Samenloop

“Vind je dat niet een beetje link?”, vroeg ik een collega toen hij een stapel stenen soepkommen op de rand van een balustrade plaatste. Een verdieping lager was een ruimte met flexplekken voor studenten. Het is al jaren geleden, maar zijn antwoord is me altijd bijgebleven. “Verantwoordelijkheid is een netwerk” zei hij. Hij bedoelde iets in deze geest: elke gebeurtenis is een samenloop van omstandigheden; er ligt een keten van oorzaken aan ten grondslag.

Stel je voor dat de soepkommen van de rand zouden vallen en een student zouden verwonden. Dat komt net zo goed door diegene die ze van de balustrade afstoot als door diegene die ze er opgezet heeft; of door de student die op zo’n onhandig plek is gaan zitten: of door de catering die met stenen in plaats van met plastic soepkoppen werkt; of de collega die ze zag staan en ze niet weghaalde; of door de architect die de flexplekken onder zo’n potentieel gevaarlijke richel geplaatst heeft. En zo kun je nog wel even doorgaan. De meeste oorzaken zijn ook maar als gevolg begonnen. Ik heb er maar even een tekening van gemaakt.

netwerk droog

Dit plaatje is op zichzelf niet eens zo heel interessant. Maar, het punt is dat je voor elke gebeurtenis die je kan bedenken zo’n plaatje kan tekenen. Er zijn meerdere oorzaken aan te wijzen voor het feit dat je vanochtend wakker werd, dat je thee minder heet is dan je zou verwachten, dat de zon schijnt en dat je dit blogje leest – en aan elk van die oorzaken zit weer een keten van oorzaken vast. Alles wat er gebeurd is met elkaar verbonden.

Op dat feit kan je prima een hele spirituele gedachtegang bouwen, maar vaak zit het ons nogal in de weg. Ons brein wil de complexiteit van het hele netwerk dat aan een gebeurtenis ten grondslag ligt graag terugbrengen tot één of, heel misschien, twéé oorzaken.

Misschien heb je in het voorbeeld hierboven -zo ongeveer toen ik over de verantwoordelijkheid van de architect begon – wel gedacht: maar dat is wel heel erg ver gezocht. Dat is precies wat ik bedoel. Je brein werd wanhopig van de uitgebreidheid van de keten van oorzaken die ik aandroeg en probeerde er alles aan te doen om het klein te houden. Misschien is het daar nog mee bezig. Dat snap ik best.

Ik geef je ook geen ongelijk. Het denkt gewoon een stuk vlotter met eenvoudige voorstellingen van zaken dan met complexe. Dus …: hoe perk je je in?

Één manier is om alleen directe oorzaken aan te wijzen. Je begint  bij de gebeurtenis zelf en telt alleen die dingen die daar direct toe geleid hebben mee. Dit lijkt heel zuiver. Een besluit van je baas veroorzaakt loonsverhoging; een virus veroorzaakt verkoudheid. Het probleem is dat dit vaak heel onbevredigend is. In het soepkoppen voorbeeld is het omgooien van de soepkoppen een directe oorzaak, het gevaarlijk wegzetten niet. Als iemand met zijn dronken kop tegen een boom rijdt is een stuurfout de directe oorzaak, niet het dronkenschap. En… waarom besloot je baas eigenlijk tot loonsverhoging? Bij een directe-oorzaken-strategie vallen die dingen die we het meest belangrijk of interessant vinden vaak juist buiten beschouwing. Meestal, zeker in het geval van een loonsverhoging, vinden we de diepere oorzaken belangrijker.

Het kan dan een betere strategie zijn om een cirkel van invloed te tekenen. Bij een cirkel van invloed kijk je niet zozeer naar de hele samenloop van omstandigheden, maar naar dat stuk dat onder jouw invloed staat. Mijn collega kon niet zorgen voor plastic koppen, maar wel zorgen dat hij de stenen versies niet zo enorm gevaarlijk wegzette. De architect kon het gedrag van de catering, of mijn collega, niet veranderen, maar kon wel zorgen dat dit soort gevaarlijke situaties onwaarschijnlijk werden. Als iedereen nu vanuit zijn of haar cirkel van invloed het goede deed was de wereld een paradijs.

