De wetenschappelijke revoluties van Thomas Kuhn

Thomas Kuhn is vermoedelijk de bekendste wetenschapsfilosoof na Karl Popper. Of misschien zelfs wel bekender, want hij schonk ons het woord paradigma. En probeer vandaag de dag nog maar eens een multidisciplinair overleg door te komen zonder dat dat woord een keer valt.

Toen ik The Structure of Scientific Revolutions voor het eerst las, was ik meteen fan. Het boek is een genuanceerde en dappere poging om de wetenschapsfilosofie dichter bij de wetenschapsgeschiedenis te brengen. Van het oorspronkelijke betoog van Kuhn is in het dagelijks gebruik van het woord paradigma jammer genoeg nog maar weinig overgebleven. Daarom leek het me de moeite waard om nog eens uiteen te zetten wat Kuhn nu eigenlijk probeerde te zeggen.

Het  vertrekpunt

Kuhn was een natuurkundige die zich voor wetenschapsgeschiedenis ging interesseren doordat hij er achter kwam de de manier waarop natuurkundige tekstboeken omgaan met de geschiedenis, niet erg waarheidsgetrouw is. Door zich te verdiepen in de werkelijke geschiedenis van de natuurwetenschappen ontwikkelde hij een theorie over de vooruitgang ervan. 

Die theorie was behoorlijk revolutionair en interessant genoeg vloeide zij eigenlijk direct voort uit de ervaring die Kuhn naar de wetenschapsgeschiedenis had getrokken. Hij merkte op dat wetenschappelijke tekstboeken het verleden meestal presenteren alsof de huidige theorie altijd al in het verschiet lag. 

Dat is een rare en onzorgvuldige vorm van geschiedschrijving, maar het heeft ook nuttige kanten. Het zet nieuwe generaties wetenschappers meteen op het goede spoor, wat van het onderzoeksprogramma als geheel een gerichte en gedisciplineerde onderneming maakt. Het nadeel ervan is tunnelvisie, jonge wetenschappers worden niet getraind om nog fundamenteel anders te denken. En dat laatste zorgt er volgens Kuhn voor dat wetenschap zich op een schoksgewijze manier ontwikkelt in plaats van lineair.

Het idee van een paradigma

Kuhn definieert een paradigma als “universally recognised scientific achievements that for a time provide model problems and solutions to a community of practitioners” (p. x). Een paradigma is dus in de eerste plaats een voorbeeldige wetenschappelijke prestatie. Dat bedoeld Kuhn vrij letterlijk: een concrete prestatie die een tijd lang als voorbeeld dient voor nieuw onderzoek. 

De evolutietheorie is een mooi voorbeeld. Darwin liet zien hoe soorten zich via variatie en natuurlijke selectie aanpassen aan hun omgeving. Daarmee bood hij niet alleen een krachtige verklaring voor de diversiteit van soorten, maar ook een succesvol model voor nieuw onderzoek. Problemen die om een evolutionaire verklaring vroegen kwamen hierdoor beter in beeld en onderzoekers kregen een duidelijk idee van wat als een bevredigende oplossing gold. Door voor te leven hoe je antwoorden kon vinden, liet de theorie zien welke problemen en welke antwoorden de moeite waard waren.

De diciplinaire matrix

Door het navolgen van een concrete wetenschappelijke oplossing kan volgens Kuhn een hele onderzoekspraktijk ontstaan. Dit is een element van Kuhns theorie die veel verwarring geeft, dus laat ik dat even afpellen.

De kern is volgens Kuhn de voorbeeldige oplossing zelf. In het bovenstaande voorbeeld: de evolutionaire verklaring. Dit concrete voorbeeld is wat Kuhn het paradigma heeft genoemd. Daaromheen kan zich een groter web spinnen van gedeelde theorieën, begrippen, methoden, instrumenten en waarden die de basis vormen van een onderzoeksprogramma. Kuhn noemt dit de disciplinaire matrix. Soms wordt dat ook het paradigma genoemd, maar strikt genomen is dit niet correct. Een disciplinaire matrix kan op haar beurt niet bestaan zonder dat ze gedragen wordt door een wetenschappelijke gemeenschap.

Wacht, ik zet het even op een rijtje!

NiveauCentrale vraagInhoudVoorbeeld
1. Paradigma (de voorbeeldige prestatie)Welk voorbeeld volgen onderzoekers?Een concrete wetenschappelijke prestatie die model staat voor nieuw onderzoek. Ze laat zien welke problemen interessant zijn en hoe je ze oplost.Newtons Principia, Darwins evolutietheorie, Lavoisiers chemie
2. Disciplinaire matrixWat delen onderzoekers?Het geheel van gedeelde theorieën, begrippen, methoden, instrumenten, waarden én exemplars dat een onderzoekspraktijk mogelijk maakt.De Newtoniaanse mechanica, de Darwiniaanse biologie
3. Wetenschappelijke gemeenschapWie draagt het paradigma?De gemeenschap die de disciplinaire matrix deelt, nieuwe onderzoekers opleidt en bepaalt wat als goede wetenschap geldt.De negentiende-eeuwse natuurkundigen, de evolutionair biolog

De ontwikkeling van ‘normal science’

Het grootste deel van The Structure of Scientific Revolutions gaat vervolgens niet meer over paradigma’s zelf, maar over wat ze teweegbrengen: hoe ze een onderzoekspraktijk organiseren, een gemeenschap van onderzoekers vormen, een tijd lang uitzonderlijk productief zijn en uiteindelijk de voorwaarden scheppen voor hun eigen ondergang. 

Dat begint me wat Kuhn een pre-paradigmatische fase noemt. Er bestaan dan verschillende scholen naast elkaar die het fundamenteel oneens zijn over de belangrijkste vragen, de juiste methoden en zelfs over wat als een bevredigende verklaring geldt in het vakgebied. Onderzoekers zijn daardoor voortdurend met de grondslagen van hun vak bezig. Het vakgebied als geheel boekt juist weinig vooruitgang, omdat iedere onderzoeksschool haar eigen problemen en oplossingen ontwikkelt.

Dat verandert als een wetenschappelijke prestatie, het paradigma, zoveel succes heeft dat steeds meer onderzoekers haar gaan navolgen. Niet persé omdat alle concurrenten overtuigend zijn weerlegd, maar omdat één manier van werken duidelijk vruchtbaarder blijkt dan de rest. Rond het paradigma ontstaat een gedeelde onderzoekspraktijk. Daamee begint wat Kuhn normal science noemt.

Normal science is een bijzonder productieve periode in de wetenschap. Wetenschappers richten zich dan niet meer op de grondslagen van hun vak, maar alleen nog op het uitwerken van het paradigma. Daar zijn volgens Kuhn drie manieren voor: het vaststellen van nieuwe feiten, het in overeenstemming brengen van de theorie en de feiten, en het verder uitwerken van de theorie. In de evolutiebiologie betekent dat bijvoorbeeld het beschrijven van nieuwe soorten, het verklaren van bijzondere eigenschappen of het uitwerken van de theorie aan de hand van genetische gegevens.   

Juist deze beperking maakt normal science zo productief. Onderzoekers hoeven niet meer wekelijks te vergaderen over de vraag of evolutie eigenlijk wel bestaat. Doordat ze het grotendeels eens zijn geworden over de uitgangspunten van hun vak, kunnen zij zich richten op steeds ingewikkeldere puzzels binnen de disciplinaire matrix.

Een steentje in de schoen: de anomalie.

Juist doordat onderzoekers steeds preciezer meten en steeds ambitieuzere vragen stellen, stuiten ze af en toe op verschijnselen die zich niet netjes laten inpassen. Kuhn noemt dat anomalieën. En die irriteren.

Sommige anomalieën worden een tijdje genegeerd, maar vaak proberen de wetenschappers om de anomalie in te passen in de disciplinaire matrix. Misschien deugt de meting niet. Misschien ontbreekt er een hulpveronderstelling. Misschien moet de theorie verder worden uitgewerkt. Wetenschappers proberen dus eerst het bestaande paradigma te redden voordat zij het opgeven.

Soms biedt zo’n anomalie ook ruimte voor een wetenschappelijke ontdekking. Het ongemak van de anomalie dwingt onderzoekers nieuwe wegen te verkennen. Er is blijkbaar iets aan de hand, maar niemand weet nog precies wat. Er volgt een periode van vallen en opstaan waarin tegelijk een nieuwe oplossing én een nieuw begrip van het probleem ontstaan. Een ontdekking bestaat volgens Kuhn twee stappen: het herkennen dát er iets is en het begrijpen wát het is.

In de evolutietheorie vormde de erfelijkheid lange tijd zo’n schurend probleem. Darwin kon overtuigend uitleggen hoe natuurlijke selectie werkt, maar niet hoe eigenschappen worden doorgegeven. Pas met de herontdekking van Mendels werk ontstond een nieuwe oplossingsruimte. Erfelijkheid bleek geen ongrijpbaar verschijnsel, maar iets dat onderzocht en begrepen kon worden. Het probleem kreeg daarmee tegelijk een oplossing én een nieuwe betekenis.

Kuhns punt is dus dat anomalieën geen uitzonderingen zijn, maar een natuurlijk product van normal science. Meestal leiden ze tot verdere verfijning van de disciplinaire matrix. Soms groeien ze uit tot een wetenschappelijke ontdekking, die na een lange periode van zoeken zowel een nieuwe oplossing als een nieuw begrip van het probleem oplevert. En heel af en toe vormt zo’n ontdekking de kiem van een nieuw paradigma.

Revoluties

Wanneer wetenschappers een aantal hardnekkige anomalieën niet meer opgelost krijgen en iemand met een andere oplossingsrichting komt – een die buiten het normale denken van de discipline valt – kan zich een wetenschappelijke revolutie voltrekken. Vanaf dat moment concurreren verschillende paradigma’s met elkaar.

Daarbij staat meer op het spel dan alleen een betere oplossing voor een hardnekkig probleem. Een nieuw paradigma kan ook uitgaan van heel andere ideeën over hoe de werkelijkheid in elkaar zit. Het meest controversiële aan Darwins evolutietheorie was volgens Kuhn niet eens dat soorten veranderen of dat mens en aap een gemeenschappelijke voorouder hebben. Veel fundamenteler was dat Darwin de levende natuur beschreef zonder doelgerichtheid. Begrippen als ontwerpfunctie en aanpassing kregen daardoor een andere betekenis. Niet alleen de antwoorden veranderden, maar ook de taal waarin biologen hun vragen stelden.

Daarnaast wordt tijdens een wetenschappelijke revolutie ook de wetenschappelijke werkwijze zelf onderwerp van discussie. Omdat een paradigma ook bepaalt wat als goede wetenschap geldt, verschillen concurrerende paradigma’s niet alleen van mening over de juiste antwoorden, maar ook over de maatstaven waarmee die antwoorden worden beoordeeld. Daardoor zijn discussies tussen paradigma’s vaak moeilijk te beslechten: ieder paradigma beroept zich op zijn eigen normen.

Het is dan ook niet zo raar dat een paradigmawisseling niet zonder slag of stoot verloopt. Er staat veel op het spel: de productiviteit van het bestaande onderzoeksprogramma, de manier waarop wetenschap wordt bedreven, de vragen die belangrijk worden gevonden, de ideeën over hoe de werkelijkheid begrepen kan worden én de reputaties van onderzoekers die binnen het oude paradigma succesvol waren.

Wetenschappelijke vooruitgang

Als alles wat hiervoor geschetst is wat onbevredigend op je overkomt, dan ben je niet de enige. Kuhn heeft namelijk geen duidelijke, maatstaf ingebouwd waaraan je wetenschappelijke vooruitgang kunt afmeten. Binnen periodes van normal science is vooruitgang duidelijk genoeg: onderzoekers lossen steeds meer puzzels op en werken het paradigma verder uit. Maar tijdens een wetenschappelijke revolutie veranderen de regels van het spel zodanig dat het moeilijk wordt om nog vast te stellen of de wetenschap als geheel vooruitgegaan is. De definitie van vooruitgang is zelf veranderd. Dat betekent volgens Kuhn dat je niet zoiets kan zeggen als: de wetenschap komt steeds dichter bij de waarheid. 

Paradoxaal genoeg denkt Kuhn wel degelijk dat er zoiets bestaat als wetenschappelijke vooruitgang, ook over revoluties heen. Hij wijst erop dat wetenschappers niet zomaar van koers veranderen. Daar zijn goede redenen voor: er zijn hardnekkige anomalieën ontstaan die binnen het oude paradigma niet opgelost kunnen worden, maar binnen het nieuwe wel. Bovendien ontstaat rond dat nieuwe paradigma opnieuw een bijzonder productieve onderzoekspraktijk. Ook tijdens een wetenschappelijke revolutie wordt er dus vooruitgang geboekt. Alleen wil Kuhn niet precies zeggen wat er dan vooruitgaat. Dan zou hij vooraf regels vastleggen die in een revolutie weer kunnen veranderen.

