Significantie

Ik zou er een serie van kunnen maken. Het plot gaat ongeveer zo. Onderzoeker (m/v) wil grip krijgen op een probleem. De onderzoeker ontwikkelt een meetinstrument. Met succes: de ontwikkelde maat blijkt een prima middel om een beetje meer grip te krijgen op het probleem.

Maar dan gaat het mis omdat het tè goed gaat. Veel andere onderzoekers willen ook graag meer grip krijgen op het probleem. Iederen slaat aan het meten. Het instrument en de nieuwe maat worden populair en krijgen veel status. Sluipenderwijs verandert het instrument van gedaante. Ooit was het maar een middel, maar nu wordt het een doel op zich – nee hèt doel.

Het is een verhaal over hoogmoed en val. Of eigenlijk het verhaal van doctor Frankenstein, die macht over leven en dood wou en zodoende iets schiep dat hij niet meer in de hand had. Want een meetinstrument dat een doel op zich is geworden doet gewoonlijk meer kwaad dan goed. Als een uitkomst van een meetinstrument een doel wordt, gaan we de boel zo inrichten dat we hoog scoren op die uitkomst; vaak ten koste van dingen die nuchter beschouwd belangrijker zijn. We bedenken een lat om de wereld de maat te nemen maar de lat neemt ons de maat.

Eerder schreef ik zo’n verhaal over IQ, maar vandaag is er aanleiding statistische significantie: ofwel de p-waarde onder de loep te nemen. Die p-waarde wordt veel gebruikt, zo veel dat zo’n 800 wetenschappers een opiniestuk in het wetenschappelijke tijdschrift Nature ondertekenden dat pleitte voor het afschaffen ervan – of tenminste pleitten ze voor een andere omgang met de p-waarde.

Wat gaat hier mis? Die p-waarde is echt heel erg belangrijk. Het gaat feitelijk om een groep wetenschappers die er voor pleiten om het meest gebruikte wetenschappelijke gereedschap af te schaffen. Je kan ook lezen: “tuindersvereniging protesteert tegen het gebruik van heggescharen” of “ANWB pleit voor het afschaffen van wielen”. Niet echt het nieuws dat je verwacht.

De p-waarde meet de kans dat een wetenschappelijke bevinding toeval kan zijn. De kans op kans. Als je de lengte van de jongens in de klas meet en de lengte van de meisjes en je vindt dat de jongens gemiddeld 1,3 cm langer zijn, dan wil je vaak ook weten of dit in alle klassen zo is óf alleen in jouw klas. Er is best een kans dat er in jouw klas toevallig een paar extra lange jongens zaten terwijl dat in andere klassen helemaal niet zo is en jongens dus ook niet gemiddeld langer zijn. Als je die mogelijkheid niet kan uitsluiten ga je niet zomaar roepen dat jongens gemiddeld langer zijn dan meisjes.

Daarvoor is dus statistiek uitgevonden. Of een uitkomst van een experiment toeval is weet je natuurlijk nooit helemaal zeker, maar op basis van het soort meting, hoeveel metingen je gedaan hebt en de spreiding kan je een aardige schatting maken over of de kans groot of klein is dat je elders hetzelfde zal vinden: de p-waarde.

Die p-waarde is populair. Of eigenlijk: zij is zò populair dat ze een norm is geworden. Het is knap lastig om nog resultaten te publiceren als de kans dat het toeval is wat je gevonden hebt niet kleiner is dan 5%, of liever nog 1%.  Zeker als je een sociaal wetenschapper bent.

Is dat slecht? Nou misschien. Het bespaart ons zeker van een hoop onzinbevindingen die zonder de p-waarde misschien enorm serieus genomen zouden worden.

Maar, de ellende met de p-waarde als norm is natuurlijk dat wetenschappers – mensen – proberen die waarde op te krikken. Ze nemen meer proefpersonen, ze sluiten erg afwijkende proefpersonen uit, een enkeling verzint misschien wat data. Ik zou hier een hele lijst misstanden kunnen noemen, maar het punt is steeds: de p-waarde is het doel geworden in plaats van de waarheidsvinding. Einde wetenschap.

En dat is wat die onderzoekers van dat manifest dwars zit. Misbruik, verkeerd gebruik en onbegrip waardoor waardevolle bevindingen verloren gaan en waardeloze bevindingen enorm belangrijk gevonden worden. Daarom stellen ze voor om de p-waarde-norm los te laten en de p-waarde weer een bescheidener plek te geven naast datgene waar het écht om draait: het effect en de grootte daarvan.

Mijn steun hebben ze: dat moge duidelijk zijn, maar of het kansrijk is durf ik te betwijfelen. Ik begin te ontdekken dat normen makkelijker ontstaan dan dat ze verdwijnen. Natuurlijk is je er tegen uitspreken het begin: maar dan begint de lange, lange weg om de praktijk te veranderen. Of deze wetenschappers daar zo goed in zijn als in zich uitspreken? We gaan het zien.

Meer lezen?

Ik schreef al eens hoe enorm overschat de IQ test is en wat daar de gevolgen van zijn. Meer in het algemeen stelde ik vragen bij een doorgedreven vorm van empirisme in waarheidsinjecties. Het vergelijken van groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld) stelde ik aan de kaak in groepsidentificaties en in eerlijk vergelijken.

Sanne Blauw besprak op de Correspondent op heldere manier wat de p-waarde is en waarom wetenschappers hem willen afschaffen. Het oorspronkelijke Nature artikel vind je hier.

Ziekte

Er ging een relletje over. Een of andere feministe – ik weet haar naam niet meer – wilde niet spreken in een debatcentrum omdat daar eerder een rechtse professor – ik zal hem ook naamloos laten – had opgetreden. Inderdaad: alsof zijn verwerpelijke gedachten daar nog rond zouden zweven en haar gezonde geest mogelijk kon besmetten. Kennis als een ziekte. Het debatcentrum had nagelaten om de ruimte op een juiste manier te ontsmetten.

