Tja… het moest er een keer van komen. Dat ik Eduard J. Dijksterhuis’ De mechanisering van het wereldbeeld zou bespreken. Geen wetenschapshistoricus kan om dit boek heen. En hoewel ik al andere boeken in dit genre besprak, had ik Dijksterhuis tot nu toe steeds links laten liggen.
Tijdens mijn natuurkundestudie had ik er natuurlijk wel stukken uit voorgeschreven gekregen. En eerlijk? Ik vond er weinig aan. Waarom zou je tijd besteden aan ideeën van wetenschappers die bijna niemand kent, van wie we nu weten dat ze het bij het verkeerde eind hadden – en dan ook nog geschreven in een archaïsch, deftig proza? Alsof zoiets intrinsiek interessant zou zijn.
Ik was nog jong. Tiener, om precies te zijn. Ik deelde het denken nog op in juiste en onjuiste ideeën. Ik zag de natuurkunde als leverancier van juiste ideeën, en de geschiedswetenschappen niet meteen. Al was het maar vanwege de stijl waarin ze hun inzichten deelden. Ik snapte best waarom je aandacht kan besteden aan het bewijs van Galileo Galilei dat de aarde om de zon draait, maar niet waarom je ook zou moeten vertellen waar hij zich vergiste.
Was ik te snel met mijn oordeel – en te streng? Zeker. Inmiddels voel ik me er ook wel een beetje schuldig over: dat ik een meesterwerk als De mechanisering van het wereldbeeld zo gemakkelijk terzijde schoof, me door het tentamen heen blufte, en mijn naïeve ideeën over natuurwetenschap én geschiedschrijving nog even probeerde te beschermen tegen al te veel kennis van zaken. Het paste bij wie ik toen was. Niet sjiek misschien, maar ik denk dat Dijksterhuis best begrip had kunnen opbrengen voor mijn jeugdige hoogmoed.
Want hoe beschrijf je eigenlijk een geschiedenis van het denken? Onvermijdelijk speelt ‘de kennis van nu’ een rol – als het niet een hoofdrol is. Hoe construeer je een begrijpelijk verhaal uit al die bronnen, met al die ideeën die verwantschap vertonen maar telkens andere begrippen gebruiken? Ideeën waarvan we nu denken dat sommige een stap vooruit zijn en andere een misstap. Hoe doe je recht aan de intellectuele rijkdom en de worsteling die nodig was om te komen waar we nu zijn? Hoe breng je orde in de chaos die de geschiedenis heet?
Dijksterhuis’ benadering is om de geschiedenis een vraag te stellen – of eigenlijk twee.
(1) hoe is de mechanisering van ons wereldbeeld in de geschiedenis van de natuurwetenschappen tot stand gekomen?
En…
(2) wat bedoelen we eigenlijk wanneer we zeggen dat het wereldbeeld gemechaniseerd is?
Als je denkt: “wat een rare volgorde”, dan heb je groot gelijk. Elk normaal mens zou eerst de tweede vraag beantwoorden voordat hij de eerste stelt. Maar Dijksterhuis zag in dat er grondig historisch begrip nodig is om die tweede vraag – wat we bedoelen met de mechanisering van het wereldbeeld – überhaupt te kunnen beantwoorden, en dat we de vragen dus in samenhang moeten beantwoorden.
Om dat te doen, begint Dijksterhuis bij de oude Grieken, geeft hij een uitgebreide beschrijving van de middeleeuwse natuurwetenschappen en eindigt hij bij wat we nu zien als de grondleggers van de moderne natuurkunde: Galileo Galilei, Johannes Kepler, René Descartes en Isaac Newton. Hij laat zien hoe lang het heeft geduurd voordat begrippen die we nu als vanzelfsprekend beschouwen – zoals ‘kracht’ en ‘massa’ – zich losmaakten van intuïtieve, maar misschien ook naïeve ideeën over hoe de natuur werkt.
