De taalpragmatiek van Herbert Clark

Mensen die deze blog al een tijdje volgen hebben het misschien allang gespot: ik ben een Clarkiaan. Wees gerust: dat is geen sekte van enge mannetjes die met blogberichtjes geld uit hun gehersenspoelde publiek proberen te kloppen, maar een zelfverzonnen woord voor mensen die Herbert Clark’s Common Ground theorie aanhangen. Mensen zoals ik dus. Omdat ik jullie al verschilendere keren op een gedachtenspoor a-la Clark heb proberen te zetten, vond ik het hoog tijd eens uit de kast te komen en uit te leggen hoe die pragmatische taaltheorie van hem eigenlijk in elkaar steekt.

Een pragmatische benadering

De manier waarop mensen als Herbert Clark naar taal kijken kan je eigenlijk in één zinnetje samenvatten.

Taal is wat we ermee doen. 

Vooruit, dat is misschien wat cryptisch, maar de kern is dat pragmatici taal proberen te begrijpen door te kijken wat mensen ermee proberen te bereiken, in plaats van het als iets zelfstandigs te bestuderen.

Vergelijk het met de vraag “wat is een vork?”. Veel mensen zullen zeggen dat een vork een metalen ding met drie of vier tanden is. Die mensen bekijken een vork als iets met een bepaalde vorm. Waar het ding toe dient – of hoe het in de wereld is gekomen – is dan even minder relevant. Pragmatici bekijken de vork anders. Zij zeggen dat een vork iets is waar je eten mee van je bord kan prikken en in je mond kan stoppen. Dan bekijk je dus de functie, of wat mensen ermee doen in plaats van de vorm. Hoeveel tanden het ding heeft of van welk materiaal het gemaakt is doet er even minder toe.

Zo zit het dus ook met taal. Je kunt de vorm van een taal zoals de gramatica of de spelling als iets wat op zichzelf staat bestuderen òf je kunt je richten op taalgebruik en bestuderen wat mensen met taal doen.

Dat  laatste is bij taal een handige keuze. In het geval van een vork kan je aan de vorm wel zien wat mensen er mee doen. Maar, bij taal is dat niet zo. Waarvoor zouden Hindi sprekers dit woord bijvoorbeeld voor gebruiken: कार? Dat is eigenlijk niet te raden en dat komt omdat de vorm van een woord in letters en klanken meestal helemaal los staat van de betekenis.

Welke klanken je gebruikt om iets over te brengen is eigenlijk willekeurig. Maf is dat, als je er over nadenkt: het is alsof het helemaal niet uit maakt of je je eten van je bord prikt met een vork of met een koffiemok. Allebei werken ze even goed. Toch is dat in talen zo en zijn en zijn de betekenissen van de verschillende woorden dus eigenlijk gewoon ‘afgesproken’.

Dat roept de vraag op hoe dit soort ‘afspraken’ tot stand komen en om dat te begrijpen moeten we naar taalgebruik kijken. Herbert Clark legt dat in vier stappen uit: hij stelt (1) dat samenwerking cruciaal is voor het gebruik van taal, hij wijst (2) op het belang van gedeeld begrip in de samenwerking die voor taalgebruik nodig is, (3) op het ontstaan van gedeeld begrip bij het gebruiken van taal en als afgeleide daarvan (4) het ontstaan van betekenissen van woorden en uitdrukkingen. Laten we die eens één voor één bekijken.

1 taal gebruiken is samenwerken

Taalgebruik staat volgens Clark altijd in het teken van gemeenschappelijke actie. Je gebruikt taal omdat je samen met je luisteraar ergens uit wil komen. Je wil iets kopen van iemand of je wil afspraken maken over het eten of je wil je studenten iets bijbrengen. Steeds is het nodig dat jij iets met taal doet en dat de ander; de verkoper, je huisgenoot of je studenten hun best doen om jou te begrijpen en verder te helpen. Het is alsof je de tango danst, als spreker heb je misschien de leiding, maar als je partner zich niet op jou instelt en met je meedanst dan kom je alsnog nergens.

In het tabelletje hieronder vind je die samenwerking uitgewerkt in wat Clark een actieladder noemt. Stel je voor dat je een frietje gaat halen, de friettent binnen loopt en vraagt “een friet met alsjeblieft”. Volgens Clark moet je dan op vier niveaus samenwerken.

Spreker Luisteraar
Gedeeld project doet een voorstel overweegt het voorstel
Gedeeld begrip gebruikt betekenis begrijpt betekenis
Communicatie presenteert signaal identificeert signaal
Uitvoering maakt geluid hoort geluiden

Op al deze niveaus kan het mis gaan. Neem deze uitwisseling:

  • Jij: “een friet mèt graag!”
  • Baliemedewerker: “wat zei je?”

Hier is de uitvoering mislukt. Jij bent er niet in geslaagd je voor de baliemedewerker verstaanbaar te maken.

Het kan ook in de communicatie zitten.

  • Jij: “een friet mèt graag!”
  • Baliemedewerker: [gaat gewoon verder met zijn werk]
  • Jij: “hé ik had het tegen jou hoor”
  • Baliemedewerker: “Oh sorry een frietje mèt, toch?”

Hier heeft de baliemedewerker je wel gehoord, maar niet doorgehad dat je iets met hem wilde regelen. Hij miste het signaal: “ik heb het tegen jou”.

Of neem deze:

  • Jij: “een friet mèt graag!”
  • Baliemedewerker: “sorry hoor, maar met wat?”

Hier gaat het mis op het gedeeld begrip. Jij bedoeld waarschijnlijk een friet met mayonaise, maar de baliemedewerker is, vreemd genoeg, nog niet zo ver ingevoerd dat hij weet dat je dat bedoeld.

Of neem deze:

  • Jij: “een friet mèt graag!”
  • Baliemedewerker: “dat is dan 3,75!”
  • Jij: “oh shit ik ben mijn portemonnee vergeten”

Hier gaat het mis op het gezamenlijke project. Jullie begrepen elkaar prima, maar voor een transactie is nu eenmaal geld nodig en dat was er even niet.

De actieladders laten zien dat je zelfs bij zoiets simpels als het bestellen van een frietje nauw moet samenwerken op verschillende niveaus. Het setje voorbeelden laat zien dat het op al die niveaus mis kan gaan, maar ook dat we dat feilloos doorhebben en kunnen herstellen.

2 voor taalgebruik is gedeeld begrip van belang

Alledaags taalgebruik vereist dus intensieve samenwerking. Volgens Herbert Clark is dat alleen mogelijk door de common ground -het gedeeld begrip – die spreker en luisteraar hebben. Met common ground bedoeld Clark alles waarvan spreker en luisteraar weten dat ze het allebei weten. De volgende interactie laat het belang daarvan zien.

  • Jij: verkoopt u ook friet?
  • Baliemedewerker: [kijkt je verdwaast aan]

Als het goed is komt deze uitwisseling niet vaak voor. Als je een friettent in loopt mag je er van uitgaan dat ze er friet verkopen. Jij en de baliemedewerker weten dat allebei. Het is dan ook heel onverwacht als je dat nog eens gaat vragen en dat roept dat aan de andere kant verwarring op. Gedeeld begrip bepaald dus wat je wel en niet vraagt of vertelt en ook hoe de ander zal reageren.

Met de meeste mensen die je tegenkomt heb je veel gedeeld begrip. Het zijn bijvoorbeeld allemaal Nederlanders, waardoor je weet dat ze de taal machtig zijn, dat ze een basisidee hebben van belangrijke personen en gebeurtenissen in de geschiedenis en het nieuws. Als je ze op straat tegen komt mag je er vanuit gaan dat ze zien wat jij ziet, en daar kan je een in een gesprek op voortbouwen.

Wat gedeeld begrip is verschilt van persoon tot persoon. Mijn vrouw en ik weten meer van elkaar dan mijn studenten en ik. Daar moet ik rekening mee houden. Als ik mijn studenten iets vertel over mijn laatste vakantie dan zal ik daar veel uitgebreider op ingaan dan bij mijn vrouw. Als ik iemand tegen kom uit een heel ander land wordt het veel lastiger communiceren. Zonder een goede inschatting van wat de ander weet is het lastig een soepel gesprek op te zetten.