Of, nou ja, misschien ook niet. Het cirkel-van-invloed denken is een handig benadering en het zou waarschijnlijk wel werken als we allemaal dezelfde doelen nastreefden, maar dat is niet zo. Hierdoor maken we voortdurend de verkeerde inschattingen over de grootte van onze cirkel van invloed.

Het probleem is dat iedere beslissing een verandering teweeg kan brengen in meerdere cirkels-van-invloed tegelijk. Als de architect uit het soepkommenvoorbeeld rekening moet houden met elke oen die later in zijn gebouw gaat werken en elke gevaarlijke situatie wil voorkomen, dan neemt hij veiligheid heel serieus. Maar, je kunt op je vingers natellen dat er een draak van een gebouw uit komt. Hij tekent een grote ‘veiligheidscirkel-van-invloed’, maar dat gaat ten koste van zijn ‘leefbaarheidscrikel-van-invloed’ of zijn ‘kostencirkel-van-invloed’. Een duivels dilemma.

De andere kant van die medaille is dat als niemand buiten zijn cirkeltje durft te kijken, we de problemen met diepere oorzaken niet op kunnen lossen. We kunnen als consumenten duurzame boodschappen doen zoveel we willen, als we niet òòk zorgen dat het bedrijfsleven en de politiek hun verantwoordelijkheden nemen kunnen we de klimaatverandering niet oplossen. We moeten buiten onze normale cirkel van invloed opereren omdat andere partijen andere doelen nastreven dan wij. Lastig.

Gelukkig is er nog een derde strategie over. Je kunt ontrafelen. Heel zorgvuldig breng je het totale netwerk van oorzaken in kaart, van elke oorzaak stel je vast hoe direct, beïnvloedbaar en belangrijk die is en dan kun je een zorgvuldige afweging maken over welke combinatie van strategieën het makkelijkst kan voorkomen dat er een soepkom op het hoofd van een student valt.

Ik kom die strategie soms tegen bij historici, die allerlei omstandigheden aanwijzen die geleid hebben tot een bepaalde gebeurtenis in de geschiedenis of bij sociale wetenschappers die een heel netwerk van psychologische of sociale mechanismen proberen bloot te leggen en soms ook proberen door te meten. De gedachte is dat als je eerst een overzicht schetst van alle oorzaken en hun invloeden, dat je daarna kunt beslissen wat doorslaggevend is. Wacht! Dit teken ik ook even uit.

netwerk ontrafelt

Mooi hè? Als je dat je door dit plaatje ineens het licht ziet en roept: “oh zó zit het dus met die gevaarlijke soepkommen”, hoor je waarschijnlijk bij de uitzonderingen. Omdat de ontrafelstrategie alle verbanden ook nog eens van een gewicht voorziet maakt deze het vaak eerder ingewikkelder dan eenvoudiger. Je ziet eigenlijk door de rafels het netwerk niet meer.

Is er dan niets aan te doen? Nee, denk ik. Dat bijna elke gebeurtenis een gevolg is van een samenloop van omstandigheden, waar we ons hoofd nooit helemaal omheen krijgen, is iets waar we mee moeten leren leven. Als de wereld te ingewikkeld voor ons is, moeten we met een eenvoudige versie werken. Maar wat we wèl kunnen doen is onthouden dàt we het doen. Niemand heeft de keten van oorzaken op de juiste manier in kaart, ook de ontrafelaars niet en niemand kan een monopolie hebben op een oplossing. Dat is misschien een ontnuchterende gedachte, maar van een handjevol bescheidenheid is nog nooit iemand dood gegaan.

Oh…. en die soepkommen hebben we natuurlijk gewoon weer veilig weggezet.

Meer lezen?

In verkoudheid besprak ik al eens hoe discussies mis kunnen lopen als we  vergeten dat dingen een samenloop van omstandigheden kunnen zijn. In groepsidentificaties en eerlijk vergelijken bespreek ik andere dingen die mis kunnen gaan in het alledaagse redeneren.

