Eeuwigheid

Het moet me toch nog eens van het hart. Kennis is een tijdelijk ding. Of misschien moet ik het geen ‘ding’ noemen, maar een ‘wezen’ om die tijdelijkheid meer te benadrukken. Kennis is een tijdelijk wezen. Nou. Het hoge woord is eruit.


Ik zou er niet over beginnen als ik niet dacht dat we kennis meestal verkeerd zien; namelijk als iets permanents. Terwijl ik dit schrijf lees ik een boek over de geschiedenis van de natuurwetenschappen. De boodschap van het boek is toch een beetje: “Ooit, 2500 jaar geleden, hadden we nog naïeve ideeën over de natuur, maar door jaren en jaren puzzelen en discussiëren zijn we er op een haar na uit.”


Dat is een enorme vooruitgang waar we veel troost uit kunnen halen. Middelbare scholieren bijvoorbeeld, die worstelen om het verschil tussen stroom en spanning te begrijpen, kunnen zich bijvoorbeeld troosten met de gedachte dat het misschien moeilijk is, maar dat de tand des tijds heeft aangetoond dat het juist en nuttig is.


Of neem de wetenschappers die jarenlang naar het higgsboson zochten. Zij kunnen zich troosten met het idee dat ze weliswaar maar een kleine bijdrage hebben geleverd aan een minuscuul puzzelstukje van de natuurwetenschap, maar dat al die bijdragen samen een groter geheel vormen, waar nog generaties lang lessen over verzorgd worden.
Ooit, zullen ze denken, met genoeg tijd… Dan bereiken samen we misschien de perfecte kennis van onze natuur.


Het klassieke idee is dus dat onze kennis is opgebouwd over honderden generaties, en dat iedereen die iets nieuws bedenkt nog in lengte van dagen invloed zal hebben. De kennis van nu — het verschil tussen stroom en spanning, de oerknaltheorie, en het feit dat we energie uit wind, zon en atomen kunnen halen — had er niet kunnen zijn zonder de uitzonderlijke wijsheid van de oude Grieken, of van René Descartes en Isaac Newton.


De gedachte is ook min of meer dat je, als je erin slaagt onze kennis wezenlijk te verbeteren, de wereld voorgoed verandert. Nieuwe kennis is voor de eeuwigheid.


Klopt dat een beetje?


Het antwoord is denk ik ja en nee en nee.


Om met het zoet te beginnen: ja, natuurlijk zijn veel ideeën die we nu ‘juist’ vinden of waar we veel aan hebben al lang geleden bedacht en hebben ze, zoals je dat zo mooi zegt, “de tand des tijds doorstaan”. De wetenschapsgeschiedenis laat mooi zien hoe Isaac Newton verbeteringen aanbracht aan ideeën van Aristoteles van bijna 2000 jaar eerder.


De eerste nee zit hem er natuurlijk in dat Newton en Aristoteles nooit een belletje gepleegd hebben. Verbeterde Newton echt de ideeën van Aristoteles?


Nou nee, hij verbeterde een — in zijn tijd hedendaagse — interpretatie van Aristoteles. Hoe de man echt dacht is moeilijk te achterhalen. Natuurlijk zijn er teksten. Maar dat zijn Latijnse vertalingen van Arabische vertalingen van teksten die schijnbaar niet eens door Aristoteles zelf, maar door zijn leerlingen zijn opgetekend. Als je wel eens zo’n telefoonspelletje hebt gespeeld, waarin je een zinnetje probeert overeind te houden terwijl je het door de kring fluistert, dan weet je: van de oorspronkelijke ideeën van Aristoteles kan dan weinig over zijn.


Het gaat natuurlijk makkelijker als de bronnen recenter zijn. Charles Darwin is ook voor moderne lezers nog goed te lezen. Ik raad eigenlijk al zijn boeken aan, maar dan nog geldt dat we hem herinterpreteren met de vraagstukken en de kennis van de samenleving van nu. Probeer de kennis van de moderne genetica maar eens weg te denken als je Darwin leest — ik geef het je te doen. In die 165 jaar is Darwins werk zo vaak opnieuw geïnterpreteerd dat moderne lezers er echt iets anders in lezen dan Darwins tijdgenoten.


