Onuitdrukbaarheid

“Er zijn geen woorden meer voor wat ik voel, ik heb geen woorden meer voor jou”. De Jazzpolitie zong het in de jaren 80 en in de liefde gebeurt het ons allemaal: dat we gevoelens ervaren die we als diep, waar en uniek zien – en die we, ondanks een overvloed aan liefdesliedjes, onmogelijk in woorden weten te vangen.

Maar de verliefden van deze wereld zijn niet de enigen die zich op onuitdrukbaarheid beroepen. Neem intuïtie. Intuïtie is een soort kennis die je niet gemakkelijk met anderen deelt, die men eerder “voelt” dan “denkt” en waar, naast veel vrouwen, ook wiskundigen en ondernemers zich op zeggen te beroepen. En je hebt de mystici. Mensen die via spirituele wegen, vaak door uitgebreide rituelen of zelfs met behulp van hallucinogene middelen, tot inzichten over het leven proberen te komen waarvan ze vervolgens claimen dat ze diep, waar en -helaas voor ons- onuitdrukbaar zijn.

Slaan die claims ergens op? Moeten we die hartstochtigen, genieën en zieners serieus nemen? Hebben ze daadwerkelijk kennis die niet in woorden uit te drukken is, of moeten we ze gewoon vragen een beetje beter hun best te doen? Over die vraag gaat dit blogje.

Is het brein of de taal de beperking?

Er zijn twee redenen te bedenken waarom dingen onuitdrukbaar kunnen zijn. De eerste is dat het brein niet alles kan bevatten omdat het daarvoor te beperkt is. Dit wordt gebonden betekenisgeving genoemd. De tweede reden is dat het brein juist meer dingen kan bevatten dan in taal uit te drukken is. Dit wordt het mystieke argument genoemd. In het eerste geval is het brein dus niet goed genoeg, in het tweede geval de taal.

Laten we met het brein beginnen. De gedachte van gebonden betekenisgeving is vrij eenvoudig. Stel dat we het brein opvatten als een begrijpmachine. Is het dan redelijk te verwachten dat het brein werkelijk alles wat begrepen zou kunnen worden begrijpt? Vermoedelijk niet. Het brein heeft door de evolutie een structuur die het geschikt maakt voor bepaalde typen inzichten: namelijk gelinkt aan onze zintuigen en taal – en er zullen dus inzichten mogelijk zijn waar ons brein ongeschikt voor is, maar die door dolfijnen gretig worden uitgewisseld.

Toch gelooft niet iedereen in gebonden betekenisgeving. Er zijn filosofen die beweren dat gedachten los staan van de infrastructuur waar ze uit voort komen: gedachten zijn immers immaterieel. We breiden onze zintuigen ook steeds uit door meetinstrumenten te bouwen die dingen kunnen waarnemen waar wij ongeschikt voor zijn. Ons brein is misschien niet gebouwd om de relativiteitstheorie of quantummechanica te bevatten, maar door wetenschap en taal komen we een heel eind. Het tegenargument tegen gebonden betekenisgeving is dus dat taal een soort universele begrijpstof is die alle ideeën kan bevatten. Ook ideeën die ondenkbaar zijn.

Als de taal niet deugt…

Maar, die argumentatie zal slecht vallen bij de jazzpolitie, bezitsters van vrouwelijke intuïtie of de mystici. Zij zeggen juist dat taal niet toereikend is om de inzichten die hun breinen wel degelijk hebben te verwoorden. Dit wordt het mystieke argument genoemd.

Mystici gaan vaak zelfs zo ver dat ze als een certificaat van echtheid beschouwen als ze hun inzichten niet onder woorden kunnen brengen. Volgens Johannes de evangelist kun je een goddelijk inzicht herkennen aan het feit dat het niet empirisch van vorm is – dus ook niet in woorden uit te drukken.

Zelf denk ik dat het certificaat van echtheid, naast het ware geloof ook voor échte liefde geld. Als je er woorden voor hebt lijkt het ineens minder echt. In de liefde zijn we allemaal mystici.

Bestaan de woorden niet of volstaan ze niet?

Goed, hoe kan het dat we dingen kunnen weten die we niet in woorden kunnen vatten? Er zijn opnieuw grofweg twee dingen die aan de hand kunnen zijn. Het kan zijn dat de woorden niet bestaan of dat de woorden niet volstaan.