Betekenisdrift

Het woord ‘nep’ is zichzelf niet meer de laatste tijd. Nepnieuws is waarschijnlijk een van de eerste dingen waar je aan denkt bij het woord nep, maar die samenstelling is piepjong. Vroeger was nieuws niet iets wat nep kon zijn; of daar dacht je in ieder geval niet over na. Wie had dus gedacht de woorden nep en nieuws zo gemakkelijk aan elkaar zouden plakken? En toen werd het nog gekker. Donald Trump, president van Amerika, ging het woord nepnieuws in een totaal andere betekenis gebruiken. Hij bestempelde juist het nieuws van kwaliteitskranten zoals de New-York Times, dat wij als het meest betrouwbare beschouwen, als nep. Dat is dus een beetje alsof je een Mercedes een nepauto noemt. Niettemin is het feit is dat Trump een invloedrijke man is – en zo is nep vanzelf ook synoniem geworden voor “niet positief over Donald Trump”.

Hoe invloedrijk Trumps taalgebruik precies is zal de tijd moeten leren, maar het turbulente leven van het woord nep roept natuurlijk allerlei vragen op over taal als kennisdrager. Als alle woorden zo wispelturig zijn, hoe kun je ze dan gebruiken om iemand iets te leren? Of om het eens te worden over hoe iets zit? Kunnen we, zoals in het boek 1984 van George Orwell geprobeerd wordt, het denken van een hele samenleving veranderen door in het woordenboek te schrappen? Of heeft dat geen zin? Ik denk dat dit soort vragen goed te beantwoorden zijn als je twee dingen helder voor ogen houdt.

Ten eerste: woorden zijn vogelvrij. Je kunt boos zijn op Trump omdat hij verwarring zaait door het woord nep op een heel andere manier te gebruiken dan dat wij dat doen, maar dit soort taalvernieuwing is wel heel normaal. We leren wat woorden betekenen door hoe mensen woorden gebruiken en als we woorden anders gaan gebruiken veranderen ze dus van betekenis. Als we de zon dit jaar allemaal sjaal gaan noemen, dan gaan we volgend jaar allemaal naar het strand om bruin te worden in het lekkere zomersjaaltje. Dat zulke veranderingen van de taal meestal geleidelijk gaan komt omdat het niet meevalt iedereen mee te krijgen in het nieuwe gebruik van sjaal. Maar beroemdheden en de (massa)media zijn wel krachtige verspreiders van nieuwe taal.

Ten tweede: betekenissen zijn juist vrij vast: ze zitten verstrikt in een kluwen van woorden. Taal is een netwerk. Als je de betekenis opzoekt van een woord dan stuit je vaak op een definitie van een 10tal woorden waarvan je van een paar de betekenis ook niet kent. Als je de betekenis van die woorden gast opzoeken stuit je wéér op definities met onbekende woorden. Enzovoort. Deze kluwen van woorden en verbanden tussen woorden is mooi weergegeven in een visuele thesaurus. In ons brein is deze taalkluwen ook nog eens verknoopt met persoonlijke herinneringen en emoties. Iedereen die wel eens met wol gespeeld heeft weet dat een kluwen veranderen niet meevalt. Natuurlijk kan het wel, anders had studeren geen zin,  maar of het Donald Trump lukt om mijn begrip van echt en nep te veranderen, dat betwijfel ik.

Terwijl woorden dus vrij gemakkelijk op een nieuwe manier gebruikt kunnen worden, worden ze op hun beurt in toom gehouden door betekenissen die zich niet zo makkelijk laten veranderen. Nieuw taalgebruik grijpt vaak vrij snel om zich heen, terwijl het veel moeilijker is om het denken daaronder te veranderen. Woorden zijn besmettelijker dan betekenissen.

Dat is misschien ontnuchterend nieuws voor mensen die zich, zoals ik, met leren en onderwijzen bezig houden. Het is niet zo moeilijk om studenten of collega’s te leren om nieuwe begrippen te gaan gebruiken. Maar, als je kijkt naar welke ideeën daar onder schuil gaan, gaat het gezegde “oude wijn in nieuwe zakken” gemakkelijk op. Die nieuwe begrippen hechten zich aan oude betekenissen terwijl dat vaak net niet de bedoeling is. Zo ontstaan er veel misconcepties en onzichtbaar onbegrip. Om een nieuw begrip in te laten dalen moet de hele taalkluwen veranderd worden. Dat vereist dat je het nieuwe begrip op veel manieren gebruikt en dat je als docent een lange adem nodig hebt om misconceptie na misconceptie recht te zetten.