Ach, zo zal ze vast niet écht geredeneerd hebben, maar de gedachte dat ideeën gevaarlijk kunnen zijn, onze weerloze breinen onherstelbaar kunnen beschadigen; en dat mensen of instituten die zich met de verkeerde ideeën inlaten gezuiverd moeten worden, doet wel weer opgang.

Misschien komt het door de opkomst van “alternatief rechts”, dat zichzelf op vrijheid van meningsuiting beroept en anderen juist de mond probeert te snoeren door nota bene de “vrijdenkers” zoals wetenschappers en kunstenaars verdacht te maken. Knuffelwoord: indoctrinatie. Misschien denken we in het moderne leven zo vaak over gezondheid, virussen, bacteriën, besmetting, hygiëne en medicatie zo aanwezig is in ons denken, dat we er vanzelf ook aan denken als het over kennis gaat.

Wat moeten we met het idee van kennis als ziekte?

Een vreemd idee is het niet. Eigenlijk bieden mijn blogjes over mementheorie al een aardig inkijkje in dit denken: veel van de eigenschappen van ziektes zij ook toepasbaar op kennis. Ideeën kunnen besmettelijk zijn, zich verspreiden, kunnen andere ideeën onder druk zetten. Het opdoen van nieuwe ideeën is niet altijd positief: mensen worden soms zomaar besmet met radicaal gedachtegoed en gaan dan – ik roep maar wat- aanslagen plegen.

Maar in twee opzichten denk ik toch dat mensen die kennis als een ziekte zien, of het zo althans behandelen, er naast zitten.

Ten eerste: breinen zijn niet bepaald weerloos. We staan voortdurend bloot aan nieuwe gedachten en ideeën. Maar vijandige ideeën worden door het brein toch echt geweerd. Als een idee niet in overeenstemming is met bestaande ideeën en onze achtergrondkennis, dan hebben ze – zo laat veel sociaal psychologisch onderzoek zien – weinig vat op ons. Als we ideeën als ziektekiemen zien, moeten we onze basiskennis als ons afweersysteem zien.

Ten tweede: het helpt niet om je af te schermen voor zieke ideeën van anderen. Intellectueel zuivere mensen hebben eerder een slechtere dan een betere afweer. De metafoor doet hier prima zijn werk. Als we niet regelmatig bloot staan aan ziektekiemen, dan wordt onze afweer slechter. Dat geld denk ik ook voor ideebesmetting. Mensen die intellectueel zuiver proberen te blijven, zouden wel eens makkelijker met een nieuw gedachtegoed ‘geïnfecteerd’ kunnen worden dan mensen de gewend zijn om alle meningen tot zich te nemen en te wegen. Zulke intelectuele sponzen hebben de tegenargumenten waarmee door andermans drogredenen geprikt kan worden immers paraat.

Je kan kennis best zien als ziekte en op een epidemiologische wijze kijken naar het publieke debat. Maar pas op voor figuren, van welke politieke kleur dan ook, die willen ‘zuiveren’. Ze hebben het niet begrepen. In de meeste gevallen is het niet de blootstelling aan het virus dat ons ziek maakt, maar eerder een gebrek aan weerstand.

Meer lezen?

Ik schreef over mementheorie in memen en cultuurdragers. In betekenisdrift leg ik uit waarom taal een minder krachtige veranderaar is van het denken dan je zou denken.

Ik besprak al een hele reeks andere metaforen zoals kennis als moeras, kennis als boom, en kennis als container.

Rorschach

Er zijn vast maar weinig lezers die bij de titel van dit blogje aan een plaatsje aan de Bodensee denken. Bijna iedereen denkt meteen aan vlekken. Sterker nog ik denk dat een behoorlijk percentage Nederlanders een echte Rorschachvlek van een neppe kan onderscheiden. Zo beroemd is die man.

Wacht ik laat er even een zien….

download

Rorschachvlekken stonden voor mij altijd symbool voor de vaagheid van de psychiatrie. Zeg maar de psychiater als charlatan die je vraagt om vrij te associëren bij een totaal onduidelijk plaatje en die daar dan het zijne van vind – vast iets met onderdrukte seksuele impulsen. Misschien komt het door de film: daar is het zonder uitzondering een of andere pseudoloog die met die vlekken aan de slag gaat. Ik had er dus ook nooit zoveel mee. Tot dat….

Nou ja. Mijn fascinatie voor Rorschach’s vlekken begon pas toen ik leerde dat die vlekken onderdeel uitmaken van een gestandaardiseerde test. Dat hàd me moeten opvallen – net als jullie herkende ik Rorschach vlekken uit duizenden, maar het signaal dat dat door standardisatie zou kunnen komen pikte ik gewoonweg niet op. Ik vond het ook een raar gegeven: een gestandaardiseerde vlekkentest; gewoon omdat het niet in het plaatje paste.

Maar het bleek te kloppen. Wat Hermann Rorschach onderscheidde van zijn tijdgenoten was juist dat hij een veel wetenschappelijkere diagnosepraktijk voorstond, dan in het begin van de 20e eeuw gebruikelijk was. Hij tekende ruim 100 inktvlekken en test die op zo’n 400 proefpersonen waarvan 300 patiënten waren. De 10 vlekken die het beste werkten voor een diagnose koos hij uit – en hij scheef een uitgebreide handleiding over hoe de antwoorden van patiënten geïnterpreteerd moesten worden. Met onderdrukte sex had het allemaal niets van doen.

Omdat de Rorschach test een gestandaardiseerde test is kan bovendien de collectieve ervaring van alle therapeuten die de test gebruiken, gebruikt worden om de interpretatie beter te maken. In de jaren zestig gebeurde dit ook en kwam er een nieuw, betrouwbaarder scoresysteem. De vlekken zelf veranderden niet.

