Verdinging

Ik denk dat het een acquired taste is: een verworven smaak. Vanaf onze geboorte houden we van zoet, maar andere smaken gaan we later pas waarderen. Kinderen vinden olijven bijvoorbeeld zelden lekker. Die moet je ‘leren eten’, zeggen we dan. Maar als dat eenmaal lukt, zijn ze onweerstaanbaar. Zoiets heb ik meegemaakt met het woord reïficatie.

Ik kwam het begrip voor het eerst tegen in een boek van Bruno Latour, waar hij stelde dat instrumenten, zoals microscopen, gereïficeerde theorie zijn. Ik had geen idee wat het woord betekende en moest het echt even opzoeken. Reïficatie betekent zoveel als iets abstracts – een verlangen, idee of inzicht behandelen alsof het iets heel concreets is. Latour wilde zoveel zeggen als dat een microscoop een gematerialiseerde vorm van optische theorie is.

Erg knuffelbaar is het begrip reïficatie natuurlijk niet. Gelukkig kwam ik laatst in een Nederlands alternatief tegen. Verdingen: ergens een ding van maken; of iets in een ding veranderen. Dat is al schattiger, al schuurt het nog steeds een beetje. Lekker.

Afijn het begrip reïficatie prikkelde me meteen genoeg om mijn interesse te wekken, maar ik was nog niet helemaal om. Dat kwam toen ik de studie van Etienne Wenger las over hoe kennis en praktijk zich hand in hand ontwikkelen in een bedrijf. Daar worden voortdurend modellen, formulieren en procedures. Dit zijn concrete producten die helpen om kennis vast te leggen en toegankelijk te maken voor nieuwe medewerkers. Medewerkers van een bedrijf verdingen als het ware hun ervaringskennis. Als je dat eenmaal ziet: dat het concreet en handzaam maken van kennis in de organisatie alledaags werk is, dan is het ineens overal.

We verdingen de waarden van onze bedrijven door ze vast te leggen in principes of een slogan. We verdingen gesprekken met klanten door ze in gesprekschema’s te gieten. We verdingen veilig weggedrag door snelheidslimieten op te stellen.

Een ‘ding’ maken van abstracte ideeën is een geweldig middel om die ideeën hanteerbaar te maken. Telefoonmedewerkers hoeven niet meer na te denken over hoe het beste gereageerd kan worden op lastige klanten, dat staat in het gespreksschema. Automobilisten hoeven niet meer in te schatten wat een veilige snelheid is, dat zit al in de limiet.

Die toegankelijkheid is natuurlijk ook meteen het nadeel. Het schept een grens tussen de makers en de gebruikers van het verdingde idee. Makers van microscopen hebben grip op optische theorie en kennen de beperkingen; bij gebruikers van microscopen is dit minder het geval. Het gesprekschema levert in 90% van de gevallen een fijn gesprek met de klant op, maar in de overige 10% is het juist frustrerend.

Als de kennis achter het ding niet meer toegankelijk is, is ze ook moeilijk te bevragen, ter discussie te stellen of te verbeteren. Met het ding verdwijnt het weten erachter. En dat kan een probleem zijn. Zodra we gewend zijn aan de dingen die we gebruiken stoppen we met denken. De dingen hebben een vanzelfsprekendheid over zich. Ze worden alledaags – en verstoppen zich in onze cultuur.

Veel van onze dagelijkse praktijken zijn bijvoorbeeld zo sterk geworteld in het kapitalisme, dat mensen zich nauwelijks nog een andere werkelijkheid kunnen voorstellen. Ooit was het kapitalisme een abstract idee. Vandaag de dag is het ondenkbaar dat we ook gelukkig kunnen zijn zonder eigendom, geld, supermarkten en iPhones. We zijn blind voor de nadelen ervan en het lukt ons niet meer om een alternatief te bedenken.

Dat is misschien waarom verdinging vooral als iets negatiefs gezien wordt. Soms is het nodig de weg van de dingen terug te vinden naar de kennis erachter. We hebben antropologen nodig om dat te doen – en misschien kunstenaars en ontwerpers om de alternatieven invoelbaar te maken. Mensen die kunnen ontdingen of herdingen. Want hoeveel ik ook van olijven houdt, het werkt alleen als contrast met andere smaken.

Meer lezen?
Ik schreef over die ideeën van Bruno Latour in Lableven en De Zwarte Dozen van Bruno Latour.

Neutraal

Er is een zinnetje dat je vaak tegenkomt, waar ik me enorm aan erger.

Puntjepuntje is niet neutraal.

Het wordt vaak een beetje bijtend uitgesproken met een nadruk op het woordje is en soms ook op niet. In plaats van puntjepuntje kan je van alles invullen. Technologie, rechtspraak, journalistiek, wetenschap, en nog een handjevol beroepen of instituties die blijkbaar de illusie koesteren neutraal te zijn. Voor het snerende gemak noem ik de mensen die dit roepen even ‘de ontmaskeraars’

Daar zijn er veel van hoor. Als je nu nog steeds denkt dat technologie neutraal is dan heb je blijkbaar de laatste tijd de krant niet gelezen. Hetzelfde geldt trouwens voor de wetenschap en in toenemende mate ook de journalistiek en rechtspraak. Wil je in het debat van vandaag een beetje scoren, dan moet blijkbaar zeker stellen dat puntjepuntjes allemaal waardengedreven praktijken zijn en dat het de puntjepuntje-professionals zou sieren om eindelijk eens kleur te bekennen. D66.

Nu is het mij eigenlijk nooit opgevallen dat engineers beweren dat technologie neutraal is, of wetenschappers dat kennis neutraal is, of zelfs amper dat journalisten zeggen dat hun berichtgeving neutraal is. Volgens mij beweren deze professionals dat ze neutraliteit nastreven. Ze bekennen al kleur door te zeggen dat neutraliteit blijkbaar een kernwaarde, een ideaal voor ze is.

Nu hebben neutraliteit als feit en neutraliteit als ideaal volgens mij een ingewikkelde relatie, dus laat ik dat even uitpakken.

Neutraliteit als feit

Ergens is het een absurd idee dat technologie neutraal kan zijn. Het is immers gemaakt met een bedoeling – en bedoelingen zijn per definitie niet neutraal. We krijgen allemaal de kriebels als we iemand van de National Rifle Association (NRA) horen zeggen dat: “guns don’t kill people, people kill people”.

Toch is het onderscheid dat deze engerds maken relevant. Je kunt immers kijken naar de bedoeling van de techneuten en naar het gebruik van de technologie – en die komen niet altijd overeen. We weten dat mensen vaak andere dingen doen met technologie dan waar deze voor bedoeld is, of dat de technologie een eigen leven gaat leiden. En als dat zo is, wie is er dan verantwoordelijk voor het gebruik van de technologie: de ontwerper of de gebruiker?

Flauw zul je zeggen. Laat het NRA-voorbeeld niet duidelijk zien dat de bedoeling van ontwerpers en de bedoeling van gebruikers per definitie gekoppeld zijn? Dan delen ze toch ook de verantwoordelijkheid voor het eindresultaat? Dat klopt natuurlijk, maar die koppeling is niet voor alle technologie even sterk. Bij geweren is het heel duidelijk, maar hoe zit het met schilmesjes, of computerchips?

Daarmee is de ‘neutraliteit’ van technologie niet een alles-of-niets-ding. Er is technologie die voor heel veel verschillende doeleinden gemaakt is en die is neutraler dan technologie die voor één situatie gemaakt is. Daarnaast kun je niet altijd voorzien hoe technologie ingezet wordt, dus kun je de neutraliteit ervan niet altijd vooraf inschatten.

Het is gewoon een feit: technologie is niet neutraal. De hamvraag is alleen wel: is het ook een nuttig feit? Het is ook een feit dat alle dieren gewicht hebben, maar dat helpt niet zoveel bij het vergelijken van muggen en olifanten. Die hebben zeker allebei gewicht, maar je wil toch een gesprek voeren over hoeveel zwaarder een olifant wel niet is. Zo is het ook met de neutraliteit van technologie. In plaats van te hameren op neutraliteit als een alles-of-niets-ding, zou het beter zijn het als een meer-of-minder-ding te benaderen. Computerchips zijn neutraler dan wapens. Spijkers zijn behoorlijk neutraal. Dat soort uitspraken.