3 als we taal gebruiken ontstaat gedeeld begrip.

Ik ben een fanatieke skeelerraar en nu ik je dat verteld heb is het gedeeld begrip. Ik wist allang dat ik een fanatieke skeelerraar ben en nu weet ik zeker dat jij het ook weet. Maar, ik mag er genoegzaam vanuit gaan dat er nog meer gedeeld begrip is ontstaan. Je weet nu dat ik aan buitensport doe dat ik vermoedelijk ook kan schaatsen en nog wat dingen. Die komen dus mee met het gedeeld begrip.

Je reactie is erg belangrijk voor het gesprek. Blijkt daar uit dat je ook een skeelerraar bent, dan weet ik dat je je net als ik druk maakt over asfalt, routes en wieltjes en kan ik ‘dieper’ in de materie duiken. Er komt een hele berg gedeeld begrip bij. Blijkt dat je niet skeelert dan weet ik dat alles wat ik over skeeleren ga vertellen waarschijnlijk nieuw voor je is.

Elke zinnetje dat we wisselen krijgen we dus meer vaste grond onder de voeten. We weten beter wat de ander allemaal weet en wat nog niet en dat maakt het makkelijker om het gesprek te voeren. Het gedeeld begrip groeit elke wisseling: je bouwt voort op het gedeeld begrip wat je al hebt en je bouwt nieuw gedeeld begrip op.

4 betekenis geven doe je samen 

Het is duidelijk dat we taal gebruiken om te communiceren, dat gedeeld begrip daar een centrale rol in speelt en dat betekenissen van woorden gedeeld begrip zijn, maar als dat niet zo is, worden die betekenissen gevormd uit het gedeeld begrip. In andere woorden taal ontstaat doordat we er mee communiceren. Bekijk het volgende voorbeeld bijvoorbeeld.

  • Persoon 1:  Je weet toch dat roken ongezond is?
  • Persoon 2: YOLO man, YOLO!
  • Persoon 1: YOLO?
  • Persoon 2: Je leeft maar één keer! chillex!
  • Persoon 1: Nou dan leef ik liever één keer kort.

Op een bepaalde manier gaat deze interactie over of roken iets is dat je moet laten omdat het ongezond is of niet. Maar in de interactie wordt ook het begrip YOLO geïntroduceerd voor persoon 2. Het had betekenis voor persoon 2, die waarschijnlijk weet dat het een afkorting is en wat die betekent, maar niet voor persoon 1 die het begrip voor het eerst hoort.

Het koppel repareert het gebrek aan gedeeld begrip in beurt 3 en 4. Uit beurt 5 kunnen we opmaken dat persoon 1 de betekenis van YOLO nu begrepen heeft. Persoon 1 weet waarschijnlijk niet dat YOLO een afkorting is die als woord gebruikt wordt, maar wel dat het een woord is dat door jongeren gebruikt word en in de plaats gekomen is van het oude gezegde “pluk de dag”.

Wat we hier gezien hebben is dus het ontstaan van een betekenis van YOLO. Mensen leren wat woorden betekenen doordat ze in gesprekken gebruikt worden en doordat ze daaruit oppikken hoe ze gebruikt worden. Het gevolg is dat iedereen nieuwe woorden kan introduceren of woorden kan veranderen. Door het gewoon te gebruiken pikken anderen het vanzelf op. Al snel gaan mensen om je heen het ook gebruiken. Als je hier heel erg invloedrijk in bent wordt het woord onderdeel van de standaardtaal.

Clark in actie

Voor Clark zijn betekenissen dus geen vaststaande eigenschappen van woorden, maar iets dat steeds opnieuw geconstrueerd word door sprekers en luisteraars in de duizenden gesprekjes die we voeren in ons leven. Taal is wat we er mee doen.

Daarom is taal per definitie iets levends en veranderlijks. Als jij en ik ervoor kiezen om het woord snups te gaan gebruiken voor iedereen die alleen betekenissen uit de Dikke van Dale accepteert, dan begrijpen jij en ik elkaar prima en daar kan geen snups iets aan veranderen. Ooit komt het woord misschien zelfs in de Dikke van Dale en dan moeten zelfs de snupsen het woord snups accepteren.

Dat taal meestal niet zo snel veranderd komt omdat het handiger is te communiceren in taal die iedereen begrijpt en nieuwe taal dus maar mondjesmaat doorsijpelt. Je merkt ook dat nieuwe betekenissen heel sterk in kleine groepen ontstaan en gecultiveerd worden. Collega’s, jongeren, of eigenlijk iedereen die veel met elkaar omgaan ontwikkelen een eigen taal, met gelijksoortige uitspraak (dialect) en eigen woorden (jargon) die buiten die groep slecht verstaan of begrepen worden.

Het is precies die connectie tussen groepslidmaatschap en betekenisvorming die ik in mijn andere Clarkiaanse blogjes besprak.

Meer lezen?

Ik schreef over de turbulente geschiedenis van het woord nep in betekenisdrift. Ik sprak over het ontstaan van jargon in jargon en over kantoorbubbels in spiegelpaleis.

In de wetenschapsfilosofie komt Bruno Latour het dichtst bij Clarks, talige benadering, zijn werk besprak ik in lableven. Herbert Clark ontvouwd zijn theorie in het boek Using Language, dat ik van harte aanbeveel.

कार betekent auto, volgens Google Translate, tenminste.

Bezieling

Dit blogje gaat niet over bezieling van mensen zoals jij en ik – hoewel dat ook een heel interessant onderwerp is, maar over de bezieling van dingen. Je kan ook zeggen dat het gaat over de menselijke neiging om allerlei dingen – concreet of abstract – een wil toe te dichten. Dingen die naar een ‘natuurlijke’ plek willen bijvoorbeeld of die onze gedachten willen ‘beheersen’. Dat soort verzinsels. Verklaringen van het soort ‘dit of dat wil zus of zo’ fascineren me om twee redenen. Ten eerste zijn ze alomtegenwoordig en ten tweede nemen ze vaak een loopje met ons.

We gebruiken ze vaak hoor: verklaringen vanuit de wil der dingen. Daarom zijn er ook technische termen voor bedacht. Ze worden teleologische verklaringen genoemd of doeloorzaken. Vooral dat laatste woord vind ik mooi. Op de een of andere manier wringt het van binnen. Misschien omdat doelen gewoonlijk voor ons liggen en oorzaken achter ons. Je voelt gewoon aan je water dat het niet klopt als iets tegelijkertijd het doel en de oorzaak is.

Voor alle duidelijkheid: de meeste dingen willen helemaal niets hè? Goed: mijn konijn drinkt omdat ze dat wil en ik schrijf dit blogje omdat ik het nu eindelijk eens met jullie over doeloorzaken wil hebben, maar stenen vallen niet omlaag omdat ze lager willen zijn dan lucht en de aarde draait niet om haar as omdat ze eigenlijk liever een tol was. En nee: de economie wil niet groeien, soorten willen niet evolueren en quantumdeeltjes willen niet een meerdere toestanden tegelijk zijn. In ons mechanische wereldbeeld is er gewoon maar heel weinig plaats voor verklaringen vanuit de wil der dingen.

Dat we er zo van houden moet dus door onszelf komen. Omdat dat we zelf de ganse dag dingen willen, misschien. Daarom vinden we het fijn om bij moeilijke natuurkundige dingen ook te denken in termen van willen. We gebruiken willen als metafoor. Daarom leren we op school dat stroom van plus naar min wil en daarbij tegengehouden wordt door een weerstand. Soms aan de hand van een plaatje waarin kaboutertjes met druk met rugzakjes rondsjouwen en over trappetjes gaan omdat ze nodig ergens heen moeten. In werkelijkheid zit het natuurlijk allemaal anders, maar hier hebben we een gevoel bij.

