Nuance

Een klein beetje nuance: ik kan er hevig naar verlangen als ik een tijdje in verhitte discussie zit, maar op andere momenten kan ik nuance enorm vermoeiend vinden. Nuances kunnen als drijfzand zijn: je kunt er gemakkelijk in wegzakken, je kan er in verstrikt raken en ze kunnen je zicht op de zaak behoorlijk vertroebelen. Ik vraag me dus vaak af of genuanceerdheid niet enorm wordt overgewaardeerd. Ik moest hier aan denken toen ik, nota bene midden in de jaarlijkse zwartepietendiscussie, een stuk van Herman Vuijsje las over het racismedebat in Nederland.

Een goed stuk hoor, daar niet van. Aan de hand van 10 dogma’s laat Vuijsje zien welke misvattingen de polarisatie in het Nederlandse racismedebat aanjagen. We denken volgens Vuijsje in twee kampen ‘zwart’ en ‘wit’, terwijl er in werkelijkheid een veelvoud van meningen zijn die ook nog eens dwars door die kampen heen lopen. We doen alsof racisme alleen de blanken in de genen zit, terwijl racisme in alle bevolkingsgroepen te vinden is. We maken slecht onderscheid tussen wat er op internet gezegd en hoe er in werkelijkheid over racisme gedacht wordt… en ga zo maar even door.

Het hele stuk door laat Vuijsje zien hoe we de genuanceerde waarheid geweld aan doen door dingen eenvoudiger en gepolariseerder voor te stellen dan ze werkelijk zijn; en zo komen we natuurlijk niet verder in het debat. Daar zou hij best gelijk in kunnen hebben, maar ik vraag me op mijn beurt af of de genuanceerde standpunten die Vuijsje als alternatief aandraagt dan wèl zo behulpzaam zijn.

Want stel je het racismedebat eens in alle nuance voor. We zouden met elkaar moeten spreken over hoe sommige mensen anders behandeld worden door sommige andere mensen; om redenen die soms wel en soms ook niet helemaal racistisch van aard zijn; en hoe we dat eventueel beter zouden kunnen aanpakken met zijn allen; of ten minste met sommigen van ons.

Precies. Dat is geen debat, dat is een brij. Het probleem met nuance is dat het niet zonder tegenpolen kan. Een genuanceerde mening is altijd een middenweg tussen uitersten – en ze is alleen waardevol als middenweg tussen uitersten. Het heeft weinig zin om te weten dat de waarheid in het midden ligt als je niet weet tussen welke uitersten je dat midden moet zoeken. Nuance kan dus niet zonder polarisatie. Die hebben elkaar nodig als yin en yang: de een betekent niets zonder de ander.

Maar, onrechtvaardig genoeg heeft polarisatie een slechte naam en nuance een goede. We vinden het dom en naïef om alle blanken en zwarten over één kam te scheren en we vinden het juist heel verstandig als iemand er op wijst dat het zo eenvoudig niet zit. We vinden het kortzichtig om te denken dat alleen witte mensen racistisch zijn en vinden het heel doortastend als iemand voorbeelden aandraagt van zwart racisme om dat standpunt te nuanceren. Nuance is het mooiste meisje uit de klas, terwijl we collectief op polarisatie neerkijken -zij is gewoon te lelijk en te brutaal.

Hoe komt dat toch? Misschien staat nuance hoger in aanzien omdat het de angel uit een standpunt haalt waar we oncomfortabel mee waren. We voelen ons gewoon beter als nuance haar werk gedaan heeft. Of misschien ligt het genuanceerde standpunt gewoon bijna altijd dichter bij de waarheid dan de extremen waarop het gebaseerd is en vinden we nuance daarom beter. Of misschien vinden we het zelf fijn om genuanceerd te zijn: met nuance in de hand sta je immers altijd aan de redelijke kant en niet op de plek waar de klappen vallen.

Wat er ook achter zit: ik denk dat die eenzijdige waardering voor nuance ons niet helpt. Het is tijd de polarisatie te herwaarderen. Het zijn immers de polen die het debat maken: ongenuanceerde standpunten vormen bakens waardoor het speelveld voor nuance bepaald wordt. De nuance zelf is niet meer dan een mediator die een dikke boterham verdient aan twee strijdende partijen. Ze staat aan de goede kant, maar alleen bij gratie van de onhoudbare posities waar ze een weg tussen zoekt. Toegegeven: dat maakt haar broodnodig, maar niet harder nodig dan de polarisatie waar ze tegenwicht aan bied.

Alles goed en wel zul je zeggen: maar is het alternatief niet eeuwige polarisatie? Belanden we, zonder nuance, niet in een langdurige loopgravenoorlog, waar niemand ooit uit zijn eigen fort van overtuigingen geholpen wordt? Is nuance niet de vredesduif die we nodig hebben het debat uiteindelijk te beslechten?

Ik denk van niet. Nuance kan best een rol spelen heeft in het maatschappelijk debat, maar niet om het te definitief te beslechten. Een collectief “het zit nu eenmaal complex in elkaar dus laten we de gulden middenweg zoeken” heb ik in ieder geval zelden meegemaakt. Ik denk dat we verder komen als we nuance gebruiken als opmaat naar een nieuw debat langs andere lijnen. Ik heb niets tegen auteurs die laten zien dat de extremen in het debat niet deugen of dat ze te simplistisch zijn. Maar als lezer moeten we ons, na eerste de opluchting, afvragen of de auteur meer te bieden heeft dan plotselinge redelijkheid. Draagt hij of zij ook nieuwe zienswijzen en standpunten aan? Worden er nieuwe posities ingenomen waardoor het speelveld veranderd? Want het is volgens mij die verschuiving die het debat verder brengt, niet de nuance die er aan vooraf gaat.

Meer lezen?

Ik schreef al eens over de rol van (nieuwe) taal in het maatschappelijke debat in betekenisdrift. Ook mijn blogjes eerlijk vergelijken en groepsidentificaties gaan over kennis in het maatschappelijke debat.

Het stuk van Herman Vuijsje is hier te vinden. Overigens vind ik dat hij wel degelijk ook beantwoord aan mijn laatste oproep om de debatbakens te verzetten, alleen springt dat wat minder in het oog.

Samenloop

“Vind je dat niet een beetje link?”, vroeg ik een collega toen hij een stapel stenen soepkommen op de rand van een balustrade plaatste. Een verdieping lager was een ruimte met flexplekken voor studenten. Het is al jaren geleden, maar zijn antwoord is me altijd bijgebleven. “Verantwoordelijkheid is een netwerk” zei hij. Hij bedoelde iets in deze geest: elke gebeurtenis is een samenloop van omstandigheden; er ligt een keten van oorzaken aan ten grondslag.