Hoe komt het dan toch dat Rorschach zo’n slecht imago heeft? Vermoedelijk komt door het soort test: het is een projectietest. Je wordt gevraagd jouw ideeën op de plaatjes te ‘projecten’ in de hoop dat dat iets zegt over je persoonlijkheid. Je bent -zeg maar – wat je in de plaatjes ziet. Maar, om dat te kunnen doen moet je je beroepen op je fantasie. En fantasieën zijn vrij intiem. De meeste mensen delen hun fantasieën niet met iedereen – en al helemaal niet in een situatie waar ze beoordeeld worden op mentale gezondheid; nog zoiets intiems. Het is dus een test waarbij de patiënt in een kwetsbare positie wordt gedwongen. We voelend dan eerder mee met de arme patiënt dan met de dokter en zijn, zogenaamd, betrouwbare scoresysteem.

Er zijn ook goede redenen om te denken dat een dergelijke test niet kàn werken. Je verwacht dat mensen heel verschillende dingen roepen als ze gevraagd worden wat ze in die vlekken zien. Die diversiteit geeft ruis: als mensen heel verschillende antwoorden geven op dezelfde vraag is het lastig om vast te stellen hoe je zo’n antwoord moet interpreteren. De antwoorden worden zelf weer een soort Rorschach-vlek. Het is maar wat je er in ziet. Over het algemeen geld dat je met gerichte vragen een betere betrouwbaarheid kan halen dan met een vrije-associatie test.

Ondanks zijn wetenschappelijke doel en zijn update in de jaren 60 staat de Rorschach test dus nog altijd onder fikse kritiek. Er zijn onderzoeken die zeggen dat de test het niet beter doet dan een diagnose zonder test, dat de test verkeerde diagnoses stelt en dat hij voor te weinig verschillende ziektes gebruikt kan worden. Een interessante kritiek is ook dat de test tegenwoordig niet meer zou werken omdat iedereen die plaatjes nu al kent en dus niet meer onbevangen de test in kan gaan. Heb je de diagnose eindelijk gestandaardiseerd….

Hoewel wetenschappelijke studies naar het gebruik van de test niet eenduidig zijn en hoewel de test niet heel sterk uit de bus komt, laten ze wèl degelijk een positief effect zien. Het lijkt er op dat een diagnose met Rorschach test beter werkt dan een diagnose zonder hulpmiddel. Rorschach heeft, zij het heel voorzichtig, de wetenschap aan zijn kant.

Mijn inschatting is dat het te weinig is. Er zijn -of komen- betere tests, waarbij patiënten niet hun fantasieën bloot hoeven te geven. Dan verdwijnt Rorschach van het toneel en blijft alleen het charlatanimago uit de film over. Dat vind ik fijn voor de patiënten, maar jammer voor ons als maatschappij. Ik denk ook dat die test niet kàn werken, maar dat is wél een vooroordeel. Juist omdat de test zo’n rare mix vormt van mystieke en wetenschappelijke ideeën herinnert zij ons er aan dat we dat soort vooroordelen moeten toetsen – en dat we uiteindelijk de wetenschap moeten laten spreken.

Het verketteren van de Rorscharch tests, voordat het finale oordeel van de wetenschap geveld is hoort nu eenmaal niet bij de wetenschappelijke houding die Rorschach zelf voor stond. Laten we de man eren, als was het alleen omdat hij het icoon voor twijfels aan de wetenschappelijkheid van de psychiatrie ontwierp.

Meer lezen?

Ik besprak eerder de IQ test, die er ook al niet goed af kwam. Het soort trials dat heeft aangetoond dat de Rorschach test werkt zijn niet bepaald waterdicht, zoals ik in ongezond aan de orde stelde. Dat je je ideeën moet testen en waarom bespreek ik in Eksters.

Adaptief de 21e eeuw in

Kennis is weer uit. Althans in het onderwijs. Daar zijn 21st century skills in; en computational thinking. Die aandacht voor vaardigheden boven kennis is natuurlijk niet fonkelnieuw. Ik ben zo’n 25 jaar geleden tot docent opgeleid en sindsdien wordt ongeveer dezelfde mantra steeds in een nieuw, nog hipper, jasje gestoken.

Het gaat ongeveer zo. In de toekomst gaat feitenkennis minder belangrijk worden. Want leerlingen kunnen alles opzoeken op internet en bovendien veranderd de wereld steeds sneller waardoor de ideeën verouderen waar je bij staat. Wat studenten ècht nodig hebben is leervermogen. Ze moeten nieuwe kennis tot zich kunnen nemen. Ze moeten multidisciplinair kunnen samenwerken. Ze moeten zich snel aan nieuwe situaties kunnen aanpassen. Zodat ze, in de turbulente tijden die voor ons liggen, met alle winden mee kunnen waaien. Zoiets.

Ja het klopt: ik ben daar skeptisch over. Dat zit hem in twee dingen: in het geschetste wereldbeeld én in de voorgestelde oplossing.

Eerst even die steeds sneller veranderende wereld. Klopt dat? Nou nee. Zo snel gaan die veranderingen nu ook weer niet. Historici wijzen er op dat we al eeuwen het gevoel hebben dat de ontwikkelingen steeds sneller gaan, maar dat zegt misschien meer over ons dan over de daadwerkelijke ontwikkelingen in de wereld. Het revolutionaire en ontwrichtende karakter van nieuwe technologie wordt meestal nogal overdreven; zeker door de uitvinders.

En de digitale revolutie dan? Ja, natuurlijk. De smartphone is pas een dikke 10 jaar oud en allang niet meer uit de samenleving weg te denken. Maar alles wat ik daar nu mee doe: e-mail, internetten, gamen en bellen, doe ik al sinds mijn jeugd met andere technische middelen. De ‘revolutie’ is vooral dat ik het nu kan doen terwijl ik naar mijn werk fiets.

Revolutionair denken is volgens mij vooral een kwestie van aandacht. Als je je aandacht richt op wat er allemaal veranderd is, dan gaan de veranderingen inderdaad razendsnel. Let je er op wat er allemaal hetzelfde blijft dan loopt het zo’n vaart niet.