Neutraliteit als ideaal

Dat brengt ons bij neutraliteit als ideaal. Als neutraliteit een meer-of-minder-begrip is, dan kan je proberen zo neutraal mogelijk te zijn. Het duidelijkste voorbeeld hiervan vinden we misschien in de journalistiek. Veel journalisten zien het als hun taak de wereld te beschrijven zoals die is, en niet om daar stelling in te nemen. Ze zijn er zich van bewust dat je op meerdere manieren naar de wereld kan kijken, maar daar willen ze liever geen keuze tussen maken. Ze willen een buitenstaander zijn en belichten liever meerdere kanten van het verhaal door het principe van hoor en wederhoor toe te passen.

Klinkt goed, toch? Misschien is de journalistiek niet perfect in de uitvoering, maar op de keper beschouwd is neutraliteit een prima ideaal.

Nou ja. Er is best kritiek op te geven. Soms schiet de praktijk zijn doel voorbij. Zo heeft de journalistiek lang onevenredig veel aandacht gehad voor klimaatsceptici. Er was brede wetenschappelijke consensus over klimaatverandering, maar journalisten vonden het hun taak om ook het perspectief van de kriticasters in beeld te brengen. Daardoor ontstond bij lezers het idee dat die klimaatverandering hoogst discutabel was. Inmiddels kiezen de meeste journalisten in dit dossier vaker partij voor de wetenschap.

Er zijn dus voorbeelden te geven waar neutraliteit, of tenminste een bepaalde invulling ervan, onethisch kan zijn. Maar critici van neutrale journalistiek hebben nog een pijl op hun boog. Namelijk dat journalisten ondanks hun poging tot neutraliteit wel degelijk stelling nemen in een debat omdat ze hun stukken nu eenmaal vanuit een bepaald standpunt en bevoorrechte positie schrijven. De kritiek is dat ze door de pretentie van neutraliteit verantwoordelijkheid ontlopen.

Want als journalisten neutraal doen terwijl ze het niet zijn, hoe moeten we ze dan nog op hun standpunt aanspreken? Neem een nieuwsbericht over criminaliteit onder immigranten. Misschien is die de laatste tijd toegenomen. Een journalist kan zich beroepen op zijn neutraliteit en bijvoorbeeld zeggen dat hij alleen maar de feiten in kaart gebracht heeft. De criticus kan zeggen dat deze neutraliteit niet zoveel waard is, zolang de journalist niet ook over criminaliteit onder geboren Nederlanders schrijft. Binnen het artikel kan een journalist alles gedaan hebben wat nodig is, maar wat hier niet neutraal is, is de keuze voor het onderwerp zelf.

Een oplossing is reflexieve journalistiek, waar de journalist geen neutraliteit veinst, maar eerder de lezer meegeeft over waar hij zelf staat. Dit maakt kritiek mogelijk, en vanuit die kritiek ook een lerende journalistiek, maar het heeft ook nadelen. Reflexieve journalisten geven de missie op om hoeders te zijn van een gedeelde werkelijkheid. Ik vind dat jammer. Er is echt wat te zeggen voor een vrij strikte scheiding van feit en opinie.

De grote spraakverwarring

Ik geef het je op een briefje. Negen van de tien keer dat iemand beweert dat puntjepuntje ‘niet neutraal is’, bedoelen ze niet dat puntjepuntje niet neutraal is, maar dat de professionals achter het puntjepuntje te weinig rekenschap geven van de keuzes die ze maken. Waarom zijn bepaalde feiten geselecteerd? Welke bedoelingen heeft de technologie? Welke principes liggen ten grondslag aan een uitspraak? Dat soort werk. Dat vind ik legitieme vragen en het zou goed zijn als de ontmaskeraars die discussie zouden aanzwengelen.

Maar dat doen ze meestal niet. Ik ken eigenlijk weinig grotere dooddoeners dan het puntjepuntje-is-niet-neutraal-zinnetje. Wat er meestal gebeurt is dat de ontmaskeraars hun puntjepuntje-bezwering uitspreken en dan lekker achterover leunen met de rust van een debater die de feiten aan zijn kant heeft.

En daarna gebeurt er helemaal niets. De ontmaskeraars stellen namelijk geen vragen die de puntjepuntje-professionals uitnodigen om dieper na te denken over hun positie en die beter toe te lichten. Ze vragen niet: “hee op welke manieren kan deze technologie nog meer gebruikt worden en voel je je daar verantwoordelijk voor?” of “hee dit verhaal belicht keurig beide kanten, maar is er nog niet een derde perspectief dat aandacht verdient?”.

Ik vind het niet zo vreemd dat de puntjepuntje-professional dan niet denkt: oh laat ik eens flink zelfonderzoek doen naar mijn blinde vlekken en privileges en die voortaan beter meenemen in mijn werk. Die denkt: ‘Hee, natuurlijk zijn puntjepuntjes niet neutraal, maar ik heb mijn best gedaan om zo neutraal mogelijk te zijn. Daar is behoefte aan! Een beetje meer respect graag.

En ik geef de puntjepuntje-professionals dus groot gelijk.

Lieve ontmaskeraars: aan  sommige feiten moet je gehecht zijn. Dat het leven zuurstof nodig heeft. Dat groenten gezonder zijn dan snoepjes. Dat de gelegenheid de dief maakt. Dat soort feiten.

Maar het zou ons allemaal helpen ons een beetje te onthechten van het puntjepuntje-neutraal-feit. Goed. Neutraliteit bestaat misschien niet. Puntjepuntjes zijn nooit honderd procent neutraal. Maar vanwaar het gepest en gedram? In het kippenhok van de moderne wereld, snakken we soms naar een beetje neutraliteit. En daar komt bij dat neutraliteit geen alles-of-niets-ding is en rekenschap trouwens ook niet. Als we nu erkennen dat neutrale puntjepuntjes soms meer dan welkom zijn én dat het knap lastig kan zijn om ze te maken, dan kunnen we daarna met elkaar in gesprek. En volgt rekenschap vanzelf.

Meer lezen?

Ik schreef al eens over het verschil tussen feiten en idealen in doelkennis en waar. Ik schreef al eerder over het moderne medialandschap in bubbel en media.

Zelfvervullend

Als het morgen mooi weer lijkt te worden, leg ik andere kleding klaar dan wanneer er regen komt. Voorspellingen zijn superhandig in het dagelijks leven. Ze helpen ons om ons voor te bereiden op de toekomst en voorkomen verrassingen.

Verreweg het handigst zijn natuurlijk voorspellingen over menselijk gedrag. Als ik weet dat iedereen morgen in goud gaat investeren, is het handig om dat vandaag al te doen, nu de prijs nog vrij redelijk is. Het is fijn om een beetje op het gedrag van de kudde te kunnen anticiperen om mijn eigen gedrag daar handig op af te stemmen.

Je voelt ’m al: het grote verschil tussen voorspellingen over de natuur en voorspellingen over menselijk gedrag is dat de natuur zich niets aantrekt van hoe wij die voorspellingen gebruiken, terwijl voorspellingen over menselijk gedrag juist wél beïnvloeden wat mensen doen. Daarmee zijn voorspellingen over menselijk gedrag -ik trek even het gezicht van een of andere techniekfilosoof- niet neutraal.

De beruchte ‘wet’ van Moore
Het meest spectaculaire voorbeeld van een zelfvervullende voorspelling is de ‘Wet van Moore’. Gordon Moore bekeek in de jaren zestig de ontwikkeling van computerchips. Die werden steeds kleiner en krachtiger. Er bleek een exponentieel verband te zijn: elke twee jaar verdubbelde de rekenkracht per vierkante centimeter. Moore voorspelde dat die trend nog jaren door zou zetten – en dat is precies wat er gebeurde.

Het verbluffende van de wet van Moore is niet dat de computerchips na zijn voorspelling nog een tijdje lang in exponentieel tempo kleiner werden. Nee, het verbluffende is dat we, nu we 60 jaar verder zijn, nog steeds discussiëren of de technische ontwikkeling nu eindelijk eens begint te vertragen. De wet van Moore was veel langer geldig dan wie dan ook voor mogelijk had gehouden. In je telefoon zit meer rekenkracht dan er nodig was om een man op de maan te zetten. Zo sterk is deze ontwikkeling geweest.