Stel je voor dat de soepkommen van de rand zouden vallen en een student zouden verwonden. Dat komt net zo goed door diegene die ze van de balustrade afstoot als door diegene die ze er opgezet heeft; of door de student die op zo’n onhandig plek is gaan zitten: of door de catering die met stenen in plaats van met plastic soepkoppen werkt; of de collega die ze zag staan en ze niet weghaalde; of door de architect die de flexplekken onder zo’n potentieel gevaarlijke richel geplaatst heeft. En zo kun je nog wel even doorgaan. De meeste oorzaken zijn ook maar als gevolg begonnen. Ik heb er maar even een tekening van gemaakt.

netwerk droog

Dit plaatje is op zichzelf niet eens zo heel interessant. Maar, het punt is dat je voor elke gebeurtenis die je kan bedenken zo’n plaatje kan tekenen. Er zijn meerdere oorzaken aan te wijzen voor het feit dat je vanochtend wakker werd, dat je thee minder heet is dan je zou verwachten, dat de zon schijnt en dat je dit blogje leest – en aan elk van die oorzaken zit weer een keten van oorzaken vast. Alles wat er gebeurd is met elkaar verbonden.

Op dat feit kan je prima een hele spirituele gedachtegang bouwen, maar vaak zit het ons nogal in de weg. Ons brein wil de complexiteit van het hele netwerk dat aan een gebeurtenis ten grondslag ligt graag terugbrengen tot één of, heel misschien, twéé oorzaken.

Misschien heb je in het voorbeeld hierboven -zo ongeveer toen ik over de verantwoordelijkheid van de architect begon – wel gedacht: maar dat is wel heel erg ver gezocht. Dat is precies wat ik bedoel. Je brein werd wanhopig van de uitgebreidheid van de keten van oorzaken die ik aandroeg en probeerde er alles aan te doen om het klein te houden. Misschien is het daar nog mee bezig. Dat snap ik best.

Ik geef je ook geen ongelijk. Het denkt gewoon een stuk vlotter met eenvoudige voorstellingen van zaken dan met complexe. Dus …: hoe perk je je in?

Één manier is om alleen directe oorzaken aan te wijzen. Je begint  bij de gebeurtenis zelf en telt alleen die dingen die daar direct toe geleid hebben mee. Dit lijkt heel zuiver. Een besluit van je baas veroorzaakt loonsverhoging; een virus veroorzaakt verkoudheid. Het probleem is dat dit vaak heel onbevredigend is. In het soepkoppen voorbeeld is het omgooien van de soepkoppen een directe oorzaak, het gevaarlijk wegzetten niet. Als iemand met zijn dronken kop tegen een boom rijdt is een stuurfout de directe oorzaak, niet het dronkenschap. En… waarom besloot je baas eigenlijk tot loonsverhoging? Bij een directe-oorzaken-strategie vallen die dingen die we het meest belangrijk of interessant vinden vaak juist buiten beschouwing. Meestal, zeker in het geval van een loonsverhoging, vinden we de diepere oorzaken belangrijker.

Het kan dan een betere strategie zijn om een cirkel van invloed te tekenen. Bij een cirkel van invloed kijk je niet zozeer naar de hele samenloop van omstandigheden, maar naar dat stuk dat onder jouw invloed staat. Mijn collega kon niet zorgen voor plastic koppen, maar wel zorgen dat hij de stenen versies niet zo enorm gevaarlijk wegzette. De architect kon het gedrag van de catering, of mijn collega, niet veranderen, maar kon wel zorgen dat dit soort gevaarlijke situaties onwaarschijnlijk werden. Als iedereen nu vanuit zijn of haar cirkel van invloed het goede deed was de wereld een paradijs.

Of, nou ja, misschien ook niet. Het cirkel-van-invloed denken is een handig benadering en het zou waarschijnlijk wel werken als we allemaal dezelfde doelen nastreefden, maar dat is niet zo. Hierdoor maken we voortdurend de verkeerde inschattingen over de grootte van onze cirkel van invloed.

Het probleem is dat iedere beslissing een verandering teweeg kan brengen in meerdere cirkels-van-invloed tegelijk. Als de architect uit het soepkommenvoorbeeld rekening moet houden met elke oen die later in zijn gebouw gaat werken en elke gevaarlijke situatie wil voorkomen, dan neemt hij veiligheid heel serieus. Maar, je kunt op je vingers natellen dat er een draak van een gebouw uit komt. Hij tekent een grote ‘veiligheidscirkel-van-invloed’, maar dat gaat ten koste van zijn ‘leefbaarheidscrikel-van-invloed’ of zijn ‘kostencirkel-van-invloed’. Een duivels dilemma.

De andere kant van die medaille is dat als niemand buiten zijn cirkeltje durft te kijken, we de problemen met diepere oorzaken niet op kunnen lossen. We kunnen als consumenten duurzame boodschappen doen zoveel we willen, als we niet òòk zorgen dat het bedrijfsleven en de politiek hun verantwoordelijkheden nemen kunnen we de klimaatverandering niet oplossen. We moeten buiten onze normale cirkel van invloed opereren omdat andere partijen andere doelen nastreven dan wij. Lastig.

Gelukkig is er nog een derde strategie over. Je kunt ontrafelen. Heel zorgvuldig breng je het totale netwerk van oorzaken in kaart, van elke oorzaak stel je vast hoe direct, beïnvloedbaar en belangrijk die is en dan kun je een zorgvuldige afweging maken over welke combinatie van strategieën het makkelijkst kan voorkomen dat er een soepkom op het hoofd van een student valt.

Ik kom die strategie soms tegen bij historici, die allerlei omstandigheden aanwijzen die geleid hebben tot een bepaalde gebeurtenis in de geschiedenis of bij sociale wetenschappers die een heel netwerk van psychologische of sociale mechanismen proberen bloot te leggen en soms ook proberen door te meten. De gedachte is dat als je eerst een overzicht schetst van alle oorzaken en hun invloeden, dat je daarna kunt beslissen wat doorslaggevend is. Wacht! Dit teken ik ook even uit.

netwerk ontrafelt

Mooi hè? Als je dat je door dit plaatje ineens het licht ziet en roept: “oh zó zit het dus met die gevaarlijke soepkommen”, hoor je waarschijnlijk bij de uitzonderingen. Omdat de ontrafelstrategie alle verbanden ook nog eens van een gewicht voorziet maakt deze het vaak eerder ingewikkelder dan eenvoudiger. Je ziet eigenlijk door de rafels het netwerk niet meer.

Is er dan niets aan te doen? Nee, denk ik. Dat bijna elke gebeurtenis een gevolg is van een samenloop van omstandigheden, waar we ons hoofd nooit helemaal omheen krijgen, is iets waar we mee moeten leren leven. Als de wereld te ingewikkeld voor ons is, moeten we met een eenvoudige versie werken. Maar wat we wèl kunnen doen is onthouden dàt we het doen. Niemand heeft de keten van oorzaken op de juiste manier in kaart, ook de ontrafelaars niet en niemand kan een monopolie hebben op een oplossing. Dat is misschien een ontnuchterende gedachte, maar van een handjevol bescheidenheid is nog nooit iemand dood gegaan.

Oh…. en die soepkommen hebben we natuurlijk gewoon weer veilig weggezet.