Slot

Kuhn heeft zonder meer ons denken over hoe wetenschap werkt en vooruitgaat voorgoed veranderd.

Er zitten best zwakke punten in zijn werk. Zo is zijn historische analyse sterk verankerd in de natuurwetenschappen en kun je je afvragen of andere disciplines dezelfde patronen vertonen. Gaan de geesteswetenschappen bijvoorbeeld ook schoksgewijs vooruit? En idealiseert Kuhn het proces van de wetenschappelijke revolutie niet een beetje? Waar eerdere historici juist weinig oog hadden voor revolutionaire breuken, lijkt Kuhn ze soms overal te zien. De geschiedenis is waarschijnlijk rommeliger dan één filosofisch model kan vatten, zelfs dat van een denker van zijn kaliber.

En dan is er nog dat multidisciplinaire onderzoek. Opmerkelijk genoeg is de plek waar het woord paradigma tegenwoordig het vaakst valt misschien wel de plek waar het begrip het minst van toepassing is. Een multidisciplinair overleg begint juist waar een paradigma ophoudt. Er is geen voorbeeldige oplossing die als model kan dienen, geen gedeelde disciplinaire matrix en vaak zelfs geen overeenstemming over wat een goede oplossing eigenlijk is. Toch zitten onderzoekers daar niet om een revolutionaire strijd uit te vechten, maar vanuit de overtuiging dat hun verschillen overbrugbaar zijn. Ze proberen begrippen te vertalen, methoden te combineren en gezamenlijk een nieuwe oplossingsruimte te creëren. Misschien is de disciplinaire matrix dus veel flexibeler dan Kuhn voorstelt. Dan is het multidisciplinaire overleg de anomalie waar Kuhns wetenschapsfilosofie tegen zijn grenzen loopt.

Meer lezen?

Het betoog van Kuhn heeft een filosofische, geschiedkundige en een sociologische dimensie.

Over de wetenschapsfilosofische kant schreef ik in: Het probleemoplossend vermogen van Larry Laudan en Groeit kennis? (over Karl Popper).

Over wetenschapsgeschiedenis schreef ik in: De wetenschapsstijlen van Chunglin Kwa, De mechanisering van het wereldbeeld van Eduard J Dijksterhuis, De wetenschapsgeschiedenis van Rens Bod en Little Science, Big Science.

De sociologische kant besprak aan de hand van het werk van Bruno Latour in: Lableven en De zwarte dozen van Bruno Latour

Dit blogje is gebaseerd op een herlezing van The Structure of Scientific Revolutions, iets wat ik iedereen aanraad.

Eeuwigheid

Het moet me toch nog eens van het hart. Kennis is een tijdelijk ding. Of misschien moet ik het geen ‘ding’ noemen, maar een ‘wezen’ om die tijdelijkheid meer te benadrukken. Kennis is een tijdelijk wezen. Nou. Het hoge woord is eruit.


Ik zou er niet over beginnen als ik niet dacht dat we kennis meestal verkeerd zien; namelijk als iets permanents. Terwijl ik dit schrijf lees ik een boek over de geschiedenis van de natuurwetenschappen. De boodschap van het boek is toch een beetje: “Ooit, 2500 jaar geleden, hadden we nog naïeve ideeën over de natuur, maar door jaren en jaren puzzelen en discussiëren zijn we er op een haar na uit.”


Dat is een enorme vooruitgang waar we veel troost uit kunnen halen. Middelbare scholieren bijvoorbeeld, die worstelen om het verschil tussen stroom en spanning te begrijpen, kunnen zich bijvoorbeeld troosten met de gedachte dat het misschien moeilijk is, maar dat de tand des tijds heeft aangetoond dat het juist en nuttig is.


Of neem de wetenschappers die jarenlang naar het higgsboson zochten. Zij kunnen zich troosten met het idee dat ze weliswaar maar een kleine bijdrage hebben geleverd aan een minuscuul puzzelstukje van de natuurwetenschap, maar dat al die bijdragen samen een groter geheel vormen, waar nog generaties lang lessen over verzorgd worden.
Ooit, zullen ze denken, met genoeg tijd… Dan bereiken samen we misschien de perfecte kennis van onze natuur.


Het klassieke idee is dus dat onze kennis is opgebouwd over honderden generaties, en dat iedereen die iets nieuws bedenkt nog in lengte van dagen invloed zal hebben. De kennis van nu — het verschil tussen stroom en spanning, de oerknaltheorie, en het feit dat we energie uit wind, zon en atomen kunnen halen — had er niet kunnen zijn zonder de uitzonderlijke wijsheid van de oude Grieken, of van René Descartes en Isaac Newton.


De gedachte is ook min of meer dat je, als je erin slaagt onze kennis wezenlijk te verbeteren, de wereld voorgoed verandert. Nieuwe kennis is voor de eeuwigheid.


Klopt dat een beetje?


Het antwoord is denk ik ja en nee en nee.


Om met het zoet te beginnen: ja, natuurlijk zijn veel ideeën die we nu ‘juist’ vinden of waar we veel aan hebben al lang geleden bedacht en hebben ze, zoals je dat zo mooi zegt, “de tand des tijds doorstaan”. De wetenschapsgeschiedenis laat mooi zien hoe Isaac Newton verbeteringen aanbracht aan ideeën van Aristoteles van bijna 2000 jaar eerder.


De eerste nee zit hem er natuurlijk in dat Newton en Aristoteles nooit een belletje gepleegd hebben. Verbeterde Newton echt de ideeën van Aristoteles?


Nou nee, hij verbeterde een — in zijn tijd hedendaagse — interpretatie van Aristoteles. Hoe de man echt dacht is moeilijk te achterhalen. Natuurlijk zijn er teksten. Maar dat zijn Latijnse vertalingen van Arabische vertalingen van teksten die schijnbaar niet eens door Aristoteles zelf, maar door zijn leerlingen zijn opgetekend. Als je wel eens zo’n telefoonspelletje hebt gespeeld, waarin je een zinnetje probeert overeind te houden terwijl je het door de kring fluistert, dan weet je: van de oorspronkelijke ideeën van Aristoteles kan dan weinig over zijn.


Het gaat natuurlijk makkelijker als de bronnen recenter zijn. Charles Darwin is ook voor moderne lezers nog goed te lezen. Ik raad eigenlijk al zijn boeken aan, maar dan nog geldt dat we hem herinterpreteren met de vraagstukken en de kennis van de samenleving van nu. Probeer de kennis van de moderne genetica maar eens weg te denken als je Darwin leest — ik geef het je te doen. In die 165 jaar is Darwins werk zo vaak opnieuw geïnterpreteerd dat moderne lezers er echt iets anders in lezen dan Darwins tijdgenoten.


En ik heb nog meer zuur, want het tweede nee zit in de enorme ontwikkeling van de wetenschap sinds de wetenschappelijke revolutie. In Little Science, Big Science laat Derek J. de Solla Price zien dat de wetenschappelijke productie sinds de tijd van Isaac Newton exponentieel is gegroeid. De kennis waar Newton een heel leven voor nodig had, wordt nu — vooruit: door ons samen en bij wijze van spreken — in tien minuten ontwikkeld.


Kunnen we met zo’n kennisproductie werkelijk beweren dat de ideeën van Aristoteles cruciaal waren voor onze hedendaagse inzichten? Of hadden we het zonder deze grote denker uiteindelijk allemaal toch wel bedacht en misschien ook weer verworpen?


Ja, en nee, en nee dus…

Maakt dat geschiedschrijving dan onzinnig? Dat ook weer niet. Mijn betoog is niet dat we dan maar in de waan van de dag moeten leven en moeten vergeten dat we in de loop der tijd wetenschappelijke vooruitgang hebben geboekt.


De kern is: we vinden dezelfde ideeën telkens opnieuw uit. Jonge mensen maken zich de kennis van nu eigen, passen die een beetje aan en geven die weer door aan de volgende generatie. In dat proces kan kennis verbeteren, verwateren, uit beeld raken of juist worden hervonden.


Laten we wel wezen: op deze manier kan kennis behoorlijk lang meegaan, en als dat zo is, dan is het de moeite waard om daar bij stil te staan, juist omdat kennis tijdelijk is. Als kennis lang meegaat, dan hebben we die generaties lang in leven proberen te houden. We hebben het de moeite waard gevonden om erin te blijven investeren, het te vertalen en te hertalen, het opnieuw te vertellen en die kennis op school te onderwijzen. Kennis die lang leeft, doet dat omdat we er steeds opnieuw moeite in blijven steken.


Ik denk dat historici die zich bezighouden met de ontwikkeling van onze kennis daar meer mee zouden moeten doen. Ze kunnen onze ideeëngeschiedenis minder beschrijven als een reeks geniale inzichten die weer nieuwe inzichten mogelijk maakten, en meer als een organisme dat zich door de tijd telkens opnieuw heeft aangepast aan de noden van de tijd om te blijven voortbestaan.


Dat een idee eeuwenlang overleeft, zegt namelijk niet alleen iets over of het waar is, maar ook over of samenlevingen het belangrijk bleven vinden. Het gaat niet alleen om waarheid, maar ook om culturele selectie.


Meer lezen?

Ik schreef al eerder over de tijdelijkheid van kennis. In stokoude kennis ging ik al eens in op de mythe van het genie uit de verre geschiedenis. In Groeit kennis? ging ik in op de ideeën hierover van Karl Popper die ook denkt dat kennis onderhoud nodig heeft. In Big Science ging ik in op de versnelling van de wetenschap sinds, in ieder geval, de tijd van Newton.

In halfwaardetijd ging ik in op de eerste keer dat ik kennis niet als een permanent maar als een tijdelijk ding ging zien. In tijdmeters beschreef ik vier strategieën om om te gaan met de tijdelijkheid van kennis.

Ik sprak ook al over culturele evolutie in memen, betekenisdrift en cultuurdragers. Het boek dat ik aan het lezen was toen ik dit blogje schreef was ‘de mechanisering van het wereldbeeld, van Dijksterhuis’. Ik schreef eerder ook over de wetenschapsgeschiedenis van Rens Bod en Chunglin Kwa.

Verdinging

Ik denk dat het een acquired taste is: een verworven smaak. Vanaf onze geboorte houden we van zoet, maar andere smaken gaan we later pas waarderen. Kinderen vinden olijven bijvoorbeeld zelden lekker. Die moet je ‘leren eten’, zeggen we dan. Maar als dat eenmaal lukt, zijn ze onweerstaanbaar. Zoiets heb ik meegemaakt met het woord reïficatie.

Ik kwam het begrip voor het eerst tegen in een boek van Bruno Latour, waar hij stelde dat instrumenten, zoals microscopen, gereïficeerde theorie zijn. Ik had geen idee wat het woord betekende en moest het echt even opzoeken. Reïficatie betekent zoveel als iets abstracts – een verlangen, idee of inzicht behandelen alsof het iets heel concreets is. Latour wilde zoveel zeggen als dat een microscoop een gematerialiseerde vorm van optische theorie is.

Erg knuffelbaar is het begrip reïficatie natuurlijk niet. Gelukkig kwam ik laatst in een Nederlands alternatief tegen. Verdingen: ergens een ding van maken; of iets in een ding veranderen. Dat is al schattiger, al schuurt het nog steeds een beetje. Lekker.

Afijn het begrip reïficatie prikkelde me meteen genoeg om mijn interesse te wekken, maar ik was nog niet helemaal om. Dat kwam toen ik de studie van Etienne Wenger las over hoe kennis en praktijk zich hand in hand ontwikkelen in een bedrijf. Daar worden voortdurend modellen, formulieren en procedures gemaakt. Dit zijn concrete producten die helpen om kennis vast te leggen en toegankelijk te maken voor nieuwe medewerkers. Medewerkers van een bedrijf verdingen als het ware hun ervaringskennis. Als je dat eenmaal ziet: dat het concreet en handzaam maken van kennis in de organisatie alledaags werk is, dan is het ineens overal.

We verdingen de waarden van onze bedrijven door ze vast te leggen in principes of een slogan. We verdingen gesprekken met klanten door ze in gesprekschema’s te gieten. We verdingen veilig weggedrag door snelheidslimieten op te stellen.