Het is misschien ook ontnuchterend nieuws voor onderzoekers die het eens proberen te worden over hoe iets wat ze in de wereld zien precies begrepen moet worden. Vaak wordt dit gedaan door nieuwe taal in te voeren. Maar die nieuwe taal klit bij alle onderzoekers aan andere bestaande betekenissen. Er is zo heel wat discussie nodig voordat er een gedeeld begrip ontstaat van het verschijnsel. Voor hele nieuwe wetenschappelijke ideeën, zoals ooit de quantummechanica, blijft die discussie jarenlang doorgaan.

Het is ook slecht nieuws voor diegenen die proberen ons denken te vervangen door termen te veranderen. Je kan zwakzinnigen verstandelijk beperkten gaan noemen, allochtonen nieuwe Nederlanders of patiënten cliënten, maar maak je niet de illusie dat dat tot een hele andere behandeling van deze groepen leidt. De nieuwe term past namelijk precies op de betekenissen die de oude term ook had. De woorden die we gebruiken zijn vervangen, maar verstandelijk beperkten worden er niet vanzelf respectvoller door behandeld, nieuwe Nederlanders zijn niet welkomer dan allochtonen en cliënten niet minder afhankelijk dan patiënten. Voor dit soort veranderingen zijn de kluwens te sterk en de woorden te zwak.

Is het dan kansloos om met taal betekenissen te veranderen? Enige nuance is misschien op zijn plek. Met name de eerste regel, dat woorden vogelvrij zijn, is overdreven. Zeker woorden waar we al lang een bepaalde betekenis aan toekennen, zoals nep of sjaal kun je niet helemaal ongestraft voor iets nieuws inzetten. Als je die woorden gebruikt blijft er een stukje van de originele kluwen meekomen en dat kan de betekenis die je wil beïnvloeden wel degelijk in de war schoppen. Trump plakt het woord nepnieuws niet voor niets op de New York Times. Hij probeert daar twijfel mee te zaaien over wat echt is en wat nep is, zodat onwelgevallig nieuws hem minder hard zal raken. Dat zal ongetwijfeld een beetje lukken, maar op de langere termijn schat ik het niet kansrijk in. Iemand die lak heeft aan de betekenissen waar we mee zijn opgegroeid en opgevoed nemen we daarvoor simpelweg niet serieus genoeg. We zijn eigenlijk heel gehecht aan onze taalkluwens.

Meer lezen?

In mijn blogje Jargon, sprak ik al eens eerder over het verband tussen taal en kennis. De besmettelijkheid van ideeën besprak ik al eens in Memen.

Het netwerkkarakter van kennis besprak ik in Kennisnetwerken en in Sociale Kennisnetwerken. De discussie in de quantummechanica, behandelde de ik in EPR.

Een voorbeeld van een visuele thesaurus vind je hier.

 

 

 

Spiegelpaleis

Gisteren stond ik in de rij achter een vader, een moeder en hun twee dochters; ze leken me een gelukkig gezinnetje. Maar, we stonden immers te wachten, één van de twee dochters was een beetje baldadig. De vader gaf haar een liefdevol-maar-berispend kneepje in de wang. Het duurde natuurlijk maar een paar seconden voordat zij haar zusje op hetzelfde recept trakteerde; wat haar natuurlijk weer op een reprimande kwam te staan. Wij mensen zijn sociale dieren en imitatiegedrag zoals in dit voorbeeld komt veel voor. Door elkaar steeds na te doen leren we van elkaar en versterken we onze groepsband. Of pappa het nou leuk vond of niet, met het knijpen van haar zusje zei ze tegen hem ‘ik ben net als jij’ en tegen haar zusje ‘jij hoort er ook bij’. Het was een ín en ín sociale actie.