En ik heb nog meer zuur, want het tweede nee zit in de enorme ontwikkeling van de wetenschap sinds de wetenschappelijke revolutie. In Little Science, Big Science laat Derek J. de Solla Price zien dat de wetenschappelijke productie sinds de tijd van Isaac Newton exponentieel is gegroeid. De kennis waar Newton een heel leven voor nodig had, wordt nu — vooruit: door ons samen en bij wijze van spreken — in tien minuten ontwikkeld.


Kunnen we met zo’n kennisproductie werkelijk beweren dat de ideeën van Aristoteles cruciaal waren voor onze hedendaagse inzichten? Of hadden we het zonder deze grote denker uiteindelijk allemaal toch wel bedacht en misschien ook weer verworpen?


Ja, en nee, en nee dus…

Maakt dat geschiedschrijving dan onzinnig? Dat ook weer niet. Mijn betoog is niet dat we dan maar in de waan van de dag moeten leven en moeten vergeten dat we in de loop der tijd wetenschappelijke vooruitgang hebben geboekt.


De kern is: we vinden dezelfde ideeën telkens opnieuw uit. Jonge mensen maken zich de kennis van nu eigen, passen die een beetje aan en geven die weer door aan de volgende generatie. In dat proces kan kennis verbeteren, verwateren, uit beeld raken of juist worden hervonden.


Laten we wel wezen: op deze manier kan kennis behoorlijk lang meegaan, en als dat zo is, dan is het de moeite waard om daar bij stil te staan, juist omdat kennis tijdelijk is. Als kennis lang meegaat, dan hebben we die generaties lang in leven proberen te houden. We hebben het de moeite waard gevonden om erin te blijven investeren, het te vertalen en te hertalen, het opnieuw te vertellen en die kennis op school te onderwijzen. Kennis die lang leeft, doet dat omdat we er steeds opnieuw moeite in blijven steken.


Ik denk dat historici die zich bezighouden met de ontwikkeling van onze kennis daar meer mee zouden moeten doen. Ze kunnen onze ideeëngeschiedenis minder beschrijven als een reeks geniale inzichten die weer nieuwe inzichten mogelijk maakten, en meer als een organisme dat zich door de tijd telkens opnieuw heeft aangepast aan de noden van de tijd om te blijven voortbestaan.


Dat een idee eeuwenlang overleeft, zegt namelijk niet alleen iets over of het waar is, maar ook over of samenlevingen het belangrijk bleven vinden. Het gaat niet alleen om waarheid, maar ook om culturele selectie.


Meer lezen?

Ik schreef al eerder over de tijdelijkheid van kennis. In stokoude kennis ging ik al eens in op de mythe van het genie uit de verre geschiedenis. In Groeit kennis? ging ik in op de ideeën hierover van Karl Popper die ook denkt dat kennis onderhoud nodig heeft. In Big Science ging ik in op de versnelling van de wetenschap sinds, in ieder geval, de tijd van Newton.

In halfwaardetijd ging ik in op de eerste keer dat ik kennis niet als een permanent maar als een tijdelijk ding ging zien. In tijdmeters beschreef ik vier strategieën om om te gaan met de tijdelijkheid van kennis.

Ik sprak ook al over culturele evolutie in memen, betekenisdrift en cultuurdragers. Het boek dat ik aan het lezen was toen ik dit blogje schreef was ‘de mechanisering van het wereldbeeld, van Dijksterhuis’. Ik schreef eerder ook over de wetenschapsgeschiedenis van Rens Bod en Chunglin Kwa.

Grenzen

Het kwam tot me toen ik na een aantal jaren afwezigheid weer eens op een conferentie was. Ik schrok van het niveau en de onderwerpen van de presentaties. Ging mijn vakgebied eigenlijk wel vooruit? Met duizenden publicaties per jaar zou je toch verwachten dat je na een paar jaar amper meer kon volgen waar het over ging. Maar ik zag meestal jonge, net afgestudeerde onderzoekers soortgelijke projecten presenteren als die ik zelf gedaan had; op de manier waarop dat zelf jaren terug ook gedaan had. En ik hoorde discussies aan die ik jaren geleden ook gehoord had. Precies dezelfde dingen werden besproken. Ik was een aantal jaar niet wetenschappelijk actief geweest, maar toch was ik eigenlijk sneller gegroeid dan mijn vakgebied als geheel.

