën die bedacht zijn, zijn nooit of amper gebruikt.

Een tweede nadeel van deze strategie is dat fundamentele kennis vaak abstract en algemeen is. Daardoor is ze niet direct toepasbaar en haar toepasbaarheid is moeilijk te voorspellen. Als je een onderzoeker op radio geprikkeld hoort reageren op de vraag naar (latere) toepassingen van een onderzoeksprogramma dan weet je bijna zeker dat je met een fundamentswerker te maken hebt. Voor dit soort onderzoekers leiden toepassingen immers alleen maar af van de kern van de zaak. Toch is de vraag naar mogelijke toepassingen een goede vraag die een doordacht en concreet antwoord verdiend. Fundamentele kennis ontleent zijn waarde namelijk aan toepassingen; een toepassing zonder fundament is een heel stuk waardevoller dan een fundament zonder toepassingen.

2 De tijdreiziger: richt je op toepassingen die ver in de toekomst liggen

Een alternatieve strategie, die door engineers veel wordt toegepast, is om je op een verre toekomst te richten. Voor dit soort onderzoekers tellen toepassingen wel degelijk, dus proberen ze op een andere manier tijd te winnen. Dit doen ze door alvast vooruit te werken; aan een toepassing die “ergens in de toekomst” mogelijk kan worden. Hoe verder dat punt in de toekomst ligt hoe meer tijd de onderzoekers kunnen steken in het ontwikkelen van de kennis die er voor nodig is.

Er zijn drie overduidelijke nadelen aan deze strategie die alledrie te maken hebben met het feit dat de toekomst nu eenmaal onvoorspelbaar is.

Het eerst nadeel dat deze tijdreizigers hebben is dus dat de toepassing waar je aan werkt er misschien wel nooit gaat komen. Veel onderzoekers brengen tegen dit bezwaar dat de kennis die voor de ene toepassing ontwikkeld wordt ook heel nuttig kan zijn bij het maken van andere toepassingen. Helaas kleven er aan dit tegenargument dezelfde bezwaren als aan fundamenteel onderzoek. Dat er wel eens nuttige kennis gekomen is uit het maken van nutteloze toepassingen betekent nog niet dat het in het algemeen een effectieve manier is om aan je kennis te komen. Daarvoor zijn er gewoon teveel mislukkingen.

Het tweede nadeel is dat de technologie die beschikbaar is op het moment dat de toepassing er komt niet de technologie is die je nu moet gebruiken om de toepassing te demonstreren. Het zou dus zomaar kunnen zijn dat de kennis die je nu ontwikkeld niet de kennis is waarmee de uiteindelijke toepassing mogelijk wordt.

Het derde nadeel is dat niet alleen de komst van je toepassing zelf en de technologie waarmee die gerealiseerd moet worden onzeker is, maar ook toepassingscontext waar je het ding voor maakt veranderd. Mensen krijgen andere behoeftes en er komen andere technische mogelijkheden waardoor je toepassing overbodig. .Je kunt aan een toepassing voor het jaar 2300 werken zoveel je wilt, maar of mensen in dat jaar echt zitten te wachten op hydrofibrilators is natuurlijk maar de vraag. We bedenken oplossingen voor de wereld van nu, maar in de toekomst zijn andere problemen waarschijnlijk belangrijker.

3 De ontdekkingsreiziger: zoek onbekend terrein op.

De eerste twee strategieën richtten zich er op om kennis op te leveren die lang mee kan, maar je kan ook proberen om sneller aan nieuwe kennis te komen.

Één manier om dat te doen is om volledig onbekend terrein op te zoeken. Als je aan een heel nieuw onderwerp werkt is elk nieuw inzicht een belangrijke ontdekking. Bovendien zullen anderen, zodra die zich op het door jou gevonden, gemaakte of verzonnen terrein begeven, jouw kennis als leidraad nemen. Wat volledig onbekend terrein is veranderd steeds. Vlak na de oorlog was werk aan computers helemaal nieuw, enkele jaren terug was neuropsychologie zo’n onontgonnen terrein.