Dit soort gedrag speelt ook een belangrijke rol bij ideeënvorming. Zet een paar verschillende mensen bij elkaar in een groepje en hun denkbeelden zullen meestal snel naar elkaar toegroeien. Echt afwijkende ideeën houden we meestal liever voor onszelf en de dingen waar we het ongeveer over eens zijn bespreken we uitvoerig. Als we allebei vinden dat het niveau van onze studenten omhoog moet, is dat steeds onderwerp van gesprek. Als we heel verschillende ideeën hebben over hoe dat zou moeten, bespreken we daar minder van.  In een groep zijn de die ideeën die we met elkaar met elkaar blijven uitwisselen dus meestal gelijksoortig. Het sociale effect is dat er in de groep een gevoel van gelijkgestemdheid is waar we veel behoefte aan hebben. Maar het het delen van gelijksoortige ideeën heeft ook inhoudelijke voordelen. Gelijksoortige ideeën zijn namelijk gemakkelijk te combineren tot nieuwe ideeën waardoor ze zich verder ontwikkelen. Dit heeft op zijn beurt weer een sociaal effect. De ideeën die we als groep gemaakt hebben vormen weer een band, want gezanmelijke ideeën: daar zijn we samen trots op.

Zo leven we allemaal in verschillende kenniscellen. Je kamergenoten op het werk, een vriendengroep die je regelmatig ziet, je gezin het zijn allemaal kleine groepjes met hun eigen, gedeeld gedachtengoed. Eerst, zodra ze gevormd worden, zorgen kenniscellen bijna altijd voor veel creativiteit. De leden van het nieuwe groepje delen ideeën die op elkaar voortbouwen, waar weer nieuwe ideeën uit ontstaan. Maar dat creatieve effect dooft na een tijdje uit. De gemeenschappelijke ideeën zijn zo belangrijk voor de sociale orde, dat ze een steeds grotere plaats in de gespreksstof gaan innemen. Daardoor blijven in een oude kenniscel steeds maar weer dezelfde ideeën rondzingen. En er gebeurt nog iets anders. Het wordt steeds moeilijke om buiten de cel te kijken en in te schatten hoe anderen, buiten de cel, eigenlijk over de onderwerpen waar steeds over gesproken wordt denken. Mensen overschatten namelijk systematisch hoe breed hun eigen gedachtengoed, gedeeld wordt.

Dit heeft te maken met een psychologisch mechanisme dat de availability bias heet. Sociaal psychologen hebben aangetoond dat mensen informatie die makkelijk beschikbaar is voor het brein (omdat die vers in het geheugen zit bijvoorbeeld) zwaarder wegen in hun oordeelsvorming dan andere informatie. Als je elke dag nieuws hoort over bijvoorbeeld klimaatverandering ga je het sneller als een probleem zien en ga je eerder denken dat het waar is wat er over gezegd wordt. Je brein werkt het liefst met die dingen die voor het grijpen liggen. De combinatie van de availability bias met de neiging om in groepen gelijksgestemdheid te ontwikkelen leiden tot een soort ideeënblindheid. In een kenniscel hoor je steeds dezelfde ideeën van dezelfde mensen en de availability bias zorgt ervoor dat je juist aan die ideeën veel waarde hecht. Zodoende gaan groepen er vaak stilzwijgend van uit dat er buiten de groep ongeveer net zo over het onderwerp gedacht wordt als binnen de groep.

Natuurlijk bewegen we ons in meerdere groepen, maar veel daarvan zij stabiel. Op het werk zijn dat bijvoorbeeld het groepje collega’s waar we mee lunchen, de collega’s waar we een kamer mee delen en de vaste teams waar we in werken. Die stabiele teams vormen een soort spiegelpaleis. We denken het geheel van ideeën in onze sociale kring te kunnen overzien, maar dat blijkt vaak niet waar. Veel mensen denken bijvoorbeeld dat ze een aardig idee hebben van wat er zoal in de organisatie speelt, maar als je die ideeën gaat onderzoeken blijkt het projectie. Mensen denken dat datgene wat op hun eigen kamer besproken wordt, in de hele organisatie besproken worden. Maar een kamer verder worden andere dingen besproken; en denken ze ook dat juist die ideeën in de hele organisatie spelen. De availability bias maakt dat onze kenniscellen spiegelwanden heeft waarin we van alles denken te zien, maar waar we eigenlijk vooral naar onszelf zitten te kijken.

