Valorisatie

Nog zo’n begrip waar ik een dubbel gevoel bij heb: valorisatie. De vereniging van samenwerkende Nederlandse universiteiten (VSNU) beschrijft valorisatie als het ‘benutten van kennis’ door samen te werken met anderen, mensen iets te leren of – niet onbelangrijk -, door er geld mee te verdienen. Het kan immers zomaar zijn dat je als onderzoeker nieuwe technologie mogelijk maak waar de BV Nederland wat aan heeft: CD’s, of oplaadbare batterijen ofzo. En dan zou het mooi zijn als je daarmee de economie ook een steuntje in de rug wil geven.

Je merkt het al. Ik loop niet zo warm voor dat economische argument. Als toepassingsgerichte onderzoeker vind ik het belangrijk dat mensen iets kunnen met de uitkomsten van mijn onderzoek, maar of dat nou persé ook geld moet opleveren?

Veel wetenschappers delen dit sentiment. Daarom is er ook veel kritiek op ons valorisatiebeleid. De focus op toepassing van kennis zou goede kennisontwikkeling in de weg staan en daardoor op de langere termijn nadelig uitpakken. De focus op de economie zou de onafhankelijkheid van het onderzoek in gevaar brengen. En de rol van de onderzoeker zou helemaal niet moeten zijn om geld te helpen verdienen, daar is het bedrijfsleven immers veel beter in.

Erg sterk vind ik die argumenten niet. Mijn bezwaar is dat ze niet gebaseerd zijn op een doordacht model van hoe innovatie in zijn werk gaat en hoe beleid daar aan bij kan dragen. Het grootste probleem is dat deze argumenten uitgaan van een strikte scheiding tussen kennisontwikkeling en gebruik. Of tenminste van de wenselijkheid daarvan. Die scheiding der machten lijkt mooi, maar er is wel wat tegen in te brengen. Het is een beetje alsof een autofabrikant zijn auto’s niet aan wil passen aan de slechte wegen in sommige landen omdat wegenbouw nu eenmaal aan de overheid is, niet aan autofabrikanten. Natuurlijk kan je je strikt aan de spreekwoordelijke schoenmakersleest houden, maar of het echt voor iedereen het beste is?

Dus, hoe dan wel? Laten we ons eens proberen te verplaatsen in de overheid. Als je als overheid wil dat kennis (goed) gebruikt wordt, hoe stimuleer je dat dan?

Één vraag die je dan moet beantwoorden is hoe fundamentele inzichten zich vertalen in praktische toepassingen. Dat is geen makkelijke vraag. Een plaatje dat ik in dat opzicht verhelderend vind is de onderstaande reis van de kennis. Het gaat voor één toepassing, de grafische user interface, na wie er allemaal nieuwe dingen moesten leren voor dat deze breed toepasbaar was.

Reis van de kennisVoor diegenen die de geschiedenis niet kennen: vroeger bedienden we computers door commando’s in te typen. Op een dag werd de grafische user interface ontwikkeld, waardoor we de computer met een aanwijsapparaat, iconen en menu’s konden gaan bedienen. Dit gebeurde bij Xerox, een bedrijf dat handelde in kopieermachines. Het werd populair gemaakt door Apple en daarna door Microsoft tot de wereldstandaard verheven.

In het diagram staat uiteengezet ‘wie’ er ‘wat voor soort dingen’ moest leren voordat die wereldstandaard werkelijkheid kon worden. Beginnend natuurlijk met de fundamentele ideeën die tot de grafische user interface geleid hebben en eindigend met professionals die die nieuwe principes voor het eerst in hun eigen praktijk gingen toepassen.

Een super simplistisch diagram. Het suggereert één-richtingsverkeer (van fundamenteel naar toegepast) terwijl toepassingen ook vaak tot meer fundamentele vragen leiden. Het laat alle ontwikkelingen die er niet toe deden en alle kennis die onderweg geleend werd van andere ontwikkelingen buiten beschouwing. En het gaat over een set inzichten die altijd al met het oog op toepassingen ontwikkeld is en dus niet over ‘echt’ fundamenteel onderzoek.