Dat was best een bevreemdende ervaring, maar ik realiseerde me snel dat dat niet aan mij of aan mijn vakgebied lag, maar dat het onderdeel was van hoe wetenschap werkt. Natuurlijk zijn conferenties plekken waar de stand van zaken in het vak besproken worden, maar het zijn vooral ook opleidingsinstituten.

Op conferenties treden voornamelijk jonge onderzoekers aan die zich, door peer-review en interactie met hun vakgenoten, oefenen in de mores van het vakgebied. Ze leren de regels van het vak en ze hebben toegang tot bestaande kennis en contacten die hen kunnen helpen om hun projecten verder te brengen. Daar komt die herhaling van zetten vandaan. Er is steeds een nieuwe generatie jonge onderzoekers die het vak nog moet leren. De basis, dat wat Imre Lakatos de harde harde kern van het vakgebied zou noemen, moet door elke nieuwe generatie opnieuw aangeleerd worden en daar spelen conferenties een belangrijke rol in.

Kunnen vakgebieden dan eigenlijk wel vooruit gaan? Als conferenties opleidingsinstituten zijn, zijn onderzoekers mensen die hun hele leven studeren. Een onderzoeker heeft vanaf het moment dat hij van de middelbare school komt, op zijn 18e bijvoorbeeld, tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd, zo rond de 65, bijna vijftig jaar om beter te worden in zijn vak. De slimste en meest senior mensen in het vakgebied kunnen dus wat je in vijftig jaar kan leren. En dat zal altijd zo blijven. Vakgebieden worden nooit beter dan wat je in vijftig jaar aan kennis kan opdoen. Als je de stand van zaken in een wetenschappelijke discipline ziet als de gezamenlijke kennis van alle beoefenaars, dan zijn er maar een paar manieren waarop het kan groeien; twee ervan zijn demografisch.

Ten eerste kan het vakgebied vergrijzen. In dat geval worden de beoefenaars meer senior en hebben dus gemiddeld meer leerjaren achter de rug. In een vergrijzend vakgebied gaat de gemiddelde kennis vooruit, maar het is toch niet echt een gezonde situatie. Het grote nadeel van een vergrijzend vakgebied is dat het ook versmalt. Er is beperkte mankracht, nieuwe ideeën kunnen niet opgepikt worden en het gebrek aan aanwas betekend ook dat bestaande ideeën niet meer in twijfel getrokken worden.

Ten tweede kan het vakgebied verjongen. In een verjongend vakgebied is veel mankracht beschikbaar is en ontstaan er veel nieuwe ideeën. Oude ideeën worden ook getoetst en eventueel vervangen. Het nadeel is dat de gemiddelde kennis per onderzoeker omlaag gaat. Veel tijd gaat dus ‘verloren’ door dat nieuwe leden basiskennis bijgebracht moet worden. Een verjongend vakgebied verbreed zich prima maar het verdiept zich minder gemakkelijk.

Er is ook nog een derde manier. De efficiëntie van het vakgebied kan groter worden. Dat wil zeggen dat de senioren hun kennis beter kunnen overdragen aan jongere leden. Niet al hun kennis natuurlijk, maar wel de meest essentiële dingen, waar de jongeren dan op voort kunnen bouwen. Die jongeren hebben dan meer kennis die zich bewezen heeft, die blijkbaar wezenlijk was voor het vakgebied, en minder kennis die er blijkbaar minder toe doet.

In deze derde vorm van vooruitgang hebben veel mensen veel vertrouwen.  Dit komt door het grote verschil in de moeite die gaat zitten in het opdoen van een nieuw idee en het opdoen van een bestaand idee. Charles Darwin heeft lang gedaan over het ontwikkelen van zijn evolutietheorie, maar nu het er is kun je het zelfs al aan middelbare scholieren uitleggen. Één lesje is eigenlijk genoeg. Dat lijkt toch een flinke winst.