Als de woorden niet bestaan zeggen filosofen dat een inzicht niet representeerbaar is of niet formuleerbaar. Het onderscheid tussen die twee laat ik even zitten. Omdat er maar een eindig aantal woorden zijn is de kans groot dat er inzichten bestaan waar geen woorden voor zijn, maar het probleem is natuurlijk dat talen niet àf zijn. Als de woorden er niet voor zijn kunnen we er woorden voor verzinnen. Ik denk dat er goede redenen zijn waarom mystici en verliefden dat niet doen, maar daar kom ik zo op.

Eerst het tweede probleem: als woorden niet volstaan. Dit word door filosofen het onuitvoerbaarheidsprobleem genoemd. De gedachte is dat er wel woorden zijn om de inzichten mee uit te drukken, maar dat er een of andere blokkade is om ze daadwerkelijk uit te spreken. Omdat het te omstreden is bijvoorbeeld, of te moeilijk, te beschamend of te triviaal. Je kunt het wel denken in woorden, maar je krijgt het niet over je lippen. De woorden zijn niet toereikend.

Hoe we nieuwe woorden maken….

Als we ergens geen woorden voor hebben, kunnen we ze dan niet gewoon maken? Het ontstaan van nieuwe woorden vindt plaats in een proces dat conversational  grounding heet. Er zijn twee dingen voor nodig waar het de Mystici aan ontbreekt. Een gedeelde ervaring en de behoefte om samen te werken.

Fictief voorbeeld. Wij hebben thuis iets staan met een merkwaardige vorm dat àltijd in de weg staat. Mijn vrouw en ik proberen het huis een beetje opgeruimd te houden dus we kunnen elkaar helpen door het ding uit de weg te halen. Daarom willen we de ander kunnen vragen dat te doen en hebben we het een naam gegeven: stoel.

Het voorbeeld is een beetje flauw, maar de twee ingrediënten zitten er in. Mijn vrouw en ik moeten de stoel allebei kunnen zien en overtuigd zijn dat de ander hem kan zien – anders werkt het niet. Dit is de gedeelde ervaring. En we moeten er ook allebei belang bij hebben om er een woord voor te hebben: de behoefte om samen te werken aan een opgeruimd huis. Uit die twee ingrediënten: gedeelde ervaring en samenwerking ontstaat het woord vanzelf.

De mystieke ervaring is individueel….

Hier zit de crux bij de mystici. Mystici die veel moeite doen om een lijntje met God te openen zijn er meestal van overtuigd dat zij de enige zijn die dat lijntje hebben, laat staan dat ze samen met anderen gaan proberen om God, op andere gedachten te brengen bijvoorbeeld. Zouden ze dat doen dan ontwikkelden ze ook taal om te checken of iedereen God hetzelfde begrepen heeft. Mystieke ervaringen zijn niet zo zeer onuitdrukbaar, er is vooral geen behoefte om ze uit te drukken.

En hier zit ook de crux bij de verliefden. Ook zij beschouwen hun liefde als hoogst individueel. Iedereen vindt John een adonis, maar wat Marieke voor hem voelt is zo speciaal: daar zijn geen woorden voor. Op de werkvloer gaat het de hele dag over John maar die woorden zijn voor wat we sámen voor John voelen en die vallen dus af om Marieke’s unieke band met hem te beschrijven.

De woorden zijn er dus wel!

Dat maakt dat onuitdrukbaarheid eigenlijk geen vaststelling is, maar een bezwering en een uitsluitingsmechanisme.

Het is punt is niet zozeer zozeer dat mystieke gevoelens – over je relatie met God, je intuïtie voor een oplossing of je liefde voor de ander – niet in woorden uit te drukken zijn, het is meer dat we het niet willen. Zodra we woorden geven aan mystieke ervaringen verliezen ze hun unieke, individueel karakter. We willen niet dat er woorden voor zijn. Die woorden bestaan wel, maar ze volstaan niet omdat woorden gedeelde dingen zijn, precies het verkeerde gereedschap om iets unieks mee aan te pakken.

En dat is inderdaad de kern van “liefdesliedjes”. Volgens de Jazzpolitie zijn alle liefdesliedjes al geschreven, waardoor er geen woorden overblijven om hun unieke liefde voor jou uit te drukken.

 

Meer lezen?

Het idee van conversational grounding besprak ik uitgebreid in het blogje De taalpragmatiek van Herbert Clark. Het idee van gebonden betekenisgeving besprak ik eerder in kenvermogen. Ik schreef al over de relatie tussen taal en kennis in jargon en in betekenisdrift.