Ondanks de bezwaren die je tegen doeloorzaken kan hebben is het verklaringsmodel ook bij wetenschappers erg geliefd. Een van de meest opvallende exemplaren vind ik de ‘selfish gene’ theorie van Richard Dawkins. Dawkins staat bekend als een harde betawetenschapper en missionair atheïst: niet bepaald het type van wie je zou verwachten dat hij doeloorzaken nodig zou hebben.

Maar in zijn boek “The Selfish Gene” schets Dawkins een beeld van genen als zelfzuchtige dingen die niets liever willen dan zichzelf kopiëren en vermenigvuldigen – soms zelfs ten koste van het organisme dat dankzij die genen bestaat.

Dawkins gelooft natuurlijk niet echt dat genen iets willen. Hij legt dat ook omstandig uit in het boek. Dawkins gebruikt het idee van zelfzuchtige genen alleen bij wijze van spreken. In werkelijkheid zijn genen domme stukjes eiwitten die zichzelf vermenigvuldigen. Sommige genen slagen daar in, anderen niet. Genen die er in slagen blijven over. Als we over genen praten als eiwitten die zichzelf willen vermenigvuldigen en daar in meer of minder mate succesvol in zijn – dan is dat alleen een kortere zegswijze voor dit ingewikkelde mechanisme.

Alleen roept die afkorting wel vragen op over oorzaak en gevolg. Neem het voorbeeld van de eerste dieren die konden zien. Het klassieke beeld is dat er een mutatie optrad waardoor dieren gevoelig werden voor licht en donker; waardoor ze een evolutionair voordeel hadden; waardoor de genen voor lichtgevoelige cellen zich konden verspreiden. De verspreiding van het gen is dus het gevolg van het evolutionaire voordeel van het dier.

Dawkins tekent het plaatje precies andersom. Genen willen zich verspreiden en lichtgevoelige dieren bouwen blijkt daartoe een succesvolle strategie, die dus via overerving navolging vind. In die versie is de lichtgevoeligheid een gevolg van de verspreidingsdrang van de genen en niet andersom.

Dawkins heeft in zij redenering dus een gevolg: verspreiden van genen door het succes van een soort, vervangen door een doeloorzaak: de wil van genen om te verspreiden via een succesvolle mutatie. Ongeveer zoals Aristoteles het gevolg van de vallende voorwerpen verving door de doeloorzaak “natuurlijke plaats in de kosmos”.

Waarom zou Dawkins deze vorm gekozen hebben? Misschien omdat hij met deze omdraaiing makkelijker kan laten zien dat de evolutie geen vooraf bepaalde richting heeft, maar dat elk evolutionair voordeel tot verspreiding van de onderliggende genen zal leiden. Dat klopt natuurlijk ook, maar de prijs die Dawkins betaalt voor deze onttovering van het evolutieproces is de bezieling van het gen zelf.

Dat is op zichzelf niet zo’n probleem als je je niet mee laat sleuren door die metafoor. De stap van ‘genen die zich willen verspreiden’ naar ‘virussen met een strijdplan’ is niet zo groot en voor je het weet ga je rare uitspraken doen: “Vreemdgaan is een ideetje van de genen”. Dat soort dingen. Dan is het hek natuurlijk van de dam. Want hoe meer leven je de genen inblaast hoe meer je ze ook verantwoordelijk stelt voor de richting van de evolutie. Terwijl het hele punt dat Dawkins wilde maken juist was dat evolutie blind is.

Overigens slaagde Dawkins er zelf prima in om van de glijdende schaal van verklaring door doeloorzaken weg te blijven, maar zijn publiek had daar meer moeite mee. Daarbij denk ik niet eens alleen aan het algemene publiek. Ook meer wetenschappelijke volgers zoals Daniel Dennet en Susan Blackmore, lijken soms meegesleurd te worden door de wil-metafoor.

Susan Blackmores mementheorie, die ik in mijn vorig blogje besprak, is een goed voorbeeld. Ze doet de observatie dat mensen elkaar imiteren en zo elkaars ideeën overnemen. Dan zet ze de denkstap dat die ideeën gezien kunnen worden als memen die zich willen verspreiden. Dat kan allemaal nog, maar dan zet ze de stap dat de memen achter de ontwikkeling van taal en communicatietechnologie zoals het schrift, televisie en internet zitten. Die technologie dient namelijk de verspreiding van memen en het was dus een kwestie van tijd voordat de memen ons op het idee gingen brengen van die technologie.

Als je het mij vraagt laat ze zich dan meesleuren in de doeloorzaak redenering. Het is één ding om vast te stellen te dat we elkaar imiteren en dat sommige ideeën populairder zijn dan anderen. Het is een omdraaiing van oorzaak en gevolg om dat toe te schrijven aan de wil van de memen. Als je vervolgens concludeert dat culturele evolutie de memen dient en niet de mens, dan laat je je door die omdraaing meesleuren. Memen willen niets, laat staan dat ze van plan zijn om communicatietechnologie uit te vinden. Die is uitgevonden omdat het ons (mensen) handig leek.

Door de dingen een wil toe te dichten kunnen we ingewikkelde processen in de natuur makkelijker begrijpen. Als ik en mijn konijn een wil hebben, waarom stenen, elektronen, de aarde, de economie, genen en memen niet? Maar het probleem met willen als metafoor is dat we hem niet weten te beheersen. Als de dingen eenmaal dingen gaan willen, dan gaan we er dingen in zien die er niet zijn. We gaan denken dat de economie ons wel aan welvaart zal willen helpen of dat memen wel robots gaan uitvinden om ons als memenverspreiders te vervangen. Dit soort waanideeën zijn verre van onschuldig. Hou daarom een sceptisch oogje in het zeil als je iemand een doeloorzaak verklaring hoort gebruiken. Hoe graag we de dingen ook willen bezielen, af en toe moeten we onszelf er aan blijven herinneren: de wil der dingen is onzin.

Meer lezen?

Ik besprak Blackmore’s ideeën over memen in cultuurdragers. Hoe mensen in alledaagse termen over de wereld denken kwam al eerder aan bod in plat en eksters.

Nuance

Een klein beetje nuance: ik kan er hevig naar verlangen als ik een tijdje in verhitte discussie zit, maar op andere momenten kan ik nuance enorm vermoeiend vinden. Nuances kunnen als drijfzand zijn: je kunt er gemakkelijk in wegzakken, je kan er in verstrikt raken en ze kunnen je zicht op de zaak behoorlijk vertroebelen. Ik vraag me dus vaak af of genuanceerdheid niet enorm wordt overgewaardeerd. Ik moest hier aan denken toen ik, nota bene midden in de jaarlijkse zwartepietendiscussie, een stuk van Herman Vuijsje las over het racismedebat in Nederland.

Een goed stuk hoor, daar niet van. Aan de hand van 10 dogma’s laat Vuijsje zien welke misvattingen de polarisatie in het Nederlandse racismedebat aanjagen. We denken volgens Vuijsje in twee kampen ‘zwart’ en ‘wit’, terwijl er in werkelijkheid een veelvoud van meningen zijn die ook nog eens dwars door die kampen heen lopen. We doen alsof racisme alleen de blanken in de genen zit, terwijl racisme in alle bevolkingsgroepen te vinden is. We maken slecht onderscheid tussen wat er op internet gezegd en hoe er in werkelijkheid over racisme gedacht wordt… en ga zo maar even door.

Het hele stuk door laat Vuijsje zien hoe we de genuanceerde waarheid geweld aan doen door dingen eenvoudiger en gepolariseerder voor te stellen dan ze werkelijk zijn; en zo komen we natuurlijk niet verder in het debat. Daar zou hij best gelijk in kunnen hebben, maar ik vraag me op mijn beurt af of de genuanceerde standpunten die Vuijsje als alternatief aandraagt dan wèl zo behulpzaam zijn.

Want stel je het racismedebat eens in alle nuance voor. We zouden met elkaar moeten spreken over hoe sommige mensen anders behandeld worden door sommige andere mensen; om redenen die soms wel en soms ook niet helemaal racistisch van aard zijn; en hoe we dat eventueel beter zouden kunnen aanpakken met zijn allen; of ten minste met sommigen van ons.