Maar, de ècht prangende kwestie is natuurlijk de voorgestelde oplossing. Is het voor het toekomstige aanpassingsvermogen van onze leerlingen goed om minder vakinhoud en meer leervaardigheden te onderwijzen? Met andere woorden: moeten we op de basisschool taal en rekenen, op de middelbare school natuurkundelessen en geschiedenislessen, of in het beroepsonderwijs kooklessen en programmeerlessen, vervangen met lessen over creativiteit, leren leren, probleemoplossen en samenwerken? Die vraag verdient een genuanceerd antwoord dat volgens mij toch begint met “nou nee” of “nog niet meteen”.

Het probleem met 21st century skills, ontwerpdenken, of andere complexe vaardigheden is dat ze niet kunnen bestaan zonder vakinhoud. Kennistransfer: het hergebruiken van kennis die je in één context geleerd in een nieuwe context, blijkt namelijk heel moeilijk te zijn. Creatieve schakers volgen bij het koken vaak simpele, vaste, recepten; terwijl sterrenkoks nog geen toren van een pion kunnen onderscheiden. Het is alsof er verschillende ruimtes zijn in het brein voor taal en rekenen, voor natuurkunde en voor frisbee – en dat de taalcreativiteit niet naar het frisbee veldje durft of andersom. Je kunt studenten creativiteitsles geven tot je een ons weegt, zonder ze materiaal te geven om creatief mee te zijn – of zonder ze onder te dompelen in een vakwereld waar ze creatief ìn kunnen leren staan, heeft dat geen enkele zin.

Gelukkig is er een middenweg. We hoeven niet persé te kiezen tussen vak- of vaardigheden les. We kunnen die twee hand in hand laten gaan. Het is goed mogelijk om vakinhoud zò te onderwijzen dat studenten die flexibeler in kunnen zetten. 21st century content dus. Die middenweg wordt onderzocht door onderwijskundigen die zich richten op adaptieve expertise.

Het idee van adaptieve expertise start met een interessante asymmetrie. Terwijl het eigenlijk altijd zo is dat mensen die creatief zijn, goed kunnen samenwerken en nieuwe problemen aan kunnen pakken óók experts zijn in hun vak – is het niet altijd zo dat experts in een vak ook die vaardigheden voor aanpassing hebben. Blijkbaar komen die vaardigheden ‘voort’ uit vakkennis, maar niet altijd. Alsof je op een gekostumeerd bal komt en sommige gasten blijken een maskertje te dragen en anderen niet. Het roept de vraag op hoe die creatieve, of adaptieve, vakmensen zich onderscheiden en of dat ook te leren is.

Volgens onderzoekers hebben adaptieve experts dezelfde vakkennis als gewone experts maar is die op een andere manier ‘gerepresenteerd’. Adaptieve experts hebben blijkbaar hun bovenkamer beter op orde. Hun kennis is beter georganiseerd en abstracter dan bij gewone experts. Hierdoor zijn ze beter in staat om in nieuwe situaties opnieuw gebruik te maken van hun vakkennis. Adaptieve experts hebben adaptatie ook al geoefend. Ze hebben vaak meer ervaring met vernieuwende opdrachten en ze hebben de kans gehad hun eigen oplossingsstrategieën te ontwikkelen.

Wat ik interessant vind aan dit lijstje is dat hier twee ‘kampen’ samenkomen die in de 21st century skills discussie lijnrecht tegenover elkaar staan. Hoe zorg je dat leerlingen een gestructureerde kennisbasis verwerven en dat ze abstracte kennis opdoen? Dat kan met degelijk onderwijs met veel aandacht voor theorie. Hoe zorg je dat studenten hun kennis in nieuwe situaties kunnen toepassen en hun eigen oplossingstrategieën kunnen ontwikkelen? Vrij onderwijs waar studenten los gelaten worden, in projecten bijvoorbeeld.

Het is dus én én en niet òf òf.

Kan 21st century onderwijs je leerlingen flexibeler maken? Ik denk dat het er nogal vanaf hangt hoe je onderwijs er nu al uit ziet.  Geef je nu alleen klassiek onderwijs waarin vakkennis centraal staat, dan is het misschien raadzaam iets meer ruimte te maken voor leervaardigheden en het ontwikkelen van eigen oplossingsstrategieën. Maar, als je nu al veel in projecten doet dan loop je met nog meer vaardigheden onderwijs het risico de vakkennis die de basis is voor adaptieve expertise, juist uit te hollen. Je moet volgens de adaptieve expertise mensen feitelijk een middenweg zien te vinden.

Misschien denk je nu: “maar dat deden we toch allang?”. Dan sta je vast niet alleen. Verandering is relatief. Als je als docent of school de laatste 25 jaar met geen enkele mode mee hebt gedaan wordt het hoog tijd voor een nieuwe garderobe, maar als je steeds de mode hebt bijgehouden kan je echt nog wel een jaartje toe met dat leuke jasje. Hét onderwijs hoeft niet helemaal anders. Heel erg ouderwets onderwijs moet (misschien) helemaal anders.

Want, zeg nou zelf. Meer nog dan of het wel zinvol is, vraag je je bij onderwijsvernieuwing vaak af welk onderwijs de onderwijsvernieuwers zèlf eigenlijk genoten hebben.

Meer Lezen?

Ik sprak al over kennistransfer toen ik me hier afvroeg wat echt basiskennis is. Ik sprak over de uitdagingen van het onderwijzen van nieuwe ontwikkelingen in mijn blog opkijken naar nieuwe kennis en ik schreef ik al eens een beschouwing over het vak geschiedenis.

 

Aan het denken over de toekomst en veranderingen besteedde ik aandacht in de blogjes vooruitgang en in opdracht van de tijd.

 

Voor dit artikel heb ik gebruik gemaakt van een systematische literatuurstudie over adaptieve expertise van de universiteit van Maastricht. Deze is helaas nog niet open access beschikbaar.