Ik ben zelf minder optimistisch over dit idee van vooruitgang door het steeds verder uitbouwen van overgedragen kennis en ik zal dat later nog eens uitdiepen. Voor nu is het misschien genoeg om in te zien dat deze derde vorm sterk lijkt op wat er bij het vergrijzen van een vakgebied gebeurd. Oude ideeën worden sterker waardoor het vakgebied zich verdiept, maar dit gaat ten koste van de breedte en de frisheid van het geheel. De prijs die een vakgebied betaalt voor verdieping is specialisatie en verminderd onderhoud van haar kernideeën.

De paradox is dus dat op conferenties eigenlijk alle individuen leren, terwijl het vakgebied als geheel – de verzameling van al die individuen samen – daar relatief weinig mee op schiet. Erg is dat niet, want dat was het andere inzicht dat ik destijds op die conferentie opdeed: het gaat uiteindelijk om de kennis van die individuen en wat zij er verder mee doen. Als het vakgebied jaren op ‘het zelfde niveau’ blijft is dat geen teken van falen, maar dan betekent dat dat er jaren lang nieuwe mensen getraind worden die op dat niveau over het vak na kunnen denken. De vraag is niet “is elke generatie van nieuwe mensen in het vak beter dan de vorige”, maar “hebben we wat aan een nieuwe generatie mensen met deze kennis”. Zolang het antwoord op die vraag ja is, hebben we wat aan het vakgebied – en, want ik denk niet dat die uitroeibaar is, aan haar bijbehorende mythe van intellectuele vooruitgang.

Meer lezen?

Ik sprak over de nadelen van specialiseren in Helpt Specialiseren? De visie op kennis die ik in dit blogje hanteer lijkt veel op die van Karl Popper die ik in Groeit Kennis? besprak. Ook in de blog Kennisstroom vind je ideeën die gerelateerd zijn aan deze blog.

Kennisstroom

Metaforen zijn belangrijk voor de manier waarop we dingen begrijpen. Daarom is het misschien goed om eens stil te staan bij de metaforen die we voor kennis hebben. In dit blogje wil ik me daarbij richten op het idee van een kennisstroom. Ik kwam het woord tegen in een boek door Joan van Aken en Daan Andriessen, waar het samen met het begrip praktijkstroom gebruikt wordt. Mooi vind ik dat: de kennis en de praktijk die steeds veranderen, zich altijd maar ontwikkelen en elkaar beïnvloeden. Zo brengen van Aken en Andriessen het tenminste. In dit blogje wil ik nog een stap verder gaan en puur eens nadenken over wat het betekend om kennis als een stroom te zien en niet als een bouwwerk of iets heel anders. Dat is niet per sé zoals het in het boek beschreven staat natuurlijk, maar het geeft misschien wel te denken.

Het eerste wat in je gedachten komt bij een stroom is natuurlijk dat het niet ophoudt. Bij een stroom denk ik aan de Rijn of Maas, die steeds nieuwe dingen met zich mee brengen. In een stroom verdwijnen dus ook weer dingen. Dat idee staat wel op gespannen voet met het idee dat wetenschappelijke kennis voor de eeuwigheid is, maar in een technische wetenschap, zoals de mijne is, het idee van tijdelijkheid weer heel normaal. Met het voortschrijden van de techniek, veranderd ook de kennis er over.

Wat ik ook mooi vind aan het beeld van een kennisstroom is dat het je als wetenschapper tot bescheidenheid dwingt over je bijdragen. In een vorig blogje stelde ik al dat er wereldwijd zo’n 5000 wetenschappelijke artikelen per dag worden gepubliceerd. Over een stroom gesproken! Ik werk vaak een jaar of meer aan een wetenschappelijk artikel. En al dat werk ten spijt is het dus maar één van de duizenden steentjes in de stroom in plaats van een rotsvast anker dat mijn unieke ideeën voor eeuwig vast legt. Verreweg de meeste artikelen zullen verdwijnen in de stroom en over een tijdje totaal vergeten zijn. Een enkel artikel heeft misschien een andere werking. Deze zal een verandering veroorzaken, omdat het tegen de heersende ideeën ingaat (en opgepikt wordt, wat zelden zo is). Maar verreweg de meeste artikelen ondersteunen de bestaande stroom door die voort te drijven. Of dat nou nut heeft of niet.