Meer lezen?

In verkoudheid besprak ik al eens hoe discussies mis kunnen lopen als we  vergeten dat dingen een samenloop van omstandigheden kunnen zijn. In groepsidentificaties en eerlijk vergelijken bespreek ik andere dingen die mis kunnen gaan in het alledaagse redeneren.

Tijdmeters

Hoe wapenen wetenschappers zich tegen de tijd? In mijn vorige blogje betoogde ik dat wetenschappelijke kennis een halfwaardetijd heeft: hoe belangwekkend een vinding ook is, over tijd wordt de waarde ervan langzaam minder. Hierdoor zitten onderzoekers in een lastig spanningsveld.

Immers:

1 het kost (veel) tijd en moeite om aan nieuwe kennis te komen

2 die kennis gaat maar een beperkte tijd mee

Hoe gaan ze daar eigenlijk mee om? Hoe zorgen ze dat de kennis die ze opleveren de moeite waard is, ook als ze een houdbaarheidsdatum heeft?  Ik denk dat er een paar strategieën te bedenken zijn die onderzoekers tot hun beschikking staan. Je zou aan elke strategie een type onderzoeker kunnen toekennen en misschien ook van elke strategie kunnen zeggen in welke disciplines ze het meest gangbaar zijn, maar ik denk dat de meeste onderzoekers een combinatie van deze strategieën gebruiken.

1 De fundamentswerker: richt je op het ontwikkelen van fundamentele kennis

Zou het niet wat zijn om zoiets als de evolutietheorie of de wetten van de logica ontdekt te hebben? Het fijne van het ontwikkelen van dit soort fundamentele kennis is dat deze op allerlei problemen toepasselijk is en daardoor ook lang meegaat. Deze theorieën hebben een lange halfwaardetijd, waardoor het de moeite waard kan zijn om veel te investeren in het maken ervan.

Jammer genoeg komen deze fundamentswerkers, verschillende hindernissen tegen. Zo is het een strategie met een hoog risico. Ik zou helemaal niet durven beweren dat fundamentele kennis in het algemeen een langere halfwaardetijd heeft dan toegepaste kennis in het algemeen. Dan moet je ook alle fundamentele theorieën meetellen die ooit bedacht zijn, maar die al snel niet bleken te kloppen of die niemand ooit begrepen heeft waardoor toepassingen uitbleven. Het is dus een beetje alles of niets: als het lukt gaat je theorie een hele tijd mee, maar verreweg de meeste fundamentele theorieën die bedacht zijn, zijn nooit of amper gebruikt.

Een tweede nadeel van deze strategie is dat fundamentele kennis vaak abstract en algemeen is. Daardoor is ze niet direct toepasbaar en haar toepasbaarheid is moeilijk te voorspellen. Als je een onderzoeker op radio geprikkeld hoort reageren op de vraag naar (latere) toepassingen van een onderzoeksprogramma dan weet je bijna zeker dat je met een fundamentswerker te maken hebt. Voor dit soort onderzoekers leiden toepassingen immers alleen maar af van de kern van de zaak. Toch is de vraag naar mogelijke toepassingen een goede vraag die een doordacht en concreet antwoord verdiend. Fundamentele kennis ontleent zijn waarde namelijk aan toepassingen; een toepassing zonder fundament is een heel stuk waardevoller dan een fundament zonder toepassingen.

2 De tijdreiziger: richt je op toepassingen die ver in de toekomst liggen

Een alternatieve strategie, die door engineers veel wordt toegepast, is om je op een verre toekomst te richten. Voor dit soort onderzoekers tellen toepassingen wel degelijk, dus proberen ze op een andere manier tijd te winnen. Dit doen ze door alvast vooruit te werken; aan een toepassing die “ergens in de toekomst” mogelijk kan worden. Hoe verder dat punt in de toekomst ligt hoe meer tijd de onderzoekers kunnen steken in het ontwikkelen van de kennis die er voor nodig is.

Er zijn drie overduidelijke nadelen aan deze strategie die alledrie te maken hebben met het feit dat de toekomst nu eenmaal onvoorspelbaar is.

Het eerst nadeel dat deze tijdreizigers hebben is dus dat de toepassing waar je aan werkt er misschien wel nooit gaat komen. Veel onderzoekers brengen tegen dit bezwaar dat de kennis die voor de ene toepassing ontwikkeld wordt ook heel nuttig kan zijn bij het maken van andere toepassingen. Helaas kleven er aan dit tegenargument dezelfde bezwaren als aan fundamenteel onderzoek. Dat er wel eens nuttige kennis gekomen is uit het maken van nutteloze toepassingen betekent nog niet dat het in het algemeen een effectieve manier is om aan je kennis te komen. Daarvoor zijn er gewoon teveel mislukkingen.

Het tweede nadeel is dat de technologie die beschikbaar is op het moment dat de toepassing er komt niet de technologie is die je nu moet gebruiken om de toepassing te demonstreren. Het zou dus zomaar kunnen zijn dat de kennis die je nu ontwikkeld niet de kennis is waarmee de uiteindelijke toepassing mogelijk wordt.

Het derde nadeel is dat niet alleen de komst van je toepassing zelf en de technologie waarmee die gerealiseerd moet worden onzeker is, maar ook toepassingscontext waar je het ding voor maakt veranderd. Mensen krijgen andere behoeftes en er komen andere technische mogelijkheden waardoor je toepassing overbodig. .Je kunt aan een toepassing voor het jaar 2300 werken zoveel je wilt, maar of mensen in dat jaar echt zitten te wachten op hydrofibrilators is natuurlijk maar de vraag. We bedenken oplossingen voor de wereld van nu, maar in de toekomst zijn andere problemen waarschijnlijk belangrijker.

3 De ontdekkingsreiziger: zoek onbekend terrein op.

De eerste twee strategieën richtten zich er op om kennis op te leveren die lang mee kan, maar je kan ook proberen om sneller aan nieuwe kennis te komen.

Één manier om dat te doen is om volledig onbekend terrein op te zoeken. Als je aan een heel nieuw onderwerp werkt is elk nieuw inzicht een belangrijke ontdekking. Bovendien zullen anderen, zodra die zich op het door jou gevonden, gemaakte of verzonnen terrein begeven, jouw kennis als leidraad nemen. Wat volledig onbekend terrein is veranderd steeds. Vlak na de oorlog was werk aan computers helemaal nieuw, enkele jaren terug was neuropsychologie zo’n onontgonnen terrein.

Maar ook deze wetenschappelijke ontdekkingsrezigers staan bloot aan verschillende gevaren. Zo kan het zijn dat niemand ooit geïnteresseerd raakt in jouw stukje van de kenniswereld. Of, wat vaker voorkomt, dat een andere onderzoeker hetzelfde terrein verkend zonder te weten dat jij er al ooit geweest bent. Een beetje zoals captain Cook na Abel Tasman opnieuw Nieuw Zeeland ontdekte, maar, in tegenstelling tot Tasman, die gewoon weer weggevaren was, er wel een kolonie stichtte. Tot slot kan de toegankelijkheid van het nieuwe terrein natuurlijk tegenvallen. De subjectieve beleving van huisvliegen is een erg interessant nieuw studieterrein, waar elk inzicht belangwekkend is, maar het blijkt toch nog knap lastig die eerste stapjes te zetten.

