Calimero

Nu we na decennia babbelen over de klimaatverandering eindelijk in actie lijken te komen, breken gouden tijden aan voor argumentatie-antropologen. De ‘na mij de zondvloed types’ in ons land willen natuurlijk best een beetje inschikken met hun Hummers, maar niet zonder eerst nog even flink wat verbaal vuurwerk af te steken. Dus rapporteert de Telegraaf in chocoladeletters over “klimaathysterie” en “klimaatindustrie” en buitelen de drogredenen en complottheorieën op sociale media als vanouds over elkaar heen. Over het woordenspelletje dat de Telegraaf nu probeert te spelen sprak ik al eens in betekenisdrift, dus daar hoef ik nu niet zoveel aan toe te voegen, maar er zijn zeker argumenten in deze discussie die een nieuw blogje waard zijn.

Zoals bijvoorbeeld het argument waar ik me het meest over verbaasd heb: het Calimero-argument. Het gaat ongeveer als volgt. (1) Wij zijn maar een heel klein landje. (2) Dus moeten we vooral niet vooroplopen met klimaatmaatregelen. (3) Want wat wij doen helpt bijna niets én (4) misschien doen de anderen wel niet mee.

Zucht. En zij zijn groot en wij zijn klein. Het is een venijnig argument omdat het zo redelijk en lekker veilig klinkt. Eerst maar eens kijken of de grote jongens wel meedoen, dan kunnen wij onze paar centen ook wel inleggen; en tot die tijd is er toch niet veel verloren. Getekend: diverse politieke partijen, waaronder het CDA.

Het deugt natuurlijk niet hè? Het klimaatprobleem is een typisch geval van wat economen de tragedy of the commons noemen. Als er een handvol boeren zijn die hun koeien op hetzelfde gras (de commons) laten grazen zijn de individuele belangen van de boeren niet te rijmen met het gemeenschappelijke belang.

Voor elke boer afzonderlijk is het handig om een paar extra koeien op het gras te laten: dat levert meer melk op. Zolang er genoeg gras is tenminste: dus het is in het gemeenschappelijke belang om juist niet teveel koeien los te laten. Als alle boeren een extra koe nemen is het gras zo verdwenen.

De tragedie is dat er een kale vlakte ontstaat als alle boeren hun individuele belang voorop stellen en alle boeren dan failliet gaan. Slimme boeren denken dus niet alleen aan zichzelf, maar maken afspraken over hoe veel koeien ze laten grazen en houden zich er aan. Zodat alle koeien, ook die van de boer zelf, altijd genoeg gras hebben.  Ze plaatsen het gemeenschappelijke belang vóór het eigenbelang.

Zo zit het ook met het klimaat. We dragen allemaal bij aan het klimaatprobleem en hebben er allemaal baat bij dat het opgelost wordt. We hebben in Parijs afgesproken minder uit te stoten en het is in ons gemeenschappelijke belang dat ook te doen. Als Calimero alleen maar aan zichzelf denkt is het vast beter om even te wachten met die klimaatmaatregelen, maar dat najagen van het eigenbelang is juist wat het probleem veroorzaakt. Het kan dus niet de oplossing zijn. Tijd om wakker te worden. Er is nauwelijks gras meer. Iedereen, ook Calimero, moet het gemeenschappelijke belang voorop gaat stellen.

Het wijsspelletje dat hier gespeeld wordt is ook alomtegenwoordig. Het maakt helemaal niet uit hoe groot of klein je bent. Burgers wijzen naar de grote bedrijven. Kleine landen wijzen naar grote landen. Grote landen wijzen terug. Arme landen wijzen naar rijke landen. Iedereen wijst naar Amerika.

Maar het gaat niet om wie het meeste gras eet. Iedereen eet nu al meer dan haar deel. De meeste Nederlands burgers eten teveel gras. Het bedrijfsleven eet teveel gras. Andere landen, groot en klein, eten teveel gras. We moeten allemaal minder gras gaan eten en zolang we naar elkaar blijven wijzen verandert er niets. Bovendien ben je pas in een positie om iets te zeggen van wat anderen doen, als je eigen gebruik een beetje op orde hebt. Hoe groot of klein je ook bent.

Dat het moreel onjuist is om klimaatmaatregelen uit te stellen betekent natuurlijk niet dat het ook onhandig is. Misschien is afwachten gewoon goede realpolitik. Het commons-spel wordt nooit helemaal eerlijk gespeeld en wie weet kunnen we ons wel in een betere positie sjoemelen door iets later in te stappen. Daarom intrigeert het woord vooroplopen in het Calimero-argument me. Wat zou een voormalig gidsland kunnen winnen bij een beetje achterop lopen?

Ik kan wel wat dingen bedenken, maar de belangrijkste is de overloopredenering. Nederland is natuurlijk geen eiland. Als wij strenge klimaatregels gaan hanteren terwijl andere landen er met de pet naar gooien, dan gaan die vervuilende bedrijven, vliegtuigen en personen wel ergens anders heen. De wereld wordt daar niet schoner van en wij verdienen er veel minder door. Erger nog als die bedrijven eenmaal weg zijn komen ze misschien wel nooit meer terug en ondervinden wij blijvend schade aan onze economie, alleen maar omdat we zo nodig de eerste wilden zijn.

Nu lopen sommige dingen wel sneller over dan andere. Mensen die in het Oosten wonen pakken misschien net zo lief in Frankfurt het vliegtuig, maar daarmee zit Schiphol niet ineens zonder reizigers. Veel mensen vinden het sfeertje op Schiphol prettiger, voor veel mensen is of voelt het dichter bij – en daarom blijven ze er heen gaan, ook als het daar wat duurder is. Zo zit het ook met bedrijven. Een bedrijf verplaatsen kost veel geld en moeite dus je gaat je geluk pas in het buitenland beproeven als je daar heel goede redenen voor hebt.

Overlopen is zo makkelijk nog niet. De kosten om je persoonlijke routine te verleggen of om de bedrijfsvoering aan te passen, worden switching costs genoemd en ze zijn vaak een reden om je geluk juist niet elders te beproeven. Tenzij je er vertrouwen in hebt dat het daar blijvend beter gaat zijn. Daar komt bij dat de angst dat bedrijven die overstappen voorgoed weg zijn ook nog eens gebaseerd op een asymmetrie. Een overstap naar het buitenland is zo gebeurd, maar om terug te komen zijn de switching costs veel te hoog.

Eigenlijk is die overloopredenering dus ìn en ìn pessimistisch. Het doet alsof wij heel onpopulair zijn en niemand bij ons wil horen. Het drukt  ook pessimisme uit over de toekomst en hoe anderen dan met het klimaat zullen omgaan. In een wereld waar iedereen haar klimaatbeleid gaat aanscherpen, nu of in de iets verdere toekomst, heeft overlopen niet zoveel zin. En dan is het voor een klein gidslandje als Nederland ook niet zo erg om voorop te lopen in de verduurzaming.

Daarmee is het overloopargument gewoon een onderdeel van het wijsspelletje dat toch al in het Calimero-argument omsloten zit. Wij zijn bang dat anderen misschien niet meedoen en daarom doen we nog maar even niets. Waarmee we onszelf blootstellen aan de risico’s die met klimaatverandering gepaard gaan én voorkomen dat we in een positie zijn om er wat van te zeggen als anderen inderdaad niet mee blijken te doen. Dat lijkt me heel onverstandig.

Ik kan wel eens boos en verdrietig worden van hoe we op het moment aan pessimisme ten onder gaan. Als het niet zo enorm tragisch was, zou je de mensheid nu zien als een bedreigde diersoort die het aan zichzelf te danken heeft. Panda’s hebben bijna nooit seks en eten met hun dieet van bamboe wel heel eenzijdig. Mensen wijzen naar elkaar tot ze een ons wegen en stoken ondertussen de planeet zo warm dat die onleefbaar wordt. Natuurlijk red je het dan niet als soort. Het is tragisch, maar ook wel een beetje aandoenlijk.

Meer lezen?

In betekenisdrift ga ik in op de vraag of woordgebruik invloed heeft op de gedachten. De Telegraaf rekent daar wel op, maar geloof er niet zo in.