Precies. Dat is geen debat, dat is een brij. Het probleem met nuance is dat het niet zonder tegenpolen kan. Een genuanceerde mening is altijd een middenweg tussen uitersten – en ze is alleen waardevol als middenweg tussen uitersten. Het heeft weinig zin om te weten dat de waarheid in het midden ligt als je niet weet tussen welke uitersten je dat midden moet zoeken. Nuance kan dus niet zonder polarisatie. Die hebben elkaar nodig als yin en yang: de een betekent niets zonder de ander.

Maar, onrechtvaardig genoeg heeft polarisatie een slechte naam en nuance een goede. We vinden het dom en naïef om alle blanken en zwarten over één kam te scheren en we vinden het juist heel verstandig als iemand er op wijst dat het zo eenvoudig niet zit. We vinden het kortzichtig om te denken dat alleen witte mensen racistisch zijn en vinden het heel doortastend als iemand voorbeelden aandraagt van zwart racisme om dat standpunt te nuanceren. Nuance is het mooiste meisje uit de klas, terwijl we collectief op polarisatie neerkijken -zij is gewoon te lelijk en te brutaal.

Hoe komt dat toch? Misschien staat nuance hoger in aanzien omdat het de angel uit een standpunt haalt waar we oncomfortabel mee waren. We voelen ons gewoon beter als nuance haar werk gedaan heeft. Of misschien ligt het genuanceerde standpunt gewoon bijna altijd dichter bij de waarheid dan de extremen waarop het gebaseerd is en vinden we nuance daarom beter. Of misschien vinden we het zelf fijn om genuanceerd te zijn: met nuance in de hand sta je immers altijd aan de redelijke kant en niet op de plek waar de klappen vallen.

Wat er ook achter zit: ik denk dat die eenzijdige waardering voor nuance ons niet helpt. Het is tijd de polarisatie te herwaarderen. Het zijn immers de polen die het debat maken: ongenuanceerde standpunten vormen bakens waardoor het speelveld voor nuance bepaald wordt. De nuance zelf is niet meer dan een mediator die een dikke boterham verdient aan twee strijdende partijen. Ze staat aan de goede kant, maar alleen bij gratie van de onhoudbare posities waar ze een weg tussen zoekt. Toegegeven: dat maakt haar broodnodig, maar niet harder nodig dan de polarisatie waar ze tegenwicht aan bied.

Alles goed en wel zul je zeggen: maar is het alternatief niet eeuwige polarisatie? Belanden we, zonder nuance, niet in een langdurige loopgravenoorlog, waar niemand ooit uit zijn eigen fort van overtuigingen geholpen wordt? Is nuance niet de vredesduif die we nodig hebben het debat uiteindelijk te beslechten?

Ik denk van niet. Nuance kan best een rol spelen heeft in het maatschappelijk debat, maar niet om het te definitief te beslechten. Een collectief “het zit nu eenmaal complex in elkaar dus laten we de gulden middenweg zoeken” heb ik in ieder geval zelden meegemaakt. Ik denk dat we verder komen als we nuance gebruiken als opmaat naar een nieuw debat langs andere lijnen. Ik heb niets tegen auteurs die laten zien dat de extremen in het debat niet deugen of dat ze te simplistisch zijn. Maar als lezer moeten we ons, na eerste de opluchting, afvragen of de auteur meer te bieden heeft dan plotselinge redelijkheid. Draagt hij of zij ook nieuwe zienswijzen en standpunten aan? Worden er nieuwe posities ingenomen waardoor het speelveld veranderd? Want het is volgens mij die verschuiving die het debat verder brengt, niet de nuance die er aan vooraf gaat.

Meer lezen?

Ik schreef al eens over de rol van (nieuwe) taal in het maatschappelijke debat in betekenisdrift. Ook mijn blogjes eerlijk vergelijken en groepsidentificaties gaan over kennis in het maatschappelijke debat.

Het stuk van Herman Vuijsje is hier te vinden. Overigens vind ik dat hij wel degelijk ook beantwoord aan mijn laatste oproep om de debatbakens te verzetten, alleen springt dat wat minder in het oog.

Samenloop

“Vind je dat niet een beetje link?”, vroeg ik een collega toen hij een stapel stenen soepkommen op de rand van een balustrade plaatste. Een verdieping lager was een ruimte met flexplekken voor studenten. Het is al jaren geleden, maar zijn antwoord is me altijd bijgebleven. “Verantwoordelijkheid is een netwerk” zei hij. Hij bedoelde iets in deze geest: elke gebeurtenis is een samenloop van omstandigheden; er ligt een keten van oorzaken aan ten grondslag.

Stel je voor dat de soepkommen van de rand zouden vallen en een student zouden verwonden. Dat komt net zo goed door diegene die ze van de balustrade afstoot als door diegene die ze er opgezet heeft; of door de student die op zo’n onhandig plek is gaan zitten: of door de catering die met stenen in plaats van met plastic soepkoppen werkt; of de collega die ze zag staan en ze niet weghaalde; of door de architect die de flexplekken onder zo’n potentieel gevaarlijke richel geplaatst heeft. En zo kun je nog wel even doorgaan. De meeste oorzaken zijn ook maar als gevolg begonnen. Ik heb er maar even een tekening van gemaakt.

netwerk droog

Dit plaatje is op zichzelf niet eens zo heel interessant. Maar, het punt is dat je voor elke gebeurtenis die je kan bedenken zo’n plaatje kan tekenen. Er zijn meerdere oorzaken aan te wijzen voor het feit dat je vanochtend wakker werd, dat je thee minder heet is dan je zou verwachten, dat de zon schijnt en dat je dit blogje leest – en aan elk van die oorzaken zit weer een keten van oorzaken vast. Alles wat er gebeurd is met elkaar verbonden.

Op dat feit kan je prima een hele spirituele gedachtegang bouwen, maar vaak zit het ons nogal in de weg. Ons brein wil de complexiteit van het hele netwerk dat aan een gebeurtenis ten grondslag ligt graag terugbrengen tot één of, heel misschien, twéé oorzaken.

Misschien heb je in het voorbeeld hierboven -zo ongeveer toen ik over de verantwoordelijkheid van de architect begon – wel gedacht: maar dat is wel heel erg ver gezocht. Dat is precies wat ik bedoel. Je brein werd wanhopig van de uitgebreidheid van de keten van oorzaken die ik aandroeg en probeerde er alles aan te doen om het klein te houden. Misschien is het daar nog mee bezig. Dat snap ik best.

Ik geef je ook geen ongelijk. Het denkt gewoon een stuk vlotter met eenvoudige voorstellingen van zaken dan met complexe. Dus …: hoe perk je je in?

Één manier is om alleen directe oorzaken aan te wijzen. Je begint  bij de gebeurtenis zelf en telt alleen die dingen die daar direct toe geleid hebben mee. Dit lijkt heel zuiver. Een besluit van je baas veroorzaakt loonsverhoging; een virus veroorzaakt verkoudheid. Het probleem is dat dit vaak heel onbevredigend is. In het soepkoppen voorbeeld is het omgooien van de soepkoppen een directe oorzaak, het gevaarlijk wegzetten niet. Als iemand met zijn dronken kop tegen een boom rijdt is een stuurfout de directe oorzaak, niet het dronkenschap. En… waarom besloot je baas eigenlijk tot loonsverhoging? Bij een directe-oorzaken-strategie vallen die dingen die we het meest belangrijk of interessant vinden vaak juist buiten beschouwing. Meestal, zeker in het geval van een loonsverhoging, vinden we de diepere oorzaken belangrijker.

Het kan dan een betere strategie zijn om een cirkel van invloed te tekenen. Bij een cirkel van invloed kijk je niet zozeer naar de hele samenloop van omstandigheden, maar naar dat stuk dat onder jouw invloed staat. Mijn collega kon niet zorgen voor plastic koppen, maar wel zorgen dat hij de stenen versies niet zo enorm gevaarlijk wegzette. De architect kon het gedrag van de catering, of mijn collega, niet veranderen, maar kon wel zorgen dat dit soort gevaarlijke situaties onwaarschijnlijk werden. Als iedereen nu vanuit zijn of haar cirkel van invloed het goede deed was de wereld een paradijs.