Hoe kan dit? Is Moore misschien toch op een natuurwet gestuit? Heeft Gordon Moore verder kunnen zien dan anderen? Niemand denkt dat. Sociologen zijn het erover eens dat de wet van Moore een zelfvervullende voorspelling is. Omdat we collectief geloven dat de chips blijven krimpen, gaan we ons zo organiseren dat ze inderdaad gaan krimpen.

#hoedan?
Hoe werkt dat? Harro van Lente schrijft er mooi over, vind ik. Hij zegt dat dit soort toekomstverwachtingen over technologische ontwikkelingen drie rollen vervullen.

Ten eerste geven ze legitimiteit aan technische ontwikkelingen. Wil je een omvangrijk onderzoeksprogramma financieren om chips te laten krimpen, dan is het wel handig dat er een gedeeld geloof is dat het kan. En het helpt dat je denkt dat als jullie niet met kleinere chips komen, dat de concurrent het dan wel doet.

Ten tweede zijn collectieve verwachtingen richtinggevend. In principe kun je met de ontwikkeling van een computerchip alle kanten op. Je kunt een chip duurzamer willen maken, of multifunctioneler, of nou ja, bedenk nog maar wat nuttige eigenschappen voor computerchips. Maar omdat we met zijn allen denken dat kleinheid is wat écht telt, zetten we alles op alles om dat te bereiken.

Ten slotte hebben verwachtingen over technologische ontwikkeling ook een coördinerende werking. Als iedereen denkt dat de toekomst zit in nog kleinere minichips, dan kunnen we ook veel beter samenwerken die te ontwikkelen. Misschien is er wel leverancier die extra kleine minichiponderdeeltjes kan leveren, zolang er maar vraag naar is. Nou, die vraag is er, want we geloven allemaal in de grote minichipopgave.

En nu?
Maar als dit zo werkt… Als je met een handige voorspelling kunt zorgen dat iets daadwerkelijk gebeurt, kunnen we dat dan niet wat gerichter inzetten? Kunnen we dan niet wereldvrede voorspellen? Of een oplossing voor de klimaatcrisis of het verlies aan biodiversiteit? Misschien hebben we wat overtuigingskracht nodig, maar Moore liet zien dat het ogenschijnlijk onmogelijke binnen handbereik ligt.

Het antwoord is helaas nee. Voor wereldvrede is het min of meer geprobeerd. In zijn boek The End of History voorspelde Francis Fukuyama dat uiteindelijk alle landen zouden evolueren naar een liberale democratie. Volgens hem was dat namelijk het winnende systeem. En niet onbelangrijk: het is ook het meest vredelievende systeem. Fukuyama had behoorlijk wat overtuigingskracht, want met de val van de Muur vers in het geheugen, wilde iedereen graag geloven dat deze voorspelling het zou maken. Daar lag het niet aan.

Het probleem is, denk ik, dat wereldvrede – net als het invoeren van liberale democratie – niet echt past binnen het type samenwerking dat de Wet van Moore beschrijft. Op een bepaalde manier zitten er andere ‘spelregels’ in het technisch-economisch complex die het makkelijk maken alle neuzen dezelfde kant op te krijgen. Maar politieke ontwikkelingen zijn blijkbaar aan andere dynamieken onderhevig.

Toeval
Eigenlijk denk ik dat het vaak toeval is wanneer een zelfvervullende voorspelling zijn werk gaat doen. Je kunt wel een paar randvoorwaarden benoemen—zoals dat er een breed gedragen geloof moet zijn in de voorspelling, en dat deze moet aansluiten bij wat mensen toch al willen. Maar de waarheid is toch: soms gaat het vliegen en soms niet.

Daarmee is de zelfvervullende voorspelling een prima verklaring voor hoe dingen kunnen gaan, maar ook een verklaring die je niet als instrument kunt inzetten. Je kan voorspellen zoveel je wil, maar je kunt maar zeer ten dele bepalen wat mensen met die voorspelling gaan doen. Wat dat betreft is het verschil tussen menselijk gedrag en natuurwetten minder groot dan je zou denken.

Meer lezen?

Het idee dat voorspellingen eerder de bedoeling hebben om de wereld te vormen dan om ze te voorspellen besprak ik al een aantal keer. Bijvoorbeeld in: Toekomstindustrie, IQ, en In opdracht van de tijd. Over voorspellingen in ‘pure’ vorm sprak ik in Peilingen.

De wet van Moore en met name wat het exponentiele karakter ervan allemaal met ons doet besprak ik eerder in Verandersnelheid.

Indicatorisme

Mijn moeder maakte er nogal een punt van dat je appels niet met peren kunt vergelijken. Nu is het lastig om een gezegde te bedenken dat ze niet regelmatig aanhaalt, maar serieus: appels en peren? Appels komen eerder in het alfabet dan peren, ze hebben een rondere vorm en ze zijn vaak zuurder. Hoppa, drie vergelijkingen in één zin.

Tja.., zul je zeggen. Het was misschien niet direct haar bedoeling om duidelijk te maken dat het niet kán,maar meer dat het niet altijd zinvol is. Als dat zo is, heeft ze wel een punt. Misschien kunnen we daar in de samenleving iets van leren. Toon me één manager die bij de presentatie van een nieuw dashboard met managementinformatie roept dat hij het overzicht niet wil – omdat hij, nog zo’n gezegde, niet iedereen over één kam wil scheren.

Waarom zouden we eigenlijk gezegden hebben die ons waarschuwen tegen het al te makkelijk vergelijken van -nou ja- onvergelijkbare grootheden? Was er ergens in het verleden een eerdere golf van neoliberalisme waarin alles wat meetbaar was waarde had – en al het andere niet? Zijn deze gezegden misschien een antwoord op een soort middeleeuwse toeslagenaffaire?

Jammer genoeg geeft Berend van der Kolk daar geen antwoord op in: De meetmaatschappij, waarom we alles meten en wat dat met ons doet. Hij lijkt al dat meten en vergelijken als iets moderns te zien dat misschien met Margaret Thatcher is begonnen, maar niet meteen iets wat – min of meer – intrinsiek is aan onze menselijke natuur, of als geworteld in oude menselijke culturen.

Goed, het is de laatste tijd ook wel een beetje doorgeslagen, al dat gemeet. Van der Kolk vond er het woord ‘indicatorisme’ voor uit. Hij stelt dat we tegenwoordig alles – van de stand van de economie tot de kleur van het truitje van de buurvrouw – proberen te vangen in meetbare indicatoren. Het probleem is dat we daardoor alleen maar naar de scores van die indicatoren kijken, en niet meer naar hoe de dingen werkelijk zijn

Van der Kolk, wiens boekje goed te vergelijken is met: Het best verkochte boek ooit, met deze titel van Sanne Blauw, bekritiseert deze neiging om alles meetbaar te willen maken. Niet alleen omdat cijfers niet ‘objectief’ zijn, maar vooral omdat ze ons gedrag negatief beïnvloeden.

Volgens Van der Kolk zijn er vijf dingen die we met cijfers doen die niet deugen. Allemaal komen ze er op neer dat voor mensen die cijfers als basis van hun beoordeling – van zichzelf of van anderen – gebruiken, de cijfers al snel een doel op zich worden.

Volgens Van der Kolk begaan werknemers die onder een sterk indicatorregime werken vijf vergissingen:

  1. Focus op eenvoudig te verbeteren indicatoren: Ze richten zich op taken die snel en gemakkelijk de cijfers verbeteren, zoals het uitvoeren van routinematige taken die weinig tijd kosten.
  2. Vermijden van moeilijke taken: Ze mijden taken die slecht scoren op de indicatoren, zoals het helpen van klanten met complexe of tijdrovende problemen.
  3. Korte-termijngerichtheid: Ze richten zich op directe resultaten die snel een indicator verbeteren, ten koste van langetermijndoelen.
  4. Negeren van niet-gemeten aspecten: Ze negeren taken die niet in een indicator zijn opgenomen, zoals het helpen van klanten met problemen die niet gemeten worden door het management.
  5. Manipulatie of fraude: Ze passen hun rapportages aan om de indicatoren te verbeteren, zelfs als dit niet overeenkomt met de werkelijke situatie.

Nou… Als we er echt zulke slechte mensen van worden, is het toch urgent om de vraag waarom we in de moderne samenleving eigenlijk zoveel met indicatoren werken, te beantwoorden. In de basis is dat niet moeilijk. Indicatoren worden gebruikt om op kwaliteit te sturen. Daar maken we vaak dankbaar gebruik van. Misschien worden we slechten mensen van al dat werken met indicatoren, maar ik ben ook wel blij dat elke stekker in elk stopcontact past, dat rot fruit niet in de winkel ligt en dat de NS een boete krijgt als er te weinig treinen op tijd rijden.