4 De kennismakelaar: spreek nieuwe doelgroepen aan met bestaande kennis.

Een laatste strategie is om kennis op een slimme manier te hergebruiken. De wetenschap is een verkokerde wereld waar groepen wetenschappers onafhankelijk van elkaar aan gelijksoortige problemen werken, vaak zonder oog te hebben voor elkaars werk. Een strategie is dus om kennis uit een ander, vergelijkbaar, vakgebied toegankelijk te maken voor onderzoekers in je eigen vakgebied, door het op een slimme manier te herverpakken.

Ook deze kennismakelaars komen hobbels op de weg tegen. Zo kan het voorkomen dat de herverpakte kennis helemaal niet herkend wordt als de oplossing voor een probleem in het eigen vakgebied. Of dat erkenning voor het overbruggen van de twee vakgebieden uitblijft: de kennismakelaar zit immers ook tussen twee gemeenschappen in maakt van beide niet echt volwaardig deel uit. En dan is er nog het probleem dat als de brug naar een aanpalend vakgebied eenmaal geslagen is anderen ook gemakkelijker de weg zullen kunnen vinden. Waardoor die eerste brug ook weer snel achterhaald kan zijn.

Tot slot

Ik ben bij het schrijven van dit blogje steeds uitgegaan van wetenschappers, maar ik denk dat een veel bredere groep kenniswerkers dit spanningsveld zullen herkennen. Een compleet overzicht is dit dus zeker niet. Als je vanuit je eigen praktijk dingen toe te voegen hebt dat houd ik me erg aanbevolen!

Meer lezen?

Dit blogje is een vervolg op mijn blogje over halfwaardetijd. Ik schreef eerder impliciet over ontdekkingsreizigers en kennismakelaars in helpt specialiseren. De explosieve groei van wetenschap maakt de tijdsklem alleen maar nijpender. Iets wat ik in Big Science al besprak. In stokoude kennis ging ik in op de mythe dat kennis tijdloos is.

De titel van dit blogje is geleend van de gelijknamige roman van David Mitchell waarin twee rivaliserende groepen verschillende (magische) stratgieën toepassen om het eeuwige leven te hebben en zo aan de tand-des-tijds te ontsnappen. Het leek me niet zo passen om in dit blogje in te gaan op het boek zelf, maar het is zeker lezenswaardig. Het woord hidrofibrilator leende ik uit een liedje Waar blijft de tijd? van Kees Torn.

Halfwaardetijd

“Engineers zijn zich bijvoorbeeld veel bewuster van zoiets als de halfwaardetijd van kennis…”. Een professor uit mijn vakgroep wees me op een vrij onschuldige manier op het idee dat kennis, ook wetenschappelijke kennis, een houdbaarheidsdatum heeft.

Nu is dat misschien ook geen wereldschokkend idee. Iedereen die wel eens een dieet gevolgd heeft weet dat “nieuwe inzichten” elkaar snel kunnen opvolgen. Vijf jaar terug werd je nog vooral dik van vetten, tegenwoordig is het vooral suiker en snelle koolhydraten waar je voor op moet passen. Dieetkennis is in no-time achterhaald.

Toch was het voor mij destijds een eye-opener. Ik herkende wel dat wetenschap een race tegen de klok was, maar die race draaide er voor mij hooguit om om het eerst bij de nieuwe inzichten te zijn. Maar de eerste zijn is maar de één kant van de zaak. Je kunt ook het langst overblijven. Of als je het minder goed doet kun je als onderzoeker van achter ingehaald worden door nieuwe of betere inzichten. Wetenschappers hebben strategieën nodig om snel aan nieuwe inzichten te komen, maar ze moeten ook zorgen dat ze de vergetelheid te slim af zijn.

In mijn ervaring houden wetenschappers ook niet van het idee dat de kennis die zij ontwikkelen snel weer achterhaald kan zijn. Daarvoor kost het ontwikkelen van nieuwe inzichten te veel moeite. Alleen al het bouwen van de deeltjesversneller waarmee het Higgs Boson ontdekt is koste meer dan dertig jaar. Daarmee hadden ze het Higgs-deeltje, nog niet gemaakt en al helemaal niet gemeten dat het er echt was. Als je zoveel moeite steekt in het verkrijgen van kennis is het wel zo fijn als die ook een tijdje beklijft.

Nu zullen juist de ontdekkers van het Higgs Boson niet vaak stil staan bij de kans dat binnenkort niemand meer om het deeltje maalt. Het zijn immers wetenschappers. Ik weet niet hoe dieetgoeroes over de houdbaarheid van hun kennis nadenken, maar wetenschappers vormen een beroepsgroep die bij uitstek opgegroeid zijn met het idee dat kennis tijdloos is.

De wiskunde die ze gebruiken stamt immers van Euclides (300 voor Christus); het beeld van het heelal van Copernicus (1550) en Galileï (1600); veel van de Natuurkunde komt van Newton (1700) – en ga zo maar door. Bijna elke wetenschappelijke theorie bouwt voort op een lange traditie van denkers en ideeën. Als daar niet uit te lezen valt dat kennis tijdloos is, dan toch dat goede kennis tijdloos is. Ook veel van de begrippen die we voor wetenschappelijke kennis gebruiken zoals “ontdekking” of “natuurwet” hebben een air van tijdloosheid over zich. Het Higgs Boson kan toch maar één keer ontdekt worden? Hoezo dan halfwaardetijd?

Dat heeft dus met de vergetelheid te maken. Het begrip halfwaardetijd komt uit de natuurkunde en staat voor de tijd die een radioactief element nodig heeft om half zo actief te worden. Die tijd kan erg kort zijn: voor sommige elementen enkele milliseconden of erg lang: Uranium 385, het element dat in kerncentrales gebruikt wordt, heeft een halfwaardetijd van 700 miljoen jaar.

Dit idee van langzaam steeds minder actief worden kun je ook op kennis toepassen. De nieuwe kennis die wetenschappers ontsluiten verliest in de loop der tijd zijn waarde doordat ze steeds minder (her)gebruikt wordt. De halfwaardetijd van nieuwe kennis is dus de tijd voordat deze kennis nog maar half zo relevant is voor de wetenschappers van nu. Euclides wiskunde bleek een lange halfwaardetijd te hebben, terwijl veel van de natuurkunde die Aristoteles omwikkelde het minder lang heeft uitgehouden. Geen van deze theorieën komen in de buurt van de halfwaardetijd van Uranium.