Voor dit blogje maakte ik gebruik van het boek Ineffability and Philosophy van André Kukla. Ik heb zijn analyse grofweg gevolgd, maar wel sterk vereenvoudigd. Hij maakt zelf overigens geen gebruik van het idee van conversational grounding als uitweg uit het probleem.

Verandersnelheid

Hoe snel verandert de wereld eigenlijk? Ik stel de vraag eigenlijk niet omdat ik denk dat er een betekenisvol antwoord op te geven is, maar wel omdat ik in allerlei rapporten en visiedocumenten de opmerking tegenkom dat de wereld steeds sneller verandert. Tja. Dan komen er routinevragen bij me op zoals: “is het wel waar?”, “wat bedoel je precies?”, “hoe meet je verandersnelheid eigenlijk” en “waar komt dit idee vandaan”. Veel te wetenschappelijk van me natuurlijk, maar, op het risico af de keizer zonder kleren te ontmaskeren, waag ik me er toch maar even aan.

In het boek “De Duizelingwekkende Jaren” bespreekt Philipp Blom de eerste 15 jaar van de vorige eeuw: 1900-1915, de periode voor de eerste wereldoorlog. De schaduw die de twee wereldoorlogen over de twintigste eeuw zouden werpen was nog niet in zicht. Het waren bloeitijden voor het modernisme. De dynamo was het symbool voor oneindigheid, voor morele kracht. Ze draaide met duizelingwekkende snelheid rond. Snelheid was een thema. Fietsen zorgden voor een aanmerkelijk snellere verplaatsing van de massa. Auto’s waren nog geen gemeengoed, maar autoraces kwamen al wel op op. Maatschappelijke verhoudingen verschoven, de adel nam een steeds bescheidener rol in in de samenleving, vrouwen eisten kiesrecht. Communicatietechnologie (telegraaf en telefoon) was in opkomst.

Weinig New Yorkers realiseren zich dat er door de drukte van de grote stad voortdurend berichten schieten van mensen die door enorme afstanden van elkaar zijn gescheiden. Boven de daken, dwars door de muren en in de lucht die we inademen, staan woorden geschreven in elektriciteit.’ – New York Times, 21 april 1912 -techgiganten

Poëtisch natuurlijk – en herkenbaar. Tegenwoordig zijn we er misschien iets minder lyrisch over, maar nog altijd geven technologische ontwikkelingen ons het gevoel ingehaald te worden door de tijd. De -alles gaat steeds sneller geest- waart evengoed door elke bladzijde van “De Duizelingwekkende Jaren” als dat ze door onze moderne berichtgeving waart. De gedachte dat de wereld steeds sneller verandert is dus alvast van alle tijden – of tenminste van moderne tijden: minstens anderhalve eeuw oud. Dat is een lange tijd in een wereld die steeds sneller lijkt te gaan.

Is het dan reëel om te denken dat de wereld echt steeds sneller verandert (?) – of is het eerder iets psychologisch. Elke verandering roept het gevoel op ingehaald te worden. Met objectieve verandersnelheid heeft dat mogelijk niets te maken. Misschien is het ook iets demografisch. Dat de oudere generatie altijd het gevoel heeft dat ze ingehaald wordt door de jeugd en daarom denkt dat de wereld steeds sneller gaat. Toen de ouderen nog jong waren werden ze immers nog niet ingehaald door de jeugd.

Er is eigenlijk maar één scenario denkbaar waarin de wereld in 1900 steeds sneller veranderde en nu nog steeds: exponentiële groei. Groeit de wereld – of misschien technologie – exponentieel? Het is natuurlijk precies waar dit idee vandaan komt. Zoals ik al eerder schreef is exponentiële groei lang een goed model geweest voor de wetenschap. En ook voor computerkracht is dat een hele tijd opgegaan. Eén van de belangrijkste bronnen van de terugkerende gedachte dat de wereld steeds sneller verandert is dan ook Moore’s law.

Gordon Moore, tegenwoordig de directeur van Intel, voorspelde in 1965 dat de hoeveelheid rekenkracht in computers elke twee jaar zou verdubbelen. Hij voorspelde dat dit in ieder geval nog tien jaar (tot 1975) door zou gaan, maar daarin bleek hij te voorzichtig. Pas sinds 2015 waarschuwen Intel en anderen dat de groeisnelheid afneemt. Een tweejaarlijkse verdubbeling, dat is exponentiële groei. Voor computers geldt: sinds 1965 tot 2015 groeide de rekenkracht steeds sneller. Voer voor alles en iedereen die radicale verandering van de wereld wilden prediken.