In in opdracht van de tijd sprak ik ook al eens over hoe verwachtingen over de toekomst ons handelen bepalen. Ik was daar vrij kritisch over het gebruik van voorspellingen over de toekomst als raadgever.

 

 

Moeras

Veel metaforen die mensen voor kennis gebruiken idealiseren het begrip wel een beetje: een boom heeft structuur en groeit, containers zijn handig om dingen netjes in op te bergen, in netwerken is alles met alles verbonden, een kennisstroom gaat ergens heen. Dat zijn natuurlijk mooie eigenschappen, maar het zijn misschien meer eigenschappen waarvan we zouden willen dat kennis ze bezit dan dat dat ook daadwerkelijk zo is. Deze metaforen schilderen kennis eigenlijk af als het mooiste meisje van de klas, waar we jammer genoeg toch nooit mee gaan trouwen. Daarom gooi ik het nu eens over een totaal andere boeg. Wat als we kennis niet vergelijken met iets moois en verhevens, maar eerder met de stinkende, natte en zompige werkelijkheid van het moeras?

Als ze het durven toegeven zullen veel onderzoekers zullen het wel een treffende vergelijking vinden denk ik. Ik voel me bijvoorbeeld vaak als een soort Baron von Munchausen die zichzelf aan de eigen haren uit het moeras trok; met dat verschil dat het hem wèl lukte. Steeds als ik iets nieuws probeer te begrijpen is het zoeken naar houvast en structuur. Het lukt je wel eens ergens een takje vast te pakken om wat houvast te hebben; of om ergens een beetje vaste grond onder je voeten te voelen, maar je hoeft maar één stap te zetten en je zakt weer helemaal weg in de modder.

Ook als je geen onderzoeker bent, kun je iets met deze metafoor. Denk eens aan de voorzichtigste eerste stapjes die je soms zet om iets te begrijpen dat helemaal nieuw voor je is. Je probeert nieuwe begrippen altijd terug te brengen tot dingen die je al kent, maar omdat dat maar ten dele lukt kun je je behoorlijk verloren voelen. Er is geen overzicht: je krijgt je hoofd er nooit helemaal omheen; je hebt geen vaste grond om op te staan. Uiteindelijk krijg je natuurlijk wel meer begrip, je leert de omgeving van het nieuwe idee beter kennen, er ontstaan olifantenpaadjes waarlangs je weet dat het begrip benaderbaar is. Zo komt het langzaam binnen bereik. Maar owee als iemand een onverwachte vraag weet te stellen, dan ben je weer helemaal verloren. Als je het idee weer langs een nieuwe weg moet bereiken is de kans op natte voeten weer levensgroot.

Als een van de weinige kennismetaforen benadrukt het idee van kennis als een moeras hoe moeilijk leren en onderzoeken werkelijk zijn; hoe lastig, onvindbaar en slecht begaanbaar de wegen naar een nieuwe kennis – in je hoofd of in de wereld – kunnen zijn. Misschien verklaart dat waarom sommigen het opgeven en liever blijven bij wat ze al weten en kunnen, dan dat ze iets nieuws leren.

Dat geldt niet alleen voor individuen. Ook wetenschappelijke disciplines hebben hier last van, waardoor ze soms naar binnen gericht kunnen zijn. De filosoof Imre Lakatos beschreef disciplines eens als dingen met een harde kern van onbetwijfelbare waarheden, met daaromheen een ontwikkelingsgebied dat groter of kleiner kan zijn afhankelijk van de ouderdom van de discipline.

Het beeld van een vestingstad in een verder vrij onbegaanbaar moerasgebied dringt zich dan op. Binnen de discipline is vaste grond: in de vesting bestaan structuren en zekerheden, maar daarbuiten –tussen disciplines in- is het terrein veel onbegaanbaarder. Als wetenschapper heb je een keuze: blijf je veilig binnen de stad om er binnen de spelregels en structuren een betere plek van te maken, of ga je buiten de poorten op ontdekkingstocht uit. Mensen die kennis zien als een gebouw of als een boom, bekijken de kennis zoals die binnen de discipline is opgebouwd. Vaak zullen het ook mensen zijn die liever binnen de stad aan het werk zijn, dan ze er op uit trekken om de drassige omgeving te verkennen.

Geef ze eens ongelijk. Het moeras is koud en nat, je kunt er verdwalen en de kans dat je er een schat vind, of een nieuwe woonplek is bijzonder klein. Maar, nodig is dit soort werk net zo goed. Echt nieuwe kennis, of een brug of begaanbare weg tussen disciplines ligt misschien niet voor het grijpen, maar het is de moeite meer dan waard. Als de buurman niets nieuws wil leren en almaar vast blijft houden aan zijn eigen ideeën dan beschouwen we dat als lui of dom, terwijl we ons niet druk maken als wetenschappers datzelfde gedrag  vertonen.

Meer lezen?

Ik schreef over de voor- en nadelen van wetenschappelijke disciplines in helpt specialiseren. Ik besprak eerder andere metaforen voor kennis zoals de kenniscontainer, kennisstroom, kennisboom, kennisnetwerken en de geheugenmachine.

Ongezond

Als de dokter een medicijn voorschrijft dan mag je hopen dat hij zich goed geïnformeerd heeft, dat de werkzaamheid van het medicijn is aangetoond en dat de bijwerkingen bescheiden zijn – en bekend. Misschien wil je ook nog dat het medicijn beter werkt, of anders toch goedkoper is, dan andere medicijnen op de markt. Om dat allemaal mogelijk te maken bestaat er een praktijk die evidence based medicin heet. Maar in de praktijk van ‘bewezen medicijnen’ gaat zoveel mis dat doctoren eigenlijk geen fatsoenlijke medische beslissingen kunnen nemen.

Dat betoogt, althans, Ben Goldacre in zijn boek “Bad Pharma”. Het is een dikke pil waarin hij de praktijk van evidence based medicin helemaal afpelt. Hij laat zien hoe het zou moeten gaan, welke waarborgen er zouden moeten zijn en op hoeveel plekken het ook mis gaat. Als je evidence based medicin een warm hart toedraagt kan je van Goldacre’s betoog behoorlijk in de put raken, maar om het systeem te kunnen repareren moet je de fouten eerst blootleggen. Of, zoals Goldacre het brengt: “daylight is often a good disinfectant”.

Wat is er mis? Om dat te begrijpen moet je iets weten van de basisprincipes achter evidence based medicin. De gedachte is dat medicijnen grondig worden getest voordat ze (mogen) worden voorgeschreven. Dat gebeurd in zogenaamde “randomised controled trials”. Het medicijn wordt aan een groep patiënten gegeven en een andere groep patiënten krijgt een nepmedicijn – een placebo -, of een concurrerend medicijn. Zo kan de werkzaamheid van het medicijn worden bewezen en kunnen doctoren het daarna met een gerust hart voorschrijven.

Het kernprobleem in deze praktijk is missing data. In essentie is het doen van een medische trial een kwestie van tellen. Hoeveel patiënten zijn gezond geworden in de groep die het medicijn kreeg? Hoeveel in de controlegroep? Is er geen verschil, dan werkt het medicijn niet; is het er wel, dan werkt het. Maar, wat nou als je niet iedereen meetelt? Stel je voor dat je, bijvoorbeeld, mensen die gezond worden van het medicijn wèl telt en mensen waarvoor het niets doet niet. Dat lijkt flauw: alleen de gezonde mensen tellen, maar het is volgens Goldacre precies wat de farmaceutische industrie vaak doet.

Missing data ontstaat grofweg op 2 manieren. Ten eerste worden er flink wat trials uitgevoerd, maar niet gerapporteerd. Neem Reboxetine, antidepresiva. Het medicijn had een positief resultaat in één trial waar 254 patienten aan meededen. Maar, toen onderzoekers gingen graven wisten ze zes, niet gepubliceerde, trials op te sporen met in totaal meer dan 2500 patiënten – zonder resultaat. Werkt Reboxitine? Waarschijnlijk niet. En in ieder geval niet zo goed als dat doctoren die alleen toegang hebben tot de gepubliceerde data denken.