Of, nou ja, misschien ook niet. Het cirkel-van-invloed denken is een handig benadering en het zou waarschijnlijk wel werken als we allemaal dezelfde doelen nastreefden, maar dat is niet zo. Hierdoor maken we voortdurend de verkeerde inschattingen over de grootte van onze cirkel van invloed.

Het probleem is dat iedere beslissing een verandering teweeg kan brengen in meerdere cirkels-van-invloed tegelijk. Als de architect uit het soepkommenvoorbeeld rekening moet houden met elke oen die later in zijn gebouw gaat werken en elke gevaarlijke situatie wil voorkomen, dan neemt hij veiligheid heel serieus. Maar, je kunt op je vingers natellen dat er een draak van een gebouw uit komt. Hij tekent een grote ‘veiligheidscirkel-van-invloed’, maar dat gaat ten koste van zijn ‘leefbaarheidscrikel-van-invloed’ of zijn ‘kostencirkel-van-invloed’. Een duivels dilemma.

De andere kant van die medaille is dat als niemand buiten zijn cirkeltje durft te kijken, we de problemen met diepere oorzaken niet op kunnen lossen. We kunnen als consumenten duurzame boodschappen doen zoveel we willen, als we niet òòk zorgen dat het bedrijfsleven en de politiek hun verantwoordelijkheden nemen kunnen we de klimaatverandering niet oplossen. We moeten buiten onze normale cirkel van invloed opereren omdat andere partijen andere doelen nastreven dan wij. Lastig.

Gelukkig is er nog een derde strategie over. Je kunt ontrafelen. Heel zorgvuldig breng je het totale netwerk van oorzaken in kaart, van elke oorzaak stel je vast hoe direct, beïnvloedbaar en belangrijk die is en dan kun je een zorgvuldige afweging maken over welke combinatie van strategieën het makkelijkst kan voorkomen dat er een soepkom op het hoofd van een student valt.

Ik kom die strategie soms tegen bij historici, die allerlei omstandigheden aanwijzen die geleid hebben tot een bepaalde gebeurtenis in de geschiedenis of bij sociale wetenschappers die een heel netwerk van psychologische of sociale mechanismen proberen bloot te leggen en soms ook proberen door te meten. De gedachte is dat als je eerst een overzicht schetst van alle oorzaken en hun invloeden, dat je daarna kunt beslissen wat doorslaggevend is. Wacht! Dit teken ik ook even uit.

netwerk ontrafelt

Mooi hè? Als je dat je door dit plaatje ineens het licht ziet en roept: “oh zó zit het dus met die gevaarlijke soepkommen”, hoor je waarschijnlijk bij de uitzonderingen. Omdat de ontrafelstrategie alle verbanden ook nog eens van een gewicht voorziet maakt deze het vaak eerder ingewikkelder dan eenvoudiger. Je ziet eigenlijk door de rafels het netwerk niet meer.

Is er dan niets aan te doen? Nee, denk ik. Dat bijna elke gebeurtenis een gevolg is van een samenloop van omstandigheden, waar we ons hoofd nooit helemaal omheen krijgen, is iets waar we mee moeten leren leven. Als de wereld te ingewikkeld voor ons is, moeten we met een eenvoudige versie werken. Maar wat we wèl kunnen doen is onthouden dàt we het doen. Niemand heeft de keten van oorzaken op de juiste manier in kaart, ook de ontrafelaars niet en niemand kan een monopolie hebben op een oplossing. Dat is misschien een ontnuchterende gedachte, maar van een handjevol bescheidenheid is nog nooit iemand dood gegaan.

Oh…. en die soepkommen hebben we natuurlijk gewoon weer veilig weggezet.

Meer lezen?

In verkoudheid besprak ik al eens hoe discussies mis kunnen lopen als we  vergeten dat dingen een samenloop van omstandigheden kunnen zijn. In groepsidentificaties en eerlijk vergelijken bespreek ik andere dingen die mis kunnen gaan in het alledaagse redeneren.

Vooruitgang

Ik herinner me nog dat we ergens in de jaren 80 een elektrische blikopener in huis kregen. Het was een lomp ding met een onhandige stekker eraan, maar als je hem eenmaal had aangesloten maakte hij conservenblikken wel een stuk gemakkelijker open dan de handmatige variant. We gebruikten hem vaak.

In die tijd verzuchte mijn moeder vaak dat de vooruitgang niet te stoppen is. Daarin zat iets dubbels. Ze vroeg zich af of al die technische “vooruitgang” wel zo nodig was, maar geloofde wel degelijk dat de wereld -zo niet, dan toch haar wereld – er op vooruitging en daar spande ze zich ook voor in. Het vooruitgangsdenken was toen breed gedeeld.

Als je net als ik in de 20e eeuw geboren bent is het ook haast ondenkbaar dat mensen zich niet bezighouden met de vooruitgang, maar vooruitgangsdenken is een kind van de renaissance en het is in de “grote geschiedenis” dus een redelijk jong verschijnsel. Dat roept de fascinerende vraag op hoe al die generaties daarvoor tegen eigenlijk tegen het verleden en toekomst aankeken – en misschien ook wat we daar van kunnen leren.

Als je de geschiedenis wil duiden of wanneer je iets over de toekomst wil zeggen heb je een basisidee nodig over hoe de wereld zich in de tijd ontwikkeld. Dat basisidee bepaalt aan welke feiten je aandacht schenkt, op welke tijdschaal je de geschiedenis bestudeerd en wat je er vervolgens mee doet. Als je denkt dat de geschiedenis zich eeuwig herhaalt zijn andere dingen interessant dan wanneer je denkt dat deze lineair richting een heilstaat beweegt.

Rutger Bregman bespreekt een handje vol van dit soort basisideeën in zijn boek “De geschiedenis van de vooruitgang”. Hoewel veel van deze ideeën al heel oud zijn komen ze nog steeds in allerlei gedaanten terug. In dit blogje bespreek ik er drie van: het zondeval scenario, het cyclische wereldbeeld en vooruitgangsdenken. Ook bespreek ik de ideeën van Rutger Bregman zelf. Daarna kun je zelf oordelen of er wel vooruitgang zit in het denken over de tijd.

De zondevalredenering

Één van de bekendste basisideeën over de loop van de geschiedenis is die van de zondeval. Het scenario gaat ongeveer als volgt. Ooit leefden we in een paradijselijke toestand – of tenminste een die beter is dan hoe het nu is, maar een of andere gebeurtenis, uitvinding of ontwikkeling heeft ons in het ongeluk gestort. Gelukkig is er hoop. In een helse eindstrijd zal het kwaad vernietigd worden, waarna we terugkeren naar het paradijs.

Het zondevalscenario komt veel vaker voor dan je zou zeggen. Natuurlijk wordt het door fundamentele christenen en moslims gebruikt, maar het heeft ook veel moderne incarnaties. Alt.Right bedient zich er bijvoorbeeld op de volgende manier van. Ooit (in de jaren 50) leefden we in een gelukkige samenleving zonder immigranten. We moeten de strijd aan om ze weg te krijgen en weer gelukkig te zijn. Of neem dit nostalgische technologie scenario: ooit (voor de komst van smartphones) lazen mensen nog wel eens een boek. We moeten… Enzovoort.

Als je goed kijkt blijkt zondevalscenario nog altijd heel populair. De feministische biologe Donna Haraway liet bijvoorbeeld zien hoe veel onderzoek naar mensapen gebruikt is om de huidige man-vrouw verhoudingen te rechtvaardigen. Als chimpansee mannetjes dominant gedrag vertonen is het  onze ‘natuurlijke’ (lees paradijselijke) toestand en is er alle reden om het onnatuurlijke feminisme de rug toe te keren. Die gedachte.