Ik vond het idee van halfwaardetijd van kennis wat ongemakkelijk, maar ook inzichtelijk en nuttig. Het is vast zo dat het Higgs Boson maar één keer ontdekt wordt, maar de theorie waar het deel van uit maakt, nu zo’n 50 jaar oud, heeft misschien zijn langste tijd al gehad; ontdekking van het Boson of niet. Zo gaat het met de meeste kennis. Theorieën blijken bij nader inzien onhoudbaar, ze worden vervangen door andere theorieën, of de vraagstukken waar ze over gaan raken simpelweg uit de mode. Soms is dat, ironisch genoeg, juist omdat er weinig meer aan te ontdekken valt.

Voor wetenschappers, die zoveel moeite doen om aan ‘ware’ kennis te komen en die opgevoed zijn met zoveel helden uit een ver verleden, is het idee dat ware kennis niet hetzelfde is als eeuwige kennis een zure appel om te slikken. Voor de wetenschapper van nu is de kans om de nieuwe Euclides te worden kleiner dan de kans om de loterij te winnen. Maar ze hebben ook strategieën tot hun beschikking, waarmee ze de kans om ingehaald te worden een beetje kleiner maken. Daarover gaat mijn volgende blogje.

Meer lezen?

In een eerder blogje maakte ik al eens gehakt van de mythe van de stokoude kennis die veel wetenschappers aanhangen. In mijn volgende blogje, tijdmeters, bespreek, ik strategieën die onderzoekers van allerlei snit toepassen om met de beperkte houdbaarheid van nieuwe kennis om te gaan.

Deductie

Volgens mij moeten we het eens hebben over deductie. Deductie is een redeneerwijze die vaak tegenover inductie geplaatst wordt. Deductie heeft een goede naam, maar inductie niet. Dat zit zo: de beroemde filosoof David Hume leverde felle kritiek op inductie. Deductie zag hij als onproblematisch. Zoals ik in mijn vorige blogje al besprak hebben veel filosofen geprobeerd Humes kritiek op inductie te weerleggen. Maar, de vraag of Hume wel gelijk had ten aanzien van deductie wordt veel minder gesteld. Ik denk dat Hume deductie ten onrechte voortrok. Had Hume deze redeneerwijze blootgesteld aan dezelfde kritiek als hij op inductie had, was hij volgens mij tot de conclusie gekomen dat deductieve redeneringen ook niet geldig zijn.

Hoe zat het ook al weer? Deductie is het trekken van conclusies voor concrete gevallen uit algemeen geldende regels. Als ik 100% zeker weet dat alle roze olifantjes nodig moeten plassen en Dumbo is een roze olifantje dan weet ik 100% zeker dat Dumbo nodig moet plassen. Er lijkt geen vuiltje aan de lucht. Maar laten we eens naar de kritiek die Hume op inductie leverde kijken.

Bij inductie leidt je een algemene conclusie af uit specifieke gevallen. Ik zie bijvoorbeeld vier paarse krokodillen die van ijs houden en dan concludeer ik dat alle paarse krokodillen van ijs houden. Volgens Hume heb je om zo’n conclusie te kunnen trekken een algemeen principe nodig zoals: eigenschappen die je bij veel exemplaren van een soort ziet, gelden voor alle exemplaren van de soort. Dit noemen we een uniformiteitsprincipe, dat veronderstelt dat de natuur op de een of andere manier regelmatig of uniform is. Volgens Hume moeten we een dergelijk algemeen principe ook uit inductie verkrijgen en is het daarom verdacht: we kunnen het proces van inductie niet rechtvaardigen met een principe dat uit inductie verkregen moet worden. Veel filosofen hebben geprobeerd om inductie te “redden” van deze kritiek, die pogingen besprak ik eerder al vrij uitgebreid.

Interessant genoeg bleek geen van de stukken die ik er op nageslagen heb Hume’s kritiek ook op deductieve redeneringen toe te passen. Als er bij inductie een impliciete aanname nodig is, zoals het uniformiteitsprincipe, zouden zulke aannamen niet ook achter een deductieve redenering kunnen schuilen? Ik denk dat er twee van die aannamen zijn om een deductieve redenering (Dumbo moet nodig naar de WC omdat hij een roze olifantje is) op te kunnen zetten:

1 Logica is geschikt gereedschap om een redenering mee te rechtvaardigen.

2 Er zijn algemeen geldende uitspraken te vinden die de basis kunnen vormen voor een deductieve redenering.

Goed. Het eerste punt is misschien een beetje flauw. Logica is immers een essentiële bouwsteen van veel, nee heel veel, van onze kennis. Tegelijkertijd is het een menselijke uitvinding en is het dus onduidelijk waarom (deductieve) logica wel vanzelf gerechtvaardigd is terwijl het unformiteitsprincipe dat niet is. Het lijkt me dat dat beargumenteerd zou moeten worden.

Maar het tweede punt is wat mij betreft nog veel vuurgevaarlijker. Er zijn volgens mij twee manieren om aan algemeen geldende regels te komen: door inductie of door middel van fantasie. Stellingen die door inductie verkregen zijn, zijn wat dubieus – daar hoef ik nu niet meer op in te gaan. Maar dat stellingen die aan de fantasie ontspruiten wel te vertrouwen zijn lijkt me wel heel moeilijk hard te maken.

We noemen stellingen die door fantasie verkregen zelden verzinsels, maar we geven ze deftige namen zoals uitgangspunten, beginselen, definities of axioma’s. Een bekend voorbeeld zijn de stellingen van Euclides die de basis vormen voor de meetkunde. De kortste lijn tussen twee punten is een rechte lijn; twee evenwijdige lijnen snijden elkaar niet – dat werk. Toegegeven: er zijn criteria voor dit soort uitspraken zoals dat ze volstrekt duidelijk, intuïtief en onbetwijfelbaar moeten zijn. Jammer genoeg zijn dat zelf weer subjectieve begrippen en leiden ze de aandacht af van het feit dat deze eerste beginselen in eerste instantie volledig uit de lucht gegrepen zijn.

Je zou hier tegen in kunnen brengen dat de eerste beginselen van Euclides zich ruimschoots bewezen hebben en dat hebben ze ook. Maar, er zijn meetkundes opgesteld die van andere uitgangspunten uitgingen: de zogenoemde niet-euclidische meetkundes. Die meetkundes hebben zich vervolgens ook bewezen. De uitgangspunten van Euclides zijn dus zeker niet onfeilbaar te noemen. Bovendien, heeft het uniformiteitsprincipe waar Hume bij inductie over viel zich niet op een zelfde manier bewezen?

Veel filosofen zullen hier op antwoorden dat ik de discussie vertroebel door er dingen bij te halen die er niet toe doen. Mijn aanmerkingen gaan immers over de inhoud van de stellingen en niet over het proces. Iedereen erkent dat deductieve redeneringen alleen tot ware kennis kunnen leiden mits de algemene stellingen die de basis voor de redenering vormen correct zijn. Zo bezien is deductie een machine die waarheid kan ‘behouden’. Als je er ware kennis in stopt dan komt er ware kennis uit en als je er onzin instopt komt er onzin uit. Het is niet redelijk om te verwachten dat deductie ineens waarheid uit onzin fabriceert.