Het probleem is misschien niet zozeer het gebruik van indicatoren, maar het doorgeslagen gebruik ervan. Je zou hopen dat Van der Kolk daar iets over zegt. Wanneer is het te weinig, wanneer is het goed genoeg, vanaf wanneer slaat het door? Jammer genoeg gaat het daar in De Meetmaatschappij nauwelijks over. Hoewel Van der Kolk nuttige tips geeft voor verstandig omgaan met indicatoren—zoals het ‘met mate’ meten, het gezamenlijk opstellen van indicatoren en het rekening houden met de context – mis ik scherpte op de vraag hoe we kunnen herkennen dat indicatoren hun doel voorbij schieten.

Zou het niet geweldig zijn als we kunnen herkennen wanneer gebruik van indicatoren nog tot verbetering leidt en wanneer het teveel schade geeft? Als mensen zelf een sterk gevoel van kwaliteit hebben en geen blinde vlekken vertonen, zijn indicatoren misschien niet nodig; als er een hoge mate van standaardisering vereist is, kunnen ze juist wel waardevol zijn. Wat mij betreft komt Van der Kolk binnenkort met een vervolg waarin hij deze tienduizend euro vraag ook beantwoord!


Meer lezen?
Over de grootste twee excessen van de meetmaatschappij schreef ik al eens blogjes. In IQ bespreek ik hoe we onze hele samenleving inrichten rondom een meting van iets dat niet te meten is: intelligentie. In Peilingen ga ik in op onze worsteling om peilingen te zien voor wat ze zijn: matige voorspellingen van de verkiezingsuitslag. In Significantie bespreek ik de kritiek op de wetenschappelijke norm van statistische significantie.

De meetmaatschappij wordt ook steeds meer geautomatiseerd. Waarom ik daar geen voorstander van ben beschrijf ik in Computerbesluit.

Koloniaal

Kijk, we kunnen het Christopher Columbus natuurlijk niet verwijten: het zooitje ongeregeld dat achter hem kwam varen en vreselijk huishield onder de lokale bevolking van de Amerika’s. Maar dat die Europese rouwdouwers zich superieur waanden, nauwelijks oog hadden voor de lokale culturen en de waarde ervan niet inzagen, staat buiten kijf. En misschien — als ze wél geluisterd en gekeken hadden — hadden ze nog iets kunnen leren. Bijvoorbeeld over hoe je met elkaar omgaat.

Ik moet er vaak aan denken wanneer weer eens een of andere Design Thinking-goeroe roept dat alle beroepen innovatiever moeten worden, dat iedereen een designer is, en dat het goed zou zijn als leraren, accountants en chirurgen hun ‘design spier’ wat beter zouden trainen. Zou Tim Brown, bij het schrijven van Change By Design, hebben voorzien wat voor figuren ermee aan de haal zouden gaan — en welke onzin ze zouden verkondigen?

De meeste ontwerpers hebben een dubbel gevoel bij de Design Thinking-beweging. Ze vinden het fijn dat ze nergens meer hoeven uit te leggen dat ontwerpen breder is dan het maken van orginele stoelen – dat ontwerpers ook andere problemen kunnen oplossen dan het maken van producten en dat ze ook meer kunnen dan dingen mooi maken.
Maar ze schrikken van de randfiguren die, na een cursus Design Thinking, denken het licht te hebben gezien — en luidkeels, met weinig kennis van zaken, het evangelie beginnen te verkondigen. ‘Fijn dat je enthousiast bent,’ denken de ontwerpers, ‘maar het is geen trucje’. Je leert het niet in een week. Het is geen vaste methode, maar een heel repertoire. Het is zelfs niet één manier van denken, maar een heleboel tegelijk. Ontwerpdenken is complex en subtiel, en voor iedereen net een beetje anders.

En hoe moet dit eigenlijk voelen voor de professionals die onderwerp zijn van die bekeerdrang? Ik ken niet genoeg chirurgen om precies te weten hoe zij tegenover Design Thinking staan, maar ik kan me zo voorstellen dat ze zich afvragen wat dit in hemelsnaam met hun vak te maken heeft. Natuurlijk wordt er ook in de zorg geïnnoveerd, en daar komt ook wel een vorm van ontwerp bij kijken. Maar het idee dat chirurgen gebaat zijn bij een dagelijkse post-it sessie blijft toch een tikje absurd.

Mensen die een vak leren — biologen, laboranten en accountants, bijvoorbeeld — leren niet alleen feiten en vaardigheden, maar ook een manier van kijken. Je opleiding vormt je blik op de wereld: wat je als een probleem ziet, welke oplossingen je graag aandraagt, welke kennis je belangrijk vindt, en hoe je die kennis toepast. Elk vak heeft zijn eigen kenniscultuur. De denkwijze van biologen of accountants is geen toeval; die is gevormd door jaren praktijk, traditie en eindeloos geploeter met steeds terugkerende vraagstukken.

En daar wringt het. Ik moet de eerste Design Thinking-goeroe nog tegenkomen die zoiets zegt als: ‘Ik sprak laatst met een groep chirurgen, en de precisie en diepgaande kennis die zij in hun werk gebruiken, daar kunnen wij als ontwerpers echt iets van leren.’ Nee, wat ooit begon als een emancipatiebeweging voor ontwerpers, heeft zich ontwikkeld tot een marketingcampagne met koloniale trekjes. Ik zie nergens een echte uitwisseling of wederzijdse bevruchting van kennisculturen tussen disciplines — iets waar ik zeker voorstander van zou zijn. Wat ik wél zie, zijn mensen die ‘design’ prediken om zichzelf ook een keer superieur te kunnen voelen.

Het maffe is dat dat helemaal tegen de geest in gaat van ontwerp zoals ik het ken, en ook tegen datgene wat de grondleggers van de Design Thinking-beweging over ontwerp zeggen. Ontwerpers hebben de kennis uit de verschillende vakdisciplines waar ze mee werken nodig, en hun rol is vooral het combineren van diverse perspectieven tot een oplossing die meer is dan de som der delen. Daar past een bepaalde bescheidenheid bij, zeker ten aanzien van je eigen rol. Ontwerp zonder vakinhoud bestaat niet. Het past dan niet om de barricade op te gaan en dat stukje wat jou bijzonder maakt als norm voor de ander te stellen. Maar ja, de meeste Design Thinking-goeroes zijn misschien ook geen ontwerpers.

Meer lezen?

Ik schreef eerder verschillende blogjes over de unieke kennis van ontwerpers. In ontwerpkennis bespreek dat er voor ontwerp andersoortige kennis nodig is dan die in de beschrijvende wetenschappen ontwikkeld wordt. In doelkennis bespreek ik een van die typen kennis. In ontwerperig ga ik in op de argumenten om ontwerp als eigen kennisdomein te zien. In denksoorten bespreek ik hoe moeilijk het is om een denksoort als ontwerpdenken of systeemdenken los van de inhoud te zien.

Het idee van kennisculturen besprak ik in kencultuur.

Omwereld

Onze konijnen zijn dol op tunnels. Ze doen niets liever dan een stukje door een ruimte kruipen die maar net iets groter is dan hun eigen lichaam. Volgens mij maakt het ze niet uit of de tunnel van karton of van plastic is – of zand, maar onze konijnen wonen in de woonkamer, dus graven zit er niet in voor ze. Voor veel mensen, die een lift al als benauwend ervaren, is deze voorkeur moeilijk te begrijpen. Waarom genieten konijnen zo van kleine, donkere ruimtes? Waar komt die drang vandaan?

Als ik moet gokken, denk ik dat dat concreet hun snorharen zijn. Anders dan mensen gebruiken konijnen hun snorharen om te navigeren. Daarmee voelen ze waar ze zich bevinden ten opzichte van objecten in hun omgeving. Reuk is ook belangrijk voor ze, konijnen kunnen goed horen en best wat zien, maar tast is veel belangrijker dan wij ons kunnen voorstellen. In een tunnel raken de rechter en linker snorharen van een konijn tegelijk iets aan. Ik denk dat konijnenhersentjes dan veel dopamine aanmaken en het ‘sein veilig’ geven.