Zondevaldenken zit dus blijkbaar diep in de psyche, maar het scenario snijdt zelden hout. Let om te zien of je met een zondevalscenario te maken hebt op de volgende kenmerken. (1) Het is gedreven door nostalgie: vroeger was alles beter. (2) De situatie waar naar terugverlangd wordt heeft waarschijnlijk nooit bestaan of was niet zo leuk als het wordt voorgesteld. (3) Om uit de problemen te komen zijn buitenproportionele maatregelen nodig, dat is geen probleem omdat ze tijdelijk zijn. (4) Er wordt geen aandacht besteed aan hoe we weer uit deze ‘reparatiefase’ komen.

Het cyclische tijdsbeeld 

Een tweede bekende basisscenario is het cyclische tijdsbeeld. In een cyclische visie op de geschiedenis gebeuren dezelfde dingen steeds weer. Een mens maakt veel cyclici mee. Dag wordt nacht wordt weer dag. Zomer wordt herfst, wordt winter, wordt lente, wordt weer zomer. Mensen worden geboren en sterven weer. Waarom zou niet de hele geschiedenis cyclisch zijn? Een gekke gedachte is het niet. We vinden het immers in Griekse, Hindoeïstische en Boeddhistische geschriften en in de Westerse filosofie onder andere bij Friedrich Nietsche. Het cirkelscenario zit ook in het gezegde ‘de geschiedenis herhaalt zich weer’. De gedachte van het Rad des Tijds is blijkbaar van alle tijden.

Ook het cyclische scenario gebruiken we vaker dan je misschien zou denken. Het is namelijk de basis van de historische analogie. Bij een historische analogie proberen we het heden te duiden aan de hand van een soortgelijke situatie in het verleden. De topfavoriet is de 2e wereldoorlog. In de jaren dertig van de vorige eeuw kwam het Nazisme op naar aanleiding van een economische crisis, precies zoals nu, na de crisis van 2008, overal autoritaire leiders aan de macht komen….

Probleem met de historische analogie is dat de voorspellingen die er uitkomen zelden blijken te kloppen. Blijkbaar verloopt de geschiedenis grilliger. Herhalingen zijn vaker toeval dan dat ze het gevolg zijn van een mysterieuze historische cyclus. De historische analogie wordt vaak als waarschuwing gebruikt. Gebeurtenis a of b zou opnieuw kunnen gebeuren als we niet oppassen. Maar die redenering bijt zichzelf in de staart. Òf de geschiedenis verloopt cyclisch, maar dan kunnen we er niet zoveel aan doen; òf we kunnen leren van de geschiedenis maar dan verloopt deze niet cyclisch.

Er zijn wel degelijk aspecten van de geschiedenis die cyclisch verlopen. De economische cyclus van optimisme, overwaarde, crash, neergang, terugkerend optimisme, lijkt bijvoorbeeld ingebakken in ons economisch systeem. Ook andere aspecten van de geschiedenis vertonen een dergelijke slingerbeweging. Ik denk dat we een cyclisch beeld serieus kunnen nemen onder een paar voorwaarden. (1) de cyclus heeft al meer dan één keer plaats gevonden. Economische crises vinden bijvoorbeeld elke 30 jaar plaats. (2) er is een duidelijk idee wat de oorzaak is van de cyclische beweging. In de economie leidt optimisme tot een economische bubbel die dan wel moet barsten. (3) Het is aannemelijk dat die oorzaken ook nu spelen. Er is op dit moment overdreven optimisme over de economische meerwaarde van big data – bijvoorbeeld. Zonder deze drie elementen is het cirkelscenario, net als het zondevalscenario, hoogst verdacht.

Klassiek Vooruitgangsdenken

De derde basisgedachte is de vooruitgangsgedachte. In de vooruitgangsgedachte bewegen we, al dan niet in een rechte lijn, naar een betere toekomst. Dit idee is in de verlichting dominant geworden en bepaald nog altijd ons denken, zeker dat van mijn moeder. Maar het bestaat op zichzelf weer in verschillende varianten.

Sommigen denkers over de vooruitgang zien het als iets dat buiten ons staat. Dit lijkt op het cyclische en zondeval scenario, maar in plaats van iets met curves zien deze vooruitgangsdenkers eerder een rechte lijn naar boven in de geschiedenis. De mens heeft daar weinig invloed op. Ik besprak dit idee al eens eerder in mijn blogje “in opdracht van de tijd“, dus ik ga er nu niet al te diep op in.

Andere denkers zien de vooruitgang ontstaan in fasen. Eerst waren er de jagers verzamelaars, toen de landbouw, daarna de industriële samenleving en nu de informatiemaatschappij. Of… Eerst was er anarchie, toen stammen, toen adel, toen democratie. Dit soort denkers zien de geschiedenis die zich ontwikkeld in een positieve richting en stellen vaak dat er een eindpunt aan de vooruitgang zit. Meestal is dat, de laatste fase, de samenleving waar we nu in leven.

Dat laatste maakt de fasentheorieën ook meteen verdacht. Het probleem met fasentheorieën is dat ze de geschiedenis inzichtelijk maken, maar weinig over de toekomst zeggen. Een fasetheorie uit de het industriële tijdperk zou nooit de informatiesamenleving voorspeld hebben. De Romeinen dachten dat het Romeinse rijk het einde van de geschiedenis vormde. Denkers die met een fasemodel willen aantonen dat we aan het einde van iets aangekomen staan in een lange traditie. De Griekse denker Epicurus dacht er al zo over, de Duitse filosoof Hegel merkte het op, Karl Marx zag het gebeuren en een hedendaagse Ameriaanse filosoof als Fukayama denkt er net zo over. Ze hebben allemaal al ongelijk gekregen van de geschiedenis.

Modern vooruitgangsdenken

Er zijn twee modellen voor de geschiedenis die Rutger Bregman zelf hanteert die zeker de moeite van het overwegen waard zijn. Het eerste noem ik maar even het hobbelmodel. Het komt als volgt tot stand.

Ten eerste is volgens Bregman een belangrijk kenmerk van de vooruitgang dat we niet terug kunnen. Toen we van het tijdperk van de landbouw naar het industriële tijdperk gingen veranderde de samenleving zo fundamenteel dat een terugkeer naar de landbouwsamenleving onmogelijk werd. Of kleiner: de smartphone heeft een relatief geruisloze opmars in onze samenleving gekend – tenminste als je het vergelijkt met wat er voor nodig zou zijn om het weer terug te draaien.

Een tweede kenmerk is dat we niet overzien waar we heen gaan. Op de korte termijn kunnen we nog redelijk voorspellen wat er mogelijk is en hoe ontwikkelingen uitpakken, maar naarmate je verder kijkt wordt dat steeds moeilijker. We hebben nog steeds geen vliegende auto’s en ook misdaadvoorspelling en de samenleving laten langer op zich wachten dan ooit gedacht. Bovendien trekken ontwikkelingen die veel invloed hebben op de samenleving niet altijd de meeste aandacht.

Een derde kenmerk is dat vooruitgang bijna altijd zijn eigen crises veroorzaakt. Industrie bracht welvaart, maar ook vervuiling en de klimaatcisis. Globalisering maakte dingen goedkoper, maar zorgt voor verlies van banen en zekerheid. Elke ontwikkeling heeft een keerzijde, de crisis die daar uit voortkomt geeft weer aanleiding tot nieuwe ontwikkelingen.

Zo ontstaat een wereld die met horten en stoten vooruit gaat. Elke ontwikkeling lost problemen op maar veroorzaakt ook weer nieuwe problemen. Als je een pessimist bent kun je zo zeggen dat we van probleem naar probleem hobbelen. Als je een optimist bent kun je er op wijzen dat we met al dat gehobbel toch maar mooi elke keer een stap vooruit zetten.

Het tweede basisidee dat Bregman gebruikt wijkt af van alles wat we tot nu toe besproken hebben. Bregman zet vooruitgang hier niet weg als een beschrijving van hoe de geschiedenis nu eenmaal loopt, maar als een ideaal waar we naar zouden moeten streven.