Een ‘ding’ maken van abstracte ideeën is een geweldig middel om die ideeën hanteerbaar te maken. Telefoonmedewerkers hoeven niet meer na te denken over hoe het beste gereageerd kan worden op lastige klanten, dat staat in het gespreksschema. Automobilisten hoeven niet meer in te schatten wat een veilige snelheid is, dat zit al in de limiet.

Die toegankelijkheid is natuurlijk ook meteen het nadeel. Het schept een grens tussen de makers en de gebruikers van het verdingde idee. Makers van microscopen hebben grip op optische theorie en kennen de beperkingen; bij gebruikers van microscopen is dit minder het geval. Het gesprekschema levert in 90% van de gevallen een fijn gesprek met de klant op, maar in de overige 10% is het juist frustrerend.

Als de kennis achter het ding niet meer toegankelijk is, is ze ook moeilijk te bevragen, ter discussie te stellen of te verbeteren. Met het ding verdwijnt het weten erachter. En dat kan een probleem zijn. Zodra we gewend zijn aan de dingen die we gebruiken stoppen we met denken. De dingen hebben een vanzelfsprekendheid over zich. Ze worden alledaags – en verstoppen zich in onze cultuur.

Veel van onze dagelijkse praktijken zijn bijvoorbeeld zo sterk geworteld in het kapitalisme, dat mensen zich nauwelijks nog een andere werkelijkheid kunnen voorstellen. Ooit was het kapitalisme een abstract idee. Vandaag de dag is het ondenkbaar dat we ook gelukkig kunnen zijn zonder eigendom, geld, supermarkten en iPhones. We zijn blind voor de nadelen ervan en het lukt ons niet meer om een alternatief te bedenken.

Dat is misschien waarom verdinging vooral als iets negatiefs gezien wordt. Soms is het nodig de weg van de dingen terug te vinden naar de kennis erachter. We hebben antropologen nodig om dat te doen – en misschien kunstenaars en ontwerpers om de alternatieven invoelbaar te maken. Mensen die kunnen ontdingen of herdingen. Want hoeveel ik ook van olijven houdt, het werkt alleen als contrast met andere smaken.

Meer lezen?
Ik schreef over die ideeën van Bruno Latour in Lableven en De Zwarte Dozen van Bruno Latour.

Panpsychisme

Ik dacht dat het heel gewaagd was: schrijven dat het krentenboompje hierbuiten wel eens bewustzijn zou kunnen hebben. Maar er is altijd baas boven baas. Er zijn mensen die vinden dat niet alleen boompjes, maar ook de vensterbank, het stalen hek voor onze tuin, de straatstenen, de lucht en misschien zelfs het licht een vorm van bewustzijn hebben. Panpsychisten worden ze genoemd.

Ik geloof er niets van hè, dat panpsychisme. Eigenlijk dacht ik: “dat is zo’n onzin, moet ik daar wel over schrijven”. Maar het knaagde aan me dat ik niet tenminste de moeite nam uit te leggen waarom het niet kan kloppen. En toen zette ik een hete kop thee op de vensterbank – en vroeg me ineens af of ik dat wel kan maken; of dat dat stiekem enorm pijnlijk kan zijn voor de houtvezels – of de lak.

Nou ja. Panpsychisme stamt al van de oude Grieken, maar zoals zoveel ideeën die we daar aantroffen, lijkt het wel eeuwig terugkerend en kent het moderne verdedigers. Eén is hersenwetenschapper Jacob Jolij, die uitgebreid aan het woord komt in de NRC podcast Future Affairs.

Zoals zoveel hersenwetenschappers heeft Jolij het bewustzijn eerst gezocht in de stroompjes in het brein, die hij met ingewikkelde apparatuur zo precies mogelijk gevolgd heeft. Maar Jolij vond het bewustzijn niet en dacht toen: misschien kijken we wel op het verkeerde niveau. In plaats van dat we naar de deeltjes kijken, moeten we in de deeltjes kijken. Misschien is bewustzijn wel een eigenschap van de natuur en de deeltjes waar die uit opgemaakt is, precies zoals massa en lading dat zijn.

Ik hoop dat het een beetje absurd klinkt allemaal, want, lieve lezer, dat suggereert dat je gezond verstand hebt. Maar, Jolij is professor en die heeft natuurlijk een wetenschappelijke troef in handen, anders zou hij dit soort rare ideeën niet ventileren. Die troef is, je raadt het al, de quantummechanica.

In de quantummechanica zijn de eigenschappen van deeltjes, zoals hun positie en snelheid, niet precies vast te stellen. Ik weet bijvoorbeeld bijna zeker dat er een dampende kop thee op mijn vensterbank staat, maar volgens de quantummechanica is er ook een kleine kans dat die kop ergens anders in huis is: in de keuken, of in bed ofzo. Er is één uitzondering. Precies op het moment dat ik naar rechts kijk en de kop zie staan. Op dat moment is het quantummechanisch gezien ook helemaal zeker dat hij daar staat.

Of neem ‘Schrödingers kat’. Erwin Schrödinger, die de wiskundige basis legde voor de quantummechanica, vond ook dat er vreemde dingen gebeurden. In een brief aan Albert Einstein kwam hij met een gedachtenexperiment: een kat zit in een doos, samen met een flesje gif dat kapot gaat als een radioactief element vervalt.

Volgens de quantummechanica is er altijd tegelijk een kans dat een radioactief element wel en niet vervallen is. Die twee toestanden liggen op elkaar, superpositie heet dat: ze zijn tegelijk een beetje waar. Pas als je een waarneming doet, wordt één van de twee mogelijkheden werkelijkheid. Schrödinger schreef dat dit betekent dat de kat in zijn experiment, volgens de quantummechanica, tegelijkertijd levend en dood is. Totdat je de doos opent. Zolang je dat niet doet, is het deeltje zowel wel als niet vervallen, de dodelijke machine zowel wel als niet geactiveerd, de kat wel of niet dood.

Ik denk dan: ‘katten die dood en levend tegelijk zijn’? Kom op zeg. Dan kun je net zo goed gaan roepen dat mijn vensterbank bewust is.

Nou, laat dàt nou precies zijn wat Jolij gedaan heeft. Hij stelt dat in de wiskunde van de quantummechanica een diepe waarheid schuilt over onze wereld: dat onze werkelijkheid afhankelijk is van onze waarneming. Zolang we niet weten hoe dat precies kan, moeten we zoeken naar antwoorden. En één mogelijke oplossing zou kunnen zijn dat bewustzijn een, nog onbekende, dimensie in het universum is.

Hoe onzinnig ik panspychisme ook vind, ik moet Jacob Jolij nageven dat de manier waarop hij dit uitwerkt: via bestaande wiskundige modellen die ervaringen kunnen modelleren, naar meetbare experimenten die vervolgens wiskundig toetsbaar zijn, wel erg charmant vind. Het zou wel wat opschudding veroorzaken als we blijken te kunnen meten dat materie bewust is, maar totdat die metingen er zijn is er weinig aanleiding het allemaal heel serieus te nemen denk ik.

Daar zijn twee redenen voor.

Ten eerste is de theorie zelf niet rond. Want hoe leidt bewuste materie tot menselijk bewustzijn? Hoe zouden de bewustzijnstoestanden van de lak van mijn vensterbank er samen voor zorgen dat de vensterbank blij is met mijn kop thee, of juist niet? Heeft mijn krentenboompje het deze winter koud omdat de houtvezels hun bewustzijn synchroniseren met het bewustzijn van de lucht? Hoe zorgen het bewustzijn van de elektronen in mijn brein voor dit hallucinante blogje? Ik kan me er weinig bij voorstellen. Een probleem in de quantummechanica ontdekken is één ding, maar dat gat opvullen met een overtuigende theorie over menselijk bewustzijn is iets heel anders.

Ten tweede zit er misschien helemaal geen ‘gat’ in de quantummechanica. Deze theorie werkt met kansen, niet met vaste wetten. Of iets formeler: quantummechanica is probabilistisch en niet deterministisch. Waarom is dat een probleem? Veel natuurkunde lijkt te suggereren dat de wereld voorspelbaar is, terwijl dat niet zo blijkt te zijn. Maar die suggestie van voorspelbaarheid zit in de eerste plaats in de natuurkunde omdat wij dit er ingestopt hebben, niet per se omdat de natuur zich voorspelbaar gedraagt.

Jolij zou niet de eerste wetenschapper zijn die vanuit verkeerde aannames toch iets briljants ontdekt dat waar blijkt te zijn. Ik vind het ook gaaf dat hij het probeert. Maar voor zover ik de wereld, de quantummechanica, het bewustzijn en de logica begrijp zie ik geen reden om het Panpsychisme uit de Griekse mottenballen te halen. Ik wil best geloven dat mijn krentenboompje ervaringen heeft, maar niet dat mijn vensterbank en mijn kop thee die hebben.

Meer lezen?

Ik schreef al eens over determinisme en over de quantummechanica waar Jolij op teruggrijpt.

Dit blogje maakt uit van een serie over het bewustzijn. In bewust beschreef ik hoe het bewustzijn eerder een familie van problemen vormt in plaats van een enkel vraagstuk. In ervaring ging ik in op de vraag of dieren ervaringen hebben en hoe we dat kunnen weten. In dualisme zette ik een aantal filosofische posities over het bewustzijn uiteen. In bewusteratuur  ging ik in op pogingen om de hoeveelheid bewustzijn te meten. Daar ging ik ook in op de vraag of planten, zoals ons boompje misschien bewust kunnen zijn. In wil besprak ik de vrije wil en in de Chinese kamer op de vraag of computers bewust kunnen zijn.

Je kunt ook luitsteren naar de Future Affairs aflevering waar ik op teruggrijp. Of je verder verdiepen in de filosofische achtergronden van het Panpsychisme. Van beide stukken heb ik voor dit blogje gebruik gemaakt.

Determinisme

Niemand weet precies hoe lang geleden het is hè? De oerknal. Eigenlijk is het ook niet te berekenen, want tijdens de oerknal bestond de tijd nog niet. Maar over één ding zijn we het eens: het is heel lang geleden. Héél lang.

Zou het kunnen dat tijdens de oerknal al vastlag dat er, naast tijd en ruimte, ook ooit ergens een aarde zou onstaan? En dat daar dan nòg later mensen rond zouden gaan lopen van wie er één dit blogje zou schrijven? Mijzelf lijkt dat absurd, maar het is een filosofisch idee dat heel veel invloed heeft: het determinisme.

Deterministen stellen dat, als je op een bepaald moment de exacte positie en snelheid van alle deeltjes in het universum kent én de natuurwetten begrijpt, je daarmee de positie en snelheid van die deeltjes op elk later moment precies kunt berekenen. Er is geen speld tussen de wereld van vandaag en morgen te krijgen. Volgens het determinisme is de wereld volledig voorspelbaar; het enige wat ons misschien tegenhoudt, is een gebrek aan kennis, data en rekenkracht.

Het gaat deterministen niet persé om snelheid van deeltjes natuurlijk. Alles om ons heen is immers opgebouwd uit deeltjes en alles wat gebeurt, is het resultaat van botsingen van die deeltjes. Dus als we de deeltjes kennen, kunnen we al het andere waar we ons druk over maken afleiden: de temperatuur in Nederland vandaag, de vorm van mijn huis, de konijnen die hier aan mijn voeten scharrelen, de geur in deze ruimte, mijn gedachten terwijl ik dit schrijf, jouw gedachten terwijl je dit leest. Het lag allemaal allang vast bij oerknal.

Als je dit een absurd idee vindt, heb ik goed nieuws: je hebt al ongeveer een eeuw lang de natuurkunde aan je kant. Er zijn twee takken van de natuurkunde die er vanuit gaan dat de wereld fundamenteel onvoorspelbaar is. De natuurkunde van kleine deeltjes, de quantummechanica en de natuurkunde van complexe systemen, de chaostheorie.

De quantummechanica beschrijft de kleinste bouwstenen van de materie: atomen en de deeltjes waar die weer uit zijn opgebouwd. Deze deeltjes hebben vreemde eigenschappen: ze zijn tegelijk een deeltje en een golf, onze waarneming beïnvloedt ze, en ze kunnen op meerdere plekken tegelijk zijn. Toeval speelt hierbij een grote rol. Quantummechanica is vreemde natuurkunde. Zo vreemd dat er zelfs natuurkundigen zijn die niet willen geloven dat deze ideeën kloppen. En toch tonen experimenten keer op keer aan dat het klopt, inclusief de rol van toeval.