Wat ik zelf interessant vind aan het idee van kennis als stroom is dat kennis in deze visie wel verandert maar niet groeit. Een stroom heeft misschien een oorsprong, ze kan groeien, maar eeuwigheidswaarde heeft het allemaal niet. Ik denk wel eens dat er bepaalde ideeën bestaan die steeds terugkeren, omdat mensen er nou eenmaal opkomen: zoals idealisme of empirisme en waar nieuwe mensen steeds weer nieuwe woorden aan geven om hun tijdgenoten te overtuigen. Die ideeën zijn dan wel ‘eeuwig’ maar ze zijn eerder geleend dan bedacht. Plato was heus niet de eerste idealist en er komt ook geen laatste idealist. Er is eerder een bedding voor idealisme, steeds nieuwe ideeën vinden via idealisme hun weg.

Ik denk dat een kennisstroom een goede metafoor is voor kennis, maar ik merk ook dat ik het makkelijker vind om onze gemeenschappelijke kennis als stroom te zien, dan om mijn eigen kennis zo te zien. Natuurlijk stromen er ook ideeën door mijn hoofd, ongeveer zoals ik dat hier beschreven heb, maar het idee dat mijn gedachten alleen maar langs komen, in plaats van dat ik daar sturing aan geef, zit me dwars. Ik zou willen dat mijn ideeën, die ik met moeite uit de wildernis gebikt heb, bouwstenen zijn en dat mijn kennis een stevig bouwwerk wordt, in plaats van iets wat gewoon maar langs rolt. Ik denk dat dat gevoel: dat je het anders zou willen; dat je wil dat je werk er toe doet, de reden is waarom we kennis vaker als gebouw dan als stroom zien. Jammer eigenlijk.

Meer lezen.

Dat en hoe metaforen belangrijk zijn voor ons begrip besprak ik in in mijn blogje metaforen voor het leven. In kenniscontainers besprak ik de bekendste kennismetafoor ‘het brein als container’. Het idee van de ‘groei van kennis’ besprak ik in groeit kennis? Ik sprak over empirisme en idealisme in het blogje waarheidsinjecties.

Het boek van van Aken en Andriessen waar ik het idee van een kennisstroom uit haalde heet: Handboek ontwerpgericht wetenschappelijk onderzoek: wetenschap met effect. Boom Lemma uitgevers, 2011.

Groeit Kennis?

Er worden elke dag ongeveer 5000 wetenschappelijke artikelen gepubliceerd. Dat is geen exact getal want er bestaan alleen schattingen van de aantallen gepubliceerde artikelen – zoveel zijn het er: duizelingwekkend veel. Met dit soort getallen is het meer de vraag of kennis ons niet boven het hoofd groeit dan of kennis überhaupt groeit, maar ik wil me in deze blog toch even tot die tweede vraag beperken.

Iemand die zich erg sterk gemaakt heeft voor de groei van kennis is wetenschapsfilosoof Karl Popper.  Popper vindt dat wetenschappelijke kennis moet groeien om wetenschappelijk te kunnen zijn. In “The Growth of Scientific Knowlegde” schrijft hij:

 “Ik ben van mening dat voor het rationele en empirische karakter van wetenschappelijke kennis een voortdurende groei essentieel is en dat wetenschap dat karakter zal verliezen, wanneer zij niet langer groeit. Want wetenschap is rationeel en empirisch vanwege de manier waarop zij groeit, vanwege de manier waarop haar beoefenaren tussen de beschikbare theorieën een onderscheid maken en de beste er van uitkiezen.” (Popper, 1978)