Daarbinnen zoekt hij naar sporen van wat hij ziet als elementen van het mechanische wereldbeeld. De materie raakt geleidelijk ontzield: wat ooit nog een neiging had naar een natuurlijke plaats, wordt iets dat zich uitsluitend laat sturen door invloeden van buitenaf. Ook het atomisme verschuift van betekenis. Wat eerst als eigenschappen van deeltjes werd gedacht – elasticiteit, traagheid, kleur – wordt nu opgevat als het resultaat van hun gedrag. Zo verschuift niet alleen het beeld van de materie, maar ook de manier van denken zelf. Begrippen worden steeds strakker ingebed in een netwerk van definities: wat telt is hun onderlinge samenhang. En gaandeweg wordt dat netwerk zelf mathematisch uitgedrukt. Relaties tussen verschijnselen krijgen vorm in formules, waarin meetbaarheid de toetssteen wordt. In die dubbele beweging — van begripsverstrakking en mathematisering — ziet Dijksterhuis de opkomst van een nieuwe wetenschappelijke stijl, die in de negentiende en twintigste eeuw volledig tot ontwikkeling komt.
Dijksterhuis zal het beschrijven hiervan als zijn grootste bijdrage hebben gezien, maar misschien is de wetenschapshistorische stijl die hij zelf neerzette dat eerder. Veel moderne wetenschapshistorici schrijven als Dijksterhuis. Net als hij beginnen ze doorgaans bij de Griekse natuurfilosofie. Net als hij geven ze uitputtende overzichten van denkers tot op de dag van vandaag. Waar wetenschapshistorici van elkaar verschillen, is de vraag die ze aan de geschiedenis stellen, en minder de manier waarop ze die proberen te beantwoorden.
Of dat een goed idee is, vraag ik me af. Ik heb inmiddels wel de discipline om me door meer dan 500 pagina’s wetenschapsgeschiedenis te werken, maar ik ging pas echt áán in het boek toen Eduard J. Dijksterhuis wetenschappers ging bespreken die ik ken en waar ik iets mee heb. Als hij had willen laten zien dat er in de wetenschappelijke revolutie, bijvoorbeeld in het werk van Copernicus, Kepler, Descartes, Boyle en Newton, iets bijzonders gebeurde in de natuurwetenschappen, dan had hij van mij bij Copernicus kunnen beginnen en de bijdragen en dwalingen van deze wetenschappers veel uitgebreider kunnen bespreken. Dijksterhuis zou zeggen dat je daarvoor de geschiedenis moet kennen, maar daar ga ik niet in mee.
Ik weet ook niet of Dijksterhuis en ik elkaar vinden in het idee dat het wereldbeeld gemechaniseerd is geraakt. De Grieken die hij bespreekt – zeker de pythagoreeërs – hadden volgens mij best een mechanisch wereldbeeld. Ze vertaalden muziek zelfs naar wiskunde. Misschien is een deel daarvan op de achtergrond geraakt in de Middeleeuwen en hervonden in de wetenschappelijke revolutie, maar om dat als dé dominante denkwijze neer te zetten? Daar ging ik als student natuurkunde ooit in mee, maar inmiddels denk ik daar anders over.
Wat blijft, is zijn fenomenale prestatie. Hij zette een standaard neer voor alle wetenschapshistorici na hem en bracht het idee dat de natuurwetenschappen hebben bijgedragen aan een mechanistischer wereldbeeld naar een groot publiek. Natuurlijk valt daar veel op aan te merken, maar dat kan alleen nadat iemand eerst een streep in het zand heeft gezet. Die persoon was Eduard J. Dijksterhuis.
Meer lezen?
Ik besprak het werk van andere wetenschapshistorici al eens. Beiden volgen Dijksterhuis’ benadering, maar kiezen een andere focus. Rens Bod kiest er voor om de vraag te verbreden naar wetenschap in andere culturen, ook de alfa-wetenschappen mee te nemen en om eerder in de geschiedenis te beginnen. Ik ging daar in De wetenschapsgeschiedenis van Rens Bod op in. Chungling Kwa kiest er voor om de mechanische wetenschappelijke stijl van Dijksterhuis naast andere wetenschappelijke stijlen te zetten. Dit besprak ik in De wetenschapsstijlen van Chunglin Kwa.
Over het nut van geschiedenis in het algemeen schreef ik al eens in Geschiedenis. Over de wisselwerking tussen wetenschapsgeschiedenis en wetenschapsfilosofie schreef ik in Het probleemoplossend vermogen van Larry Laudan.
Hoewel ik in deze blog veel kanttekeningen plaats bij het werk van Dijksterhuis is het altijd beter het origineel te lezen dan iemands mening erover. Neem wel de tijd.