 

Poetsvissen

Poetsvissen hebben zelfbewustzijn! Althans… er is en poetslipvis door een test gekomen die vaak gebruikt wordt om dat te meten. De krant maakte er maar tussen neus en lippen melding van, maar het zou wel eens een heel belangrijke- zo niet ontwrichtende – bevinding kunnen blijken.

Goed, misschien wordt het maar één keer gevonden natuurlijk. Het zou kunnen dat die wetenschappers toevallig naar de Einstein onder de poetsvissen hebben zitten kijken. Of ze hebben het gedrag van die poetvissen verkeerd geïnterpreteerd. Dan waait het wel weer over.

Maar, anders…. Ik bedoel, het zou ook zomaar zo kunnen zijn dat dit experiment herhaald wordt. En dat dan heel veel poetslipvissen het blijken te kunnen. En misschien ook nog wel andere vissen. Dat gaat veel discussie geven. Òf het experiment word afgeschreven òf we gaan accepteren dat poetsvissen echt zelfbewustzijn hebben. In beide gevallen vind er een landverschuiving plaats in ons denken. Welke van deze twee opties het wordt zegt misschien wel meer over ons dan over die schattige beestjes.

Goed, waar hebben we het over? Poetslipvisjes zijn visjes van een centimeter of vier groot. Ze zijn langwerpig, hebben gekleurde en zwarte strepen en zijn meestal in de buurt van andere vissen te vinden. Ze eten namelijk dood weefsel en parasieten van andere vissen af. Vandaar die naam. Maar weten poetslipvissen wie ze zijn? Hebben ze een ego – een ik? Kunnen ze als het ware over zichzelf nadenken, zoals wij dat de godganse dag aan het doen zijn? Dat is eigenlijk de vraag die in dit experiment centraal staat.

Dat is een moeilijke vraag. We weten bijzonder weinig van wat dieren ervaren. We zijn ons wel bewust van sommige van onze eigen ervaringen, maar we kunnen natuurlijk niet inschatten of dieren dezelfde ervaringen hebben. Het probleem met ervaringen is namelijk dat ze subjectief zijn. We kunnen eigenlijk ook niet zeker weten of andere mensen ervaringen hebben.

Hoe weet je wat anderen ervaren? Daar is geen direct bewijs voor. Wat je kan doen is het afleiden uit gedrag. Als je samen met een vriend in een achtbaan zit en hij begint heel hard te gillen terwijl je zelf de adrenaline door je aderen voelt stromen en je maag voelt draaien, is het niet zo’n grote stap om te denken dat je vriend ongeveer hetzelfde ervaart als jij. De omstandigheden zijn namelijk hetzelfde en het gedrag van je vriend is ook ongeveer hetzelfde als het jouwe, dus dan zul je wel ongeveer hetzelfde ervaren.

Bij dieren is dat lastiger natuurlijk. De verschillen in omstandigheden en gedrag zijn nu eenmaal groter. Maar wat dieren ervaren is wel een vreselijk belangrijke vraag omdat het iets zegt over hoe we ons ten opzichte van andere dieren mogen gedragen.

Veel mensen gaan er van uit dat dieren geen bewustzijn hebben, zeker niet dieren die we op willen eten. Insecten kun je zonder problemen doodslaan en ook vissen kunnen volgens sommige mensen geen pijn voelen. Varkens gillen wel als ze onverdoofd gecastreerd worden, maar dat is aanstellerij. Honden hebben weer bovennatuurlijk bewustzijn, die voelen het al aan als er iets ergs gebeurd met de baas, voordat ie het huis binnenkomt. Nou ja. Je weet wel hoe er zoal over gepraat wordt. Feitenvrij.

Dus… hoe kan je wel op een betrouwbare manier zicht krijgen op het bewustzijn van dieren. Hoe zou je kunnen bewijzen dat dieren bewustzijn hebben, bijvoorbeeld? Daar komt het spiegelexperiment om de hoek kijken. De psycholoog Gordon Gallup bedacht het in de jaren 70. Het spiegelexperiment was een manier om te onderzoeken of apen, primaten bijvoorbeeld, misschien ook zelfbewust waren, net als mensen.

De meeste dieren worden agressief als ze in de spiegel kijken, maar op een gegeven moment wennen ze er aan. Gallup liet apen wennen aan de spiegel. Vervolgens bracht hij iets op het lijf aan, zoals een vlek of een sticker, die de dieren alleen via de spiegel konden zien. Sommige apen gingen die vlek vervolgens inspecteren. De conclusie moest wel zijn dat de dieren zichzelf in de spiegel konden herkennen.

Een van de interessante dingen aan de spiegeltest is dat niet alle dieren er voor slagen. Het lijstje bestaat eigenlijk alleen uit dieren die ook ander intelligent gedrag vertonen: Bonobo’s, Dolfijnen, Orca’s, Olifanten en Eksters. Er zijn ook veel dieren die we als bijzonder intelligent beschouwen zoals honden, katten, – en ook allerlei apen – die zakken voor die test. Zelfbewustzijn is niet ieder dier gegeven.

En nu blijken poetslipvissen dus ook door te test te komen. Poetsvissen gaan vlekje van zichzelf proberen te verwijderen, nadat ze die in de spiegel gezien hebben. Dat is een tikje onverwacht en, om heel eerlijk te zijn, vrij ongemakkelijk.

De bevinding morrelt namelijk aan ons wereldbeeld. Wij zien onszelf heel graag als een uitzondering in de natuur. Dat wordt met twee dure woorden exceptionalistisch antropocentrisme genoemd. De gedachte is dat mensen zijn geen ‘gewone’ dieren zijn, maar dat ze zich op de een of andere manier onderscheiden. Ze zijn door taal, cultuur, intelligentie of technologie ver boven andere diersoorten verheven. Als zodanig hebben mensen ook andere rechten en plichten in de natuur.