Maar ook deze wetenschappelijke ontdekkingsrezigers staan bloot aan verschillende gevaren. Zo kan het zijn dat niemand ooit geïnteresseerd raakt in jouw stukje van de kenniswereld. Of, wat vaker voorkomt, dat een andere onderzoeker hetzelfde terrein verkend zonder te weten dat jij er al ooit geweest bent. Een beetje zoals captain Cook na Abel Tasman opnieuw Nieuw Zeeland ontdekte, maar, in tegenstelling tot Tasman, die gewoon weer weggevaren was, er wel een kolonie stichtte. Tot slot kan de toegankelijkheid van het nieuwe terrein natuurlijk tegenvallen. De subjectieve beleving van huisvliegen is een erg interessant nieuw studieterrein, waar elk inzicht belangwekkend is, maar het blijkt toch nog knap lastig die eerste stapjes te zetten.

4 De kennismakelaar: spreek nieuwe doelgroepen aan met bestaande kennis.

Een laatste strategie is om kennis op een slimme manier te hergebruiken. De wetenschap is een verkokerde wereld waar groepen wetenschappers onafhankelijk van elkaar aan gelijksoortige problemen werken, vaak zonder oog te hebben voor elkaars werk. Een strategie is dus om kennis uit een ander, vergelijkbaar, vakgebied toegankelijk te maken voor onderzoekers in je eigen vakgebied, door het op een slimme manier te herverpakken.

Ook deze kennismakelaars komen hobbels op de weg tegen. Zo kan het voorkomen dat de herverpakte kennis helemaal niet herkend wordt als de oplossing voor een probleem in het eigen vakgebied. Of dat erkenning voor het overbruggen van de twee vakgebieden uitblijft: de kennismakelaar zit immers ook tussen twee gemeenschappen in maakt van beide niet echt volwaardig deel uit. En dan is er nog het probleem dat als de brug naar een aanpalend vakgebied eenmaal geslagen is anderen ook gemakkelijker de weg zullen kunnen vinden. Waardoor die eerste brug ook weer snel achterhaald kan zijn.

Tot slot

Ik ben bij het schrijven van dit blogje steeds uitgegaan van wetenschappers, maar ik denk dat een veel bredere groep kenniswerkers dit spanningsveld zullen herkennen. Een compleet overzicht is dit dus zeker niet. Als je vanuit je eigen praktijk dingen toe te voegen hebt dat houd ik me erg aanbevolen!

Meer lezen?

Dit blogje is een vervolg op mijn blogje over halfwaardetijd. Ik schreef eerder impliciet over ontdekkingsreizigers en kennismakelaars in helpt specialiseren. De explosieve groei van wetenschap maakt de tijdsklem alleen maar nijpender. Iets wat ik in Big Science al besprak. In stokoude kennis ging ik in op de mythe dat kennis tijdloos is.

De titel van dit blogje is geleend van de gelijknamige roman van David Mitchell waarin twee rivaliserende groepen verschillende (magische) stratgieën toepassen om het eeuwige leven te hebben en zo aan de tand-des-tijds te ontsnappen. Het leek me niet zo passen om in dit blogje in te gaan op het boek zelf, maar het is zeker lezenswaardig. Het woord hidrofibrilator leende ik uit een liedje Waar blijft de tijd? van Kees Torn.

Halfwaardetijd

“Engineers zijn zich bijvoorbeeld veel bewuster van zoiets als de halfwaardetijd van kennis…”. Een professor uit mijn vakgroep wees me op een vrij onschuldige manier op het idee dat kennis, ook wetenschappelijke kennis, een houdbaarheidsdatum heeft.

Nu is dat misschien ook geen wereldschokkend idee. Iedereen die wel eens een dieet gevolgd heeft weet dat “nieuwe inzichten” elkaar snel kunnen opvolgen. Vijf jaar terug werd je nog vooral dik van vetten, tegenwoordig is het vooral suiker en snelle koolhydraten waar je voor op moet passen. Dieetkennis is in no-time achterhaald.

Toch was het voor mij destijds een eye-opener. Ik herkende wel dat wetenschap een race tegen de klok was, maar die race draaide er voor mij hooguit om om het eerst bij de nieuwe inzichten te zijn. Maar de eerste zijn is maar de één kant van de zaak. Je kunt ook het langst overblijven. Of als je het minder goed doet kun je als onderzoeker van achter ingehaald worden door nieuwe of betere inzichten. Wetenschappers hebben strategieën nodig om snel aan nieuwe inzichten te komen, maar ze moeten ook zorgen dat ze de vergetelheid te slim af zijn.

