Wil

Het zou natuurlijk zo kunnen zijn dat ik dit blogje niet schrijf omdat me dat leuk leek en ik ertoe besloten heb, maar dat dat besluit op de een of andere manier voor me genomen is en dat mijn bewustzijn mij om een nog onbekende reden wijsmaakt dat ik dat besluit genomen heb. Of kortweg, dat het idee dat mensen bewuste besluiten nemen een illusie is. 

Dit lijkt een vreselijk omslachtige theorie, maar ze heeft fervente aanhangers, vooral onder neurowetenschappers. Wat bezielt hen toch? Waarom staat het het idee dat we bewuste besluiten kunnen nemen hen zo tegen? 

Het is vast een heel ingewikkelde kwestie, maar twee boosdoeners zijn overduidelijk. De eerste is René Descartes, de Franse filosoof die dacht dat ons denken het bewijs van ons bestaan is. De tweede is  Benjamin Libet die in de jaren 80 een experiment uitvoerde waar we nog steeds van in de war zijn.

Het verhaal van Descartes zal bekend zijn. Hij probeerde aan alles te twijfelen en kwam toen tot de conclusie dat men het lichaam wel, maar de geest niet kan betwijfelen. Dit leidde tot het dualisme. Voor Descartes waren lichaam en geest fundamenteel  verschillende dingen, met een andere substantie. Het lichaam was beperkt, stoffelijk en tijdelijk en de geest was vrij, onstoffelijk een eeuwig. Hoe lichaam en geest elkaar beïnvloedden wist Descartes niet, maar het idee dat de geest voortkomt uit het lichaam ging er bij hem zeker niet in. De geest was leidend, het lichaam hooguit een tijdelijk vehikel. Het dualisme is alweer uit, maar de vraag hoe de subjectieve beleving van het denken, het bewustzijn, samenhangt met de biologische basis ervan, het brein, is nog springlevend. 

In de jaren 80 voerde Benjamin Libet daarom een ingenieus psychologisch experiment uit dat die discussie behoorlijk op scherp zette. Libet vroeg proefpersonen om hun vingers vrijwillig te bewegen en om te rapporteren wanneer ze de aandrang voelden om die beweging uit te voeren, terwijl Libet hun hersenactiviteit mat. Het bleek dat de bijbehorende hersenactiviteit voor die beweging al ruim 200 milliseconde voordat mensen een aandrang voelden om hun vingers te bewegen in de hersenen te zien was. Mensen zetten de beweging al in voordat ze zich er bewust van zijn dat ze dat willen.

Dat is tegenintuïtief. Ons boerenverstand zegt: je moet eerst een besluit nemen voordat je er naar kan handelen. Dus moet je je eerst bewust worden dat je je hand wil bewegen en dan pas de beweging inzetten, niet andersom. Maar die omgekeerde volgorde is wel hetgeen Libet’s data lieten zien.

Zou het zo kunnen zijn dat het bewustzijn niet aan de knoppen van ons handelen zit, maar dat het zo’n beetje met de rest van de hersenen mee hobbelt – en dat het hooguit achteraf gevoel van controle voor ons fabriceert? Het bewustzijn is dan niet een stuur waarmee we richting kunnen geven aan het leven, maar een praatdoos die wat we toch al doen voor ons goedpraat. 

Het is deze naïeve interpretatie van het Libetexperiment die zo populair is onder neurowetenschappers. Dat heeft iets te maken met hun opvattingen over onderzoek. Neurowetenschappers proberen het brein te begrijpen vanuit de harde data die er over verzameld kan worden in EEG’s en fMRI scans. Ze zijn wars van getheoretiseer over het bewustzijn door filosofen, die net als Descartes destijds, met gedachtenexperimenten vast proberen te stellen wat het bewustzijn is. We hoeven allen naar Descartes te kijken om te zien wat voor absurde theorieën daar uit komen.

Daarom kunnen we volgens hen het bewustzijn beter experimenteel bestuderen. Met moderne apparatuur kan je immers de werkelijkheid zelf laten spreken. Voor neurowetenschappers is psychologie is in essentie een natuurwetenschap en ze vinden dat deze ook zo bedreven moeten worden. Dat is zo mooi aan het Libet experiment: het laat met harde data zien dat het bewustzijn niet bestaat.

Het probleem is alleen dat het Libet dat helemaal niet laat zien. Het ironische van de naïeve interpretatie van het Libet-experiment is dat deze in essentie Cartesiaans is. De gedachte is dat er twee verschillende dingen zijn: (1) het bewustzijn en (2) het brein, dat je van elk van die dingen onafhankelijk kan meten wanneer ze actief worden en dat je oorzaak en gevolg kan vastellen door te kijken wie het eerst in beweging komt. Diegene die het laatste komt kan niet de veroorzaker kan zijn van wat de ander doet. 