Missing data kan ook in een trial ontstaan, vaak vanwege praktische ingewikkeldheden. Hoe moet je bijvoorbeeld omgaan bij mensen die uitvallen tijdens een trial. Tel je ze bij de groep voor wie het medicijn niet geholpen heeft? Dat kleurt je uitslag negatiever in dan misschien nodig. Of tel je ze helemaal niet mee en doe je alsof ze zich nooit ingeschreven hebben? Dat lijkt een neutrale keuze, maar dat is het niet. Omdat mensen die ziek worden van het medicijn of de bijwerkingen, vaker afhaken is de kans heel reëel dat het juist een positieve kleuring aan de resultaten geeft. Of wat te doen met trials die vroegtijdig gestopt worden? Niemand wil natuurlijk dat een trial langer duurt dan nodig. Mensen slikken experimentele medicijnen en noodzakelijkerwijs slikt een groep zieke mensen helemaal geen medicijn. Maar als je stopt zodra een trial een voldoende positief resultaat heeft is de kans op een positief resultaat ook groter. Bij een negatief resultaat ga je door, waardoor het nog positief kan worden, maar bij een positief resultaat niet. Ook dan tel je gezonde patiënten zwaarder mee.

Deze problemen spelen in alle trials, niet alleen die die door de farmaceutische industrie worden uitgevoerd, maar daar gaat het, misschien niet helemaal onverwacht, wel veel vaker mis. Uit onderzoek blijkt dat als een trial is uitgevoerd door de fabrikant van een medicijn, in plaats van door een onafhankelijke instantie, de kans ongeveer 4 keer zo groot is dat er een positief resultaat uit komt. Dat hoeft geen fraude te zijn: het gaat eerder om ondeugdelijk onderzoek. Fabrikanten van medicijnen kunnen niet tellen. Of eigenlijk is het erger: ze rekenen zich rijk. En ja… verreweg de meeste trials worden uitgevoerd door de industrie. Een positieve trial is immers nodig om een medicijn op de markt te krijgen.

Allebei de vormen van verkeerd tellen zijn volstrekt gangbaar, maar ze vertroebelen het beeld voor doctoren op een ontoelaatbare manier. Feitelijk hebben doctoren, door het oppoetsen van trial data door de industrie, geen basis om deugdelijke medische beslissingen op te nemen. Ze kunnen niet weten of een medicijn werkzaam is omdat de meeste informatie waarop ze zich moeten baseren ontbreekt en omdat die informatie waar ze wel beschikking over hebben alleen bestaat omdat het de fabrikant van het medicijn goed uit kwam. We praten hier niet over één medicijn of een beperkte groep maar voor veel, zo niet alle, medicijnen op de markt. En dat in een praktijk die over leven en dood gaat.

Dat is misselijkmakend natuurlijk. Dus zoekt Goldacre naar oorzaken. Hoe komt het toch dat zoveel data verloren gaat en achter gehouden wordt? Bij zo’n onderzoek komt de farmaceutische industrie er natuurlijk slecht af, maar ook de instanties die de goedkeuring voor medicijnen verlenen, academische tijdschriften, ethische commissies en de overheid laten volgens Goldacre veel te veel steken vallen. Door de bewijslast bij de industrie te leggen en door het ontbreken van waarborgen waardoor alle data ook beschikbaar zijn blijkt de praktijk van evidence based medicin wel heel schraal af te steken bij de ideeën die er aan ten grondslag liggen. En erg gezond is dat niet.

Meer lezen?

Bad Pharma is een bedachtzame aanklacht tegen misstanden in de praktijk evidence based medicin, het staat vol met feiten en inzichten waar ik in dit korte blogje natuurlijk geen recht aan kon doen. Lees het.

Dit is de eerste keer dat ik over evidence practice schrijf. Over de statistiek achter trials sprak ik (indirect) in groepsidentificaties en eerlijk vergelijken. Over de de werelbeelden die achter een diagnose schuil kunnen gaan sprak ik in verkoudheid.

Eerdere boekreviews gingen over Little Science, Big Science van Derek de Solla Price, The Meme Machine van Susan Blackmore , Laboratory Life en Science in Action, beide van Bruno Latour.

De zwarte dozen van Latour

Hoe komen wetenschappelijke feiten eigenlijk tot stand? Door experimenten. Althans dat is het antwoord dat veel mensen zullen geven. Het is ook een mooi beeld. Zo’n experiment heeft iets puurs. Feiten openbaren zich in alleen in laboratoria omdat zij daar, dankzij de inventiviteit van de wetenschappers die er werken, losgekoppeld worden van alle rommelige context waar ze zich normaal in verstoppen. Dat is romantische onzin natuurlijk. Want wat kom je eigenlijk tegen als de totstandkoming van feiten wetenschappelijk gaat onderzoeken?

Ik schreef al eens over Bruno Latour’s onderzoek naar de werking van de wetenschap in Lableven. Latour laat, dat zal je niet verbazen, weinig heel van de romantische ideeën die veel mensen hebben over de wetenschap. In dit blogje bespreek ik zijn meest bekende werk, waar ik ooit de naam voor deze blog van geleend heb: “Science in Action”.

Het ideaalbeeld dat veel mensen hebben van wetenschap wordt gevoed door hoe we over wetenschap schrijven. Wetenschappers zelf, maar ook wetenschapsfilosofen, richten zich eerder op hoe wetenschap zou moeten zijn dan op hoe wetenschap is. Latour stelt zich anders op. Hij zegt dat wetenschap alleen begrepen kan worden door de praktijk te bestuderen. Dat doet hij dus ook, eerst in “Laboratory Life” en later in “Science in Action”. Latour laat daar zien dat wetenschappelijke feiten niet ontdekt, maar dat ze in de loop der tijd gesponnen worden.

Zwarte dozen…
Om dit te verduidelijken gebruikt Latour het begrip van de zwarte doos. Het begrip zwarte doos wordt gebruikt voor technologie die te complex is om helemaal te begrijpen. We kennen de input en de output, maar hoe de machine er in slaagt de vertaalslag tussen die twee te maken blijft verborgen. Het maakt niet uit hoe het van binnen werkt; we vertrouwen gewoon op de output.

Wetenschappelijke feiten, zoals de dubbele helix structuur van DNA, zijn net als die zwarte dozen. Toen DNA voor het eerst werd ‘ontdekt’ was het helemaal niet zo helder en zeker wat die structuur was of wat het belang er van was. Nu zien we de dubbele helix als een gegeven en is de complexe context van ontdekking voor ons verborgen. De dubbele helix is een zwarte doos geworden.

We kennen die wetenschap van de zwarte dozen goed. We leren de zwarte dozen op school: de aarde is rond, de zon een ster, dingen vallen door zwaartekracht, soorten ontstaan in evolutie, erfelijkheid, genetica, dna. Allemaal dingen die je niet in twijfel hoeft te trekken. We zien de wetenschap vervolgens graag als een proces dat zulke onbetwistbare kennis oplevert. Wat kan het anders zijn? De andere kant: de wetenschap in actie; het rommelige proces waarin die feiten tot stand komen is minder bekend. Hoe word een feit een feit? We moeten de zwarte dozen weer open zien te maken.

Doen we dat met de ‘dubbele-helix-doos’ dan zien we het gepuzzel van Watson en Crick. Er zijn mensen die geloven in een drievoudige helix en mensen die denken dat het helemaal geen helix kan zijn. Watson en Crick hebben het ook niet helemaal uitgedoktert: kan het chemisch wel? En als het zo zou zijn, helpt het de biologie dan verder? We zien de baas van Watson, die vindt dat ze zich met belangrijkere dingen bezig moeten houden. We zien hoe Watson en Crick zelf stukje bij beetje in het idee gaan geloven en hoe ze langzaam de een na de ander in het lab weten te overtuigen. Ze publiceren de structuur; het komt in het prestigieuze tijdschrift Nature.

Het spinnen van feiten…
Het geloof in de dubbele helix is dus langzaam gegroeid, in steeds bredere kring. Wanneer wordt de dubbele helix een feit? Hoeveel wetenschappers moeten er dan in geloven? Of was het al een feit en worden al die mensen daardoor overtuigt? Of zijn dit misschien twee kanten van dezelfde medaille die op een dag omklapt? Om deze vragen te beantwoorden onderzoekt Latour hoe wetenschappers elkaar overtuigen van hun gelijk: hij onderzoekt wetenschappelijke retoriek.