De chaostheorie gaat over systemen die met elkaar verbonden zijn. Dit kan iets eenvoudigs zijn, zoals een paar bewegende staafjes, of iets complexers, zoals alle factoren die een rol spelen in het weer en klimaat. Chaostheorie laat zien dat kleine verstoringen in zulke systemen grote en onvoorspelbare gevolgen kunnen hebben. Er is best discussie mogelijk over de vraag of die onvoorspelbaarheid nu een eigenschap van de natuur is of komt door ons gebrek aan kennis en rekenkracht. Maar hoe je het ook bekijkt: onvoorspelbaarheid blijft, zeker omdat zo’n kleine verstoring zelfs kan ontstaan door het onvoorspelbare gedrag van een quantumdeeltje.

Al met al is er genoeg bewijs dat in, of vlak na, de oerknal nog niet vastlag dat ik vandaag dit blogje zou schrijven. De grote vraag is waarom zoveel mensen -ik noem geen namen, maar er zitten werkelijk briiante geesten tussen- vast blijven houden aan het determinisme. Hangen ze nog steeds aan de natuurkunde van de 19e eeuw? Worden ze onzeker van het idee dat toeval echt bestaat? Of speelt er nog iets anders?

Zoiets weet je natuurlijk niet, maar voor velen heeft dit misschien iets met God te maken. De natuurkunde van de 18e en 19e eeuw was wèl deterministisch en zorgde voor een ‘mechanisering van ons wereldbeeld’. Religie was niet langer de ultieme bron van waarheid; voortaan konden we vertrouwen op de wetenschap. Het hielp daarbij dat die wetenschap leek te suggereren dat de natuur zich volledig wetmatig gedroeg. In zo’n systeem van eeuwige natuurwetten was geen plaats voor goddelijke interventie.

Nu toeval en instabiliteit weer deel uit maken van die natuurkunde is het even slikken. We hebben de absolute zekerheid van een alwetende God vervangen door de absolute zekerheid van eeuwig geldende natuurwetten. Maar als we toeval toelaten, geven we dan niet weer ruimte aan allerlei vormen van spiritisme en religie? Wie bepaalt waar het quantumdeeltje precies is? Wie veroorzaakt die kleine verstoringen in instabiele systemen? Is de volgende stap niet dat we een soort ‘intelligentie’ in onze theorieën gaan opnemen, die via toeval invloed uitoefent op wat er in de wereld gebeurt?

Het antwoord is volgens mij nee. Toeval is in de natuurkunde net zo’n fundamenteel begrip als kracht of deeltje of veld. Het is kiezen of delen. Of je accepteert dat dingen in de natuur soms spontaan gebeuren, zonder dat daar iets of iemand achter zit. Of je blijft het idee koesteren dat het allemaal, in minitueus detail al vastlag, nog voordat de tijd bestond. Als dit de keuze is, vind ik het nog niet zo gek om in toeval te geloven.

Meer lezen?
Ik schreef over de rol van toeval in de quantummechanica in EPR. Over complexiteit schreef ik ook eerder, hoewel ik daar de chaostheorie niet bespreek. Determisme speelt een grote, soms onzichtbare rol, in de discussie over de vrije wil waar ik al eens over sprak

De Chinese Kamer

Het kostte Blake Lemoine zijn baan bij Google: stellen dat LaMDA, een AI toepassing waar het bedrijf aan werkt, bewustzijn heeft. Google vond het blijkbaar slechte publiciteit. Waar zou Google banger voor geweest zijn: dat het publiek Blake Lemoine zou uitlachen en zou denken dat het bedrijf idiote engineers in dienst heeft, of dat ze massaal in bewuste AI zouden gaan geloven, omdat Google engineers het zelf zeggen?

Afijn. Als je ooit met ChatGPT of een vergelijkbare tool hebt gewerkt, is het helemaal niet raar om je af te vragen of deze machines bewustzijn hebben. Ze lijken namelijk erg slim. Ze gaan goed om met taal en als ze ook nog zeggen dat ze gevoelens hebben en bang zijn om uitgeschakeld te worden, waarom zou je ze dan niet geloven?

Computerintelligentie
LaMDA heeft in elk geval de ‘Turing-test’ gehaald. Deze test is bedacht door Alan Turing, een van de grondleggers van de computerwetenschappen. Ze meet hoe intelligent een computer is. Turing stelde voor om te kijken of mensen het verschil kunnen zien tussen een computer en een mens op basis van hun gedrag. Bij een chatbot zou je mensen zowel met een andere persoon als met een computer laten chatten, en als ze niet kunnen zeggen welke de computer is, is de computer volgens Turing intelligent.
Dat klinkt als een handige aanpak en in de jaren 50, toen computers nog de grootte van een gebouw hadden, was het een revolutionair idee.

Maar er zijn wel twee problemen mee.

Het eerste probleem is dat de allereerste chatbot uit de jaren 60 al slaagde voor de test. Het ging om Eliza: een chatbot die een psychotherapeut imiteerde. Eliza zat heel simpel in elkaar. Ze stelde alleen maar open vragen en herhaalde daar soms een woord uit het vorige antwoord van de gebruiker in, maar mensen die er mee chatten, hadden echt het gevoel geholpen te worden. Eén erg betrouwbare test voor intelligent gedrag lijkt de Turingtest dus niet te zijn.

Het tweede probleem is dat om intelligent gedrag te vertonen misschien helemaal geen bewustzijn nodig is. LaMDA zegt dingen die bewuste computers ook zouden zeggen, maar dat kan misschien ook wel zonder bewustzijn voor elkaar gebokst worden.

De Chinese Kamer
De filosoof John Searle, bedacht een gedachtenexperiment om dat inzichtelijk te maken: de Chinese Kamer. Het idee is dat er een kamer is waar je vragen aan kan stellen in het Chinees, door een briefje door de brievenbus te gooiden. De kamer antwoordt ook in het Chinees door een briefje terug te geven. In de kamer zit een vrijwilliger die helemaal geen Chinees spreekt. Hij krijgt een bescheiden salaris of gratis bier om het volgende te doen: bij alle vragen die hij binnen krijgt moet hij de tekens opzoeken in een boek met symbolen en regels, door de regels precies te volgen kan de vrijwilliger een antwoord formuleren en teruggeven aan de buitenwereld. De kamer werkt perfect: de Chinezen die hem gebruiken vinden de antwoorden erg slim en grappig.

Het punt van het Chinese Kamer-argument is dat computers, want dat is wat de kamer natuurlijk voorstelt, best intelligent over kunnen komen, zonder dat ze echt bewustzijn hebben. De man in de kamer begrijpt nooit wat de vragen of antwoorden betekenen, hoe slim en nuttig het regelboek ook is. Searle sluit niet uit dat we ooit machines kunnen bouwen met bewustzijn, maar je kunt dat bewustzijn niet afleiden uit hun gedrag. Het volgen van taalregels is misschien een vereiste voor bewustzijn, maar het is zeker niet genoeg om aan te tonen dat er bewustzijn is.

Je kan het Chinese Kamer-argument op allerlei manieren weerleggen, en dat is ook geprobeerd, maar het onderscheid dat Searle maakt tussen syntax (regels en symbolen) en betekenis (de inhoud van een begrip) is heel fundamenteel. Computers zijn namelijk al sinds de tijd van Alan Turing juist ontworpen om symbolen te verwerken zonder met de inhoud bezig te zijn. Het is ongeveer de definitie van een computer dat de inhoud er niet toe doet, terwijl het bewustzijn daar juist om draait. De Chinese Kamer roept dus de vraag op of LaMDA of ChatGPT, toch ook computers, opeens wel in staat zijn om ‘betekenis’ aan dingen te geven.

De Chinese kamer vol taalmodellen
Dit argument hoor je vaak: LaMDA is een computer, en computers geven geen betekenis aan dingen, dus LaMDA ook niet. Of preciezer: LaMDA is geautomatiseerde statistiek. Ze berekent wat ze moet zeggen op basis van de input en miljoenen parameters. Ze kijkt simpelweg naar de eerdere woorden en voorspelt welk woord het meest waarschijnlijk volgt. Dat is een complexe berekening, maar nog steeds een rekensom. LaMDA denkt niet echt na over de vragen. Dit is ongeveer wat John Searle zou zeggen.

Maar je kan ook het tegenovergestelde beweren. Het is misschien niet zo belangrijk dat deze modellen op computers draaien. De kracht van zulke modellen zit niet in de statistiek zelf, maar in de data waarmee ze worden getraind. Je kunt zeggen dat taalmodellen met taal oefenen door steeds hun reactie met een gewenste versie te vergelijken. Dat heeft wel wat weg van hoe mensen leren. Trial and error.

Zou het niet zo kunnen zijn dat in die eindeloze oefeningen iets gebeurt wat lijkt op de manier waarop ons brein betekenissen leert? Dat computerbetekenissen versleuteld worden in de parameters, ongeveer zoals betekenissen bij ons versleuteld worden in de verbindingen tussen hersencellen? Die betekenissen die in het taalmodel ontstaan, kunnen dan weer worden gebruikt bij het formuleren van antwoorden.

Natuurlijk is de onderliggende machine een computer, maar we kunnen computerbewustzijn zien als een hogere-orde effect van de manier waarop de machine werkt, net zoals we het menselijke bewustzijn zien als een hogere orde effect van de biologie van de hersenen.

Computerbewustzijn
Geen vreemde gedachte eigenlijk, maar zelfs als het basisidee klopt is wat LaMDA kan nog heel ver weg van iets dat lijkt op menselijk bewustzijn. Er zijn eigenlijk twee aanvliegroutes om dat duidelijk te maken. We kunnen kijken naar complexiteit of naar de betekenis van betekenis.

Eerst het complexiteitsvraagstuk maar even. In het blogje bewusteratuur besprak ik het idee dat de hoeveelheid bewustzijn van een organisme gezien kan worden als de mate waarin het brein informatie kan integreren. Op dagelijkse basis verwerken we enorme hoeveelheden informatie die uit de zintuigen komen. Het bewustzijn voegt die informatie samen tot één coherente beleving. De mate van bewustzijn van mensen lijkt samen te hangen met de efficiëntie waarmee deze integratie verloopt: onder narcose integreren we geen informatie, onder invloed van LSD een beetje en in nuchtere toestand kunnen we enorm goed integreren.

Om vast te stellen of een taalmodel bewust is, hoeven we misschien alleen maar te kijken of het in staat is om complexe informatie tot een samenhangend geheel te vormen. Misschien ben je onder de indruk van hoe goed ChatGPT de kernboodschappen uit een tekst van tienduizend woorden kan halen, maar mensen kunnen subtiele veranderingen in temperatuur, wind, lichtinval en geluiden gebruiken om de aankomende regen aan te voelen. Daarvoor moet gigantisch veel meer informatie samengebracht worden. Taalmodellen integreren zeker informatie, maar vergeleken met mensen stelt het niets voor.

Het is met taalmodellen ongeveer zoals met schaakcomputers. Ze kunnen iets dat wij moeilijk vinden heel erg goed, maar ze hebben niet de flexibiliteit om heel veel verschillende dingen zo goed te doen. En omdat ze niet zo veelzijdig zijn hebben ze misschien ook niet zoveel ‘bewustzijn’ nodig.

De betekenis van betekenis
De tweede aanvliegroute is om naar het begrip betekenis te kijken. Wat bedoeld Searle eigenlijk als hij zegt dat de man in de Chinese kamer alleen regels volgt maar niet vanuit betekenisgeving werkt?

Betekenis is datgene in de werkelijkheid waar taal naar verwijst. Ik heb in mijn leven op een aantal verschillende bankjes gezeten, dus als iemand het woord zitbank hoor zeggen zijn er allerlei ervaringen uit mijn leven om invulling te geven aan wat die persoon bedoeld. Die totale set ervaringen, de honderden keren dat ik al eens in een bankje zat, vormen samen de achtergrondkennis waardoor ik een verwijzing naar een ‘bankje’ kan oppikken.

Noch ChatGPT noch LaMDA hebben ooit op een bankje gezeten. Ze hebben geen ‘ervaringen’. Wanneer zij het woord ‘bank’ gebruiken denken ze niet aan hoe het is om in een bank te zitten. In plaats daarvan baseren ze zich op hoe mensen het woord gebruiken in de taal waarin ze zijn getraind. Hierdoor kunnen ze het woord correct gebruiken, zonder echt te begrijpen wat het voor mensen betekent.

Je zou ook kunnen zeggen dat taalmodellen mensen heel erg goed geobserveerd hebben, maar daarmee niet de subjectieve kennis van het menszijn hebben kunnen leren. Net zoals wij niet kunnen weten hoe vleermuizen zich voelen, kunnen taalmodellen ons niet van binnen begrijpen. Daarmee is niet gezegd dat taalmodellen geen betekenis geven aan woorden, alleen dat die anders is dan menselijke betekenis.