Een dergelijke benadering is verschillend omdat het ons ineens in de actieve positie zet. De vooruitgang gebeurd niet gewoon, terwijl wij passief toekijken. Nee het is iets waar we voor moeten blijven werken en wat de moeite waard is. In de inleiding zei ik al dat mijn moeder een dubbele positie had. Ze dacht dat vooruitgang iets was dat haar overkwam (die is niet te stoppen), maar ook vooruitgang iets goeds was waar ze een bijdrage aan wilde leveren.

Dat laatste: het idee dat het goed is om vooruit te gaan – is volgens Rutger Bregman op zijn retour in onze samenleving. Hij houdt dan ook een vurig pleidooi voor vooruitgangsdenken. Het is een belangrijke vorm van zingeving en bindmiddel in de samenleving. Als we geen invulling kunnen geven aan de vooruitgang verzanden we als samenleving in cynisch en doelloos rondobberen en -laten we wel wezen- daar heeft niemand zin in.

Meer lezen?

Ik schreef eerder over geschiedenis in geschiedenis. Daarin bespreek ik de historische analogie wat uitgebreider. Ik schreef ook als eens over het  manke vooruitgangsdenken van de Russische revolutionairen in in opdracht van de tijd. Donna Haraway’s kritiek op het zondeval scenario in de biologie bespreek ik in Reading Donna Haraway’s Simians, Cyborgs and Women.

In een blogje zoals dit kun je een rijk en meeslepend boek als De geschiedenis van de vooruitgang natuurlijk geen recht doen. Daarvoor moet je het echt zelf lezen.

Betekenisdrift

Het woord ‘nep’ is zichzelf niet meer de laatste tijd. Nepnieuws is waarschijnlijk een van de eerste dingen waar je aan denkt bij het woord nep, maar die samenstelling is piepjong. Vroeger was nieuws niet iets wat nep kon zijn; of daar dacht je in ieder geval niet over na. Wie had dus gedacht de woorden nep en nieuws zo gemakkelijk aan elkaar zouden plakken? En toen werd het nog gekker. Donald Trump, president van Amerika, ging het woord nepnieuws in een totaal andere betekenis gebruiken. Hij bestempelde juist het nieuws van kwaliteitskranten zoals de New-York Times, dat wij als het meest betrouwbare beschouwen, als nep. Dat is dus een beetje alsof je een Mercedes een nepauto noemt. Niettemin is het feit is dat Trump een invloedrijke man is – en zo is nep vanzelf ook synoniem geworden voor “niet positief over Donald Trump”.

Hoe invloedrijk Trumps taalgebruik precies is zal de tijd moeten leren, maar het turbulente leven van het woord nep roept natuurlijk allerlei vragen op over taal als kennisdrager. Als alle woorden zo wispelturig zijn, hoe kun je ze dan gebruiken om iemand iets te leren? Of om het eens te worden over hoe iets zit? Kunnen we, zoals in het boek 1984 van George Orwell geprobeerd wordt, het denken van een hele samenleving veranderen door in het woordenboek te schrappen? Of heeft dat geen zin? Ik denk dat dit soort vragen goed te beantwoorden zijn als je twee dingen helder voor ogen houdt.

Ten eerste: woorden zijn vogelvrij. Je kunt boos zijn op Trump omdat hij verwarring zaait door het woord nep op een heel andere manier te gebruiken dan dat wij dat doen, maar dit soort taalvernieuwing is wel heel normaal. We leren wat woorden betekenen door hoe mensen woorden gebruiken en als we woorden anders gaan gebruiken veranderen ze dus van betekenis. Als we de zon dit jaar allemaal sjaal gaan noemen, dan gaan we volgend jaar allemaal naar het strand om bruin te worden in het lekkere zomersjaaltje. Dat zulke veranderingen van de taal meestal geleidelijk gaan komt omdat het niet meevalt iedereen mee te krijgen in het nieuwe gebruik van sjaal. Maar beroemdheden en de (massa)media zijn wel krachtige verspreiders van nieuwe taal.

Ten tweede: betekenissen zijn juist vrij vast: ze zitten verstrikt in een kluwen van woorden. Taal is een netwerk. Als je de betekenis opzoekt van een woord dan stuit je vaak op een definitie van een 10tal woorden waarvan je van een paar de betekenis ook niet kent. Als je de betekenis van die woorden gast opzoeken stuit je wéér op definities met onbekende woorden. Enzovoort. Deze kluwen van woorden en verbanden tussen woorden is mooi weergegeven in een visuele thesaurus. In ons brein is deze taalkluwen ook nog eens verknoopt met persoonlijke herinneringen en emoties. Iedereen die wel eens met wol gespeeld heeft weet dat een kluwen veranderen niet meevalt. Natuurlijk kan het wel, anders had studeren geen zin,  maar of het Donald Trump lukt om mijn begrip van echt en nep te veranderen, dat betwijfel ik.

Terwijl woorden dus vrij gemakkelijk op een nieuwe manier gebruikt kunnen worden, worden ze op hun beurt in toom gehouden door betekenissen die zich niet zo makkelijk laten veranderen. Nieuw taalgebruik grijpt vaak vrij snel om zich heen, terwijl het veel moeilijker is om het denken daaronder te veranderen. Woorden zijn besmettelijker dan betekenissen.

Dat is misschien ontnuchterend nieuws voor mensen die zich, zoals ik, met leren en onderwijzen bezig houden. Het is niet zo moeilijk om studenten of collega’s te leren om nieuwe begrippen te gaan gebruiken. Maar, als je kijkt naar welke ideeën daar onder schuil gaan, gaat het gezegde “oude wijn in nieuwe zakken” gemakkelijk op. Die nieuwe begrippen hechten zich aan oude betekenissen terwijl dat vaak net niet de bedoeling is. Zo ontstaan er veel misconcepties en onzichtbaar onbegrip. Om een nieuw begrip in te laten dalen moet de hele taalkluwen veranderd worden. Dat vereist dat je het nieuwe begrip op veel manieren gebruikt en dat je als docent een lange adem nodig hebt om misconceptie na misconceptie recht te zetten.

Het is misschien ook ontnuchterend nieuws voor onderzoekers die het eens proberen te worden over hoe iets wat ze in de wereld zien precies begrepen moet worden. Vaak wordt dit gedaan door nieuwe taal in te voeren. Maar die nieuwe taal klit bij alle onderzoekers aan andere bestaande betekenissen. Er is zo heel wat discussie nodig voordat er een gedeeld begrip ontstaat van het verschijnsel. Voor hele nieuwe wetenschappelijke ideeën, zoals ooit de quantummechanica, blijft die discussie jarenlang doorgaan.

Het is ook slecht nieuws voor diegenen die proberen ons denken te vervangen door termen te veranderen. Je kan zwakzinnigen verstandelijk beperkten gaan noemen, allochtonen nieuwe Nederlanders of patiënten cliënten, maar maak je niet de illusie dat dat tot een hele andere behandeling van deze groepen leidt. De nieuwe term past namelijk precies op de betekenissen die de oude term ook had. De woorden die we gebruiken zijn vervangen, maar verstandelijk beperkten worden er niet vanzelf respectvoller door behandeld, nieuwe Nederlanders zijn niet welkomer dan allochtonen en cliënten niet minder afhankelijk dan patiënten. Voor dit soort veranderingen zijn de kluwens te sterk en de woorden te zwak.

Is het dan kansloos om met taal betekenissen te veranderen? Enige nuance is misschien op zijn plek. Met name de eerste regel, dat woorden vogelvrij zijn, is overdreven. Zeker woorden waar we al lang een bepaalde betekenis aan toekennen, zoals nep of sjaal kun je niet helemaal ongestraft voor iets nieuws inzetten. Als je die woorden gebruikt blijft er een stukje van de originele kluwen meekomen en dat kan de betekenis die je wil beïnvloeden wel degelijk in de war schoppen. Trump plakt het woord nepnieuws niet voor niets op de New York Times. Hij probeert daar twijfel mee te zaaien over wat echt is en wat nep is, zodat onwelgevallig nieuws hem minder hard zal raken. Dat zal ongetwijfeld een beetje lukken, maar op de langere termijn schat ik het niet kansrijk in. Iemand die lak heeft aan de betekenissen waar we mee zijn opgegroeid en opgevoed nemen we daarvoor simpelweg niet serieus genoeg. We zijn eigenlijk heel gehecht aan onze taalkluwens.