Het zou natuurlijk ook totaal anders kunnen zitten. En voor dit blogje maakt dat niet zoveel uit. Het is namelijk precies het punt dat ik wil maken. Dieren nemen de wereld heel anders waar dan wij ons kunnen voorstellen. Ik schreef er al eens over. In een eerder blogje maakte ik het punt dat regenwormen vermoedelijk een beetje een andere manier hebben om een wereldbeeld op te bouwen dan mensen. En ik schreef ook eens over hoe lastig het moet zijn om je voor te stellen hoe het is om een vleermuis te zijn.

Ik denk niet dat je deze observatie heel opzienbarend zult vinden. Natuurlijk nemen dieren de wereld anders waar. Ze hebben andere zintuigen, en afhankelijk van hun plek in het ecosysteem is het logisch dat die zintuigen beter zijn afgestemd op bepaalde prikkels. De evolutie heeft dat allemaal keurig geregeld. Tot ik Een immense wereld van Ed Yong las, dacht ik er ook ongeveer zo over. Ik plaatste de waarneming van dieren redelijk dicht bij die van ons en stond er verder niet echt bij stil.

Wat Yong doet in Een immense wereld is een fascinerend overzicht geven van het bewijs dat we door de jaren heen hebben verzameld over hoe dieren de wereld waarnemen. Dat overzicht is ronduit duizelingwekkend.

Voor veel dieren is geur bijvoorbeeld véél belangrijker dan voor ons. Bij honden zie je dat terug in hun gedrag. Olifanten gebruiken hun slurf om actief hun omgeving te verkennen. Slangen hebben een gespleten tong waarmee ze in 3D kunnen ruiken. Vlinders ruiken met hun poten — precies de delen waarmee ze op bloemen landen, meervallen proeven met hun hele huid, niet alleen met hun tong. Hoe zou het zijn als je voet ineens chocolade proeft?

Of neem het zicht. Mensen kunnen behoorlijk goed zien, en daarom denken we vaak dat we daar veel van begrijpen. Maar niet elk dier bouwt in zijn brein een driedimensionaal model van de omgeving op — en zelfs als dat wel zo is, kan dat beeld er totaal anders uitzien dan het onze.

Niet alle dieren zien kleur. Veel soorten zijn wat wij ‘kleurenblind’ zouden noemen: ze onderscheiden slechts twee kleurtonen. Maar er zijn ook dieren, zoals sommige slangen, die juist méér kleuren zien dan wij. Zij hebben receptoren voor infrarood, waardoor ze warmte als kleur kunnen waarnemen. Insecten zien vaak ultraviolet licht, wat betekent dat bloemen er voor hen compleet anders uitzien dan voor ons.

De evolutionaire functie van kleur lijkt op het eerste gezicht duidelijk: kleur kan worden ingezet om te verleiden of juist om onzichtbaar te blijven. De pauw gebruikt zijn opvallende veren om indruk te maken, terwijl de kameleon zich juist onzichtbaar maakt in zijn omgeving. Maar, zodra je meer weet over hoe dieren waarnemen, duiken er allerlei onverwachte inzichten op. Zo zien vlinders in een te lage resolutie om hun eigen vlekkenpatronen te onderscheiden — die blijken dus geen rol te spelen bij het vinden van een partner, hoe opvallend ze voor óns ook zijn. En zebra’s? Hun strepen zijn niet bedoeld om leeuwen af te schrikken — die zien het patroon niet goed genoeg. De strepen blijken vooral effectief tegen steekvliegen, die er van in de war raken.

En dit zijn nog niet eens de vreemdste voorbeelden. Bij de facetogen van vliegen kunnen we ons tenminste iets voorstellen — alsof je de wereld constant door een caleidoscoop bekijkt. En het beeld van een kameleon die met elk oog een andere kant op kijkt, valt misschien ook nog te visualiseren in mensenbeeld. Maar wat te denken van de Argopecten irradians — een schelp met tientallen ogen langs de rand van zijn schelp? Deze soort kan zo’n twaalf verschillende kleuren onderscheiden, maar verwerkt die informatie op een totaal andere manier dan wij. En wacht even… schelpen die kunnen zíen? Schelpen?

En dan zijn er nog zintuigen die wij helemaal niet hebben. Zeedieren beschikken over een veel verfijndere tastzin dan wij. Met speciale receptoren kunnen ze uit de stroming afleiden wat er verderop in het water gebeurt. Zeeleeuwen kunnen met hun snorharen de beweging van een haring op twintig meter afstand detecteren — en haringen voelen op hun beurt ook de nadering van een zeeleeuw. Olifanten en insecten pikken subtiele trillingen in de grond op en halen daar verrassend veel informatie uit. Vleermuizen bouwen een beeld van hun omgeving op aan de hand van de echo’s van hun eigen geluiden. Haaien en andere zeedieren kunnen elektrische velden waarnemen (en produceren). En dan zijn er nog vogels, vlinders en talloze zeedieren die met verbazingwekkende precisie magnetische velden kunnen waarnemen en gebruiken om te navigeren. Dat gaat vér voorbij wat wij ons met onze zintuigen kunnen voorstellen.

Yong beschrijft niet alleen al deze wonderlijke zintuiglijke werelden, hij nodigt ons ook voortdurend uit om ons voor te stellen hoe de wereld er uitziet voor deze dieren. Hoe beleven zij hun omgeving — hun omwereld, hun eigen unieke werkelijkheid? De stap naar bewustzijn maakt Yong bewust níet, en dat is waarschijnlijk maar verstandig ook. Het is al ingewikkeld genoeg om de waarneming zélf te begrijpen, laat staan het innerlijke beleven daarvan.

Het is voor ons als mens eigenlijk onmogelijk om écht te begrijpen hoe andere dieren de wereld waarnemen. We zullen dat altijd doen door onze eigen waarneming als basis te nemen en dan een stukje verder te denken. Maar de enorme diversiteit van de natuur laat zien dat dit antropomorfisme waarschijnlijk misplaatst is. Dieren nemen hun omgeving waar op manieren die subtiel, of soms zelfs fundamenteel, anders zijn dan de onze. En ze hebben vermoedelijk ook een ander soort bewustzijn dan wij.

Voor mij was dat geen nieuw feit, maar ik zou het boek toch een openbaring willen noemen. Het was een beetje zoals het lezen van De reis met de Beagle of The Origin of Species van Darwin. Je kent de evolutietheorie wel, maar door alle stukjes bewijs die Darwin heeft verzameld te volgen, en te zien hoe hij op basis daarvan zijn theorie opstelt, wordt het iets dat je niet alleen begrijpt, maar ook echt gaat voelen. Voor mij is dat nu zo voor dierenwaarneming. Yong heeft voor mij invoelbaar gemaakt dat dieren in een andere omwereld leven en vooral hoe radicaal die verschilt van de onze.

Meer lezen?
Ik schreef over de manier waarop wormen waarnemen en kennis en zintuigen gekoppeld zijn in kenvermogen, in poetsvissen sprak ik over het zelfbewustzijn van deze visjes en in ervaring over hoe papegaaien en vleermuizen de wereld beleven. Mijn blogje de Chinese Kamer, tot slot, bespreekt het idee dat niet elk bewustzijn gelijksoortig is.

Ik schreef al eerder over de evolutietheorie in evolutiesnelheid, helix, memen en cultuurdragers.

Denksoorten

Zouden wijnkenners geen brood zien in een serie workshops over vinologiedenken? Dat bepaalde denkwijzen die in de bestudering van wijn van enorm belang zijn, ook waardevol zijn voor allerlei andere vakgebieden zoals beleid maken of bankieren?

Vast wel. Iedereen die een specialistische opleiding heeft gedaan, heeft daar een nieuwe manier van kijken en redeneren geleerd. En iedereen kent de ervaring dat die kijk- en denkwijze ineens toepasbaar bleek op andere problemen buiten het eigen vakgebied – vaak met verrassende resultaten.

Soms leidt dat tot een ware emancipatiebeweging. Ontwerpers zijn hun vak gaan verkopen aan andere disciplines onder de noemer ‘Design Thinking’; wiskundigen en informatici onder de noemer ‘Computational Thinking’; een bont gezelschap van disciplines hangt ‘Systems Thinking’ aan. Dit zijn op dit moment de grote drie, maar er zijn ook anderen: Entrepreneurial Thinking, Historical Thinking, Anthropological Thinking, Evolutionary Thinking, of zelfs Policy Thinking.