Maar ik denk dat dat tegenargument te gemakzuchtig is. Er is immers geen enkele reden om waarde toe te kennen aan deductieve redeneringen zolang er helemaal geen stellingen te vinden zijn die de basis kunnen vormen voor een deductieve redenering die tot gerechtvaardigde kennis leid. Feitelijk hebben we een perfecte machine die we nooit kunnen gebruiken omdat de ingrediënten waar de machine mee moet werken niet bestaan. Hoe veel plezier wetenschappers van allerlei snit ook beleven aan het doen van deductieve afleidingen, het mechanisme kan nooit gebruikt worden om de absolute waarheid te vinden, zolang algemene stellingen die er voor nodig zijn via inductie of fantasie verkregen moeten worden.  Daar zouden filosofen zich toch druk over moeten maken!

Meer lezen?

Dit blogje is een vervolg op Inductie, waarin ik verschillende filosofische antwoorden op de kritiek van Hume op inductie besprak. Ik schreef eerder een praktischer blogje over deductie en inductie: Waarheidsinjecties. In Kennisbronnen besprak ik alle fundamentele manieren waarop een mens aan kennis kan komen. Ook daar kwam ik al tot de conclusie dat filosofen soms aan de verkeerde dingen het meeste aandacht geven.

Ik besprak het ook werk van wetenschapsfilosoof Karl Popper al eens in De Drie Werelden van Popper en in Groeit Kennis? En van wetenschapssocioloog Bruno Latour in Lableven.

Inductie

Ik waarschuw maar alvast, dit wordt een hopeloos filosofisch blogje. Filosofen hebben de onhebbelijke neiging de dingen zo zuiver te willen beredeneren dat ze zichzelf helemaal in de knoop denken. Andere filosofen proberen die knopen dan weer te ontwarren met nieuwe zuivere redeneringen. Meestal lukt dat niet. Zo ontstaat een intellectuele traditie. Dat kan heel boeiend zijn, maar het gaat vaak eigenlijk nergens over. Niettemin zijn er filosofische problemen die het bespreken meer dan waard zijn. Één van die problemen waar filosofen hun hoofd maar niet omheen lijken te krijgen is het inductieprobleem.

Voor diegenen die het niet helemaal scherp meer hebben: inductie en deductie zijn twee tegengestelde redeneerwijzen. Bij deductie probeer je uit algemene regels een conclusie te trekken over een bijzonder geval. Als alle mannen dom zijn en Rob is een man dan weet je zeker dat Rob dom is. Een eigenschap van een bijzonder geval (Rob) kun je dus afleiden uit algemeen geldige regels (over alle mannen). Daar is geen speld tussen te krijgen.

Inductie werkt precies andersom. Uit specifieke gevallen probeer je een algemene regel af te leiden. Als alle zwanen die je in je leven gezien hebt wit waren, zullen alle zwanen van de wereld wel wit zijn. In dit voorbeeld zijn er een aantal specifieke gevallen (de zwanen die je gezien hebt) waaruit je een algemene conclusie trekt (over alle zwanen, ook die die je nog niet gezien hebt). Jammer genoeg is deze redenering niet waterdicht. Het zou zomaar kunnen dat je morgen wel degelijk een zwarte zwaan tegenkomt.

Filosofen houden van logica en zekerheid. Daarom vinden ze de deductieve redeneerwijze dus fijner dan de inductieve redeneerwijze. Het inductieprobleem zoals het in de filosofie bekend staat stelt dan ook de vraag centraal hoe inductieve redeneringen gerechtvaardigd kunnen zijn, aangezien de redenering niet sluitend is. Het is een alles-of-niets vraag. Een antwoord als “maar het klopt toch vaak wel ongeveer” voldoet niet. Hun zoektocht gaat uit naar de precieze voorwaarden waaronder we een inductieve redenering kunnen vertrouwen. Zijn 10 zwanen genoeg? Of 200? Of moeten we soms nog andere voorwaarde stellen aan inductieve redeneringen?

Hume en het inductieprobleem

David Hume, die het inductieprobleem stevig op de filosofische kaart zette met zijn boek “An Enquiry Concerning Human Understanding”, was van mening dat inductieve redeneringen altijd ongeldig zijn. Volgens hem kan je alleen generaliseren vanuit een aantal specifieke gevallen als je gebruikt maakt van een of ander algemeen hulpprincipe zoals ‘terugkerende verschijnselen zijn wetmatig’ of ‘niet waargenomen dingen lijken op wel waargenomen dingen’. Deze principes noemde hij uniformiteitsprincipes: ze stellen dat de natuur op de een of andere manier regelmatig of uniform is.

Maar hoe komen we aan een uniformiteitsprincipe? Volgen Hume verkrijgen we die ook door inductie. Omdat we vaak waarnemen dat de natuur zich uniform gedraagt, denken we dat er een algemene regel bestaat dat de natuur zich altijd uniform gedraagt; en vervolgens gebruiken we dat principe om inductieve redeneringen in het algemeen te rechtvaardigen. Maar…, dit is een inductieve gedachtengang.

We hebben hier dus een cirkelredenering te pakken. We kunnen het uniformiteitsprincipe volgens Hume alleen afleiden vanuit onze ervaring dankzij het uniformiteitsprincipe. Maar dat kunnen we niet gebruiken totdat we het afgeleid hebben uit ervaring. Nou ja. Je komt er op die manier dus niet uit.

De filosofische uitdaging is nu om Hume op een overtuigende manier in het ongelijk te stellen. Daar zijn verschillende mogelijkheden voor, maar ik bespreek er hier drie.

1 Taalanalyse

Één mogelijk antwoord op Hume is het doen van taalanalyse. Wat bedoelt Hume eigenlijk precies als hij het woord inductie gebruikt en is dat redelijk? Paul Edwards zet een dergelijk betoog op. Hij geeft de definitie van een dokter als voorbeeld. De meeste mensen stellen als eis dat een dokter een diploma heeft en patiënten geneest. Maar je zou ook heel andere eisen kunnen stellen. Laten we als voorbeeld Robert nemen die iemand pas een dokter wil noemen als hij een diploma heeft en alle patiënten die hij behandelt binnen drie maanden kan genezen. Stel je nu voor dat je Robert meeneemt naar een extreem succesvolle dokter: eentje die gediplomeerd is en al zijn patiënten binnen een half jaar weet te genezen. Jij zal enorm onder de indruk zijn van deze medische hoogstandjes, maar Robert zal uitroepen “ja luister eens even, dit kun je toch niet werkelijk een dokter noemen?”.

Afijn, Edwards punt is, dat Hume zich gedraagt als de Robert uit dit voorbeeld. Hume stelt zulke hoge eisen aan inductie, dat realistisch gezien, geen enkele inductieve redenering aan de eisen kan voldoen en daarmee veegt Hume alle inductieve redeneringen in één veeg van tafel. Dat is misschien niet helemaal fair.