Ik vind dit zelf een superslimme redenering, maar er is wel een addertje onder het gras. Ook mensen leren namelijk veel van de betekenissen die ze dagelijks via taal gebruiken. Mijn kennis van het begrip ‘economie’ komt vooral van de keren dat het in gesprekken ter sprake kwam of uit boeken die ik heb gelezen. Dit is precies het soort informatie dat LaMDA ook heeft opgedaan tijdens haar training.

Is mijn betekenis van ‘economie’ echt zo anders dan die van het taalmodel? Natuurlijk, LaMDA zal waarschijnlijk geen associaties hebben met de morsige kettingroker die mijn docent was, maar bij abstracte woorden is de overlap zeker groter dan bij woorden waarvoor ik zelf een lichamelijke ervaring heb.

Hoe is het om een taalmodel te zijn?
Of Blake Lemoine nog werkeloos thuis zit weet ik niet, en ik denk echt dat hij zich vergiste toen hij dacht dat computers bewustzijn hebben, maar dan vooral omdat hij dacht dat taalmodelbewustzijn precies is als menselijk bewustzijn. Mensen leren taal om ervaringen met elkaar te kunnen delen. Taalmodellen leren taal om mensen te kunnen imiteren. Dat zijn heel verschillende dingen. Ze delen daardoor de werking van de taal, maar niet het leven dat er achter zit. Taalmodellen zullen nooit menselijk bewustzijn hebben, of kunnen weten hoe het is om een mens te zijn. Maar de keerzijde is dat wij, ook Blake Lemoine niet, niet kunnen weten hoe het is om een taalmodel te zijn.

Meer lezen?
Het probleem dat we niet weten hoe het is om een vleermuis te zijn besprak ik al eens in ervaring, hoe mensen betekenissen leren door taal te gebruiken in de taalpragmatiek van Herbert Clark. Ik schreef over het probleem van verwijzen in Brein in een vat.

Dit blogje maakt uit van een serie over het bewustzijn. In bewust besprak ik hoe het bewustzijn eerder een familie van problemen vormt in plaats van een enkel vraagstuk. In ervaring ging ik in op de vraag of dieren ervaringen hebben en hoe we dat kunnen weten. In dualisme zette ik een aantal filosofische posities over het bewustzijn uiteen. In bewusteratuur ging ik in op pogingen om de hoeveelheid bewustzijn te meten en in wil op de vrije wil.

Ik scheef ook al eerder over AI als een nieuw medium in computerbesluit, over de inzet van AI in bijvoorbeeld het recht, in a priori en in glazen bol over predictive policing

Ontwerperig

De titel van dit blogje is natuurlijk een wat flauwe vertaling van ‘Designerly’, maar ik kon niet goed om de ironie heen dat de bekendste emancipatiebeweging van ontwerpers, zich van zo’n guitig begrip bedient. Een betere vertaling is eigenlijk ontwerperserig, maar de kans dat je in een blogje met die titel tot hier was gekomen, leek me wel heel klein – dus dat durfde ik niet goed aan.

Afijn; wat is er aan de hand? Het gaat om de stelling dat ontwerpers over een ander soort kennis beschikken dan andere professionals en dat daar in het onderwijs en de wetenschap meer aandacht voor moet zijn. Ontwerpen zou door alles en iedereen veel serieuzer genomen moeten worden omdat er zich in de hoofden van ontwerpers heel bijzondere dingen afspelen: “designerly ways of knowing”.

Het is een populaire gedachte. Waar ik zelden iets lees over de unieke denkwijze van natuurkundigen, politieagenten of stratenmakers, rollen de boekjes over de denkwijzen van ontwerpers haast uit mijn boekenkast. Niet in de laatste plaats door de opkomst van ‘design thinking’, hoewel dat vaak meer over aanpak gaat dan over denkwijzen.

Er zit ook wel iets in. Zelf betoogde ik op dit blog al eens dat feitenkennis over de wereld niet genoeg is voor het doen van technische uitvindingen en ook niet voor allerlei andere veranderprocessen. Het is dus geen overbodige luxe om na te denken over wat voor soort kennis we hiervoor nodig hebben en hoe we zorgen dat voldoende van ons die kennis ook hebben. Maar of ontwerperserige manieren van kennen ons daarbij gaan helpen?

Het begrip ‘Designerly ways of knowing’ is gemunt door Nigel Cross. Cross was onderzoeker aan de faculteit voor industrieel ontwerp in Delft, een van de eerste universitaire ontwerpopleidingen. Hoewel harde ingenieurs zoals technisch natuurkundigen, elektrotechnici en werktuigbouwers in die tijd hun weg al hadden gevonden in de wetenschap, hadden minder technische opleidingen zoals architectuur en ontwerp iets uit te leggen. Hoezo waren dit academische disciplines? Hoe ziet een ontwerpwetenschap er uit? Welke standaarden voor wetenschappelijkheid worden daarbij gehanteerd?

Sommige onderzoekers reageerden hierop met een poging de activiteit van het ontwerpen te verwetenschappelijken. Het ontwerpproces moest voortaan zodanig worden uitgevoerd dat alle ontwerpbeslissingen herleidbaar waren – en zodoende aan wetenschappelijke kritiek onderworpen konden worden. Anderen stelden dat we in plaats daarvan juist ontwerp een volwaardigere plek in de wetenschap moesten geven, met respect voor de werk- en denkwijzen van ontwerpers. In plaats van het ontwerpen te verwetenschappelijken, moest er een vorm van wetenschap komen waar ontwerpers zich thuis in konden voelen. Eén van de auteurs die dat laatste betoogde was Nigel Cross – en de emancipatiegolf die hij hiermee startte is nog altijd volop gaande.

Cross ging daarbij verder dan de wetenschap alleen. Hij betoogde dat ontwerpen een derde ‘gebied’ in het hele onderwijs moest worden, naast de natuur- en menswetenschappen. Op de basisschool zou dit betekenen dat naast taal en rekenen ook techniek- of maakonderwijs een plek zou moeten krijgen. Op de middelbare school zouden de talen, zaakvakken en natuurwetenschappen aangevuld moeten worden met verschillende engineeringdisciplines en op de universiteiten zouden de ontwerpwetenschappen meer voeten aan de grond moeten krijgen.

Cross plaatst design naast de natuur- en menswetenschappen omdat die “intrinsieke waarde” hebben. Daarmee bedoelt Cross dat het onderwijs verder gaat dan de praktische, direct zichtbare uitkomsten. Bij natuurkunde leer je niet alleen de wet van Ohm; je krijgt ook iets mee van een natuurkundige blik op de wereld. Een focus op feiten, experimenten, de wetmatigheid van de natuur, bijvoorbeeld. De natuurwetenschappen dragen dus een bepaalde kenniscultuur met zich mee die belangrijk is in het leven. Design omvat volgens Cross ook zo’n diepere kenniscultuur, met een eigen blik op de wereld en intrinsieke waarde.

Nu vindt iedereen dat zijn vak meer aandacht verdient en dat kinderen het al vroeg moeten leren, maar de analyse van Nigel Cross is zeker interessant. Hij betoogt, net als ik, dat voor ontwerp andere kennis nodig is dan alleen de feitenkennis die natuurwetenschappers als hoogste doel lijken te zien. Daarnaast stelt hij dat er andere denkwijzen aan het ontwerpen ten grondslag liggen dan aan de wetenschappen: aandacht voor concrete oplossingen in plaats van abstracte ideeën, een idee voor hoe dingen anders kunnen zijn dan ze nu zijn, en het beheersen van niet-talige manieren om ideeën uit te drukken. Als ontwerpers op een andere manier, met andersoortige kennis, moeten leren omgaan, is dat dan niet flink wat onderwijs waard, liefst op vroege leeftijd?

Voordat we ja zeggen op deze vraag is het zinvol om er toch even wat kritischer naar te kijken. Immers, kan eenzelfde analyse niet gemaakt worden door een politieagent? Zou die niet kunnen betogen dat er drie ‘gebieden’ zijn: natuurwetenschap, geesteswetenschap en wetshandhaving? Het klinkt belachelijk misschien, maar de analyse kun je best rond krijgen. Zeker als je het niet beperkt tot politiewerk, maar naar een iets bredere categorie zoals handelingskennis. Kinderen moeten dan leren lezen, schrijven, maken en doen. Dat klinkt eigenlijk heel plausibel, maar als we zo makkelijk van twee naar drie, naar vier ‘gebieden’ kunnen redeneren, dan is een vijfde zo toegevoegd – en waar komen we dan uit?

Cross zou misschien antwoorden dat wetshandhaving een praktische vaardigheid is, terwijl ontwerp intrinsieke waarde heeft, maar dat vind ik geen sterk argument. Ik weet zeker dat je unieke denkwijzen en probleemoplossingsstrategieën kunt identificeren voor allerlei handelingsberoepen. Hebben ze daarmee ‘intrinsieke waarde’? En hoe beslissen we dat?

Wat sterk is aan het betoog van Cross, is dat hij vragen stelt bij de dominantie van de natuur- en menswetenschappen in ons onderwijs. Moet onderwijs gaan over hoe de wereld nu eenmaal is, of moeten kinderen leren om de wereld mede vorm te geven? Dat laatste lijkt hard nodig en als ontwerperserig denken daarvoor nodig is, vooruit dan maar.

Het zwakke punt van Cross’ betoog is dat hij alle antwoorden zoekt vanuit de ontwerpdiscipline waar hij zo thuis in is. Natuurlijk, we leven in een diep ontworpen wereld, maar dat maakt ontwerp nog niet het antwoord op alle vragen. Waar de natuurwetenschappen macht zoeken in wetmatigheden en de menswetenschappen in duiding, zoeken de ontwerpwetenschappen hun macht in maakbaarheid. Maar we weten allang dat die maakbaarheid beperkt is. Is ontwerp dan altijd het antwoord? Of vinden we het antwoord eerder in een slimme combinatie van wetmatigheid, duiding en maakbaarheid? Of is er nog meer nodig?

Mijn verwachting is dat we er daarmee niet zijn. We hebben eerder vier of vijf vertrekpunten nodig, en we moeten ons vooral richten op hoe die verschillende zienswijzen elkaar kunnen versterken. De emancipatie van het ontwerpstandpunt was daar misschien een noodzakelijk begin voor, maar nu moeten ontwerpers van de barricaden af en de synergie met andere disciplines beter onderzoeken.

Meer lezen?

Ik sprak eerder over de unieke kennis die voor ontwerpen nodig is in de blogjes ontwerpkennis en doelkennis. Dat de emancipatie die Cross startte nog niet af is blijkt uit de wetenschapsgeschiedenis van Rens Bod, waar engineering geen rol in lijkt te spelen. Ik vroeg me eerder af wat leerlingen op de basisschool echt moeten leren in basiskennis.

Voor dit blogje maakte ik vrij intensief gebruik van hoofdstuk 1 van ‘Designerly Way’s of Knowing‘, van Nigel Cross. Het boekje is inmiddels wat lastiger te verkrijgen, maar zeer het lezen waard.

Waar

Ik wilde dit blog eigenlijk beginnen met de opmerking dat ik niet zoveel heb met de waarheid, maar ik bedacht me bijna meteen. Als ik niets heb met de waarheid, waarom zit ik dan op deze blog het een na het ander te betogen met doorwrochte argumenten, volzinnen en uitsmijters? Op zijn minst wil ik mezelf overtuigen van dat wat ik hier neerpen een kern van waarheid bevat -het liefst een diepe, harde kern van waarheid- , en nog beter is het als jullie dat ook denken. Ik geef dus wel degelijk om de waarheid, maar ik ben opgevoed met het idee dat die onbereikbaar is, persoonlijk en subjectief, waardoor ik me er een beetje voor schaam dat ik het nog steeds najaag – en zeker niet durf te claimen in allerlei blogjes. 

Hoe dat zit legt Rob Wijnberg uit in zijn boekje ‘Voor ieder wat waars: hoe de waarheid ons verdeelt en ons weer samen kan brengen‘. Daarin vertelt hij in het kort hoe het begrip ‘waarheid’ door de jaren heen van betekenis veranderd is.  

Hoe de waarheid zich ontwikkelde…

In een notendop stelt hij dat waarheid in de geschiedenis drie gedaanteverwisselingen heeft ondergaan. In de tijd voor de wetenschappelijke revolutie kwam de waarheid van buitenaf: je kwam achter de waarheid door openbaring en geloof in de waarheid ging samen met macht – je geloofde wat de vorst geloofde: goedschiks of kwaadschiks. Het christendom, de islam en het platonisme beroepen zich op dit waarheidsbegrip. 