Je kunt de rijping van wetenschappelijke ideeën tot feiten goed volgen door wetenschappelijke retoriek te bestuderen. Wetenschappers kunnen bevindingen meer of minder feitelijk opschrijven. Een feitelijke vorm is: “de zon staat in het centrum van het heelal”. Een minder feitelijke vorm: “Galileo Galilei, beweert, tegen de algemeen geaccepteerde ideeën van Aristoteles in, dat de zon in het midden van het heelal staat”. In het tweede geval ga je vanzelf twijfelen hoe het zit met de aarde en de zon. Die twijfel word gezaaid door de context van ontdekking mee te geven. Galileo zou er ook naast kunnen zitten, zeker omdat hij de grote Aristoteles tegen spreekt. Door alle context weg te laten word het juist meer een feit. Wetenschap in actie is onzeker en speculatief, gestolde wetenschap niet.

In wetenschappelijke papers kun je goed zien dat de discussie nog in volle gang is. Wetenschappers trekken meestal een heel blik overtuigingstechnieken open om hun gelijk te krijgen. Ze staven hun beweringen met referenties naar anderen die soortgelijke dingen beweren; ze dekken zich in tegen wetenschappers die anders beweren; ze bouwen hun betoog gelaagd op zodat hun bewering zo waterdicht en feitelijk mogelijk overkomt. Dat maakt wetenschappelijke papers zo moeilijk om te lezen. In een luchtig betoog schiet je veel gemakkelijker gaten. Dat komt wetenschappers die hun prille ideeën geaccepteerd proberen te krijgen natuurlijk niet goed uit.

Uit het bestuderen van het publicatieproces trekt Latour de conclusie dat of een wetenschappelijke bewering als feit gezien wordt of juist niet, eigenlijk vooral afhankelijk is van anderen. Hoe slim je experiment ook is, of hoe baanbrekend je ideeën: wat uitmaakt is hoeveel wetenschappers naar jouw paper refereren, welke dat zijn en hoe feitelijk ze in je in die referenties aanhalen. Feiten ontstaan in een sociaal proces tussen wetenschappers. Het helpt zeker als je de natuur aan je kant hebt staan, maar de kunst is allereerst om andere wetenschappers te overtuigen.

Misschien vind je deze analyse van wetenschappelijke literatuur wat onbevredigend. Je kunt wel stellen dat feiten ontstaan in het sociale publicatieproces, maar al die publicaties gaan toch ergens over? Moeten we niet, als we willen weten hoe feiten tot stand komen, graven naar de echte bron van die kennis: het laboratorium?

Dus neemt Latour ons mee het lab in. Maar, ook het bezoek aan het laboratorium kan een teleurstellende ervaring zijn. Het lab staat op zichzelf weer vol met zwarte dozen. Als we in het lab om een reproductie van een belangrijke grafiek uit het artikel vragen, zien we op een bepaalde manier meer dan in het artikel staat. We kunnen nu echt zien hoe de grafiek tot stand komt: door een complexe setup van apparatuur, elektronica, protocollen. Maar we zien ook minder dan in het artikel, want we moeten elke stap in het proces en elk apparaat doorgronden en vertrouwen om een klein beetje zicht te krijgen op de ‘werkelijkheid’ achter de grafiek. Het lab staat zelf weer vol met zwarte dozen. Eigenlijk is de enige manier om echt grip te krijgen op het experiment zelf een even ingewikkeld lab te bouwen het experiment na te doen. Het is deze strijd tussen laboratoria die we in de literatuur terugzien.

Als we een experiment gaan bekijken verwachten we de naakte feiten te kunnen zien: we verwachten een openbaring van de natuur. Maar in werkelijkheid zien we, net als in het artikel, een zorgvuldig geconstrueerde, vaak uiterst kwetsbare, schakel in technische en theoretische argumentatie. Net als in het wetenschappelijke artikel is de natuur in het lab alleen indirect aanwezig.

Vooruit: je mag hopen dat de natuur uiteindelijk het debat tussen wetenschappers beslecht, maar zolang de kennis nog in ontwikkeling is, is óf en hoe de natuur zich via het experiment laat kennen juist het onderwerp van de discussie. Totdat wetenschappers het hier over eens zijn, kan de natuur het debat niet beslissen. Latour stelt daarom dat je als je wetenschap in actie bekijkt wel relativist moet zijn: hoe we de natuur zien is de resultaat van de wetenschappelijke controverse – het is een sociaal proces. Terwijl je als je naar gestolde wetenschap kijkt wel realist moet zijn: uiteindelijk hebben we na veel discussie en een reeks ingewikkelde experimenten de natuur begrepen zoals hij écht is. Want, hoe indirect ook, als de natuur in al die experimenten niet een rol gespeeld had, was de controverse nooit geëindigd.

Tolken in groeiende netwerken….
Is het stollen van speculaties tot feiten nog beter te volgen? Daarvoor moeten we volgens Latour het lab weer uit en proberen om het sociale proces tussen wetenschappers in meer detail te bestuderen. Stel je voor dat je een onderzoeker bent die van een controverse een zwarte doos wil maken. Dan zal je anderen mee moeten krijgen. Je zult moeten zorgen dat anderen geïnteresseerd raken in jouw ideeën en dat ze jouw feiten-in-wording willen, of wel moeten gebruiken. Dat kan natuurlijk door aan te sluiten bij de interesses van anderen of door mensen te overtuigen dat wat jij doet in hun belang is. Ook zal je tot op zekere hoogte hun gedrag moeten controleren. Als anderen je werk op een heel andere manier gebruiken dan jij had voorzien ben je daar niet persé beter mee af.

Naast een inhoudelijke dimensie heeft wetenschap dus ook een politieke dimensie. De een is niet te begrijpen zonder de ander. Het is een proces waarin je gelijktijdig mensen moet aanhaken bij je project, ze tot op zekere hoogte moet controleren, terwijl je de realiteit definieert. Die buitenkant van de wetenschap is zeker zo belangrijk als de binnenkant. De peperdure laboratoria waarin wetenschappelijke ontdekkingen gedaan worden, bestaan bij gratie van mensen die er in willen investeren, mensen die op hun beurt hun eigen agenda’s najagen. Latour licht dit toe aan de hand van Lyde, de grondlegger van de geologie.

Lyde leefde in een tijd waarin het als een feit beschouwd werd dat de aarde door God geschapen was en waar je de geschiedenis van de aarde alleen kon bestuderen aan de hand van de bijbel. Hij had dus geen wetenschappelijke collega’s (hooguit vijandig gestemde), maar had die wel nodig om zijn werk niet als een theorietje van een overenthousiaste amateur weg te laten zetten. Omdat hij geen wetenschappelijke gemeenschap om zich heen had, kon hij ook geen financiering regelen, kon hij geen studenten opleiden en ga zo maar door. Er was geen netwerk waarbinnen de piepjonge geologische wetenschap kon groeien.

Lyde slaagde er ondanks die beperkingen in om iets van de grond te krijgen, maar er zijn natuurlijk veel meer onderzoekers die er voortijdig -soms zelfs al tijdens hun promotie- mee stoppen. Als we als karikatuur kijken naar de prof die nauwelijks onderzoek aan het doen is, maar zijn tijd besteed aan netwerken, financiering regelen en ambassadeurschap en die vergelijken met de onderzoeksassistent die dag in dag uit in het lab aan het zwoegen is om de natuur haar geheimen te ontfutselen, dan moeten we concluderen dat ze niet zonder elkaar kunnen bestaan. In het geval van Lyde in de vorm van één persoon, in de moderne wetenschap als een hele machinerie binnen universiteiten en onderzoeksinstituten.