Het is misschien goed om even stil te staan bij wat Popper hier zegt. Voor Popper is wetenschap een vorm van proefondervindelijk leren. Steeds moeten we onze kennis aan nieuwe tests onderwerpen. Popper wil dat we proberen om de fouten in wat wel weten op te sporen en te herstellen en dat proces is wat zorgt dat kennis groeit. Met groei van kennis bedoelt Karl Popper dus niet het verzamelen van meer en meer gegevens; ongeveer zoals je ook steeds meer spullen in huis krijgt. Popper doelt op het verbeteren en vervangen van theorieën over die gegevens; ongeveer wat er gebeurd als je je spullen in huis herschikt en opruimt. Voor Popper is de groei van kennis dus ook de groei van de kwaliteit of misschien zelfs de waarheid van wat we weten en niet persé dat we over meer onderwerpen iets weten of meer verschillende dingen weten over een onderwerp.

Als je dit idee toepast op je eigen kennis dan zie je meteen dat er iets tegenstrijdigs in zit. Popper zegt eigenlijk dat kennis die je vaak in twijfel trekt beter is dan kennis waar je dat niet mee doet. Onzekere kennis is volgens Karl Popper ‘wetenschappelijker’ dan zekere kennis. In het dagelijks leven zijn we meestal veel te zeker van onze zaak. Ik weet bijvoorbeeld zeker dat mijn moeder echt mijn moeder is, dat mijn konijnen elkaar lief vinden en dat mijn vrouw niet vreemd gaat. Ik doe dus ook geen enkele moeite om dat te toetsen waardoor de eerlijkheid van mijn moeder, mijn trouwe vrouw en de vriendschap tussen mijn konijnen meer een kwestie van geloof zijn dan een vorm van wetenschap. Het is in Poppers visie nu eenmaal niet ‘empirisch’ en ‘rationeel’ om te geloven dat mijn konijnen elkaar lief vinden als ik ze dat niet af en toe vraag.

Maar wetenschappers zijn ook vaak veel te zeker van hun zaak. Het merkwaardige van de visie van Popper is dat wetenschap zichzelf zo uitholt. Elke wetenschappelijke stroming heeft een harde kern van ideeën die eigenlijk niet meer in twijfel getrokken worden: de wetten van Newton bijvoorbeeld of de principes achter de evolutietheorie. Gaandeweg zijn deze ideeën zo geaccepteerd geworden dat je je moet afvragen of ze in Poppers visie nog wel wetenschappelijk zijn. Er is heel erg veel (nieuwe) wetenschap gebaseerd op deze ideeën, maar omdat wetenschappers ook graag iets nieuws willen ontdekken toetsen ze de basisideeën niet meer. Dat maakt die basisideeën, in Poppers termen dus minder rationeel en empirisch. Wat wel getoetst word zijn allerlei ideeën die in meer of mindere mate afgeleid zijn van kernideeën. We hebben dus een helverlichte ring van echt wetenschappelijke ideeën rondom een donkere kern van puur geloof.

Misschien is het goed dat het zo gaat. Een mens kan nu eenmaal niet aan alles twijfelen. Maar misschien is die combinatie van niet betwijfelde harde kernen met daaromheen ringen van twijfels wel het gevolg van een misverstand over wat ‘groei’ van kennis eigenlijk is. Misschien moeten we ons, als we het idee van groei dat Popper naar voren brengt serieuzer nemen ons minder op de ringen richten en wat meer op de kernen. Zijn we het niet aan onze stand verplicht om ook die basiskennis in twijfel te blijven trekken en in Popperiaanse zin aan proeven te onderwerpen? Hoeveel van die 5000 artikelen per dag doen dat nog?

Meer lezen?

Het citaat in dit blogje kwam uit:

Popper, Karl R. De groei van kennis. Boom Koninklijke Uitgevers, 1978.

In Grenzen ga ik in op de groei van kennis in een vakgebied. De groei van de wetenschap als geheel bespreek ik in Big Science. De groei van kennis, zoals de meeste wetenschappers het invullen, is misschien wel een wetenschappelijke mythe. net zoals die over  Stokoude Kennis, die ik in een eerder blogje oppakte. Ook de toenemende specialisatie in de wetenschap, die ik in Helpt Specialiseren? besprak, is gerelateerd aan het idee van de groei van kennis.