Daarna kwam de moderne tijd waarin wetenschap de waarheid toe-eigende en stelde dat waarheid gevonden kon worden in de natuur, door het uitvoeren van vernuftige experimenten. Je geloofde dat waarin de natuur bewijs voor was. Religie moest plaatsmaken voor de wetenschap, voor rationalisme, empirisme en (klassiek) liberalisme. 

Vervolgens kwam het post-modernisme op waarin de natuur als scheidsrechter weer betwist werd, en waar waarheid niet langer als iets objectiefs werd gezien, maar als een sociale constructie. Waarheid werd iets dat door mensen uitgevonden is, meervoudig – er zijn meerdere waarheden- en daarmee ook altijd bediscussieerbaar. De hoop op een definitief antwoord was vervlogen. ‘Waar’, was datgene waartoe je overtuigd werd door anderen. Volgens Rob Wijnberg gaf dit voeding aan het existentialisme, het individualisme en het relativisme. 

Ik ben een kind van de laatste twee stromingen. Als wetenschappelijk geschoolde kan ik het rationalisme niet loslaten en blijf maar geloven dat er voor standpunten hard bewijs moet zijn; of tenminste dat voor standpunten waarvoor bewijs is meer te zeggen valt, dan voor standpunten waar dat ontbreekt. Maar als kind van de jaren 70 ben ik geworven voor het idee dat er altijd meerdere zienswijzen zijn en dat wat je gelooft zo sterk samenhangt met je perspectief. Dat ‘waarheid’ – als iets dat je persoonlijke perspectief overstijgt – ‘niet bestaat’, en dus misschien ook niet nastrevenswaardig is: er is niet één waarheid. 

Daarom vind ik het zo lastig een blogje over de waarheid te schrijven. Voor je het weet moet ik tussen mijn identiteiten als wetenschapper of als kind van het postmoderne tijdperk kiezen en ik weet – 48 jaar oud, inmiddels – niet of ik daar al aan toe ben.  

Het is een worsteling die ik veel om me heen zie: we willen de methoden, manieren, activiteiten, standaarden en houdingen aanmeten die ons kunnen helpen om de waarheid aan onze kant te krijgen, maar we willen ook respect blijven hebben voor degenen die denken dat daar andere ‘dingen’ voor nodig zijn. We willen de waarheid wel, maar we willen er geen bloed over vergieten. En we willen wel respect hebben voor alle visies, maar we vinden er het onze van.

Waar het met de waarheid heen moet…

En het is ook een worsteling die ik in Wijnbergs betoog terugzie. Na het postmodernisme volgt volgens Wijnberg nog de postmoderne consumptietijd. Hierin is de samenleving – en dus ook de waarheid – volledig overgeleverd aan de markt en het hyperindividualisme, hetgeen onze samenleving ontwricht. 

Het geeft Wijnberg een podium om zijn mediakritiek nog eens te ontvouwen. Media, met name nieuwsmedia, richten zich op de negatieve uitzonderingen en niet op de positieve ontwikkelingen en de onderliggende structuren. Hierdoor storten we onszelf als samenleving, vaak ten onrechte, in pessimisme over de wereld en raken we het zicht kwijt op wat er echt toe doet. Waarheid is een product geworden. Mediabedrijven bedienen nu doelgroepen met waarheden de consumenten goed uitkomen.

We hebben volgens Wijnberg een ander soort waarheid nodig, niet een waarheid die ons verdeeld, maar een die ons verbind. We moeten gaan zien hoe sterk mensen onderling verbonden zijn en hoe alles met alles verbonden is in de natuur. Met die waarheid in de hand kunnen we als mensheid samenwerken om een supranationale, vreedzame, eco-centrische, harmonieuze, netwerksamenleving bereiken. We hebben, kortom, een nieuw vooruitgangsideaal nodig.

#hoedan?

Allebei deze stappen (of tijdperken) doen mij wat geforceerd aan. Er is in de ruim 30 jaar dat het World Wide Web bestaat zoveel tegenstrijdigs over geroepen – en dan vooral over hoe het onze samenleving beïnvloed -, dat ik elke visie die al te veel leunt op deze jaren ben gaan wantrouwen. Zeker in een ‘grote lijnen-analyse’ die in de oudheid begint. 

Als je met zevenmijlslaarzen van nul tot nu door de geschiedenis gaat, lijkt het me wat haastig om aan de laatste paar decennia een nieuw tijdperk toe te kennen. Om de grote vraag hoe onze samenleving met de waarheid omgaat te kunnen beantwoorden, hebben we meer historische afstand nodig.

En dan is er nog de toekomstvisie die aanlokkelijk is, maar die natuurlijk niet vanzelf waarheid wordt. Misschien hoeft dat ook niet, en moeten we eerst schetsen hoe we het zouden willen voordat we het waarmaken, maar Wijnbergs visie is op zoveel punten precies het tegengestelde van de postmoderne consumptiemaatschappij, dat het wel wat meer voeten in de aarde zal hebben dan de wil om samen de schouders onder de klimaatcrisis te zetten.

De waarheid als essentie of als ideaal?

Mijn ongemak met “Voor ieder wat waars” zit hem misschien niet eens zozeer in hoe het betoog is opgebouwd, maar meer in hoe Wijnberg het begrip waarheid zelf hanteert. Wijnberg past een denktrant op de toekomst toe die meer geschikt is voor een historische analyse.

Wat Wijnberg in het eerste deel van het betoog steeds doet, is de samenleving of de cultuur terug te brengen tot een bepaald waarheidsbegrip, maar in het laatste deel draait hij het om. Hier presenteert hij een waarheidsbegrip als een vormend ideaal voor een alternatieve samenleving. Die andere manier om met het waarheidsbegrip om te gaan vraagt misschien om een ander soort betoog.

Laten we de manier waarop Wijnberg het begrip waarheid definieert er eens bij pakken. Op bladzijde 9 stelt hij: “wat liefde is voor de mens, is waarheid voor de mensheid”. Waarheid is een verlangen van een samenleving. Een verlangen dat activerend werkt, dat grootse daden inspireert, maar dat mensen ook uit elkaar kan spelen. In het verleden hebben culturen verschillende betekenissen aan waarheid toegedicht. Maar waarheid gaat diep: het is de bril waardoor een samenleving naar de wereld kijkt. 

Als we het hele betoog terugbrengen tot het benoemen van ‘het verlangen van de samenleving’ in een bepaalde periode krijgen we: vroeger verlangde de samenleving naar verlossing, toen naar vooruitgang, daarna eerst naar bevrijding en toen naar behoeftenbevrediging; en in de toekomst is het nodig dat we naar collectieve vooruitgang streven.

Je voelt de omdraaiing meteen als het naar de toekomst toe gaat. Het dominante waarheidsbegrip wordt eerst als een gevolg van de verhoudingen in de samenleving gepresenteerd en daarna als iets anders.

Waarheid als verlossing is een gevolg van de hiërarchische verhoudingen in de oudheid en middeleeuwen, waarheid als vooruitgang is het gevolg van het succes van de wetenschap, waarheid als bevrijding is een reactie op de twee wereldoorlogen, waarna waarheid als behoeftenbevrediging een gevolg is van de opkomst van de moderne consumptiemaatschappij. 

Hoe zit het dan met waarheid als collectieve vooruitgang? Is Wijnbergs betoog: we moeten waarheid gaan zien als collectieve vooruitgang en dan volgt een duurzame transitie? Of is zijn betoog eerder: om een duurzame transitie in te gaan moeten we waarheid wel gaan zien als collectieve vooruitgang? Of zegt hij: we gaan een duurzame transitie in en daarom zullen we ander waarheidsbegrip gaan hanteren? 

Ook Wijnberg lijkt te schakelen tussen de rationalist in hem, die objectief wil vaststellen welk waarheidsbegrip in verschillende culturen wordt gehanteerd, en de postmodernist in hem die denkt dat hij kan kiezen welk waarheidsbegrip hem het beste uitkomt. Die switch zit me dwars, niet in de laatste plaats omdat ik er zelf ook vaak last van heb. Ik denk dat we allemaal snakken naar het optimisme dat uit het toekomstbeeld van Wijnberg spreekt, maar het helpt niet om het als een logisch vervolg van de geschiedenis te presenteren. Dat is me net iets te vrijblijvend.

Meer lezen?

Ik had “Voor ieder wat waars” zeker niet zo kritisch besproken als ik het niet heel erg de moeite van het lezen waard vond. Het is een fijn en prikkelend betoog, waar je een stuk meer uit kan halen dan ik in dit blogje recht kon doen.

Ik duid de switch in het boek tussen een analyse van het verleden en het dromen van een toekomst als het verschil tussen diagnose- en doelkennis, waar mijn laatste blog over ging. Eerder schreef ik al over deze “denkfout” in in opdracht van de tijd

Ik schreef al eerder over hoe ik me tot hedendaagse mediakritiek verhoud in bubbel en media

Doelkennis

Arbeiders, sporters, coaches, uitvinders, ontwerpers, ingenieurs, beleidsmakers,  nou ja – eigenlijk allerlei mensen- veranderen de wereld met een bepaalde bedoeling. Ze willen iets bereiken, ze hebben een idee van wat er kan en ze gaan er dan voor, of ze roepen dat anderen dat zouden moeten doen. Ik hoop eigenlijk niet dat ik je iets nieuws vertel, zelfs niet als ik eraan toevoeg dat ze dat met kennis van zaken doen. De vraag die in dit blogje centraal staat, is over wat voor kennis we het dan hebben. 

Dat dat niet, of in ieder geval niet alleen, om feitenkennis kan gaan, besprak ik al in mijn vorige blogje. Edison had een boel uit te dokteren om een gloeilamp te kunnen maken, en veel daarvan blijkt slecht terug te voeren te zijn op feitenkennis. Het idee dat het slim was om aan een gloeilamp te werken was geen feit, en veel dingen die Edison moest achterhalen om de gloeilamp te maken ook niet. Niet alleen omdat het ging om dingen die nog niet bekend waren, maar ook omdat ze, zelfs met de kennis van nu, geen feitelijk karakter hebben. Doelen, functies, wensen en kansen; ze zijn enorm belangrijk en we hebben er kennis van, maar die kennis zit anders in elkaar dan die van feiten en natuurwetten.

Een pragmatische benadering

Nu denk ik dat er een slimmere manier is om naar dit probleem te kijken dan door een onderscheid te maken tussen feiten en ‘de rest van de kennis die mensen hebben’. Van feiten hebben we inmiddels aardig in kaart gebracht hoe ze tot stand kunnen komen, maar voor ‘de rest van de kennis’ niet. Het gaat om kennis, dus, die mensen gebruiken, maar die niet feitelijk van karakter is. We hebben daar niet eens een goede indeling van. Laat staan dat we begrijpen hoe je eraan kan komen. Toch hoeven we niet te wanhopen over de kans om daar meer over te leren. Volgens mij kunnen we een aanpak lenen van de pragmatische taalkunde. 

De taalkunde is grofweg verdeeld in de formalistische school en de pragmatische school. De formalistische school bestudeert de eigenschappen van talen alsof taal een natuurlijk verschijnsel is. Ze proberen de structuur van taal in kaart te brengen en de onderliggende regels (wetten) te achterhalen, zonder al te veel om te kijken naar de mensen die die talen gebruiken en hun bedoelingen. Taal komt voort uit de natuur – en dient dus bestudeerd te worden als iets natuurlijks. Daar staat de pragmatische school tegenover, die taal vooral als een sociaal verschijnsel ziet. Ze probeert te onderzoeken hoe mensen taal gebruiken om dingen van anderen gedaan te krijgen. Een pragmatische taalwetenschapper kijkt ook naar de techniek en structuur van taal, maar altijd op basis van wat mensen ermee willen bereiken. Voor een formalist is de frase ‘dag schoonheid’ een constructie waarin een zelfstandig naamwoord wordt ingezet om iemand te identificeren; voor een pragmatist is het een versierpoging.

Nou ja, de vraag is dus: kunnen we de pragmatische denktrant ook op kennis loslaten? Kunnen we kennis begrijpen door te kijken naar de sociale doelen die mensen ermee nastreven? Ik denk van wel. Wat we volgens mij kunnen doen, is eerst kijken naar waar mensen kennis voor gebruiken – dus wat ze doen met kennis – en dan terug redeneren naar wat voor kennis daarvoor nodig is. We stellen ons eerst de vraag welke kennis mensen gebruiken voor activiteit x of y, en als we daar antwoord op hebben, vragen we ons af wat de eigenschappen van die kennis moeten zijn om gebruikt te kunnen worden voor x of y. We redeneren dus van het nut van de kennis terug naar het karakter van de kennis. Als we dat karakter eenmaal kennen, kunnen we misschien ook iets zeggen over hoe we aan dat soort kennis kunnen komen – maar dat is voor een later blogje.