Maar is het waar? Brengt de opkomst van computervermogen snelle veranderingen met zich mee? Ik bedoel in de wereld? In de manier waarop wij met elkaar communiceren, voor elkaar zorgen, onderwijs inrichten, van a naar b reizen, ons discours: de dingen die we belangrijk vinden en waar we over in gesprek gaan?

Het antwoord is natuurlijk ja én nee. Alle sectoren die hier genoemd worden krijgen te maken met digitalisering en met nieuwe praktijken, maar die veranderen niet ‘exponentieel’ mee.

Een verdubbeling van rekenkracht ervaren we meestal als een net iets soepelere, rijkere, versie van een software product dat we al jaren gebruiken. Microsoft Word uit 2019 kan heus meer dan de eerste versie van Word Perfect van 40 jaar terug (uit 1979) maar de essentie van het product is natuurlijk hetzelfde. Het technologisch potentieel: de rekenkracht, heeft een revolutionaire verandering ondergaan, maar dat is aan de applicatie nauwelijks te zien. Preciezer: we hebben die miljoenvoudiging van rekenkracht in 40 jaar gebruikt om te zorgen dat we de opmaak meteen kunnen zien en onze spelling real-time kunnen laten controleren. Fijn natuurlijk, maar geen revolutie.

Doen we wezenlijk meer met onze smartphones dan we daarvoor op vaste computers deden? Eigenlijk niet: gamen, internet, e-mail – het is allemaal niet erg nieuw. Sociale media? Als je het mij vraagt is dat een update van email. De enige online diensten echt die minder dan 20 jaar oud zijn zijn locatiediensten en streaming (on demand) media. Maar om nu te zeggen dat TomTom en Netflix de wereld fundamenteel veranderd hebben?

Hoe kan het dat computersnelheid exponentieel groeit, maar wat we er mee doen nauwelijks lijkt te veranderen? En hoe kan het dat we al de tijd dat we dezelfde dingen aan het doen zijn met nieuwe computers het gevoel hebben dat de (computer)technologie ons aan het inhalen is?

Ik denk dat het antwoord op beide vragen hetzelfde is. Mensen veranderen (hun praktijken) vrij langzaam en de mens is de maat der dingen. Natuurlijk: er zijn dingen mogelijk met moderne computertechnologie die een hele andere manieren van leven en samenleven mogelijk maken, maar we willen die dingen niet en beginnen er dus niet aan. Natuurlijk: technologie heeft de afgelopen jaren aanleiding gegeven voor allerlei veranderingen in onze manier van leven en samenleven. Die veranderingen gingen ongeveer even snel als dat we aankonden als mensen. Voor de meesten was dat duizelingwekkend snel.

Technologische ontwikkelingen mogen dan vrij snel gaan, volwassen applicaties – die inspelen op wat mensen op dit moment nodig hebben, hebben rekening te houden met wat mensen nu kunnen en willen accepteren. Volwassen technologie schrijdt dus met een aanmerkelijk langzamer tempo voort dan de onderliggende technologische infrastructuur.

En uit die frictie tussen wat technologisch mogelijk is en de verandering die volwassen applicaties belichamen: de verandering die we als mensen willen omarmen, komt het versnellingsdenken voort. Je moet maar eens opletten: snelheidsprofeten beginnen bijna altijd over nieuwe technologische mogelijkheden en ontwikkelingen die nog lang niet klaar zijn voor de langzame mensenmarkt. Ze praten zelden over de revolutionaire manier waarop tekstverwerkers zich in de afgelopen 40 jaar ontwikkeld hebben. Omdat die zich niet revolutionair ontwikkeld hebben. En die nieuwe technologie waar ze het wel over hebben? Die zal zich ook niet revolutionair ontwikkelen. Simpelweg omdat wij mensen daar nog niet aan toe zijn.

De ontluisterende bottom-line is dat we veranderen: zo snel als we kunnen. Dat geeft ons steeds het gevoel dat we de veranderingen maar nét kunnen bijhouden. Het zijn altijd duizelingwekkende jaren. De technologie heeft altijd de potentie om nog meer mogelijk te maken: de technologie zit ons altijd op de hielen.