Meer lezen?

In mijn blogje Jargon, sprak ik al eens eerder over het verband tussen taal en kennis. De besmettelijkheid van ideeën besprak ik al eens in Memen.

Het netwerkkarakter van kennis besprak ik in Kennisnetwerken en in Sociale Kennisnetwerken. De discussie in de quantummechanica, behandelde de ik in EPR.

Een voorbeeld van een visuele thesaurus vind je hier.

 

 

 

Sociale Kennisnetwerken

In mijn laatste blogje over kennisnetwerken besprak ik het netwerk, of misschien eerder de werking van het brein, als metafoor voor kennis. Ik stelde dat kennis zobezien performatief is: ideeën worden steeds opnieuw gemaakt in plaats van een keer opgeslagen en dan teruggehaald. Het zit verspreid, zei ikde spelers die er bij betrokken zijn zitten overal. En het is meerduidig, zodra je een vraag aan een kemnisnetwerk stelt komen er meerdere antwoorden tegelijk. In dit blogje ga ik na wat er gebeurd als je die eigenschappen op de kennisnetwerken van mensen probeert toe te passen.

Het idee om groepen mensen ook als netwerken te zien is sinds de opkomst van sociale media enorm populair. Het is dan ook niet zo vreemd om sociale netwerken ook als kennisnetwerken te zien. In plaats van cellen die met elkaar verbonden zijn en via elektrische signalen met elkaar communiceren denken we nu aan mensenbreinen die door middel van taal aan elkaar verbonden zijn.

Technologiejournalist Kevin Kelly gebruikte deze analogie zelfs om het internet te beschrijven: volgens hem moeten we het niet internet zien als een verzameling genetwerkte computers, maar als genetwerkte mensenbreinen. Aangezien er nu evenveel computers met elkaar verbonden zijn als dat er cellen in de menselijke hersenen zitten is er een globaal kennisnetwerk, een soort superbrein, met één brainpower onstaan. Er worden steeds meer computers aangesloten dus al snel zal het internet zelfs ‘slimmer’ zijn dan mensen.

Nou ja. Volgens mij voert Kelly de metafoor veel te ver door. Hij lijkt te suggereren dat het internet als geheel zijn eigen gedachten heeft. Dat is onwaarschijnlijk omdat het internet helemaal niet getraind is in bepaalde gedachtenpatronen. Inteligentie onstaat niet vanzelf als je ergens een netwerk van maakt. Het internet is niet geëvolueerd om een intelligent netwerk te zijn. Het internet heeft geen zintuigen. Het heeft niet met vallen en opstaan, doelbewust, bepaalde dingen geleerd, zoals en jong kind doet. Het is een ongericht, doelloos netwerk. Onze hersenen zijn dat niet. Zelfs als Kelly gelijk had er er was zoiets als een ‘internet gedachte’ dan zouden wij daar nog altijd niets van merken. Onze hersencellen hebben ook niet door dat wij aan een ijsje denken.

En toch denk ik dat het, dichter bij huis, in je eigen werk of vriendenkring, handig kan zijn om aan je sociale netwerk als een kennisnetwerk te denken. Daar is ook helemaal geen tussenkomst van een computernetwerk voor nodig. Als je een vraag krijgt waar je het antwoord niet op weet ga je gewoons rondvragen. Je vraagt het eens aan wat mensen van wie je denkt dat ze je misschien kunnen helpen. Vaak levert dat nog niet meteen zoveel op, maar deze mensen vragen het ook weer aan iemand anders of ze verwijzen je door waarna je met wat geduld vaak wel tot een antwoord komt. Zie daar: jouw kennisnetwerk aan het werk.

Heeft dit ‘systeem’ de eigenschappen waar ik dit blogje mee begon? Meerduidigheid heeft het zeker. Voor dat je “het antwoord” dat je zocht krijgt, heb je al heel veel antwoorden gekregen op andere vragen waar de ondervraagden wèl antwoord op wisten. Voordat je er uiteindelijk achter bent waar de dokter in je nieuwe stad zit heb je al ontdekt waar de fysiotherapeut, apotheek, acupunctuur praktijk en de fietsenmaker zit. Dat lijkt misschien eerst nutteloos, maar veel van die antwoorden gebruik je later als nog zonder er ooit over na te denken hoe je ooit aan die kennis kwam. Meerduidigheid is een efficiënter systeem dan je zou denken.

Je kennisnetwerk hoeft natuurlijk niet persé verspreid te zitten. Als je je sleutels kwijt bent ga je niet je Amerikaanse vriendinnetje skypen om te ontdekken, je vraagt het aan een huisgenoot. Maar voor minder duidelijke vragen is verspreidheid wel degelijk een voordeel. En dan bedoel ik niet persé geografische verspreidheid, maar eerder verspreidheid over verschillende sociale kringen. Hoe vaker je met elkaar om gaat hoe meer kennis je deelt. Onhandig als je nieuwe kennis wil binnenhalen. Dan kun je dus beter spreken met mensen die je niet zo goed kent. Als je toch gaat rondvragen ga dan eens wat verder dan de mensen die je elke dag spreekt. Ze zult verbaast zijn van wat dat oplevert.

En dan nog perfomatief. In mijn vorige blogje vergelijk ik leren met het trainen van een basketbalteam. Tijdens de training kan je zorgen dat het team goed op elkaar ingespeeld raakt en dat het leert scoren als de omstandigheden er goed genoeg voor zijn. Maar de echte doelpunten moeten tijdens de wedstrijd gemaakt worden. Ik stelde dat het net zo was met het geheugen. Je kan je hersencellen trainen om een herinnering te produceren door te zorgen dat je hersencellen op een bepaalde manier op elkaar ingespeeld raken. Maar het oproepen van die herinnering is, in basketbaltermen, niet het terugspelen van een video van een oude driepunter, maar een team uitdagen weer eens een verse driepunter te maken. Als de spelers goed genoeg op elkaar ingespeeld zijn lukt ze dat vast en zeker.

Werkt het ook zo voor je mensenkennisnetwerk? Nou, ja en nee. Zoals hersencellen op verbindingen berusten, zo berusten mensenkennisnetwerken op relaties. Je sociale netwerk kun je onderhouden. Je kunt zorgen dat je banden opbouwt met slimme mensen die je met veel vragen verder kunnen helpen. Je kunt zorgen dat je mensen uit heel verschillende werelden kent. En je kunt vaak gebruik maken van je kennisnetwerk zodat je leert bij wie je een vraag zeker moet neerleggen en bij wie niet, daar onderhoud je meteen die relaties weer mee.

Maar, zoals ik naar aanleiding van het internetbrein van Kevin Kelly al opmerkte het lastige is dat je zelf onderdeel van het netwerk bent. Het is heel moeilijk in te schatten op wat voor vragen je in de toekomst antwoord wil hebben. Daarom is het moeilijk om je eigen kennisnetwerk voor te bereiden op die vragen. Je kan een algemeen plan maken en je omringen met mensen die je daar mogelijk bij kunnen helpen en dat is vaak ook verstandig, maar een echte basketbaltraining is dat natuurlijk niet.

Al met al past de netwerkmetafoor prima op je sociale netwerken. En geeft het een verfrissende kijk op hoe je je kan voorbereiden om moeilijke vragen die in de toekomst op je af komen. Persoonlijk, maar misschien ook als organisatie. Of dat ook tot ander kennismanagement moet leiden is een vraag die ik later misschien nog eens op pak.

Meer lezen?

In spiegelpaleis ga ik dieper in op de voor- en tegens van de sociale aspecten van kennis in mensennetwerken.

Dit is het vervolg op mijn vorige blogje over het netwerk als metafoor voor kennis. Eerder besprak ik andere metaforen voor kennis in kennisstroommemen en kenniscontainers.

 

Het filmpje van Kevin Kelly is hier te zien