Ik kan er grappen over maken, zoals met de vinologen of met politieagenten – die zijn immers experts in wetshandhavingsdenken -, maar misschien is dat niet zo aardig. Misschien zit er genoeg in dit, ja sorry, ‘ambassadeursdenken’, om het eens serieus te bekijken. Dat is precies wat Nathan Crilly dus doet in zijn boekje Design Thinking & Other Approaches.

Ik vond het boekje een verademing, want mensen uit de Design Thinking hoek, zijn altijd bezig hun benadering te verkopen als enorm uniek en belangrijk voor iedereen. Dat is precies wat Computational Thinkers doen. En… Nou ja. Het zijn allemaal ambassadeurs voor de waarde van hun vak in andere disciplines, maar ze houden zich weinig bezig met wat ambassadeurs van andere disciplines te zeggen hebben.

Heel weinig. In één procent van de Computational Thinking papers beginnen auteurs ook over Design Thinking. En zo voor elke combinatie van denksoorten waar veel over geschreven wordt. 1%.

Daardoor is het moeilijk te vergelijken: is Design Thinking wezenlijk anders dan Systems Thinking of Computational Thinking? Ze verwijzen niet naar elkaar of naar een gedeelde taxonomie van denksoorten. Dus wat moeten we dan denken over een claim als ‘ontwerpers hebben een hele unieke manier van denken waar ze problemen mee oplossen’? Als je Design Thinking niet tenminste vergelijkt met andere denkwijzen, hoe kun je dan zeggen dat het uniek en belangrijk is?

En dan zijn er nog twee andere problemen, die beide samenhangen met het ambassadeurschap. Een eerste vraag is of die manier van denken echt uniek is voor een discipline. Denken ontwerpers echt anders dan ondernemers? En zijn de verschillen tussen disciplines dan groter dan de verschillen tussen professionals binnen een discipline?
Misschien zul je zoiets antwoorden als: ja luister, mijn broer is psycholoog en die denkt echt anders dan ik. Maar om te bewijzen dat psychologiedenken een aparte denksoort is, moeten we laten zien dat die denksoort ook bruikbaar is als het niet over gedrag of hersenen gaat. Dus los van het onderwerp.

Misschien denken psychologen over diepere oorzaken na van complex gedrag, maar dat doen sociologen, biologen, en natuurkundigen ook. Zijn dat allemaal psychologiedenkers? Ontwerpers lossen problemen op, net als ingenieurs, natuurkundigen, ondernemers en, wie weet, vinologen. Er blijkt eigenlijk nergens een denkelement te zijn dat echt uniek is voor een specifieke denksoort.

Dat wil niet zeggen dat er geen verschillen tussen disciplines zijn, maar het maakt de bewering dat de manier van denken van een discipline nuttig kan zijn in een andere discipline wel ingewikkelder. Wat ons bij het tweede probleem brengt: namelijk de gedachte dat mensen uit een andere discipline die denkwijze kunnen aanleren zonder ook de inhoud van de discipline mee te nemen. Kortweg: helpt een cursus Design Thinking om een ontwerpende wetshandhaver te worden?

Crilly’s antwoord hierop is vergelijkbaar met wat ik eerder schreef over 21st century skills. Volgens Crilly zijn de elementen die geclaimd worden voor een bepaalde denksoort meestal ‘hogere denkvaardigheden’ zoals kritisch denken, oorzakelijk denken of creativiteit. Voor die vaardigheden is overtuigend bewijs dat ze niet los van vakinhoud aangeleerd en uitgeoefend kunnen worden. Mensen kunnen kritisch denken in het vak waar ze in opgeleid zijn, maar er blijft heel weinig van over in andere vakgebieden.

Crilly zegt dat het voor disciplinedenksoorten zoals Design Thinking ook zo werkt. Industrieel ontwerpers kunnen prima inventieve oplossingen voor producten bedenken, maar slechts matig voor wetswijzigingen. Als dat zo is, is er ook weinig hoop voor de wetshandhaver met interesse in ontwerp: hij zal een uitgebreide opleiding moeten doen met kennis en opdrachten over wetshandavingsontwerp. Als ik wil leren schrijven als een vinoloog, zal ik moeten leren hoe wijn werkt.

Natuurlijk is Nathan Crilly veel genuanceerder dan ik, maar hij rolt flink wat beren op de weg voor beweringen van de aanhangers van verschillende denksoorten. Meer dan er met een beetje Design-, Systems- of Computational Thinking weer af te krijgen zijn.

Zijn oproep is niet om te stoppen met het bestuderen van wat er bijzonder is aan de manier waarop ontwerpers, informatici of wetshandhavers hun problemen oplossen. Zijn betoog is eerder om dat in vergelijking met andere disciplines, en met meer wetenschappelijke grondigheid te doen dan nu gebruikelijk is. Die oproep kan ik van harte steunen.


Meer lezen?
Ik schreef aardig wat over ontwerpdenken. In Ontwerpkennis ging ik in op verschillende soorten kennis die nodig zijn om tot een ontwerp te komen. In doelkennis besprak ik dat kennis van alternatieven, doelen en idealen daar in ieder geval bij horen. In ontwerperig ging ik in op het idee dat ontwerpdenken zo verschilt van de mens- en natuurwetenschappen dat het meer status zou moeten krijgen in het basisonderwijs.

In kencultuur ging ik in op het verschil in onderzoekscultuur tussen verschillende wetenschapsdisciplines. In adaptief de 21e eeuw in besprak ik hoe hogere orde denkvermogens gebonden zijn aan disciplines.

Het boekje van Nathan Crilly is zeer de moeite waard, hoewel het kort is en meer een kritiek geeft op de moeilijkheid van denksoorten in plaats van een concrete vergelijking van denksoorten.

Panpsychisme

Ik dacht dat het heel gewaagd was: schrijven dat het krentenboompje hierbuiten wel eens bewustzijn zou kunnen hebben. Maar er is altijd baas boven baas. Er zijn mensen die vinden dat niet alleen boompjes, maar ook de vensterbank, het stalen hek voor onze tuin, de straatstenen, de lucht en misschien zelfs het licht een vorm van bewustzijn hebben. Panpsychisten worden ze genoemd.

Ik geloof er niets van hè, dat panpsychisme. Eigenlijk dacht ik: “dat is zo’n onzin, moet ik daar wel over schrijven”. Maar het knaagde aan me dat ik niet tenminste de moeite nam uit te leggen waarom het niet kan kloppen. En toen zette ik een hete kop thee op de vensterbank – en vroeg me ineens af of ik dat wel kan maken; of dat dat stiekem enorm pijnlijk kan zijn voor de houtvezels – of de lak.

Nou ja. Panpsychisme stamt al van de oude Grieken, maar zoals zoveel ideeën die we daar aantroffen, lijkt het wel eeuwig terugkerend en kent het moderne verdedigers. Eén is hersenwetenschapper Jacob Jolij, die uitgebreid aan het woord komt in de NRC podcast Future Affairs.

Zoals zoveel hersenwetenschappers heeft Jolij het bewustzijn eerst gezocht in de stroompjes in het brein, die hij met ingewikkelde apparatuur zo precies mogelijk gevolgd heeft. Maar Jolij vond het bewustzijn niet en dacht toen: misschien kijken we wel op het verkeerde niveau. In plaats van dat we naar de deeltjes kijken, moeten we in de deeltjes kijken. Misschien is bewustzijn wel een eigenschap van de natuur en de deeltjes waar die uit opgemaakt is, precies zoals massa en lading dat zijn.

Ik hoop dat het een beetje absurd klinkt allemaal, want, lieve lezer, dat suggereert dat je gezond verstand hebt. Maar, Jolij is professor en die heeft natuurlijk een wetenschappelijke troef in handen, anders zou hij dit soort rare ideeën niet ventileren. Die troef is, je raadt het al, de quantummechanica.

In de quantummechanica zijn de eigenschappen van deeltjes, zoals hun positie en snelheid, niet precies vast te stellen. Ik weet bijvoorbeeld bijna zeker dat er een dampende kop thee op mijn vensterbank staat, maar volgens de quantummechanica is er ook een kleine kans dat die kop ergens anders in huis is: in de keuken, of in bed ofzo. Er is één uitzondering. Precies op het moment dat ik naar rechts kijk en de kop zie staan. Op dat moment is het quantummechanisch gezien ook helemaal zeker dat hij daar staat.