Maar verandert de wereld steeds sneller? Nou nee. De toekomst raast helemaal niet op ons af. Mijn stelling is zelfs dat de wereld al jaren even snel verandert. Sneller dan ons lief is, misschien. Sneller dan we comfortabel kunnen bijhouden, wellicht. Maar niet met de snelheid van de technologie mee, maar met ónze sneheid – niet meer en niet minder.

Meer lezen? 
Ik sprak over de exponentiële groei van de wetenschap in Big Science (little science). Ik had het eerder het denken over verandering in in opdracht van de tijd, vooruitgang en halfwaardetijd.

Valorisatie

Nog zo’n begrip waar ik een dubbel gevoel bij heb: valorisatie. De vereniging van samenwerkende Nederlandse universiteiten (VSNU) beschrijft valorisatie als het ‘benutten van kennis’ door samen te werken met anderen, mensen iets te leren of – niet onbelangrijk -, door er geld mee te verdienen. Het kan immers zomaar zijn dat je als onderzoeker nieuwe technologie mogelijk maak waar de BV Nederland wat aan heeft: CD’s, of oplaadbare batterijen ofzo. En dan zou het mooi zijn als je daarmee de economie ook een steuntje in de rug wil geven.

Je merkt het al. Ik loop niet zo warm voor dat economische argument. Als toepassingsgerichte onderzoeker vind ik het belangrijk dat mensen iets kunnen met de uitkomsten van mijn onderzoek, maar of dat nou persé ook geld moet opleveren?

Veel wetenschappers delen dit sentiment. Daarom is er ook veel kritiek op ons valorisatiebeleid. De focus op toepassing van kennis zou goede kennisontwikkeling in de weg staan en daardoor op de langere termijn nadelig uitpakken. De focus op de economie zou de onafhankelijkheid van het onderzoek in gevaar brengen. En de rol van de onderzoeker zou helemaal niet moeten zijn om geld te helpen verdienen, daar is het bedrijfsleven immers veel beter in.

Erg sterk vind ik die argumenten niet. Mijn bezwaar is dat ze niet gebaseerd zijn op een doordacht model van hoe innovatie in zijn werk gaat en hoe beleid daar aan bij kan dragen. Het grootste probleem is dat deze argumenten uitgaan van een strikte scheiding tussen kennisontwikkeling en gebruik. Of tenminste van de wenselijkheid daarvan. Die scheiding der machten lijkt mooi, maar er is wel wat tegen in te brengen. Het is een beetje alsof een autofabrikant zijn auto’s niet aan wil passen aan de slechte wegen in sommige landen omdat wegenbouw nu eenmaal aan de overheid is, niet aan autofabrikanten. Natuurlijk kan je je strikt aan de spreekwoordelijke schoenmakersleest houden, maar of het echt voor iedereen het beste is?

Dus, hoe dan wel? Laten we ons eens proberen te verplaatsen in de overheid. Als je als overheid wil dat kennis (goed) gebruikt wordt, hoe stimuleer je dat dan?

Één vraag die je dan moet beantwoorden is hoe fundamentele inzichten zich vertalen in praktische toepassingen. Dat is geen makkelijke vraag. Een plaatje dat ik in dat opzicht verhelderend vind is de onderstaande reis van de kennis. Het gaat voor één toepassing, de grafische user interface, na wie er allemaal nieuwe dingen moesten leren voor dat deze breed toepasbaar was.

Reis van de kennisVoor diegenen die de geschiedenis niet kennen: vroeger bedienden we computers door commando’s in te typen. Op een dag werd de grafische user interface ontwikkeld, waardoor we de computer met een aanwijsapparaat, iconen en menu’s konden gaan bedienen. Dit gebeurde bij Xerox, een bedrijf dat handelde in kopieermachines. Het werd populair gemaakt door Apple en daarna door Microsoft tot de wereldstandaard verheven.

In het diagram staat uiteengezet ‘wie’ er ‘wat voor soort dingen’ moest leren voordat die wereldstandaard werkelijkheid kon worden. Beginnend natuurlijk met de fundamentele ideeën die tot de grafische user interface geleid hebben en eindigend met professionals die die nieuwe principes voor het eerst in hun eigen praktijk gingen toepassen.