De uitzonderingspositie voor de mens in de natuur zie je terug in allerlei oude teksten, zoals de bijbel – en is het nog altijd heel sterk aanwezig in ons denken. Dat is ook niet zo vreemd. Zolang andere dieren niet in steden wonen, autorijden en Netflix kijken – is het toch moeilijk om ze als volledig gelijkwaardig te zien.

Maar, het exceptionalisme, gaat wél tegen de ideeën van Charles Darwin in. Darwin was een gradualist. Hij erkende dat er verschillen waren tussen verschillende dieren, maar die waren in zijn ogen altijd klein. Soorten evolueerden stukje bij beetje naar andere soorten. Die gedachte betekende voor het bestuderen van de mens dat je beter kon kijken naar wat we allemaal gemeen hadden met andere dieren, dan naar wat die zogenaamde harde verschillen waren. Zo konden we zien waar die dingen die ons bijzonder maken vandaan kwamen en we zagen wat ooit het evolutionaire voordeel ervan was.

De spiegeltest vormt een prettige middenweg tussen het gradualisme en het exceptionalisme. De test laat zien dat andere dieren óók zelfbewustzijn hebben – en dat het dus niet iets unieks menselijks is, maar het plaatst de mens ook in een zéér select gezelschap van hoogst intelligente dieren die (blijkbaar) op de een of andere manier ‘hoger’ zijn dan andere dieren. Bonobo’s, olifanten en walvissen – enzovoorts.

De uitzonderingsbevestiging die in het spiegelexperiment omsloten zit komt op losse schroeven te staan als lagere dieren, zoals mieren en poetsvissen er voor gaan slagen. Wat moeten we met een experiment waar honden voor zakken, maar poetsvissen voor slagen?

Je kan daar verschillende kanten mee uit. De eerste weg is om het experiment zelf te bekritiseren. Dat is wat je geneigd bent te doen met experimenten die niet in je wereldbeeld passen. In dat geval hou je dus vast aan het idee van hogere en lagere dieren en van zelfbewustzijn als een eigenschap van hogere dieren – en dan probeer je te laten zien waarom het spiegelexperiment niet noodzakelijk zelfbewustzijn aantoont. Dit is een strategie die veel wetenschappers op dit moment volgen.

Iets radicaler is het om de uitkomsten van het experiment te accepteren en vragen te stellen over het hiërarchische idee dat in het spiegelexperiment omsloten zit. Je zegt dus: “het is voorlopig de vraag wie voor het spiegelexperiment slagen en wie zakken, dat zouden mieren of meelwormen kunnen zijn, of poetvissen, of struisvogels – maar alle dieren die slagen hebben zelfbewustzijn en dieren die zakken niet”.

Dit de radicale variant. Het plaatst zelfbewustzijn buiten de indicatoren van de ‘hoogte’ van een diersoort en het stelt indirect vragen over het hele idee van hogere en lagere diersoorten. Dieren zijn verschillend: niet ‘meer’ of ‘minder’. Dat werk.

Ik heb al op verschillende momenten door laten schemeren dat een keuze voor één van beide vormen uit kan maken voor wat we acceptabel menselijk gedrag vinden. Als er ‘lagere’ dieren bestaan; zonder ‘subjectieve ervaringen’ dan kunnen we die met een gerust hart op een industriële manier telen of verbouwen. Als zulke dieren veel meer op ons lijken als dat we nu toe willen geven, dan wordt het moeilijker. Zo zouden de, zichzelf herkennende, poetsvissen zomaar iets kunnen betekenen voor onze -duidelijk veel intelligentere – varkens. Het is me wat!

Meer lezen?

Ik schreef over het vraagstuk van intelligentie van anderen in Brein in een vat. Ik schreef over de evolutietheorie in Evolutiesnelheid, Memen en Cultuurdragers. Ik schreef eerder over dierexperimenten in Eksters.

Dit blogje is gebaseerd over een berichtje in het NRC over poetslipvissen. Ook de Volkskrant belichte het onderwerp.

Nog voor dat poetslipvissen door de spiegeltest kwamen lukte dat een bepaalde mierensoort. Dit is op de een of andere manier minder controversieel, omdat bij mieren het nog moeilijker is om de hypothese dat ze echt ‘zelfbewustzijn’ hebben overeind te houden dan bij poetslipvissen.

Calimero

Nu we na decennia babbelen over de klimaatverandering eindelijk in actie lijken te komen, breken gouden tijden aan voor argumentatie-antropologen. De ‘na mij de zondvloed types’ in ons land willen natuurlijk best een beetje inschikken met hun Hummers, maar niet zonder eerst nog even flink wat verbaal vuurwerk af te steken. Dus rapporteert de Telegraaf in chocoladeletters over “klimaathysterie” en “klimaatindustrie” en buitelen de drogredenen en complottheorieën op sociale media als vanouds over elkaar heen. Over het woordenspelletje dat de Telegraaf nu probeert te spelen sprak ik al eens in betekenisdrift, dus daar hoef ik nu niet zoveel aan toe te voegen, maar er zijn zeker argumenten in deze discussie die een nieuw blogje waard zijn.

Zoals bijvoorbeeld het argument waar ik me het meest over verbaasd heb: het Calimero-argument. Het gaat ongeveer als volgt. (1) Wij zijn maar een heel klein landje. (2) Dus moeten we vooral niet vooroplopen met klimaatmaatregelen. (3) Want wat wij doen helpt bijna niets én (4) misschien doen de anderen wel niet mee.

Zucht. En zij zijn groot en wij zijn klein. Het is een venijnig argument omdat het zo redelijk en lekker veilig klinkt. Eerst maar eens kijken of de grote jongens wel meedoen, dan kunnen wij onze paar centen ook wel inleggen; en tot die tijd is er toch niet veel verloren. Getekend: diverse politieke partijen, waaronder het CDA.