Ik ben het inhoudelijk hartgrondig met Edwards eens, maar filosofisch gezien is het in mijn ogen geen bevredigend antwoord. Edwards geeft namelijk geen antwoord op Hume, hij stelt gewoon dat hij het niet eens is met de spelregels die Hume opgesteld heeft en dat hij daarom het spel niet mee wil spelen. Dat is flauw. De sport is om Hume te weerleggen, niet om een ander denkspel te bedenken.

2 Soorten inductie (voorbeelden)

Een tweede mogelijkheid is om verschillende soorten inductie te onderscheiden. Hume scheert alle inductieve redeneringen over één kam. Maar, misschien zijn sommige soorten inductie wel gerechtvaardigd en andere niet?

Er zijn situaties waarin we in de praktijk generaliseren, maar er zijn ook situaties te bedenken waar we dat helemaal niet doen. Als ik in het veld een witte zwaan tegenkom, verwacht ik dat de volgende zwaan die zie ook wel wit zal zijn. Maar als ik bij mijn nieuwe vriendin ga eten en een man aan tafel stelt zich voor als haar oudste broer, denk ik helemaal niet dat de andere man aan tafel ook wel haar oudste broer zal zijn.

Nelson Goodman denkt daarom dat we niet het algemene proces van inductie ter discussie moeten stellen zoals Hume deed, maar dat we moeten kijken naar welke eisen we kunnen stellen aan het type conclusies die we met inductie kunnen rechtvaardigen. Zelf denkt hij dat een terugkerend patroon niet goed genoeg is, maar dat inductie best kan als we met een verklaring kunnen komen. Vaak zijn er meerdere verklaringen denkbaar en moeten we dus zoeken naar de beste beste verklaring. Wit is misschien een goede schutkleur voor zwanen dus daarom zijn alle zwanen wit. Zoiets. John Foster gaat nog verder en stelt dat alleen “natuurlijk noodzakelijke wetten” als type verklaring in aanmerking komen. Zolang je maar generaliseert via een natuurlijk noodzakelijke wet, mag je best via inductie aan je kennis komen.

Goodman en Foster spelen het spel een stuk beter mee en helpen ons ook om scherper over inductie na te denken. Ik vind hun antwoorden dus een stuk bevredigender dan dat van Edwards. Maar het grote probleem met hun antwoorden is wel dat ze de vraag oproepen hoe ik iets kan herkennen als een “beste verklaring” of “natuurlijk noodzakelijke wet”. Hoe weet ik eigenlijk dat mijn verklaring goed, natuurlijk, noodzakelijk of wetmatig genoeg is? Goodman en Foster lossen het inductieprobleem dus op door het te verschuiven naar een nieuwe kwestie: wat is een goede verklaring? Dit probleem erkennen ze zelf ook. Het inductieprobleem van Hume is er dus ook niet volledig mee opgelost.

3 Kansrekening

Een derde benadering is wiskundig van aard. Kunnen we het inductieprobleem niet oplossen door het als een wiskundig probleem te formuleren? Ook filosofen die deze benadering gebruiken houden zich niet helemaal aan de spelregels van Hume. Zij gebruiken namelijk kansrekening en benaderen het inductieprobleem dus niet meer als een alles-of-niets kwestie zoals Hume het zag. Door in kansen te denken wordt het inductieprobleem een stuk eenvoudiger, maar er blijven ook nog wel wat filosofische vraagstukken over om je in stuk te bijten.

Elegant vind ik de oplossing van David Stove. Hij stelt dat inductie te rechtvaardigen is als we een grote steekproef uit een eindige populatie trekken. Als er bijvoorbeeld tienduizend zwanen zijn (de populatie) en we zien 3000 witte (de steekproef), dan kunnen we er meer dan 99% zeker van zijn dat er geen zwarte bestaan.

Nu is dit een vrij bekende statistische berekening en op zichzelf misschien niet zo’n interessant antwoord op Hume. Maar Stove laat zien dat de kans, wiskundig gezien, altijd groot is dat een groot sample uit een eindige populatie representatief is. Daarmee formuleert hij een principe waarmee inductie te rechtvaardigen is –  een soort uniformiteitsprincipe dus – dat niet door inductie verkregen is, maar door wiskunde bewijsvoering. Dat is een heel directe manier om Hume’s redenering onderuit te halen.

Overigens is daarmee is het inductieprobleem nog niet opgelost. Er zijn veel voorbeelden te vinden van inductieve redeneringen die niet voldoen aan Stove’s grote getallen wet. Vaak weet je bijvoorbeeld helemaal niet hoe groot de populatie is waardoor de grootte van de steekproef ook ongewis is.

Ik heb in mijn leven bijvoorbeeld naar schatting zo’n 14000 zonsopgangen meegemaakt, maar of dat genoeg is om te concluderen dat ze morgen op zal gaan is onzeker omdat niet zeker is hoe vaak de zon in het algemeen nog op zal gaan. Ik kan dus niet weten of mijn 14000 een grote steekproef is omdat ik de populatiegrootte niet ken. Dit soort tegenvoorbeelden vormen een serieus probleem in een wereld waar zuivere argumentatie allesbepalend is. En… Filosofen zullen Stove ook nog wel op een paar andere punten lek schieten.

Conclusie

Als je het tot zover in dit blogje gered hebt zal je het toch met mee eens zijn dat het inductieprobleem een boeiende filosofische denkoefening vormt. Tegelijkertijd ben ik het erg met Paul Edwards eens dat de spelregels die Hume voor het probleem opgesteld heeft niet bepaald eerlijk zijn als je kijkt naar hoe we inductieve redeneringen in het dagelijks leven praktisch gebruiken. Als ik elke keer als ik te hard rijdt, een boete krijg is het verstandig om daar conclusies aan te verbinden ook al is dat op geen enkele filosofische manier gerechtvaardigd. Inductie levert gewoon vaak zinnige resultaten op en heeft zich als redeneerwijze ruimschoots bewezen.

Maar… eigenlijk zit me nu iet heel anders dwars. Toen ik me voor dit blog je nog eens in al deze denkers verdiepte, is er iets ernstigs gaan knagen… Hoe zit het eigenlijk met deductie? Daar is het volgens mij helemaal niet zo goed mee gesteld als Hume en zijn opvolgers ons doen geloven, maar daarover gaat mijn volgende blogje.

Meer lezen?

In mijn blogje Deductie pas ik Hume’s kritiek op inductie op de deductieve redeneerwijze toe. Ik schreef eerder een praktischer blogje over deductie en inductie: Waarheidsinjecties. In Kennisbronnen besprak ik alle fundamentele manieren waarop een mens aan kennis kan komen. Ook daar kwam ik al tot de conclusie dat filosofen soms aan de verkeerde dingen het meeste aandacht geven.

Ik heb de reactie van Emanuel Kant op Hume’s inductiekritiek hier buiten beschouwing gelaten, maar ik bespreek die wel in Kenvermogen. Ik besprak het werk van wetenschapsfilosoof Karl Popper al eens in De Drie Werelden van Popper en in Groeit Kennis?