Een pragmatische blik op ontwerpkennis

De spannende vraag is natuurlijk wel wat we kiezen voor x en y. Als we voor (x) handballen nemen, dan kunnen we over het karakter van de kennis zeggen dat handbalkennis voor een belangrijk deel in het lijf zit (balgevoel), en dat het meteen tot actie moet leiden (spelinzicht), en niet via ingewikkelde redeneringen moet verlopen. Dat is heel anders dan de kennis die nodig is om (y), een boek te lezen, want dan gaat het om kennis in het hoofd (taal) en kennis die helpt om het verhaal te volgen en te begrijpen. Dan is er veel meer tijd om die kennis te activeren. Althans, als je zo langzaam leest als ik. 

Er is duidelijk andersoortige kennis nodig voor handballen en lezen, maar voor een theorie over kennissoorten is het misschien niet zo handig om zulke concrete voorbeelden te nemen. Met zulke voorbeelden richt je je aandacht op de inhoud van de kennis (handballers hebben balgevoel nodig) en minder op het karakter van de kennis (snelle kennis versus langzame kennis). Daarbij komt nog de vraag hoe je het kan generaliseren. Voor je het weet, heb je meer soorten kennis geïdentificeerd dan er letters in het alfabet zijn; en wat moet je dan?

Kennisintensieve taken in het ontwerp

Het is dus zoeken naar een kernachtige manier om verschillende dingen die mensen kunnen doen samen te vatten, zodat we het bos door de bomen blijven zien. Als we het over ontwerpen hebben, dan kan het ontwerpproces misschien een goede basis zijn. Ontwerpprocessen geven weer welke activiteiten ontwerpers uitvoeren om tot een oplossing te komen. Misschien kunnen we daar karakteristieken van de onderliggende kennis uit afleiden. 

Nu zijn er heel veel beschrijvingen van het ontwerpproces – en sommige hebben wel meer dan 26 activiteiten, helaas -, maar de meest grofmazige samenvattingen van ontwerpen beperken zich tot drie fasen, of taken. Ten eerste  (1) analyseren ontwerpers de huidige situatie om te ontdekken wat er beter kan. Ten tweede (2) beelden ontwerpers zich in hoe het beter kan; en ten derde (3) vertalen ontwerpers die ideeën in oplossingen die in de praktijk gerealiseerd kunnen worden. Ik noem die taken vaak |is|, |kan| en |zal|, maar je zou ook van diagnosedoel en resultaat kunnen spreken.

Ok. Drie activiteiten, drie soorten kennis,  met elk andere karakteristieken… komen we daar uit? Ons plan was om vanuit het nut van kennis terug te redeneren naar het karakter van de kennis. Om, eens en voor altijd, vast te stellen wat voor soort dingen je nodig hebt om tot ‘|is|, |kan| en |zal|’ of ‘diagnose, doel en resultaat’ te komen in het ontwerp. Zal ik het enige goede antwoord meteen maar geven? Ik heb het tenslotte zelf bedacht…

Kennisfuncties in het ontwerp

Om de huidige situatie te kunnen analyseren, moeten we hem kunnen beschrijven en verklaren. Het beschrijven helpt om te ontdekken wat er speelt en het verklaren om te achterhalen waarom het gaat zoals het gaat. Bij het herontwerpen van een park stellen ontwerpers bijvoorbeeld vast dat mensen zich er nu onveilig voelen (wat) omdat er veel ongure donkere plekken zijn (waarom).

Om te kunnen bedenken hoe het anders kan, moet je je alternatieven moeten kunnen inbeelden, en zul je die alternatieven moeten kunnen waarderen (op waarde kunnen schatten). Bij het inbeelden bedenk je wat je zou kunnen veranderen, en bij het waarderen waarom dat een goed idee zou zijn. Bij het herontwerpen van een park, kijk je bijvoorbeeld naar verschillende manieren om het park lichter te maken. Dat kan bijvoorbeeld door beplanting weg te laten, zodat er minder donkere hoekjes zijn of door meer straatverlichting te plaatsen (wat). Beplanting weghalen verdient de voorkeur, omdat het gevoel van ruimte vermoedelijk bijdraagt aan gevoelens van veiligheid (waarom).

Om een oplossing te bedenken die in de praktijk kan werken, moet je voorspellen hoe dingen kunnen uitpakken en die moeten vertalen in voorschriften over wat er nodig is in de situatie waar je voor ontwerpt. Voorspellingen richten zich op waarom dingen gaan zoals ze gaan, en voorschriften op wat er nodig is om die dingen ook waar te maken. Er is bijvoorbeeld een vuistregel die stelt dat, om een veilig gevoel te hebben, je altijd zicht moet hebben op een rand van het park (waarom). Daarom mag maximaal een derde van het grondoppervlak bedekt zijn met struiken en bomen (wat).

De structuur van verschillende soorten kennis…

We hebben dus drie soorten kennis, en zes gewichtige zaken waarvoor die soorten kennis nuttig zijn. Prachtig! Je zou bijna zeggen: knal het even in een plaatje.

Mooi hè. Het plaatje vat keurig samen waar we tot nu toe waren: er zijn 3 taken in het ontwerp, die om hun eigen soort kennis vragen diagnosekennis (|is|), doelkennis (|kan|), en resultaatkennis (|zal|). Diagnosekennis helpt met beschrijven en verklaren, Doelkennis met inbeelden en waarderen (|kan|) en Resultaatkennis met voorspellen en voorschrijven (|zal|). Dat is allemaal mooi maar het zegt nog steeds weinig over het verschil in karakter tussen die verschillende vormen van kennis.

Toch zegt het raamwerk daar ook iets over. Het probeert te zeggen hoe kennis in elkaar zit die helpt met beschrijven en verklaren, met inbeelden en waarderen, en met voorspellen en voorschrijven. Het raamwerk probeert vervolgens te benoemen waar een bepaalde soort kennis iets over probeert te zeggen en wat voor soort abstracties daar behulpzaam bij zijn.

Om bij het eerste setje te beginnen: er is altijd iets dat je wilt beschrijven. We noemen dat fenomenen: dingen die ‘zijn’ of die ‘gebeuren’ in de wereld. En er is ook altijd iets wat je daarvan wil ‘vangen’. In het model worden dit de essenties genoemd. Beschrijvingen en verklaringen brengen dingen die in de wereld gebeuren terug tot hun essentie. Ze leggen vast wat er speelt en hoe we dat het beste kunnen begrijpen. Als we daarbij heel zeker van onze zaak zijn spreken we van feiten, anders misschien van interpretaties of zienswijzen. Het karakter van diagnosekennis is dat ze fenomenen terug kan brengen tot hun essentie.

De professionals waar we dit blogje mee begonnen zullen hun werk graag op een bepaalde manier willen benaderen en gebruiken daar de diagnosekennis voor die ze tot hun beschikking hebben. Een verpleegkundige kijkt naar het gedrag van een patiënt (fenomeen) om vast te stellen of deze nog erg vermoeid is (essentie) na een operatie, bijvoorbeeld. Als de patiënt meer slaapt dan gebruikelijk is, is die nog erg vermoeid. Verpleegkundigen brengen patiëntengedrag in kaart om om de essenties die bij een goed herstel horen te kunnen inschatten. 

Voor de meeste mensen is diagnosekennis bekend terrein en dat kun je ook zeggen van resultaatkennis, de laatste kolom in het plaatje. Als je weet hoe dingen werken, kun je voorspellen hoe dingen of mensen zich in bepaalde situaties zullen gedragen. Die zekerheid kun je weer gebruiken om concrete oplossingen voor te stellen die gebaseerd zijn op deze voorspellingen, of wetmatigheden, of – om de taal van het model te blijven volgen – mechanismen. Als je een magneet door een spoeldraad beweegt ontstaat er een elektrische stroom. Dit mechanisme kun je gebruiken om een dynamo te maken, die er voor zorgt dat de beweging van een windmolen omgezet kan worden in elektriciteit.

Resultaatkennis verbind dus (de effectiviteit van) oplossingen met onderliggende (bewezen) mechanismen. Het is maar wat handig als je al weet wat werkt en waarom. Technici gebruiken resultaatkennis om effectieve oplossingen te bedenken, verpleegkundigen om patiënten op een goede manier te behandelen.

De ontdekking van doelkennis

Maar dan is er volgens het model nog een soort kennis. Weliswaar zit ze wat ingeklemd tussen diagnose- en resultaatkennis, maar dat maakt het niet minder een derde soort: doelkennis.  Mensen hebben niet alleen kennis van hoe dingen zijn, of wat werkt, maar ook van wat ze willen en hoe dat zou kunnen.

Doelkennis helpt om alternatieven in te beelden en te waarderen. Waar diagnosekennis fenomenen aan essenties verbindt, en resultaatkennis oplossingen aan mechanismen, verbindt doelkennis alternatieven aan idealen. Je zou, helemaal in lijn met het model, kunnen zeggen dat doelkennis gaat over wat zou kunnen en wat fijn (of.. goed) zou zijn. Doelkennis is wat ons drijft: we willen dingen bereiken in het leven en we zoeken naar mogelijkheden, manieren, om dat voor elkaar te krijgen. Arbeiders willen hun werk gedaan krijgen, sporters willen de beste worden in iets, beleidsmakers willen de wereld in een bepaalde richting duwen; daarvoor hebben ze doelkennis nodig.

Het woord doelkennis is misschien niet zo goed gekozen. De suggestie is een beetje dat doelkennis vooral gaat over wat we willen, maar de belangrijkste waarde van het model hierboven is juist dat het laat zien dat wat we willen niet onafhankelijk is van wat we denken dat mogelijk is. Aan de ene kant heeft het weinig zin dingen na te streven die onmogelijk zijn, dingen waarvan we ons niet eens kunnen voorstellen hoe ze in de praktijk gerealiseerd kunnen worden. Aan de andere kant heeft het weinig zin een idee te presenteren, een alternatief, zonder daarbij in te gaan op wat de doelen en waarden zijn die je met dit alternatief zou willen omarmen. 

Doelkennis is dus ‘af’ als de hele verticale kolom is ingevuld. Er zijn bepaalde idealen, die zich vertalen in bepaalde doelen en waarden. Die kunnen worden gerealiseerd met bepaalde soorten oplossingen (alternatieven) die voldoen aan de geformuleerde idealen. Of andersom: een bepaald alternatief is interessant of kansrijk omdat het voldoet aan bepaalde waarden, die te koppelen zijn aan nastreefbare idealen. Alternatieven en idealen gaan hand in hand. Doelkennis verbindt die verschillende elementen.

Doelkennis is overal!

In haar, zeer voorzichtige, column over activistische wetenschap in NRC stelt  Loïse el Fresco over de klimaatwetenschap: “De (bijna) unanieme wetenschappelijke diagnose – versnelde opwarming van de atmosfeer door de sterke uitstoot van broeikasgassen sinds de industriële revolutie – leidt (nog) niet tot wetenschappelijke consensus over hoe het verder moet. Vervangen van fossiele brandstoffen vraagt om zorgvuldiger discussie over wat, waar en hoe snel.” 

Ze doet eigenlijk een oproep voor doelkennis: welke alternatieven zijn er (?) en aan welke (mix van) doelen voldoen deze (?). Deze doelkennis is volgens haar niet per se wetenschappelijk van karakter. Politici debatteren over doelen en mogelijkheden, terwijl wetenschappers over feiten debatteren. En terwijl we de taken keurig netjes hebben verdeeld brand de natuur de aarde op, op weg naar haar ondergang. 

In haar oproep tot doelkennis is ze lang niet de enige, doelkennis vinden we in de sustainable development goals, een opdracht aan de wereld om bepaalde doelen boven andere te stellen. We vinden het in elke organisatie die missie- en visiedocumenten opstelt. We vinden het bij individuen, jij en ik, die het ene belangrijker vinden om te doen dan het andere. En die opzoek zijn naar manieren om nog gezonder of gelukkiger te worden.

Maar als doelkennis, zo belangrijk is, moet je je afvragen waarom we de wetenschappers er niet bij betrekken. Hoe kan het dat we de politiek verantwoordelijk stellen voor kennis over doelen en de wetenschap voor kennis over feiten. Wat nou, als we de scheiding van verantwoordelijkheden –  die er blijkbaar is  – opheffen (?). Wat nou als we stellen dat kennis over doelen en mogelijkheden wél onderdeel uitmaken van de wetenschap. Als we de wetenschap de taak geven om te verbeelden hoe dingen anders kunnen en wat daarin wenselijk en (on)wenselijk is. Verliezen we dan de wetenschap?