Het deugt natuurlijk niet hè? Het klimaatprobleem is een typisch geval van wat economen de tragedy of the commons noemen. Als er een handvol boeren zijn die hun koeien op hetzelfde gras (de commons) laten grazen zijn de individuele belangen van de boeren niet te rijmen met het gemeenschappelijke belang.

Voor elke boer afzonderlijk is het handig om een paar extra koeien op het gras te laten: dat levert meer melk op. Zolang er genoeg gras is tenminste: dus het is in het gemeenschappelijke belang om juist niet teveel koeien los te laten. Als alle boeren een extra koe nemen is het gras zo verdwenen.

De tragedie is dat er een kale vlakte ontstaat als alle boeren hun individuele belang voorop stellen en alle boeren dan failliet gaan. Slimme boeren denken dus niet alleen aan zichzelf, maar maken afspraken over hoe veel koeien ze laten grazen en houden zich er aan. Zodat alle koeien, ook die van de boer zelf, altijd genoeg gras hebben.  Ze plaatsen het gemeenschappelijke belang vóór het eigenbelang.

Zo zit het ook met het klimaat. We dragen allemaal bij aan het klimaatprobleem en hebben er allemaal baat bij dat het opgelost wordt. We hebben in Parijs afgesproken minder uit te stoten en het is in ons gemeenschappelijke belang dat ook te doen. Als Calimero alleen maar aan zichzelf denkt is het vast beter om even te wachten met die klimaatmaatregelen, maar dat najagen van het eigenbelang is juist wat het probleem veroorzaakt. Het kan dus niet de oplossing zijn. Tijd om wakker te worden. Er is nauwelijks gras meer. Iedereen, ook Calimero, moet het gemeenschappelijke belang voorop gaat stellen.

Het wijsspelletje dat hier gespeeld wordt is ook alomtegenwoordig. Het maakt helemaal niet uit hoe groot of klein je bent. Burgers wijzen naar de grote bedrijven. Kleine landen wijzen naar grote landen. Grote landen wijzen terug. Arme landen wijzen naar rijke landen. Iedereen wijst naar Amerika.

Maar het gaat niet om wie het meeste gras eet. Het is dit keer juist gèèn wedstrijd. Iedereen eet nu al meer dan haar deel. De meeste Nederlands burgers eten teveel gras. Het bedrijfsleven eet teveel gras. Andere landen, groot en klein, eten teveel gras. We moeten allemaal minder gras gaan eten en zolang we naar elkaar blijven wijzen verandert er niets. Bovendien ben je pas in een positie om iets te zeggen van wat anderen doen, als je eigen gebruik een beetje op orde hebt. Hoe groot of klein je ook bent.

Dat het moreel onjuist is om klimaatmaatregelen uit te stellen betekent natuurlijk niet dat het ook onhandig is. Misschien is afwachten gewoon goede realpolitik. Het commons-spel wordt nooit helemaal eerlijk gespeeld en wie weet kunnen we ons wel in een betere positie sjoemelen door iets later in te stappen. Daarom intrigeert het woord vooroplopen in het Calimero-argument me. Wat zou een voormalig gidsland kunnen winnen bij een beetje achterop lopen?

Ik kan wel wat dingen bedenken, maar de belangrijkste is de overloopredenering. Nederland is natuurlijk geen eiland. Als wij strenge klimaatregels gaan hanteren terwijl andere landen er met de pet naar gooien, dan gaan die vervuilende bedrijven, vliegtuigen en personen wel ergens anders heen. De wereld wordt daar niet schoner van en wij verdienen er veel minder door. Erger nog als die bedrijven eenmaal weg zijn komen ze misschien wel nooit meer terug en ondervinden wij blijvend schade aan onze economie, alleen maar omdat we zo nodig de eerste wilden zijn.

Nu lopen sommige dingen wel sneller over dan andere. Mensen die in het Oosten wonen pakken misschien net zo lief in Frankfurt het vliegtuig, maar daarmee zit Schiphol niet ineens zonder reizigers. Veel mensen vinden het sfeertje op Schiphol prettiger en voor veel mensen voelt het dichter bij. Daarom blijven ze heen gaan, ook als het wat duurder is. Zo zit het ook met bedrijven. Een bedrijf verplaatsen kost veel geld en moeite dus je gaat je geluk pas in het buitenland beproeven als je daar heel goede redenen voor hebt.

Overlopen is zo makkelijk nog niet. De kosten om je persoonlijke routine te verleggen of om de bedrijfsvoering aan te passen, worden switching costs genoemd en ze zijn vaak een reden om je geluk juist niet elders te beproeven. Tenzij je er vertrouwen in hebt dat het daar blijvend beter gaat zijn. Vaak zijn de switching costs te hoog om een overstap te rechtvaardigen. Daar komt nog bij dat de angst dat bedrijven die overstappen voorgoed weg zijn ook nog eens gebaseerd is op een asymmetrie. Een overstap naar het buitenland is zo gebeurd, maar om terug te komen zijn die switching costs ineens veel te hoog?

Eigenlijk is die overloopredenering dus ìn en ìn pessimistisch. Het doet alsof wij heel onpopulair zijn en niemand bij ons wil horen. Het drukt  ook pessimisme uit over de toekomst en hoe anderen dan met het klimaat zullen omgaan. In een wereld waar iedereen haar klimaatbeleid gaat aanscherpen, nu of in de iets verdere toekomst, heeft overlopen niet zoveel zin. En dan is het voor een klein gidslandje als Nederland ook helemaal niet zo erg om voorop te lopen in de verduurzaming.

Daarmee is het overloopargument gewoon een onderdeel van het wijsspelletje dat toch al in het Calimero-argument omsloten zit. Wij zijn bang dat anderen misschien niet meedoen en daarom doen we nog maar even niets. Waarmee we onszelf blootstellen aan de risico’s die met klimaatverandering gepaard gaan én voorkomen dat we in een positie zijn om er wat van te zeggen als anderen inderdaad niet mee blijken te doen. Dat lijkt me heel onverstandig.