Voor dit nadelige aspect van kenniscellen is eigenlijk maar één remedie. De reality check.  Als je altijd op een universiteit rondloopt loop dan eens een dagje mee in de verpleging. Ga eens op de thee bij je Turkse buurvouw. Praat eens met een collega die je niet elke dag ziet. Op die momenten prik je de celwand even door en ontdek je wat er buiten je eigen wereldje leeft. Dat kan best verfrissend zijn.

Meer lezen?

Dit blogje is voor een groot deel gebaseerd op de ideeën van Thijs Homan, professor verandermanagement aan de open universiteit. Hij vertelt er smakelijk over in dit online college.

Ik sprak al eerder over de onbetrouwbaarheid van het brein en het effect op onze kennisbeleving in mijn blogjes: geheugenmachine, kennisbronnen en in eksters.

Memen

Memen vormen de spil in wat je wel een culturele evolutietheorie kan noemen. Richard Dawkins wijdt er in zijn boek ‘The Selfish Gene’ niet meer dan een hoofdstukje aan, maar het idee blijkt aanstekelijk en duikt op veel plekken op. Eigenlijk gebruikt Dawkins de evolutietheorie als metafoor voor de verandering van ons ‘gedachtengoed’. Memen – ideeën eigenlijk – verspreiden zich door communicatie en zijn onderhevig aan een cultureel selectieproces; net zoals genen zich door voortplanting verspreiden en aan natuurlijke selectie onderhevig zijn. Een soort heeft een genenpool, een cultuur een memenpool. Met het begrip memen in de hand kunnen allerlei concepten uit de evolutietheorie één op één ingezet worden voor het begrijpen van kennisontwikkeling.

Van mementheorie kun je van alles vinden, maar voor ik daar wat meer over zeg is het misschien goed om iets verder op de boodschap van het boek ‘The Selfish Gene’ zelf in te gaan. Dawkins is namelijk een reductionist pur sang. Het kernbetoog van Dawkins is dat de evolutie niet een evolutie van organismen of soorten is, maar een evolutie van genen. De genen vormen de bouwplannen van de organismen die ze gebruiken om de competitie met andere genen aan te gaan in hun strijd om het bestaan. Organismen zijn dus slechts “fenotypen”, machines die de genen (het “genotype”) om zich heen bouwen om zich succesvoller voort te planten. Alle zichtbare eigenschappen van die organismen zoals intelligentie of fysieke kracht zijn dus uiteindelijk terug te voeren op het succes van de genen die eigenschappen veroorzaken. Een gen in een sterk dier heeft nu eenmaal meer kans zich voort te planten dan een gen in een zwak dier. Het hele boek lang hamert Dawkins er in dat evolutie blind is; erg blind.

Terug naar de memen. De kracht van mementheorie zit vast in haar eenvoud en herkenbaarheid. Als soorten kunnen evolueren door toedoen van genen, waarom kunnen culturen dan niet evolueren door toedoen van memen? Memen springen van het ene naar het andere brein, planten zich daar, bevrucht door andere ideeën, voort en springen weer over. Sommige ideeën zijn succesvol en invloedrijk en springen van brein naar brein, andere ideeën zijn minder invloedrijk en zijn dus een kort ‘leven’ beschoren. Dit is een intuïtief idee en als de evolutietheorie zoveel verklaringskracht heeft voor het begrijpen van het ontstaan van soorten waarom kan mementheorie die rol dan niet voor de evolutie van culturen spelen?

Als metafoor vind ik mementheorie ook mooi. Ze lijkt erg op het idee van een kennisstroom dat ik eerder besprak. Het dwingt tot bescheidenheid over je eigen rol de ontwikkeling van ons gedachtengoed. Eigenlijk zegt mementheorie dat jouw ideeën niet bij jou ontspruiten, maar dat je ze te leen hebt en ze hooguit wat kan veranderen voor je ze weer de wereld in stuurt. Het beeld helpt ook om te begrijpen dat ideeënvorming iets is wat je samen doet. Je vormt ideeën door het gesprek aan te gaan met anderen; waarbij zowel de ideeën zelf als het gedachtengoed waarbinnen ze succesvol kunnen zijn zich moeten ontwikkelen. Een co-evolutie, zoals ook soorten en hun ecosysteem co-evolueren.