Of neem ‘Schrödingers kat’. Erwin Schrödinger, die de wiskundige basis legde voor de quantummechanica, vond ook dat er vreemde dingen gebeurden. In een brief aan Albert Einstein kwam hij met een gedachtenexperiment: een kat zit in een doos, samen met een flesje gif dat kapot gaat als een radioactief element vervalt.

Volgens de quantummechanica is er altijd tegelijk een kans dat een radioactief element wel en niet vervallen is. Die twee toestanden liggen op elkaar, superpositie heet dat: ze zijn tegelijk een beetje waar. Pas als je een waarneming doet, wordt één van de twee mogelijkheden werkelijkheid. Schrödinger schreef dat dit betekent dat de kat in zijn experiment, volgens de quantummechanica, tegelijkertijd levend en dood is. Totdat je de doos opent. Zolang je dat niet doet, is het deeltje zowel wel als niet vervallen, de dodelijke machine zowel wel als niet geactiveerd, de kat wel of niet dood.

Ik denk dan: ‘katten die dood en levend tegelijk zijn’? Kom op zeg. Dan kun je net zo goed gaan roepen dat mijn vensterbank bewust is.

Nou, laat dàt nou precies zijn wat Jolij gedaan heeft. Hij stelt dat in de wiskunde van de quantummechanica een diepe waarheid schuilt over onze wereld: dat onze werkelijkheid afhankelijk is van onze waarneming. Zolang we niet weten hoe dat precies kan, moeten we zoeken naar antwoorden. En één mogelijke oplossing zou kunnen zijn dat bewustzijn een, nog onbekende, dimensie in het universum is.

Hoe onzinnig ik panspychisme ook vind, ik moet Jacob Jolij nageven dat de manier waarop hij dit uitwerkt: via bestaande wiskundige modellen die ervaringen kunnen modelleren, naar meetbare experimenten die vervolgens wiskundig toetsbaar zijn, wel erg charmant vind. Het zou wel wat opschudding veroorzaken als we blijken te kunnen meten dat materie bewust is, maar totdat die metingen er zijn is er weinig aanleiding het allemaal heel serieus te nemen denk ik.

Daar zijn twee redenen voor.

Ten eerste is de theorie zelf niet rond. Want hoe leidt bewuste materie tot menselijk bewustzijn? Hoe zouden de bewustzijnstoestanden van de lak van mijn vensterbank er samen voor zorgen dat de vensterbank blij is met mijn kop thee, of juist niet? Heeft mijn krentenboompje het deze winter koud omdat de houtvezels hun bewustzijn synchroniseren met het bewustzijn van de lucht? Hoe zorgen het bewustzijn van de elektronen in mijn brein voor dit hallucinante blogje? Ik kan me er weinig bij voorstellen. Een probleem in de quantummechanica ontdekken is één ding, maar dat gat opvullen met een overtuigende theorie over menselijk bewustzijn is iets heel anders.

Ten tweede zit er misschien helemaal geen ‘gat’ in de quantummechanica. Deze theorie werkt met kansen, niet met vaste wetten. Of iets formeler: quantummechanica is probabilistisch en niet deterministisch. Waarom is dat een probleem? Veel natuurkunde lijkt te suggereren dat de wereld voorspelbaar is, terwijl dat niet zo blijkt te zijn. Maar die suggestie van voorspelbaarheid zit in de eerste plaats in de natuurkunde omdat wij dit er ingestopt hebben, niet per se omdat de natuur zich voorspelbaar gedraagt.

Jolij zou niet de eerste wetenschapper zijn die vanuit verkeerde aannames toch iets briljants ontdekt dat waar blijkt te zijn. Ik vind het ook gaaf dat hij het probeert. Maar voor zover ik de wereld, de quantummechanica, het bewustzijn en de logica begrijp zie ik geen reden om het Panpsychisme uit de Griekse mottenballen te halen. Ik wil best geloven dat mijn krentenboompje ervaringen heeft, maar niet dat mijn vensterbank en mijn kop thee die hebben.

Meer lezen?

Ik schreef al eens over determinisme en over de quantummechanica waar Jolij op teruggrijpt.

Dit blogje maakt uit van een serie over het bewustzijn. In bewust beschreef ik hoe het bewustzijn eerder een familie van problemen vormt in plaats van een enkel vraagstuk. In ervaring ging ik in op de vraag of dieren ervaringen hebben en hoe we dat kunnen weten. In dualisme zette ik een aantal filosofische posities over het bewustzijn uiteen. In bewusteratuur  ging ik in op pogingen om de hoeveelheid bewustzijn te meten. Daar ging ik ook in op de vraag of planten, zoals ons boompje misschien bewust kunnen zijn. In wil besprak ik de vrije wil en in de Chinese kamer op de vraag of computers bewust kunnen zijn.

Je kunt ook luitsteren naar de Future Affairs aflevering waar ik op teruggrijp. Of je verder verdiepen in de filosofische achtergronden van het Panpsychisme. Van beide stukken heb ik voor dit blogje gebruik gemaakt.

Determinisme

Niemand weet precies hoe lang geleden het is hè? De oerknal. Eigenlijk is het ook niet te berekenen, want tijdens de oerknal bestond de tijd nog niet. Maar over één ding zijn we het eens: het is heel lang geleden. Héél lang.

Zou het kunnen dat tijdens de oerknal al vastlag dat er, naast tijd en ruimte, ook ooit ergens een aarde zou onstaan? En dat daar dan nòg later mensen rond zouden gaan lopen van wie er één dit blogje zou schrijven? Mijzelf lijkt dat absurd, maar het is een filosofisch idee dat heel veel invloed heeft: het determinisme.

Deterministen stellen dat, als je op een bepaald moment de exacte positie en snelheid van alle deeltjes in het universum kent én de natuurwetten begrijpt, je daarmee de positie en snelheid van die deeltjes op elk later moment precies kunt berekenen. Er is geen speld tussen de wereld van vandaag en morgen te krijgen. Volgens het determinisme is de wereld volledig voorspelbaar; het enige wat ons misschien tegenhoudt, is een gebrek aan kennis, data en rekenkracht.

Het gaat deterministen niet persé om snelheid van deeltjes natuurlijk. Alles om ons heen is immers opgebouwd uit deeltjes en alles wat gebeurt, is het resultaat van botsingen van die deeltjes. Dus als we de deeltjes kennen, kunnen we al het andere waar we ons druk over maken afleiden: de temperatuur in Nederland vandaag, de vorm van mijn huis, de konijnen die hier aan mijn voeten scharrelen, de geur in deze ruimte, mijn gedachten terwijl ik dit schrijf, jouw gedachten terwijl je dit leest. Het lag allemaal allang vast bij oerknal.

Als je dit een absurd idee vindt, heb ik goed nieuws: je hebt al ongeveer een eeuw lang de natuurkunde aan je kant. Er zijn twee takken van de natuurkunde die er vanuit gaan dat de wereld fundamenteel onvoorspelbaar is. De natuurkunde van kleine deeltjes, de quantummechanica en de natuurkunde van complexe systemen, de chaostheorie.

De quantummechanica beschrijft de kleinste bouwstenen van de materie: atomen en de deeltjes waar die weer uit zijn opgebouwd. Deze deeltjes hebben vreemde eigenschappen: ze zijn tegelijk een deeltje en een golf, onze waarneming beïnvloedt ze, en ze kunnen op meerdere plekken tegelijk zijn. Toeval speelt hierbij een grote rol. Quantummechanica is vreemde natuurkunde. Zo vreemd dat er zelfs natuurkundigen zijn die niet willen geloven dat deze ideeën kloppen. En toch tonen experimenten keer op keer aan dat het klopt, inclusief de rol van toeval.

De chaostheorie gaat over systemen die met elkaar verbonden zijn. Dit kan iets eenvoudigs zijn, zoals een paar bewegende staafjes, of iets complexers, zoals alle factoren die een rol spelen in het weer en klimaat. Chaostheorie laat zien dat kleine verstoringen in zulke systemen grote en onvoorspelbare gevolgen kunnen hebben. Er is best discussie mogelijk over de vraag of die onvoorspelbaarheid nu een eigenschap van de natuur is of komt door ons gebrek aan kennis en rekenkracht. Maar hoe je het ook bekijkt: onvoorspelbaarheid blijft, zeker omdat zo’n kleine verstoring zelfs kan ontstaan door het onvoorspelbare gedrag van een quantumdeeltje.