Dat betekent ook dat een groot deel van de mensen die cruciaal zijn in het wetenschappelijke proces helemaal geen wetenschapper zijn. Ze vervullen een rol om het netwerk klaar te maken en in te zetten voor de nieuwe kennis. Het is volgens Latour ongepast om de wording en verspreiding van wetenschappelijke kennis los van elkaar te zien. Nieuwe kennis wordt niet in het lab gemaakt en sijpelt dan door naar de samenleving, ze vormt zich in een breed netwerk van verschillende groepen met verschillende belangen. Daarom is het onderliggende proces beter te begrijpen als een vertaling dan als een verspreiding. Bij een verspreiding denk je aan de situatie waarbij feiten eerst definitief gemaakt worden en daarna uitgedeeld. Maar zo schetst Latour het niet. Een feit komt tot stand door dat verschillende groepen, die er allemaal iets anders mee willen en voor wie het allemaal iets anders betekend, het als zodanig gaan gebruiken. Elk van die groepen heeft een eigen vertaling nodig.

Actie op afstand…
Toch is het niet vreemd dat mensen willen investeren in wetenschap. Ze maakt actie op afstand mogelijk. Als Latour zich buigt over hoe wetenschappelijke kennis verschilt van alledaagse kennis, stelt hij dat wetenschappelijke kennis eigenlijk gecomprimeerde ervaringskennis is.

Toen de ontdekkingsreizigers in Azië aankwamen kenden ze het landschap minder goed dan de oorspronkelijke inwoners. Maar dankzij hun instrumenten konden ze dit wel beter in kaart brengen en relateren aan stukken van de wereld die de Aziaten niet kenden. De dammen die in de Nederlandse delta gebouwd zijn beter dan dammen die je op basis van ervaring zou bouwen, omdat een schaalmodel de ingenieurs in staat heeft gesteld allerlei dingen uit te proberen en bloot te stellen aan alle voorkomende weertypen. Dit zou op de werkelijke schaal nooit mogelijk zijn en zo kunnen de ingenieurs meer ervaring opdoen dan dammenbouwers zonder modellen.

Hier komen de zwarte dozen wel weer om de hoek kijken. De cartografen kunnen alleen maar kaarten maken door instrumenten die samenballingen zijn van de kennis van anderen. De waterkundigen gebruikten theorie van anderen over turbulentie. Ze zijn geholpen met het collectieve en cumulatieve karakter van de wetenschap.

Wetenschap is volgens Latour te zien als het verzamelen, coderen en circuleren van sporen. Actie over afstand wordt mogelijk door de gebeurtenissen van ver weg en lang geleden mee te nemen naar het hier en nu. Ervaring moet mobiel worden, zodat het niet uit maakt waar ze is opgedaan. Ze moet stabiel worden zodat ze onderweg niet kan veranderen of verweken. En ze moet combineerbaar worden, zodat verschillende ervaringen opgeteld en samengebald kunnen worden. De rol van inscripties, grafieken, formules, wiskunde en modellen is precies dit: zorgen dat je representaties van de werkelijkheid mobiel, uniform en herbruikbaar worden.

Dit mag wat kosten want de voorkennis over de natuur die zo ontstaat helpt de volgende serie wetenschappers. Het is alsof ze de verschijnselen waar ze mee te maken hebben al kennen, omdat ze voort kunnen bouwen op gecodeerde ervaring. Tegelijkertijd, schept deze manier van werken, het steeds verder coderen en samenballen van kennis een afstand tussen de wetenschap en datgene wat ze bestudeerd. Sommigen vinden het vermogen tot voorspellen de grote kracht van de wetenschap, maar zulke voorspellingen zijn niet het zelfde als de praktijk, ze raken de werkelijkheid nooit helemaal.

Wat wetenschappers kunnen voorspellen is alleen hoe hun eigen instrumenten zich in de buitenwereld zich zullen gedragen. Doctoren, bijvoorbeeld, hebben veel van die instrumenten. Ze vormen feitelijk een extensie van het wetenschappelijke netwerk. Zonder die instrumenten kan dokter zijn kennis niet of nauwelijks aanwenden. Zo is ook een landkaart in de praktijk niet veel waard als er niet er niet een hele reeks richtingwijzers op de grond bestaan die een verbinding leggen tussen de echte en de wetenschappelijke werkelijkheid van de kaart. De lange, technische arm van de wetenschap vereist specifieke kennis en technologie.

Wetenschap in actie…
In Science in Action zet Latour een nieuwe theorie van de wetenschap en de totstandkoming van feiten neer, door precies na te gaan hoe wetenschappers te werk gaan. Hij traceert hoe feiten ontstaan uit discussie tussen specialisten, hoe wetenschappers zich moeten organiseren om dit mogelijk te maken en wat er in de samenleving veranderd door deze praktijken.

Wetenschappers vormen hun ideeën in nauwe fragiele netwerken, die uiteindelijk hun tentakels tot diep in de samenleving kunnen uitspreiden. Daarvoor is het wel nodig van hun ideeën een zwarte doos te maken die iedereen wil en kan gebruiken zonder er nog vragen over te stellen. Dat is een door en door sociaal en technisch proces. Waarin ideeën, mensen, belangen en apparatuur een allesbepalende rol spelen. Latour doet een poging de zwarte dozen open te maken, maar wat er uit komt is zo’n complex en subtiel spinsel dat, eerlijk gezegd, de behoefte de dozen dicht – en de feiten dus de feiten te laten – haast onweerstaanbaar is.

Meer lezen?
In Lableven bespreek ik het boek Laboratory Life van Bruno Latour. Andere boekbesprekingen op deze blog vind bijvoorbeeld je in de taalpragmatiek van Herbert Clark en in Big Science.

Het netwerkkarakter van kennis besprak ik eerder in kennisnetwerken en sociale kennisnetwerken.

Cultuurdragers

Wat nou als de gedachten in je hoofd helemaal niet van jezelf zijn, maar dat je ze hooguit te leen hebt van een ander? Ik word zelf nogal kriebelig van dat idee, zeker als ik aan het schrijven ben, maar het is wel in de kern wat mementheoretici over gedachten beweren. Nou, misschien niet over al je gedachten, maar wel over verreweg de meesten.

Mementheorie is een soort culturele evolutietheorie. Daar waar biologische evolutie gestuurd wordt door genen, wordt -zo denken mementheoretici – culturele evolutie gestuurd door memen. Memen vermenigvuldigen zich door van menselijk hoofd tot menselijk hoofd te springen en bepalen zo hoe we denken en doen. Als mementheorie helemaal nieuw voor je is: ik schreef er al eens een uitgebreid blogje over.

Ik heb, dat gaf ik in dat blogje al ruiterlijk toe, gemengde gevoelens bij mementheorie en dat was voor mij reden om me er eens verder in te verdiepen. Zou mementheorie zich na de jaren 70 ontwikkeld hebben tot een volwaardige wetenschappelijke discipline? Zouden er experimenten uitgevoerd zijn om mementheorie te toetsen? Zouden theoretici er in geslaagd zijn het idee van memen meer handen en voeten te geven? Ik kon mijn geluk dus niet op toen bleek dat er een relatief recent, populair wetenschappelijk boekje over bestaat: Susan Blackmore’s “The Meme Machine”.

Imitatie vormt de basis van Blackmore’s behandeling van memen. Volgens Blackmore is imitatie: kunnen leren door iemand iets te zien doen, een eigenschap die min of meer uniek is voor mensen. Door dat mensen kunnen imiteren kunnen ze leren van elkaar en daardoor ontstaat cultuur. De eerste imiterende mensen gingen tools maken, spreken, hun doden begraven, [..], de universele verklaring van de rechten van de mens tekenen, naar de maan reizen, etc.

Nou, ja, misschien loop ik nu wat op de zaken vooruit. Culturele ontwikkeling is dus te begrijpen als een evolutieproces. Mensen die elkaar imiteren geven volgens Blackmore memen door.  Als ik jou zien dansen en ik doe je na, dan springt er een meme over van jouw, naar mijn brein.

Wat een meme is weet niemand precies. Ik houd het zelf op zoiets als “ideeën”, maar verschillende mementheoretici hanteren verschillende definities en Blackmore houd het dus bij “datgene dat doorgegeven wordt bij imitatie”.  Waar mementheoretici het wel over eens zijn is dit. Sommige van die memen zijn succesvol – in die zin dat ze makkelijk en vaak doorgegeven worden -, anderen zijn minder succesvol en sterven uit. Als iedereen ons dansje na gaat doen is het een succesvolle dansmeme, anders niet.