Maar, als theorie vind ik mementheorie nogal overschat. In tegenstelling tot genen kunnen we memen niet onder de microscoop leggen en bekijken hoe ze veranderen. Er zijn maar een beperkt aantal genen, terwijl er oneindig veel memen kunnen bestaan. De koppeling tussen genen en organisme lijken me veel harder dan die tussen memen en cultuur. Dawkins laat in zijn boek heel goed zien dat de evolutietheorie zijn kracht voor een belangrijk deel dankt aan de moderne interpretatie ervan en het wetenschappelijke apparaat dat daar omheen gebouwd is. Dat kun je niet zo maar overzetten naar de wereld van gedachten. In die zin is mementheorie op dit moment waar de evolutietheorie was toen Darwin hem net publiceerde. Een wervend inzicht en een begin, misschien.

Een goede theorie helpt vaak om de juiste vragen te stellen. Maar, ik vraag me af of mementheorie ons niet eerder op het verkeerde dan op het goede spoor zet. In mementheorie doet alleen de aanstekelijkheid van een idee er toe. Hoe we ideeën verwerken of verbeteren doet er niet toe. Het maakt niet uit hoe we aan informatie komen, hoe we leren en zelfs niet hoe we communiceren. De inhoud van de ideeën is ook niet van belang. Mementheorie vindt het niet interessant wie Martin Luther King was en wat er van zijn visie van belang is voor de mensheid. Het enige waar mementheorie zich op richt is hoe hij zijn ideeën kon verspreiden en mogelijk wat maakte dat ze in goede aarde vielen.

En dan is er nog die extra reductiestap. Dawkins betoog voor het organisme als fenotype: een machine die door de genen gebouwd wordt om zichzelf succesvoller te kunnen voortplanten is vrij overtuigend. In mementheorie kun je een zelfde stap zetten. Vaak worden dan instituten zoals de kerk aangehaald. Zijn dat niet ook hele complexe machines, met als enige doel de verspreiding van het idee van God? Is God niet gewoon een succesvolle meme, die de kerk gebruikt om zich te handhaven tussen andere ideeën? Overtuigde atheïsten vinden dit wel een mooi plaatje, maar hetzelfde recept kan je natuurlijk op elk instituut of cultuurdrager toepassen. TV kan je zien als memencentralisatie, boeken als memenconservatie, scholen zijn er om de meme van scholing voor te planten, universiteiten voor de meme van wetenschap, parlementen voor de meme democratie, en zo voort. Ik vraag me af wat we daar mee opschieten. Dat een cultuur rust op breed gedragen basisideeën is wel algemeen aanvaard; het woord mentaliteit verwijst daar ook naar. Het is ook wel een houdbare stelling dat cultuurdragers de manifestaties zijn van de basisideeën van een cultuur. We kunnen ook nog zeggen dat ze helpen om die ideeën in stand te houden, maar om dat nu het enige doel te noemen. Dat is misschien wat ongepast.

Terwijl je dit las hebben allerlei ideeën zich in je hoofd genesteld en lekker liggen seksen met andere ideeën. Sommige voortbrengsels daarvan zullen mij weer inspireren tot een nieuw blogje vol potentiële ideeënsex. Toch? Vergeet die dus niet te delen, voor het voorbestaan van onze cultuur 🙂

Meer Lezen?

Ik beschreef eerder 2 andere metaforen voor kennis in kenniscontainers en in kennisstroom.

Ook schreef ik al eens over de evolutietheorie zelf in evolutiesnelheid.

Kenniscontainers

In één van de leerboeken die ik voorgeschreven kreeg op de lerarenopleiding stond een plaatje dat me altijd is bijgebleven. Het menselijk hoofd was afgebeeld als een ladekast. In elk laadje paste een stukje kennis. De uitdaging was om de ladekast te vullen en opgeruimd te houden. ‘Vergeten’ zo zei het leerboek, kwam niet omdat kaboutertjes een laadje leeggehaald hadden, maar omdat je niet meer wist welk laadje je ook al weer moest hebben. Deze manier om het geheugen te zien, was, zo verzekerde de schrijver me, zeker niet de enige, maar in sommige situaties zou ze van pas kunnen komen.