Ik heb voor dit blogje intensief gebruik gemaakt van de filosofische bloemlezing: Epistemology van Robert Audi. Voor mijn opmerkingen over Hume, Edwards, Goodman, Foster en Stove baseer ik me volledig op de essays in deze bloemlezing.

 

Declaratief

Iedereen verandert de wereld een beetje, elke dag weer, maar onze ideeën over hoe je dat voor elkaar kan krijgen lopen sterk uiteen. Ik kan me daar eindeloos over verwonderen. Het verschilt bijvoorbeeld nogal per beroepsgroep. Ontwerpers hebben hele andere veranderideeën dan economen – en die denken er weer heel anders over dan sociaal werkers. In dit blogje wil ik eens stil staan bij een bijzonder vreemde veranderovertuiging. Het gaat me om een veranderovertuiging die je vaak bij managers aantreft: het declaratieve wereldbeeld.

Misschien is het goed eerst even stil te staan bij dat woord declaratief. In de taalfilosofie wordt dit begrip gebruikt voor zinnetjes waarmee je de wereld kan veranderen; enkel en alleen door ze uit te spreken. Dat is een vrij uitzonderlijke categorie uitspraken die alleen door bepaalde personen in bepaalde situaties gebruikt kunnen worden. De voorzitter van een vergadering kan een vergadering openen door te zeggen “ik verklaar deze vergadering voor geopend”. Daarna is de vergadering begonnen. De president kan een oorlog met China beginnen door te zeggen “wij verklaren de oorlog aan China”. Vanaf dan is het oorlog. Een ambtenaar van de burgerlijke stand kan een man en vrouw in het echt verbinden door een bepaald zinnetje uit te spreken – ik weet even niet meer hoe het precies ging.

Dit is zo’n beetje het hele lijstje voorbeelden. Ik kan mijn konijn niet met een declaratie in haar hok krijgen. Het lukt niemand om de afwas schoon te declareren. Verklaren dat je werk af is helpt nauwelijks om de werklast te verminderen. Er zijn maar heel weinig dingen die je alleen maar met het uitspreken van een zinnetje kan veranderen. En er zijn maar heel weinig mensen die het kunnen. Nou ja, vooruit, Harry Potter kan het allemaal wel, mits hij maar precies op de goede manier met zijn staf zwaait.

Met het begrip declaratief wereldbeeld doel ik dus op de, onder managers veel voorkomende, misvatting dat zij ook declaratieve macht hebben. Vaak leggen ze me precies uit hoe de organisatie moet functioneren, hoe mensen zich moeten gedragen, hoe mensen dingen zouden moeten zien en hoe de dingen dan soepel lopen alsof die uitleg het daarna werkelijk maakt. Alsof zeggen hoe dingen moeten lopen hetzelfde het zelfde is als zorgen dat ze zo lopen. Alsof er geen maanden intensief lobbyen, interveniëren en weet ik wat al niet meer voor nodig is om een beetje in de buurt te komen van die, blijkbaar gewenste, gang van zaken.

Natuurlijk is het niet zo dat elke manager die een toekomstbeeld schetst of een opdracht geeft, ook werkelijk denkt dat het daarmee af is. Je zou zeggen: managers maken elke dag mee dat dingen niet zomaar veranderen. En toch zit in de ervaring van managers helaas ook de crux. Het hoort bij het dagelijks werk van managers om opdrachten te geven, instructies te geven over hoe dingen moeten of om toekomstbeelden te schetsen. En vaak genoeg werkt dat wèl. Veel opdrachten worden meteen uitgevoerd, werknemers volgen instructies op of helpen de manager zijn toekomstbeelden waar te maken. Deze kleine succesjes smaken naar meer, waardoor opdrachten, instructies en toekomstscenarios steeds meer als declaraties gaan voelen. Het succes van al deze kleine acties voedt het declaratieve wereldbeeld.

Maar,… hoe werkt declaratief taalgebruik eigenlijk? Hoe kan taal ineens de macht krijgen dingen te veranderen? Het blijkt al uit de voorbeelden van de president, de ambtenaar van de burgelijke stand en Harry Potter: delcaraties zijn een vorm van codetaal. Je kan alleen iets met een declaratie gedaan krijgen als je in de goede rol in een geoliede machine zit waarin taal een allesbepaaldende rol heeft. Naast computerprogramma’s voldoen eigenlijk alleen (ambtelijke) rituelen aan deze eisen. Een land de oorlog verklaren, twee mensen in het huwelijk verbinden een vergadering openen. In al die gevallen staat alles al klaar om het werkelijk te maken: de troepen staan aan de grens, het paar voor het altaar, de laptops zijn open geklapt. Het is hooguit nog wachten op het uitspreken van de magische formule – als het verlossende startsein.

In die voorbereiding zit ook precies het verschil tussen de opdrachten en instructies waar de manager succesvol is en die waarin dat minder het geval is. De secretaresse zat allang klaar om notulen te maken, de opdracht van de manager is alleen voor de vorm. De jaarcijfers worden elk jaar berekend en in een rapport gezet, dus hoeft de manager maar met zijn denkbeeldige stokje te zwaaien. Maar ja, zelfsturende teams, of klantgericht werken: dat doet de organisatie nog niet, daarvan weet niemand echt hoe het moet – en daar is dus ook geen toverformule voor.

De baas die zich Harry Potter waant, baseert zich dus op ervaring. Eerst lukt het om met de ene na de andere toverspreuk van alles gedaan te krijgen. En dan, net als hij zich aan wat moeilijkere onderwerpen waagt, lukt het opeens niet meer. Alsof hij in de tweede klas van Zweinstein zit en helemaal opnieuw moet leren toveren. Het is dan een natuurlijke reactie om aan je toverkunst te werken. De manager probeert steeds cryptischere speuken als “als je doet wat je deed, dan krijg je wat je altijd kreeg” of “op een rollende steen groeit geen mos”, maar het helpt allemaal niet.

Dat was ook niet te verwachten. Het is misschien niet de managers gebrekkige toverkunst die hem de das om doet, maar het soort probleem dat hij probeert op te lossen. Een geoliede sociale machine kan je met declaraties besturen, maar  voor het veranderen van zulke machines heb je andere taal nodig: de taal van verleiding. De goede manager realiseert zich dat natuurlijk en die is ook makkelijk te herkennen. Het is bescheidenheid die de manager siert.

Meer lezen?

Ik besprak basisideeën over hoe de tijd verloopt in vooruitgang. Ik sprak al over het verband tussen taal en kennis in jargon en in betekenisdrift. Ik sprak eerder over de werking van taal en kennis in organisaties in spiegelpaleis.

De taalfilosoof waarop ik me in dit blogje beroep is John Searle. Hij zet zijn theorie onder andere uiteen in Speech Acts: An Essay in the Philosophy of Language. De typische uitspraken van managers in het laatste paragraafje heb ik geleend van Japke-d Bouwma.