Al met al vind er dus een kopieer- en selectieproces plaats van memen en zo evolueert de cultuur. De manier waarop we dansen, praten denken en doen veranderd doordat er steeds nieuwe memen succesvol zijn.

Het ontstaan van dit culturele evolutieproces heeft volgens Susan Blackmore verregaande consequenties gehad voor onze biologische en onze technologische evolutie.

Veel mensen denken dat met het ontstaan van cultuur de biologische evolutie van de mens zo’n beetje tot stilstand gekomen is, maar volgens Blackmore heeft de culturele evolutie de biologische evolutie juist aangestuurd. Met memen, het vermogen tot imitatie, kregen mensen namelijk een enorm voordeel ten opzichte van andere dieren die niet op deze manier kunnen leren. Steenbijlen, vuur maken of leefstijlen zoals het jagen in groepen hoefden maar één keer uitgevonden te worden. Anderen konden die praktijken meteen overnemen, zonder dat er generaties overheen gingen om het nieuwe gedrag in de genen te verankeren. Omdat culturele evolutie veel sneller is, had de imiterende mens een enorm aanpassingsvermogen en dus een fors evolutionair voordeel.

Als gevolg daarvan ging de evolutie selecteren op het vermogen tot imitatie. Eerst nog vooral door natuurlijke selectie: slechte imitatoren hadden immers minder kans om te overleven, maar waarschijnlijk speelde later ook seksuele selectie een rol. Als goede imitatoren grotere overlevingskansen hebben, wil je graag kinderen van een goede imitator. Dat betekende dat imitatievermogen in welke vorm dan ook een aantrekkelijke eigenschap werd. Zo ontstond misschien zoiets als muzikaal talent. Niet direct iets wat de overlevingskansen van je kinderen vergrootte maar wel een bewijs van imitatievermogen en dus een voordeel in de liefde.

De gevolgen voor de biologische mens waren dramatisch: we ontwikkelden een enorm brein en taalvermogens inclusief het verfijnde spraakapparaat dat daarvoor nodig is. Gereedschap waarmee we de culturele evolutie verder mee voort konden stuwen. Of eigenlijk: we werden gereedschap van die culturele evolutie. Want als Blackmore één ding duidelijk probeert te maken is het wel dat wij niet de baas zijn over de memen, maar dat de memen de baas zijn over ons. De mens staat ten dienste van de culturele evolutie, niet andersom.

Neem onze taal bijvoorbeeld. Waarom praten we zoveel? Hoeveel van wat we tegen elkaar zeggen, is werkelijk essentieel voor het voortbestaan van onze soort? Wat heb je vandaag allemaal al uitgekraamd waar, wel beschouwd, niemand beter van wordt? Zulke verspilling is onbegrijpelijk  als je denkt dat taal vooral een biologisch nut dient, maar niet als het voor de culturele evolutie is. We spreken zoveel om onze memen te helpen zich voort te planten en te verspreiden.

Of neem onze gedachten. Waarom denken we zoveel? Waarom spoken zo vaak precies dezelfde gedachten door ons hoofd? En.. in hoeverre zijn die gedachten eigenlijk van onszelf? In hoeverre herhalen we niet, in iets aangepaste vorm die dingen die we gelezen en gehoord hebben? Biologisch gezien lijkt al dat ronddenken verspilling, maar cultureel gezien is het dat misschien wel niet. Gedachten die we steeds herhalen hebben een grotere kans onthouden en doorgegeven te worden. Ons bewustzijn, wil Blackwell maar zeggen dient de memen. Het brein is niet die originele bron van nieuwe ideeën die we er graag in zien, maar eerder een kopieermachine voor de memen.

En dan heb je menselijke technologische uitvindingen zoals het schrift en later de telefoon en het internet. Nuttige uitvindingen voor de mens natuurlijk, maar bedenk je eens hoe geweldig die uitvindingen wel niet waren voor de memen! Hoeveel beter ging het verspreiden van ideeën wel niet door de drukpers en wat een impact had dat wel niet op onze cultuur? En als die drukpers niet een volledig origineel idee van Gutenberg was, maar een samenraapsel van ideeën die hij ergens opgepikt had, was het dan niet gewoon een product van de memen, ten behoeve van die memen?

Zo trakteert Blackmore haar lezers op voorbeeld na voorbeeld waarin ze laat zien hoe invloedrijk de memen wel niet zijn. Er is een wereldwijd strijdperk vol zelfzuchtige memen die alleen maar uit zijn op reproductie. Om elkaar daarin de loef af te steken, sleuren ze ons mee: eerste vormden ze onze breinen om tot memenverspreiders, daarna vonden ze taal en zelfbewustzijn uit, daarna onze culturele systemen zoals religie en tot slot onze communicatietechnologie.

Als memen zo invloedrijk als Blackmore beweert is mementheorie het belangrijkste waar wetenschappers aan kunnen werken. Uiteenlopende en fundamentele wetenschappelijke zoals “Waarom, hebben mensen cultuur en technologie en dieren niet?”, “Hoe kan het dat wetenschappelijke ideeën er niet altijd in slagen het te winnen van het geloof in het paranormale, buitenaardse wezens en relgie?” en “Wat is het bewustzijn precies?”, kunnen nu allemaal van één eenvoudig antwoord voorzien worden: memen.

Mementheorie als theorie voor alle belangrijke vragen. Dat is te mooi om waar te zijn en dat is natuurlijk ook precies het probleem dat ik met het boek heb. Ik hoopte op een wetenschappelijke verhandeling en kreeg een boek van een gelovige. Her en der formuleert Blackmore een toetsbare hypothese, maar voor het overgrote deel blijft het boek erg speculatief.

Daarbij ontwijkt ze veel moeilijke vragen. Is imitatie wel zo uniek voor mensen? Makaken blijken hun gebruik van gereedschap razendsnel aan de komst van nieuw voedsel aan te kunnen passen: dat wijst echt op imitatie. Er zijn ook vormen van imitatie en taal gevonden bij allerlei diersoorten. En bestaan “memen” wel echt? Niemand kan ze vinden of zelfs maar definiëren. Zijn memen eigenlijk wel nodig (of nuttig) om culturele evolutie te verklaren? Andere theorieën van culturele evolutie blijven onbesproken in het boek. Kunnen we culturele evolutie niet beter zien als een samenspel van verschillende evoluties? Evoluties van kunst, ideologie en technologie die naast elkaar bestaan en elk hun eigen mechanismen en snelheden hebben bijvoorbeeld? Wat ‘winnen’ we eigenlijk door dit kille plaatje van zelfzuchtige memen die met ons aan de haal zijn gegaan?

Ik, heb veel van mij twijfels bij mementheorie al in mijn vorige blogje geuit en ben, dat zal duidelijk zijn, door het boek bepaald geen aanhanger geworden. Blackmore’s speculaties over de rol van memen in de menselijke, culturele en technologische evolutie gaan erg ver en zijn niet met overdreven veel bewijs gestut. Maar, ik denk dat ik die laatste vraag naar de ‘opbrengst’ van mementheorie wel kan beantwoorden.

Want tijdens het schrijven van dit blogje is er iets belangrijks in mij veranderd. Ik voel me een stuk minder kriebelig bij het idee dat mijn gedachten niet van mijzelf zijn. Blackmore’s observatie dat onze gedachten worden voor een groot deel gevormd door wat we horen en lezen, klopt natuurlijk gewoon; en in die zin zijn we inderdaad een product van onze cultuur. Dus ja, misschien heb ik mijn gedachten wel te leen, in plaats van dat ze uit mijn eigen brein ontsproten zijn.

Is dat erg? Misschien wel niet. Dat leensysteem van ideeën verbind me namelijk met al die mensen die er eerder eigenaar van waren en die mij ooit bevrucht of begiftigd hebben. Mijn hoofd zit vol met Mulisch en Tolstoij, met Harry Potter, met Frans Bauer en met mijn familie, vrienden, buren en collega’s. Ik draag steeds stukjes van ze mee en ik draag ze stukjes van ze uit. Liever dan een eenzaam genie met totaal originele ideeën ben ik een cultuurdrager, vol van wat van anderen is. Want zeg nou zelf…. cultuurdrager zijn is zo gek nog niet.