Het zou kunnen dat ik in de vorige paragraaf precies heb opgeschreven hoe jij op dit moment over kennis denkt. Als iets dat je kan ‘opslaan’ en ‘ophalen’, zoals dat ook op een harde schijf van een computer gaat. Met sommige kennis gaat het misschien ook zo. Een telefoonnummer bijvoorbeeld, of de naam van je nieuwe collega: die probeer je op te slaan en terug te halen wanneer je ze nodig hebt. Maar het is de vraag of dit de manier is om alle kennis te begrijpen of dat deze voorbeelden eerder de uitzondering dan de regel vormen. Is mijn gevoel voor rechtvaardigheid opgebouwd uit opgeslagen feiten? Of mijn muzieksmaak? Begrijp ik de wetten van Newton omdat ik veel voorbeelden heb onthouden, of speelt er iets meer?

Het antwoord is volmondig ‘ja’. Er speelt een heleboel meer. De ‘brein als ladenkast’ metafoor zit diep in onze taal over leren en voelt dus heel natuurlijk aan, maar als je er echt over na gaat denken kom je er niet zo ver mee. Één groep wetenschappers die dit al snel ontdekte waren onderzoekers die aan kunstmatige intelligentie werkten. Zij probeerden denkende systemen te maken door er veel kennis in te stoppen, maar stuitten op het probleem dat om heel eenvoudige zinnetjes te kunnen begrijpen enorm veel achtergrondkennis nodig is. Je moet om deze tekst te kunnen lezen, om maar een voorbeeld te noemen, nogal wat laadjes open schuiven (denk miljoenen) en de vraag hoe een mens dit voor elkaar krijgt dringt zich dan op, natuurlijk.

Een ander probleem met de kennis als ladekastmetafoor is dat deze slecht past op hoe ons brein gebouwd is. Ons brein is een netwerk. De cellen (neuronen) van het brein hebben verbindingen met andere cellen in het brein. We weten eigenlijk vrij weinig van hoe deze ‘hardware’ er in slaagt iets ingewikkeld als het menselijk denken en het bewustzijn mogelijk te maken, maar we weten dat de verbindingen steker en zwakker kunnen worden en dat deze sterktes veranderen als we iets leren. Het idee dat kennis bestaat uit ‘associaties’ in plaats van uit ‘feiten’ dringt zich dan op, maar dit hoeft natuurlijk niet zo te zijn. Het kan best zijn dat een opslagsysteem zoals een harde schijf gebouwd is op de netwerk infrastructuur van het brein. Neurowetenschappers, die als geen ander het idee van het brein als netwerk zouden moeten kunnen bevatten lijken soms ook erg bevangen door de laadjes metafoor. Ze zijn vaak op zoek naar een specifieke plaats in het brein voor een menselijke vaardigheid zoals bewegingsherkenning of gezichtsherkenning. Alsof het lokaliseren van dit soort plekken het geheim van kennis kan ontrafelen.

Zijn er alternatieven voor de ladenkast metafoor? Waarschijnlijk wel en ik zal daar ook nog wel over schrijven, maar nu wil ik het even laten bij de stelling dat de ladenkast metafoor niet voldoet. Het is misschien wat onaardig om een blogje te schrijven over hoe we kennis niet moeten begrijpen zonder echt een alternatief te bieden en toch denk ik dat het loslaten van de ladekast metafoor een belangrijke stap is op weg naar een beter begrip van hoe leren en kennisproductie werkt. Dit is in ieder geval wat Carl Bereiter in zijn boek ‘Education and Mind in the Knowledge Age’’ probeert te doen. Hij laat zien dat we de ladekasten niet nodig hebben om de belangrijkste aspecten van het leren te begrijpen en dat ze vaak in de weg staan om meer subtiele kennisvormen zoals het ontwikkelen van smaak en intuïtie een plekje te geven in ons onderwijs. En laten we wel wezen, deze subtielere vormen van kennis hebben we hard nodig.

Meer lezen?

In mijn blogje over basiskennis ga ik in op de vraag welke kennis echt basiskennis is.

In mijn blogje “metaforen voor het leven” ga ik in op het belang van metaforen (zoals de ladenkast metafoor) voor ons denken.

Het boek van Carl Bereiter “Education and Mind in the Knowledge Age” is wat mij betreft een aanrader.