Een super simplistisch diagram. Het suggereert één-richtingsverkeer (van fundamenteel naar toegepast) terwijl toepassingen ook vaak tot meer fundamentele vragen leiden. Het laat alle ontwikkelingen die er niet toe deden en alle kennis die onderweg geleend werd van andere ontwikkelingen buiten beschouwing. En het gaat over een set inzichten die altijd al met het oog op toepassingen ontwikkeld is en dus niet over ‘echt’ fundamenteel onderzoek.

Tegelijkertijd is het genuanceerder dan de vaak gebruikte tweedeling tussen kennisontwikkeling en -toepassing en geeft het plaatje een mooi overzicht dat je kan helpen om een basisstrategie – voor een overheid die graag toepassingen wil zien – uit te denken. Zou je al je geld zetten op de eerste kolom en alleen fundamenteel onderzoek stimuleren of zou je ook verderop in de pijplijn ondersteuning willen geven? Zou je een voorkeur hebben voor wetenschappers die aantoonbaar zicht hebben op wat er later met hun werk kan en moet gebeuren wil iets helemaal rechts uitkomen of behandel je de kolommen in dit diagram als silo’s die zich niets van elkaar aan moeten trekken? Welke kolommen laat je aan de markt en welke kolommen krijgen subsidie – en hoeveel dan?

De Nederlandse overheid kiest er voor het meeste publieke geld te investeren in de meest linkse kolom: ontwikkelen van nieuwe kennis. Dit doen ze via de financiering van universitair onderzoek. Een klein deel gaat ook in de tweede kolom: het ontwikkelen van nieuwe toepassingen. Dit gaat via de financiering van onderzoek in het HBO. De derde en vierde kolom worden voornamelijk aan het bedrijfsleven overgelaten. Steeds wil de overheid dat je laat zien dat je zicht hebt op de rest van de keten. Van universitaire onderzoekers wordt gevraagd om inzichtelijk te maken wat in de tweede kolom mogelijk zou zijn, van onderzoekers in het HBO wordt gevraagd bedrijven uit de derde kolom te betrekken. Zodat de ‘doorstroming’ over verschillende kolommen zo soepel mogelijk verloopt.

Of dit het best denkbare beleid is weet ik niet, maar als je het mij vraagt is de vraag eerder waarom de middelen niet gelijkelijk verdeeld worden over alle kolommen en samenwerking tussen alle kolommen wordt geëist, dan andersom. Natuurlijk: fundamenteler onderzoek (naar nieuwe kennis) zou ook onafhankelijker moeten zijn, dan onderzoek naar nieuwe toepassingen, maar een harde scheiding tussen kolom 1 en 2 lijkt mij niet erg productief. Natuurlijk: nieuwe kennis heeft een langere levensduur dan nieuwe toepassingen, maar dat maakt investeren in toepassingen nog geen slechte strategie. Natuurlijk: voor elk van deze kolommen kun je je afvragen hoeveel de overheid en hoeveel het bedrijfsleven zou moeten investeren, maar het voorbeeld van Xerox laat meteen zien dat bedrijven in alle kolommen een rol kunnen spelen. Waarom de overheid dan niet?

Ik heb de indruk dat veel kritiek op ‘het valorisatiebeleid’ eerder ingegeven is door persoonlijke frustraties van wetenschappers, dan door een doorwrochte, wetenschappelijke, analyse van effectief valorisatiebeleid. Dat is begrijpelijk: het denken start in de eigen ervaring; maar erg onderscheidend ten aanzien van andere beroepsgroepen die minder wetenschappelijk onderlegd zijn is dan weer niet.

Het is goed samen na te denken óf valorisatie belangrijk is óf innovaties en geld verdienen doelen moeten zijn van de wetenschap en hóe dit het beste te stimuleren is, maar laten we dat doen aan de hand van de best beschikbare wetenschappelijke kennis over dit onderwerp en laten we er niet van uitgaan dat we valorisatie expert zijn, alleen maar omdat we al wetenschapper zijn.

Meer lezen?

Dit blogje is een vervolg op mijn blogje over de Nobelprijs, waar de relatie tussen fundamenteel onderzoek die in die prijs gelegd wordt bekritiseerde. De -breed gedragen- misverstanden over die relatie stelde ik eerder al eens aan de kaak in mijn blogje stokoude kennis. Het idee dat sommige kennis duurzamer is dan andere besprak ik al in halfwaardetijd en strategieën van wetenschappers om daar mee om te gaan in tijdmeters.

Voor de hier gebruikte definitie van valorisatie raadpleegde ik het VSNU rapport over dit onderwerp.