Al met al is er genoeg bewijs dat in, of vlak na, de oerknal nog niet vastlag dat ik vandaag dit blogje zou schrijven. De grote vraag is waarom zoveel mensen -ik noem geen namen, maar er zitten werkelijk briiante geesten tussen- vast blijven houden aan het determinisme. Hangen ze nog steeds aan de natuurkunde van de 19e eeuw? Worden ze onzeker van het idee dat toeval echt bestaat? Of speelt er nog iets anders?

Zoiets weet je natuurlijk niet, maar voor velen heeft dit misschien iets met God te maken. De natuurkunde van de 18e en 19e eeuw was wèl deterministisch en zorgde voor een ‘mechanisering van ons wereldbeeld’. Religie was niet langer de ultieme bron van waarheid; voortaan konden we vertrouwen op de wetenschap. Het hielp daarbij dat die wetenschap leek te suggereren dat de natuur zich volledig wetmatig gedroeg. In zo’n systeem van eeuwige natuurwetten was geen plaats voor goddelijke interventie.

Nu toeval en instabiliteit weer deel uit maken van die natuurkunde is het even slikken. We hebben de absolute zekerheid van een alwetende God vervangen door de absolute zekerheid van eeuwig geldende natuurwetten. Maar als we toeval toelaten, geven we dan niet weer ruimte aan allerlei vormen van spiritisme en religie? Wie bepaalt waar het quantumdeeltje precies is? Wie veroorzaakt die kleine verstoringen in instabiele systemen? Is de volgende stap niet dat we een soort ‘intelligentie’ in onze theorieën gaan opnemen, die via toeval invloed uitoefent op wat er in de wereld gebeurt?

Het antwoord is volgens mij nee. Toeval is in de natuurkunde net zo’n fundamenteel begrip als kracht of deeltje of veld. Het is kiezen of delen. Of je accepteert dat dingen in de natuur soms spontaan gebeuren, zonder dat daar iets of iemand achter zit. Of je blijft het idee koesteren dat het allemaal, in minitueus detail al vastlag, nog voordat de tijd bestond. Als dit de keuze is, vind ik het nog niet zo gek om in toeval te geloven.

Meer lezen?
Ik schreef over de rol van toeval in de quantummechanica in EPR. Over complexiteit schreef ik ook eerder, hoewel ik daar de chaostheorie niet bespreek. Determisme speelt een grote, soms onzichtbare rol, in de discussie over de vrije wil waar ik al eens over sprak

Broodheer

Deze zomer vroegen studenten hun universiteitsbestuurders om alle officiële banden met Israëlische universiteiten te verbreken. Eerder waren er soortgelijke protesten over de samenwerking tussen universiteiten en de fossiele industrie. Ook staat onderzoek naar dronezwermen onder druk, omdat deze technologie nu wordt gebruikt in lopende oorlogen. Ik heb veel sympathie voor deze oproepen om thought leadership te koppelen aan moreel leiderschap al was het alleen maar omdat het ongemak van universiteitsbestuurders bij deze kwesties zo veelzeggend is.

De olifant in de kamer is natuurlijk dat onafhankelijke wetenschap niet bestaat. Dat de academische vrijheid een mooi ideaal is, maar dat het lelijk wordt als ‘vrij’ geïnterpreteerd wordt als ‘waardenvrij’ of nòg erger ‘vrij van verantwoordelijkheid’. Universiteitsbestuurders vinden dat ingewikkeld, en dat is het ook.

De protesterende studenten beriepen zich op het boek Towers of Ivory and Steel van Maya Wind, waarin de sterke banden tussen de Israëlische universiteiten en het leger aan de kaak gesteld worden. Maar dit soort afhankelijkheden beperken zich natuurlijk niet tot Israël.

Afhankelijke wetenschap is van alle tijden. Galileo Galilei was een briljante en tegendraadse geest, maar hij kon zijn strijd met de heersende opvattingen en de kerk niet voeren zonder zijn beschermheer, markies Guidobaldo del Monte. De middeleeuwse scholastici kregen van de kerk de ruimte om filosofie te bedrijven, zodat ze het geloof konden versterken met rationele argumenten voor het bestaan van God,bijvoorbeeld. De adel, de kerk en later de staat willen best investeren in nieuwe kennis, maar een blanco cheque is wel wat veel gevraagd.

De afhankelijkheid van moderne wetenschap wordt vooral bepaald door financieringsstromen. De minister gaat gelukkig niet langs de universiteit om met wetenschappers te praten over of hun onderzoek wel deugt, maar de staat beslist wel over de hoeveelheid basisfinanciering in vergelijking met financiering door bedrijven, de verhouding tussen middelen voor onderwijs en onderzoek, en de organisatie van subsidiestromen. Dat is een systeem waarin er weinig speelruimte is voor de bedrijfsvoering van een universiteit.

Ook dat is niet nieuw. In De ontdekking van het weten stelt Chunglin Kwa dat de bloeitijd van de academische vrijheid in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw was. Tegelijkertijd was de financiering van de wetenschap door het leger nooit zo hoog. Na de Tweede Wereldoorlog en het begin van de Koude Oorlog werd wetenschap als zeer belangrijk beschouwd. De atoombom toonde aan dat fundamentele wetenschap kan leiden tot innovaties die een oorlog kunnen beslissen.

Het enthousiasme voor fundamenteel, onafhankelijk onderzoek is inmiddels flink afgenomen. Grote bedrijven zoals Philips hebben minder onderzoekers in dienst, en de overheid probeert het tekort te compenseren door financiering te richten op economische en maatschappelijke innovatie. Door het afnemen van overheidssteun voor onafhankelijk onderzoek, worden universiteiten op hun beurt steeds afhankelijker van directe financiering van het bedrijfsleven. Het grootkapitaal heeft de universiteiten zo in een dubbele tang en is daarmee de nieuwe broodheer van de wetenschap.

Het is natuurlijk ironisch dat de plek waar het vrijdenken de hoogste culturele status heeft, zo weinig financiële speelruimte heeft om dat ook mogelijk te maken. In het conflict tussen de studenten en de bestuurders vertegenwoordigen studenten de normen van de universiteit zèlf. Ze willen dat de universiteit doet wat ze zegt en kiest voor onafhankelijke kennisontwikkeling. En ze willen dat de bestuurders de wetenschap serieus nemen en er gevolg aan geven. Maar de bestuurders moeten aan het bedrijf, het personeel en de studenten denken. Ze zien niet zoveel ruimte om recht in de leer te zijn.
Is er een weg uit dit conflict? Ik denk dat universiteiten eerlijker naar zichzelf en naar studenten kunnen zijn over de onvermijdelijke afhankelijkheden. Natuurlijk kunnen wetenschappers zich onafhankelijk opstellen, maar kennisontwikkeling is niet neutraal en het gebruik ervan zeker niet. Wetenschappers dragen uiteindelijk verantwoordelijkheid voor beiden.

Universiteiten kunnen duidelijker zijn over de belangen waarmee ze te maken hebben. Door te laten zien waar afhankelijkheden liggen, waar ruimte is en waar om ruimte gestreden kan worden, leren ze studenten assertief te zijn en grenzen te stellen in een afhankelijke positie. Dat is misschien een waardevollere les dan het sprookje van academische vrijheid.

Want laten we eerlijk zijn: zodra het diploma behaald is, zijn studenten ook afhankelijk van de bedrijven en instellingen waarmee ze zich verbinden. Universiteiten zouden hun voorbeeldfunctie moeten inzetten om afgestudeerden weerbaarder te maken voor de machtsdynamieken in het bedrijfsleven en de samenleving. Welke houding daarbij past in kwesties van oorlog, vrede, mensenrechten en klimaat, laat ik aan de bestuurders. Vooralsnog denk ik dat de studenten best een punt hebben.

Meer lezen?
Ik schreef al eerder over de vraagstukken die samenhangen met kennisontwikkeling en toepassing in stokoude kennis, Nobel en valorisatie en over waarden in de wetenschap in doelkennis.

De informatie over machtsdynamieken in 20e eeuwse wetenschap haalde ik uit de ontdekking van het weten van Chunglin Kwa, waar ik eerder over schreef. De informatie over Towers of Ivory and Steel uit een bespreking van de lezing van Maya Wind in DUB.