In mijn ervaring houden wetenschappers ook niet van het idee dat de kennis die zij ontwikkelen snel weer achterhaald kan zijn. Daarvoor kost het ontwikkelen van nieuwe inzichten te veel moeite. Alleen al het bouwen van de deeltjesversneller waarmee het Higgs Boson ontdekt is koste meer dan dertig jaar. Daarmee hadden ze het Higgs-deeltje, nog niet gemaakt en al helemaal niet gemeten dat het er echt was. Als je zoveel moeite steekt in het verkrijgen van kennis is het wel zo fijn als die ook een tijdje beklijft.

Nu zullen juist de ontdekkers van het Higgs Boson niet vaak stil staan bij de kans dat binnenkort niemand meer om het deeltje maalt. Het zijn immers wetenschappers. Ik weet niet hoe dieetgoeroes over de houdbaarheid van hun kennis nadenken, maar wetenschappers vormen een beroepsgroep die bij uitstek opgegroeid zijn met het idee dat kennis tijdloos is.

De wiskunde die ze gebruiken stamt immers van Euclides (300 voor Christus); het beeld van het heelal van Copernicus (1550) en Galileï (1600); veel van de Natuurkunde komt van Newton (1700) – en ga zo maar door. Bijna elke wetenschappelijke theorie bouwt voort op een lange traditie van denkers en ideeën. Als daar niet uit te lezen valt dat kennis tijdloos is, dan toch dat goede kennis tijdloos is. Ook veel van de begrippen die we voor wetenschappelijke kennis gebruiken zoals “ontdekking” of “natuurwet” hebben een air van tijdloosheid over zich. Het Higgs Boson kan toch maar één keer ontdekt worden? Hoezo dan halfwaardetijd?

Dat heeft dus met de vergetelheid te maken. Het begrip halfwaardetijd komt uit de natuurkunde en staat voor de tijd die een radioactief element nodig heeft om half zo actief te worden. Die tijd kan erg kort zijn: voor sommige elementen enkele milliseconden of erg lang: Uranium 385, het element dat in kerncentrales gebruikt wordt, heeft een halfwaardetijd van 700 miljoen jaar.

Dit idee van langzaam steeds minder actief worden kun je ook op kennis toepassen. De nieuwe kennis die wetenschappers ontsluiten verliest in de loop der tijd zijn waarde doordat ze steeds minder (her)gebruikt wordt. De halfwaardetijd van nieuwe kennis is dus de tijd voordat deze kennis nog maar half zo relevant is voor de wetenschappers van nu. Euclides wiskunde bleek een lange halfwaardetijd te hebben, terwijl veel van de natuurkunde die Aristoteles omwikkelde het minder lang heeft uitgehouden. Geen van deze theorieën komen in de buurt van de halfwaardetijd van Uranium.

Ik vond het idee van halfwaardetijd van kennis wat ongemakkelijk, maar ook inzichtelijk en nuttig. Het is vast zo dat het Higgs Boson maar één keer ontdekt wordt, maar de theorie waar het deel van uit maakt, nu zo’n 50 jaar oud, heeft misschien zijn langste tijd al gehad; ontdekking van het Boson of niet. Zo gaat het met de meeste kennis. Theorieën blijken bij nader inzien onhoudbaar, ze worden vervangen door andere theorieën, of de vraagstukken waar ze over gaan raken simpelweg uit de mode. Soms is dat, ironisch genoeg, juist omdat er weinig meer aan te ontdekken valt.

Voor wetenschappers, die zoveel moeite doen om aan ‘ware’ kennis te komen en die opgevoed zijn met zoveel helden uit een ver verleden, is het idee dat ware kennis niet hetzelfde is als eeuwige kennis een zure appel om te slikken. Voor de wetenschapper van nu is de kans om de nieuwe Euclides te worden kleiner dan de kans om de loterij te winnen. Maar ze hebben ook strategieën tot hun beschikking, waarmee ze de kans om ingehaald te worden een beetje kleiner maken. Daarover gaat mijn volgende blogje.

Meer lezen?

In een eerder blogje maakte ik al eens gehakt van de mythe van de stokoude kennis die veel wetenschappers aanhangen. In mijn volgende blogje, tijdmeters, bespreek, ik strategieën die onderzoekers van allerlei snit toepassen om met de beperkte houdbaarheid van nieuwe kennis om te gaan.