Meer lezen?

In memen schreef ik al eens uitgebreid over mementheorie, en ook mijn blogjes ideeënsex en geheugenmachine raken aan dit idee.

Hoewel Blackmore dit zelf niet aanhaalt zijn er behoorlijk wat raakvlakken tussen haar ideeën en die van mediatheoreticus Thomas de Zengotita die ik eerder op mijn Engelse blog besprak. Met name de alles omvattende rol van imitatie in onze hedendaagse cultuur en de pop- en jeugdcultus die daar uit volgt beschrijft De Zengotita treffend.

Blackmore is te zien in een TED praatje, waarin ze wel stelt dat technologie een eigen (autonome) evolutie ondergaat. Ze noemt memen daarin ‘gevaarlijk’. Dit idee van gevaarlijke memen wordt ook in Daniel Dennet’s  TED praatje over memen benadrukt.

Onlangs verscheen in NRC een stuk over de geschiedenis van talen. In dat onderzoek blijkt een evolutietheoretisch kader prima te werken.

Dit is mijn derde boekbespreking op dit blog. Eerder nam ik Laboratory Life van Bruno Latour, en Little Science, Big Science van Derek de Solla Price al onder handen.

Je kunt natuurlijk ook The Meme Machine gewoon zelf lezen.

 

Tijdmeters

Hoe wapenen wetenschappers zich tegen de tijd? In mijn vorige blogje betoogde ik dat wetenschappelijke kennis een halfwaardetijd heeft: hoe belangwekkend een vinding ook is, over tijd wordt de waarde ervan langzaam minder. Hierdoor zitten onderzoekers in een lastig spanningsveld.

Immers:

1 het kost (veel) tijd en moeite om aan nieuwe kennis te komen

2 die kennis gaat maar een beperkte tijd mee

Hoe gaan ze daar eigenlijk mee om? Hoe zorgen ze dat de kennis die ze opleveren de moeite waard is, ook als ze een houdbaarheidsdatum heeft?  Ik denk dat er een paar strategieën te bedenken zijn die onderzoekers tot hun beschikking staan. Je zou aan elke strategie een type onderzoeker kunnen toekennen en misschien ook van elke strategie kunnen zeggen in welke disciplines ze het meest gangbaar zijn, maar ik denk dat de meeste onderzoekers een combinatie van deze strategieën gebruiken.

1 De fundamentswerker: richt je op het ontwikkelen van fundamentele kennis

Zou het niet wat zijn om zoiets als de evolutietheorie of de wetten van de logica ontdekt te hebben? Het fijne van het ontwikkelen van dit soort fundamentele kennis is dat deze op allerlei problemen toepasselijk is en daardoor ook lang meegaat. Deze theorieën hebben een lange halfwaardetijd, waardoor het de moeite waard kan zijn om veel te investeren in het maken ervan.

Jammer genoeg komen deze fundamentswerkers, verschillende hindernissen tegen. Zo is het een strategie met een hoog risico. Ik zou helemaal niet durven beweren dat fundamentele kennis in het algemeen een langere halfwaardetijd heeft dan toegepaste kennis in het algemeen. Dan moet je ook alle fundamentele theorieën meetellen die ooit bedacht zijn, maar die al snel niet bleken te kloppen of die niemand ooit begrepen heeft waardoor toepassingen uitbleven. Het is dus een beetje alles of niets: als het lukt gaat je theorie een hele tijd mee, maar verreweg de meeste fundamentele theorieën die bedacht zijn, zijn nooit of amper gebruikt.

Een tweede nadeel van deze strategie is dat fundamentele kennis vaak abstract en algemeen is. Daardoor is ze niet direct toepasbaar en haar toepasbaarheid is moeilijk te voorspellen. Als je een onderzoeker op radio geprikkeld hoort reageren op de vraag naar (latere) toepassingen van een onderzoeksprogramma dan weet je bijna zeker dat je met een fundamentswerker te maken hebt. Voor dit soort onderzoekers leiden toepassingen immers alleen maar af van de kern van de zaak. Toch is de vraag naar mogelijke toepassingen een goede vraag die een doordacht en concreet antwoord verdiend. Fundamentele kennis ontleent zijn waarde namelijk aan toepassingen; een toepassing zonder fundament is een heel stuk waardevoller dan een fundament zonder toepassingen.

2 De tijdreiziger: richt je op toepassingen die ver in de toekomst liggen

Een alternatieve strategie, die door engineers veel wordt toegepast, is om je op een verre toekomst te richten. Voor dit soort onderzoekers tellen toepassingen wel degelijk, dus proberen ze op een andere manier tijd te winnen. Dit doen ze door alvast vooruit te werken; aan een toepassing die “ergens in de toekomst” mogelijk kan worden. Hoe verder dat punt in de toekomst ligt hoe meer tijd de onderzoekers kunnen steken in het ontwikkelen van de kennis die er voor nodig is.

Er zijn drie overduidelijke nadelen aan deze strategie die alledrie te maken hebben met het feit dat de toekomst nu eenmaal onvoorspelbaar is.

Het eerst nadeel dat deze tijdreizigers hebben is dus dat de toepassing waar je aan werkt er misschien wel nooit gaat komen. Veel onderzoekers brengen tegen dit bezwaar dat de kennis die voor de ene toepassing ontwikkeld wordt ook heel nuttig kan zijn bij het maken van andere toepassingen. Helaas kleven er aan dit tegenargument dezelfde bezwaren als aan fundamenteel onderzoek. Dat er wel eens nuttige kennis gekomen is uit het maken van nutteloze toepassingen betekent nog niet dat het in het algemeen een effectieve manier is om aan je kennis te komen. Daarvoor zijn er gewoon teveel mislukkingen.

Het tweede nadeel is dat de technologie die beschikbaar is op het moment dat de toepassing er komt niet de technologie is die je nu moet gebruiken om de toepassing te demonstreren. Het zou dus zomaar kunnen zijn dat de kennis die je nu ontwikkeld niet de kennis is waarmee de uiteindelijke toepassing mogelijk wordt.

Het derde nadeel is dat niet alleen de komst van je toepassing zelf en de technologie waarmee die gerealiseerd moet worden onzeker is, maar ook toepassingscontext waar je het ding voor maakt veranderd. Mensen krijgen andere behoeftes en er komen andere technische mogelijkheden waardoor je toepassing overbodig. .Je kunt aan een toepassing voor het jaar 2300 werken zoveel je wilt, maar of mensen in dat jaar echt zitten te wachten op hydrofibrilators is natuurlijk maar de vraag. We bedenken oplossingen voor de wereld van nu, maar in de toekomst zijn andere problemen waarschijnlijk belangrijker.

3 De ontdekkingsreiziger: zoek onbekend terrein op.

De eerste twee strategieën richtten zich er op om kennis op te leveren die lang mee kan, maar je kan ook proberen om sneller aan nieuwe kennis te komen.

Één manier om dat te doen is om volledig onbekend terrein op te zoeken. Als je aan een heel nieuw onderwerp werkt is elk nieuw inzicht een belangrijke ontdekking. Bovendien zullen anderen, zodra die zich op het door jou gevonden, gemaakte of verzonnen terrein begeven, jouw kennis als leidraad nemen. Wat volledig onbekend terrein is veranderd steeds. Vlak na de oorlog was werk aan computers helemaal nieuw, enkele jaren terug was neuropsychologie zo’n onontgonnen terrein.

Maar ook deze wetenschappelijke ontdekkingsrezigers staan bloot aan verschillende gevaren. Zo kan het zijn dat niemand ooit geïnteresseerd raakt in jouw stukje van de kenniswereld. Of, wat vaker voorkomt, dat een andere onderzoeker hetzelfde terrein verkend zonder te weten dat jij er al ooit geweest bent. Een beetje zoals captain Cook na Abel Tasman opnieuw Nieuw Zeeland ontdekte, maar, in tegenstelling tot Tasman, die gewoon weer weggevaren was, er wel een kolonie stichtte. Tot slot kan de toegankelijkheid van het nieuwe terrein natuurlijk tegenvallen. De subjectieve beleving van huisvliegen is een erg interessant nieuw studieterrein, waar elk inzicht belangwekkend is, maar het blijkt toch nog knap lastig die eerste stapjes te zetten.