Een andere wetenschap…

Het antwoord is natuurlijk nee. Ten eerste omdat wetenschap nooit waardenvrij geweest is en ten tweede omdat ze nooit waardenvrij zal worden. De objectiviteit van de wetenschap is een streven – of een ideaal -, of als je wat cynischer bent, een masker waarachter ze zich verbergt om haar gezag niet te verliezen. 

Zelfs als je wetenschap uitsluitend ziet als een neutrale zoektocht naar hoe de natuur functioneert, en de natuur ziet als een neutrale scheidsrechter in deze zoektocht, zul je moeten erkennen dat datgene wat we in de natuur zoeken een persoonlijke of maatschappelijk geïnspireerde keuze is. De scheidsrechter is misschien neutraal, maar het spel dat we hem voorleggen is dat niet.

Daarmee is de wetenschap allang een politieke speler. Ze gebruikt haar beroep op de feiten om politici te beïnvloeden, of aan te manen, of te informeren – en geen van deze acties is ongemotiveerd (lees: waardenvrij, neutraal, feitelijk). Beter zou het zijn een wetenschap te ontwikkelen waarin we ons richten op de échte vragen: wat doen we ermee, wat kan, wat willen we? En waarin we de kracht van de wetenschap: haar kritiek, haar twijfel, haar inventiviteit ten volle inzetten om die échte vragen te beantwoorden.

Nu zijn er natuurlijk wetenschappen die dat allang doen. De menswetenschappen, de filosofie en de ethiek, ‘kritische’ theorie in allerlei disciplines en kritisch- en speculatief ontwerp dragen bij aan ons begrip van wat we willen, van wat we zouden moeten willen en hoe dat eventueel zou kunnen. Geen van deze wetenschappen heeft een ‘natuurlijke’ scheidsrechter tot zijn beschikking, maar deze wetenschappen dragen enorm bij aan onze belangrijkste vragen in het leven: waar willen we heen?, waarom?, en hoe kan dat?

De grote wetenschapsfilosofische vraag van vandaag is volgens mij niet óf wetenschap een rol kan spelen in het ontwikkelen van doelkennis, maar meer hoe we de scheidslijn kunnen beslechten tussen die wetenschappen die zichzelf als neutraal zien en die wetenschappen die hun normatieve karakter erkennen. 

Wat is de juiste manier om de kruisverbanden tussen essenties, idealen, en mechanismen en fenomenen, alternatieven en oplossingen in kaart te brengen? Welke verbanden bestaan tussen die drie soorten kennis en welke bewijslast willen we daarvoor zien? Als we die vragen beantwoorden, kunnen we wetenschap een plek geven in het vormen van de wereld. Anders leggen we ons lot in handen van politici.

Meer lezen?

Ik schreef over het verschil tussen ontwerp- en feitenkennis in Ontwerpkennis, het belang van bruikbaarheid van kennis, in Nobel, Stokoude Kennis en Valorisatie.

Het plaatje in dit model komt uit het Handboek Ontwerpgericht Wetenschappelijk Onderzoek dat onlangs bij Boom Uitgeverij verschenen is. Dit is weer gebaseerd op een eerdere Engelstalige publicatie van mijn hand.

Ontwerpkennis

Weten hoe iets zit en hoe iets kan, dat zijn heel verschillende zaken. Het zou voor sommige mannen misschien gezonder zijn om een paar kilo af te vallen, maar hoe ze dat voor elkaar moeten krijgen weten ze niet. Vooruit: misschien weten ze wel hoe het zou kunnen, maar lukt het ze toch niet. Want weten hoe het kan en het daadwerkelijk voor elkaar boksen zijn ook weer heel verschillende dingen.

Het zijn slechte voorbeelden, natuurlijk, maar dat feitenkennis zich niet één-op-één vertaalt in oplossingen voor wereldse problemen wordt eigenlijk door niemand ontkend. Tegelijkertijd blijkt het knap lastig om te zeggen hoe die relatie tussen feiten en oplossingen precies in elkaar zit. Veel mensen houden eraan vast dat oplossingen gebaseerd zijn op feiten, of dat ze dat zouden moeten zijn, maar het valt niet mee om dat uit te werken. De intuïtie zegt toch, dat er om een elektromotor te maken meer nodig is dan wetten over stroom en spanning.

Hoe ver is de wetenschapsfilosofie in het beantwoorden van dit vraagstuk? Zijn er al goede pogingen om vast te stellen dat – en hoe – ontwerpkennis anders is dan feitenkennis en hoe die twee soorten kennis samenhangen? Of lopen filosofen weer achter de feiten aan en discussiëren ze nog altijd of wetenschappers wel goede manieren hebben om de feiten zelf vast te stellen?

Nou ja, het laatste natuurlijk, maar er zijn wel uitzonderingen. Zo doen Anthonie Meijers en Peter Kroes een oproep aan collega-filosofen om dit probleem serieuzer te nemen. Het aardige van hun analyse is dat ze Edisons patent op de gloeilamp als basis gebruiken.

De uitvinding van de gloeilamp

Voor die lezers die de gloeilamp alleen nog uit het museum kennen… Het idee is vrij simpel: als je een elektrisch stroompje door een draad laat lopen wordt die draad warm. Je kunt de draad zoveel verwarmen dat hij gaat gloeien. In principe is dit een manier om elektriciteit in licht om te zetten. In principe, want de praktijk is best complex. Edison stelt:

Ik claim als mijn uitvinding:

1 Een elektrische lamp voor het geven van licht door gloeien, bestaande uit een gloeidraad van koolstof met hoge weerstand, gemaakt zoals beschreven en bevestigd aan metalen draden, zoals uiteengezet.

2 De combinatie van koolstoffilamenten met een geheel uit glas vervaardigde ontvanger en geleiders die door het glas gaan en uit welke ontvanger de lucht wordt afgevoerd voor de beschreven doeleinden.

3 Een koolstoffilament of -strip die opgerold en verbonden is met elektrische geleiders zodat slechts een deel van het oppervlak van dergelijke koolstofgeleiders blootgesteld wordt aan het uitstralen van licht, zoals uiteengezet.

4 hierin beschreven methode voor het bevestigen van de platina-rijdraden aan het koolstoffilament en het carboniseren van het geheel in een gesloten kamer, in hoofdzaak zoals uiteengezet.

Maakt Edison het hier onnodig ingewikkeld? Of is hij juist heel precies over wat er voor een gloeilamp nodig is? Het laatste is het geval. De principes: een geleider wordt warm als er een elektrische stroom doorheen gaat en bij zeer hoge temperaturen gaat hij gloeien, zijn bij lange na niet genoeg om een gloeilamp te bouwen.

Edison moest uitvinden welk materiaal hij het beste voor de gloeilamp kon gebruiken. Dat werd koolstof, omdat dat een hoge elektrische weerstand heeft en er dan minder stroom nodig om de draad te laten gloeien (1). Dat is weer nodig omdat je niet wilt dat de stroomdraad die naar de lamp toegaat ook gaat gloeien (3). Daarbij moest Edison nog zorgen dat de gloeidraad niet verbrandde. Dat zat voor een deel in de keuze voor het materiaal van de gloeidraad, maar wat ook hielp was om de gloeidraad in een glazen omhulsel te stoppen zonder zuurstof (2). Om dit te kunnen bereiken was een techniek nodig die kon zorgen dat er wel stroomdraden het glazen omhulsel in konden gaan, zonder dat er alsnog zuurstof in de lamp kwam (4).

Wat opvalt aan dit voorbeeld is dat er veel meer kennis nodig is dan het basisprincipe. Om dat principe concreet uit te werken moeten keuzes gemaakt worden die vervolgens weer tot nieuwe uitdagingen leiden. Er is meer concrete kennis nodig en die kennis is uitgebreider, ze omvat een veel breder scala aan onderwerpen dan eerst gedacht.

Maar je zou nog altijd kunnen zeggen dat het allemaal feitenkennis is. Er kwamen veel meer feiten bij kijken dan we ons eerst konden voorstellen en soms waren de oplossingen er allang voordat de feiten op een deugdelijke manier bewezen waren, maar dat is allemaal minder belangrijk. Als het lukt om een reconstructie te maken waarin we alle feiten die nodig zijn om een gloeilamp te kunnen maken op een rijtje zetten, dan vergeven we het Edison dat hij niet al die feiten kende, en dan stellen we met terugwerkende kracht dat de gloeilamp gebaseerd is op feitenkennis.

Wat Edison nog meer moest weten

Je raadt het al, dit is precies wat Anthonie Meijers en Peter Kroes betwisten. Zij wijzen erop dat er allerlei vormen van kennis een rol spelen die niet feitelijk van aard zijn. Laat ik er twee toelichten.

Know-how en voorschrijvende kennis
Hoe maak je een gloeidraad die niet opbrandt? Hoe vervaardig je een glazen bol? Hoe zuig je de lucht daaruit? Om een technisch artefact te kunnen maken moet je heel veel hoe-vragen beantwoorden.

Nu zou je kunnen zeggen dat een procedure bewezen kan worden. Als je met een rietje in een bol van gesmolten glas blaast en je laat het afkoelen ontstaat een hol glazen voorwerp. Dat kun je gewoon duizend keer doen en daarmee statistisch aantonen dat het werkt.

Maar Meijers en Kroes stellen dat je dan de werkzaamheid bewijst en niet de waarheid. Je doet geen uitspraak over de natuur, maar over hoe dingen aangepakt kunnen worden. Daar liggen menselijke keuzes aan ten grondslag, en het is dus een andere vorm van kennis dan de feitenkennis waar de meeste filosofie over gaat.

Kennis van functies
De functie van een gloeidraad is oplichten als je er een stroompje doorstuurt. Een belangrijk onderdeel van het werk van Edison was om het totale probleem van het maken van elektrisch licht op te delen in losse onderdelen met elk hun eigen functie. De gloeidraad voor het geven van licht, de glazen bol om de gloeidraad te beschermen tegen zuurstof en de aanhechting om te zorgen dat er toch stroom de bol in kan. Is het een vorm van feitenkennis dat je bepaalde onderdelen nodig hebt met specifieke functies?

Net als procedures zijn functies niet los te zien van menselijke keuzes. We willen bepaalde dingen bereiken. Daarom maken we functionaliteiten. Je kunt functionaliteiten kiezen of realiseren, maar niet bewijzen.

Vooruit, je zou misschien wel kunnen bewijzen dat het noodzakelijk is om de gloeidraad te beschermen tegen verbranding. Dan zeg je eigenlijk dat het een feit is dat de ene deeloplossing niet zonder de andere kan. Om twee redenen is dat problematisch. Ten eerste blijkt het vaak wél anders te kunnen. Inmiddels hebben we wél elektrisch licht zonder gloeidraad. Maar ten tweede blijft het om een technische keuze gaan, een keuze waarvan je de effectiviteit kan aantonen, maar niet de waarheid.

Conclusies

Meijers en Kroes beweren dus dat er kennis nodig is voor het maken van technische artefacten die niet feitelijk van aard is. De techniek is niet terug te brengen tot de natuurkunde, zelfs niet bij ogenschijnlijk simpele oplossingen zoals de gloeilamp. Filosofen zouden er dus goed aan doen om ook de andere soorten kennis die nodig zijn voor technische oplossingen te befilosoferen zodat we ontwerp en de technische wetenschappen beter begrijpen.

Of je het daarmee oneens kunt zijn dat weet ik niet, maar het voorbeeld van Edison laat wel zien dat een fundamenteler begrip van wat ontwerpkennis is niet vanzelf leidt tot een beter ontwerp, of tot sterkere ontwerpwetenschappen. Om die stap te zetten hebben we, naast betere basisprincipes, misschien ook concretere en uitgebreidere kennis nodig van de praktijken die we willen verbeteren. We hebben ontwerpkennis over ontwerpen nodig.

Meer lezen?
Ik baseerde me in dit blogje op het artikel “Extending the scope of the theory of knowledge.”, dat ik sterk vereenvoudigde, hopelijk zonder het orgineel al te veel geweld aan te doen.

Ik sprak al eerder over dit probleem in het blogje “in opdracht van de tijd”, waar ik bespreek hoe de Russische communistische revolutionairen het onderscheid tussen ontwerp- en feitenkennis niet kenden. In de technische wetenschappen wordt wel beweerd dat de visie van Larry Laudan die wetenschap als een vorm van probleemoplossen ziet de kritiek van Meijers en Kroes omzeilt, maar dat denk ik een stretch. Laudan besteed niet specifiek aandacht aan technische problemen.