Tegelijkertijd is het genuanceerder dan de vaak gebruikte tweedeling tussen kennisontwikkeling en -toepassing en geeft het plaatje een mooi overzicht dat je kan helpen om een basisstrategie – voor een overheid die graag toepassingen wil zien – uit te denken. Zou je al je geld zetten op de eerste kolom en alleen fundamenteel onderzoek stimuleren of zou je ook verderop in de pijplijn ondersteuning willen geven? Zou je een voorkeur hebben voor wetenschappers die aantoonbaar zicht hebben op wat er later met hun werk kan en moet gebeuren wil iets helemaal rechts uitkomen of behandel je de kolommen in dit diagram als silo’s die zich niets van elkaar aan moeten trekken? Welke kolommen laat je aan de markt en welke kolommen krijgen subsidie – en hoeveel dan?

De Nederlandse overheid kiest er voor het meeste publieke geld te investeren in de meest linkse kolom: ontwikkelen van nieuwe kennis. Dit doen ze via de financiering van universitair onderzoek. Een klein deel gaat ook in de tweede kolom: het ontwikkelen van nieuwe toepassingen. Dit gaat via de financiering van onderzoek in het HBO. De derde en vierde kolom worden voornamelijk aan het bedrijfsleven overgelaten. Steeds wil de overheid dat je laat zien dat je zicht hebt op de rest van de keten. Van universitaire onderzoekers wordt gevraagd om inzichtelijk te maken wat in de tweede kolom mogelijk zou zijn, van onderzoekers in het HBO wordt gevraagd bedrijven uit de derde kolom te betrekken. Zodat de ‘doorstroming’ over verschillende kolommen zo soepel mogelijk verloopt.

Of dit het best denkbare beleid is weet ik niet, maar als je het mij vraagt is de vraag eerder waarom de middelen niet gelijkelijk verdeeld worden over alle kolommen en samenwerking tussen alle kolommen wordt geëist, dan andersom. Natuurlijk: fundamenteler onderzoek (naar nieuwe kennis) zou ook onafhankelijker moeten zijn, dan onderzoek naar nieuwe toepassingen, maar een harde scheiding tussen kolom 1 en 2 lijkt mij niet erg productief. Natuurlijk: nieuwe kennis heeft een langere levensduur dan nieuwe toepassingen, maar dat maakt investeren in toepassingen nog geen slechte strategie. Natuurlijk: voor elk van deze kolommen kun je je afvragen hoeveel de overheid en hoeveel het bedrijfsleven zou moeten investeren, maar het voorbeeld van Xerox laat meteen zien dat bedrijven in alle kolommen een rol kunnen spelen. Waarom de overheid dan niet?

Ik heb de indruk dat veel kritiek op ‘het valorisatiebeleid’ eerder ingegeven is door persoonlijke frustraties van wetenschappers, dan door een doorwrochte, wetenschappelijke, analyse van effectief valorisatiebeleid. Dat is begrijpelijk: het denken start in de eigen ervaring; maar erg onderscheidend ten aanzien van andere beroepsgroepen die minder wetenschappelijk onderlegd zijn is dan weer niet.

Het is goed samen na te denken óf valorisatie belangrijk is óf innovaties en geld verdienen doelen moeten zijn van de wetenschap en hóe dit het beste te stimuleren is, maar laten we dat doen aan de hand van de best beschikbare wetenschappelijke kennis over dit onderwerp en laten we er niet van uitgaan dat we valorisatie expert zijn, alleen maar omdat we al wetenschapper zijn.

Meer lezen?

Dit blogje is een vervolg op mijn blogje over de Nobelprijs, waar de relatie tussen fundamenteel onderzoek die in die prijs gelegd wordt bekritiseerde. De -breed gedragen- misverstanden over die relatie stelde ik eerder al eens aan de kaak in mijn blogje stokoude kennis. Het idee dat sommige kennis duurzamer is dan andere besprak ik al in halfwaardetijd en strategieën van wetenschappers om daar mee om te gaan in tijdmeters.

Voor de hier gebruikte definitie van valorisatie raadpleegde ik het VSNU rapport over dit onderwerp.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s