4 De kennismakelaar: spreek nieuwe doelgroepen aan met bestaande kennis.

Een laatste strategie is om kennis op een slimme manier te hergebruiken. De wetenschap is een verkokerde wereld waar groepen wetenschappers onafhankelijk van elkaar aan gelijksoortige problemen werken, vaak zonder oog te hebben voor elkaars werk. Een strategie is dus om kennis uit een ander, vergelijkbaar, vakgebied toegankelijk te maken voor onderzoekers in je eigen vakgebied, door het op een slimme manier te herverpakken.

Ook deze kennismakelaars komen hobbels op de weg tegen. Zo kan het voorkomen dat de herverpakte kennis helemaal niet herkend wordt als de oplossing voor een probleem in het eigen vakgebied. Of dat erkenning voor het overbruggen van de twee vakgebieden uitblijft: de kennismakelaar zit immers ook tussen twee gemeenschappen in maakt van beide niet echt volwaardig deel uit. En dan is er nog het probleem dat als de brug naar een aanpalend vakgebied eenmaal geslagen is anderen ook gemakkelijker de weg zullen kunnen vinden. Waardoor die eerste brug ook weer snel achterhaald kan zijn.

Tot slot

Ik ben bij het schrijven van dit blogje steeds uitgegaan van wetenschappers, maar ik denk dat een veel bredere groep kenniswerkers dit spanningsveld zullen herkennen. Een compleet overzicht is dit dus zeker niet. Als je vanuit je eigen praktijk dingen toe te voegen hebt dat houd ik me erg aanbevolen!

Meer lezen?

Dit blogje is een vervolg op mijn blogje over halfwaardetijd. Ik schreef eerder impliciet over ontdekkingsreizigers en kennismakelaars in helpt specialiseren. De explosieve groei van wetenschap maakt de tijdsklem alleen maar nijpender. Iets wat ik in Big Science al besprak. In stokoude kennis ging ik in op de mythe dat kennis tijdloos is.

De titel van dit blogje is geleend van de gelijknamige roman van David Mitchell waarin twee rivaliserende groepen verschillende (magische) stratgieën toepassen om het eeuwige leven te hebben en zo aan de tand-des-tijds te ontsnappen. Het leek me niet zo passen om in dit blogje in te gaan op het boek zelf, maar het is zeker lezenswaardig. Het woord hidrofibrilator leende ik uit een liedje Waar blijft de tijd? van Kees Torn.

Halfwaardetijd

“Engineers zijn zich bijvoorbeeld veel bewuster van zoiets als de halfwaardetijd van kennis…”. Een professor uit mijn vakgroep wees me op een vrij onschuldige manier op het idee dat kennis, ook wetenschappelijke kennis, een houdbaarheidsdatum heeft.

Nu is dat misschien ook geen wereldschokkend idee. Iedereen die wel eens een dieet gevolgd heeft weet dat “nieuwe inzichten” elkaar snel kunnen opvolgen. Vijf jaar terug werd je nog vooral dik van vetten, tegenwoordig is het vooral suiker en snelle koolhydraten waar je voor op moet passen. Dieetkennis is in no-time achterhaald.

Toch was het voor mij destijds een eye-opener. Ik herkende wel dat wetenschap een race tegen de klok was, maar die race draaide er voor mij hooguit om om het eerst bij de nieuwe inzichten te zijn. Maar de eerste zijn is maar de één kant van de zaak. Je kunt ook het langst overblijven. Of als je het minder goed doet kun je als onderzoeker van achter ingehaald worden door nieuwe of betere inzichten. Wetenschappers hebben strategieën nodig om snel aan nieuwe inzichten te komen, maar ze moeten ook zorgen dat ze de vergetelheid te slim af zijn.

In mijn ervaring houden wetenschappers ook niet van het idee dat de kennis die zij ontwikkelen snel weer achterhaald kan zijn. Daarvoor kost het ontwikkelen van nieuwe inzichten te veel moeite. Alleen al het bouwen van de deeltjesversneller waarmee het Higgs Boson ontdekt is koste meer dan dertig jaar. Daarmee hadden ze het Higgs-deeltje, nog niet gemaakt en al helemaal niet gemeten dat het er echt was. Als je zoveel moeite steekt in het verkrijgen van kennis is het wel zo fijn als die ook een tijdje beklijft.

Nu zullen juist de ontdekkers van het Higgs Boson niet vaak stil staan bij de kans dat binnenkort niemand meer om het deeltje maalt. Het zijn immers wetenschappers. Ik weet niet hoe dieetgoeroes over de houdbaarheid van hun kennis nadenken, maar wetenschappers vormen een beroepsgroep die bij uitstek opgegroeid zijn met het idee dat kennis tijdloos is.

De wiskunde die ze gebruiken stamt immers van Euclides (300 voor Christus); het beeld van het heelal van Copernicus (1550) en Galileï (1600); veel van de Natuurkunde komt van Newton (1700) – en ga zo maar door. Bijna elke wetenschappelijke theorie bouwt voort op een lange traditie van denkers en ideeën. Als daar niet uit te lezen valt dat kennis tijdloos is, dan toch dat goede kennis tijdloos is. Ook veel van de begrippen die we voor wetenschappelijke kennis gebruiken zoals “ontdekking” of “natuurwet” hebben een air van tijdloosheid over zich. Het Higgs Boson kan toch maar één keer ontdekt worden? Hoezo dan halfwaardetijd?

Dat heeft dus met de vergetelheid te maken. Het begrip halfwaardetijd komt uit de natuurkunde en staat voor de tijd die een radioactief element nodig heeft om half zo actief te worden. Die tijd kan erg kort zijn: voor sommige elementen enkele milliseconden of erg lang: Uranium 385, het element dat in kerncentrales gebruikt wordt, heeft een halfwaardetijd van 700 miljoen jaar.

Dit idee van langzaam steeds minder actief worden kun je ook op kennis toepassen. De nieuwe kennis die wetenschappers ontsluiten verliest in de loop der tijd zijn waarde doordat ze steeds minder (her)gebruikt wordt. De halfwaardetijd van nieuwe kennis is dus de tijd voordat deze kennis nog maar half zo relevant is voor de wetenschappers van nu. Euclides wiskunde bleek een lange halfwaardetijd te hebben, terwijl veel van de natuurkunde die Aristoteles omwikkelde het minder lang heeft uitgehouden. Geen van deze theorieën komen in de buurt van de halfwaardetijd van Uranium.

Ik vond het idee van halfwaardetijd van kennis wat ongemakkelijk, maar ook inzichtelijk en nuttig. Het is vast zo dat het Higgs Boson maar één keer ontdekt wordt, maar de theorie waar het deel van uit maakt, nu zo’n 50 jaar oud, heeft misschien zijn langste tijd al gehad; ontdekking van het Boson of niet. Zo gaat het met de meeste kennis. Theorieën blijken bij nader inzien onhoudbaar, ze worden vervangen door andere theorieën, of de vraagstukken waar ze over gaan raken simpelweg uit de mode. Soms is dat, ironisch genoeg, juist omdat er weinig meer aan te ontdekken valt.

Voor wetenschappers, die zoveel moeite doen om aan ‘ware’ kennis te komen en die opgevoed zijn met zoveel helden uit een ver verleden, is het idee dat ware kennis niet hetzelfde is als eeuwige kennis een zure appel om te slikken. Voor de wetenschapper van nu is de kans om de nieuwe Euclides te worden kleiner dan de kans om de loterij te winnen. Maar ze hebben ook strategieën tot hun beschikking, waarmee ze de kans om ingehaald te worden een beetje kleiner maken. Daarover gaat mijn volgende blogje.

Meer lezen?

In een eerder blogje maakte ik al eens gehakt van de mythe van de stokoude kennis die veel wetenschappers aanhangen. In mijn volgende blogje, tijdmeters, bespreek, ik strategieën die onderzoekers van allerlei snit toepassen om met de beperkte houdbaarheid van nieuwe kennis om te gaan.