Ik kan wel eens boos en verdrietig worden van hoe we op het moment aan pessimisme ten onder gaan. Als het niet zo vreselijk was, zou je de mensheid nu zien als een bedreigde diersoort die het aan zichzelf te danken heeft. Panda’s hebben bijna nooit seks en eten met hun dieet van bamboe wel heel eenzijdig. Mensen wijzen naar elkaar tot ze een ons wegen en stoken ondertussen de planeet zo warm dat die onleefbaar wordt. Natuurlijk red je het dan niet als soort. Het is tragisch, maar ook wel een beetje aandoenlijk.

Meer lezen?

In betekenisdrift ga ik in op de vraag of woordgebruik invloed heeft op de gedachten. De Telegraaf rekent daar wel op, maar geloof er niet zo in.

In in opdracht van de tijd sprak ik ook al eens over hoe verwachtingen over de toekomst ons handelen bepalen. Ik was daar vrij kritisch over het gebruik van voorspellingen over de toekomst als raadgever.

 

 

Moeras

Veel metaforen die mensen voor kennis gebruiken idealiseren het begrip wel een beetje: een boom heeft structuur en groeit, containers zijn handig om dingen netjes in op te bergen, in netwerken is alles met alles verbonden, een kennisstroom gaat ergens heen. Dat zijn natuurlijk mooie eigenschappen, maar het zijn misschien meer eigenschappen waarvan we zouden willen dat kennis ze bezit dan dat dat ook daadwerkelijk zo is. Deze metaforen schilderen kennis eigenlijk af als het mooiste meisje van de klas, waar we jammer genoeg toch nooit mee gaan trouwen. Daarom gooi ik het nu eens over een totaal andere boeg. Wat als we kennis niet vergelijken met iets moois en verhevens, maar eerder met de stinkende, natte en zompige werkelijkheid van het moeras?

Als ze het durven toegeven zullen veel onderzoekers zullen het wel een treffende vergelijking vinden denk ik. Ik voel me bijvoorbeeld vaak als een soort Baron von Munchausen die zichzelf aan de eigen haren uit het moeras trok; met dat verschil dat het hem wèl lukte. Steeds als ik iets nieuws probeer te begrijpen is het zoeken naar houvast en structuur. Het lukt je wel eens ergens een takje vast te pakken om wat houvast te hebben; of om ergens een beetje vaste grond onder je voeten te voelen, maar je hoeft maar één stap te zetten en je zakt weer helemaal weg in de modder.

Ook als je geen onderzoeker bent, kun je iets met deze metafoor. Denk eens aan de voorzichtigste eerste stapjes die je soms zet om iets te begrijpen dat helemaal nieuw voor je is. Je probeert nieuwe begrippen altijd terug te brengen tot dingen die je al kent, maar omdat dat maar ten dele lukt kun je je behoorlijk verloren voelen. Er is geen overzicht: je krijgt je hoofd er nooit helemaal omheen; je hebt geen vaste grond om op te staan. Uiteindelijk krijg je natuurlijk wel meer begrip, je leert de omgeving van het nieuwe idee beter kennen, er ontstaan olifantenpaadjes waarlangs je weet dat het begrip benaderbaar is. Zo komt het langzaam binnen bereik. Maar owee als iemand een onverwachte vraag weet te stellen, dan ben je weer helemaal verloren. Als je het idee weer langs een nieuwe weg moet bereiken is de kans op natte voeten weer levensgroot.

Als een van de weinige kennismetaforen benadrukt het idee van kennis als een moeras hoe moeilijk leren en onderzoeken werkelijk zijn; hoe lastig, onvindbaar en slecht begaanbaar de wegen naar een nieuwe kennis – in je hoofd of in de wereld – kunnen zijn. Misschien verklaart dat waarom sommigen het opgeven en liever blijven bij wat ze al weten en kunnen, dan dat ze iets nieuws leren.

Dat geldt niet alleen voor individuen. Ook wetenschappelijke disciplines hebben hier last van, waardoor ze soms naar binnen gericht kunnen zijn. De filosoof Imre Lakatos beschreef disciplines eens als dingen met een harde kern van onbetwijfelbare waarheden, met daaromheen een ontwikkelingsgebied dat groter of kleiner kan zijn afhankelijk van de ouderdom van de discipline.

Het beeld van een vestingstad in een verder vrij onbegaanbaar moerasgebied dringt zich dan op. Binnen de discipline is vaste grond: in de vesting bestaan structuren en zekerheden, maar daarbuiten –tussen disciplines in- is het terrein veel onbegaanbaarder. Als wetenschapper heb je een keuze: blijf je veilig binnen de stad om er binnen de spelregels en structuren een betere plek van te maken, of ga je buiten de poorten op ontdekkingstocht uit. Mensen die kennis zien als een gebouw of als een boom, bekijken de kennis zoals die binnen de discipline is opgebouwd. Vaak zullen het ook mensen zijn die liever binnen de stad aan het werk zijn, dan ze er op uit trekken om de drassige omgeving te verkennen.

Geef ze eens ongelijk. Het moeras is koud en nat, je kunt er verdwalen en de kans dat je er een schat vind, of een nieuwe woonplek is bijzonder klein. Maar, nodig is dit soort werk net zo goed. Echt nieuwe kennis, of een brug of begaanbare weg tussen disciplines ligt misschien niet voor het grijpen, maar het is de moeite meer dan waard. Als de buurman niets nieuws wil leren en almaar vast blijft houden aan zijn eigen ideeën dan beschouwen we dat als lui of dom, terwijl we ons niet druk maken als wetenschappers datzelfde gedrag  vertonen.

Meer lezen?

Ik schreef over de voor- en nadelen van wetenschappelijke disciplines in helpt specialiseren. Ik besprak eerder andere metaforen voor kennis zoals de kenniscontainer, kennisstroom, kennisboom, kennisnetwerken en de geheugenmachine.