Dat lijkt een sluitende redenering, maar er deugt iets niet. Want wat hadden we eigenlijk verwacht te zien? Dat mensen zich eerst bewust worden van een besluit en dat er daarna pas hersenactiviteit ontstaat? Waar komt dat bewuste besluit dan vandaan, als het niet uit de hersenen komt? Is het idee echt dat er geen hersenactiviteit nodig is voordat we een besluit nemen en dat ons grijze cellen daarna gaan rennen en vliegen omdat het besluit nu eenmaal moet worden uitgevoerd? 

Het ligt toch veel meer voor de hand dat we in het Libet-experiment verschillende aspecten meten van één proces waarin we een bewust besluit nemen en tot actie over gaan. We kijken niet naar twee dingen maar naar één ding: het nemen van een besluit tot actie. Een bewust besluit gaat natuurlijk gepaard met hersenactiviteit en die heeft tijd nodig om aan te zwellen. Als je dat op verschillende manieren meer is het niet  vreemd dat het ene meetinstrument eerder opmerkt dat er iets gaande is dan het andere instrument. De EEG van Libet was gevoeliger voor de hersenactiviteit die bij het besluit hoorde dan de subjectieve beleving van de proefpersonen en sloeg daarom eerder uit. 

Dat is een weinig opzienbarende uitkomst. Het is niet verbazend dat het nemen van een besluit tijd kost. Het is niet verbazingwekkend dat daar allerlei hersenprocessen bij betrokken zijn. Het is niet verbazingwekkend dat we ons van sommige van die processen bewust zijn en van andere niet. We moeten het brein, het bewustzijn en zeker de vrije wil niet los van elkaar zien.

Het is niet dat het bewustzijn besluiten neemt die het brein vervolgens uitvoert, het brein neemt besluiten en wij zijn ons daarvan bewust. Of misschien nog iets pro-actiever: het bewustzijn neemt deel aan onze besluitvorming. De rol van het bewustzijn is misschien bescheidener dan Descartes voor ogen had en wat we denken te denken heeft misschien minder invloed op ons handelen dan we zouden willen, maar het Libetexperiment laat op geen enkele manier zien dat het bewustzijn een illusie is of dat de vrije wil niet bestaat. 


Wat het experiment wel laat zien is dat je om goede metingen te kunnen doen en die goed te kunnen interpreteren, een goede theorie nodig hebt. Er is te weinig bekend over de werking van het brein om te kunnen weten wat Libet nu precies mat en daardoor kunnen we er ook geen conclusies aan verbinden. Ik heb me er niet genoeg in verdiept, maar dezelfde beperking zou wel eens kunnen gelden voor veel moderner hersenonderzoek waar het idee van het bewustzijn als illusie mee onderbouwt wordt. 

Misschien ergeren de neurowetenschappers zich aan theorieën zoals die van Descartes, maar onderzoekers die de data laten spreken, terwijl ze de theorie verwaarlozen, hebben ons uiteindelijk even weinig te vertellen als filosofen die denken dat twijfel afdoende is om de absolute waarheid te achterhalen. 

Meer lezen?
Ik schreef over het gedachtenexperiment van Descartes in Brein in een vat en over zelfbewustzijn in Poetsvissen, ik schreef ook al eens eerder over Gedachtenexperimenten in het algemeen en over de werking van het brein.

Dit blogje is natuurlijk een heel sterke vereenvoudiging van een complex debat. Een goede beschouwing van het Libet experiment vind je in dit artikel van Jan Verplaetse. Een niet onbelangrijk detail is dat Libet niet hersenactiviteit in het algemeen mat, maar een specifieke hersengolf die het ‘readiness potential’ wordt genoemd. In dit stuk wordt goed uitgelegd wat dat is en wat het naar moderne inzichten wel en niet zou kunnen zeggen over het debat over bewustzijn en vrije wil.

Brein in een vat

We hebben er allemaal wel eens een gesprekje aan een kampvuur of in de kroeg aan gewijd: wat nou als alles een illusie is? Ongeveer zoals in die film “The Matrix”, waar machines ons gebruiken als energievoorziening en in ruil daarvoor een virtuele wereld in ons brein injecteren. Dit heet het brein-in-een-vat scenario en ik heb het altijd heel onwaarschijnlijk gevonden. De wereld lijkt mij gewoon te echt om nep te zijn.

Maar, vreemd genoeg doet dit “te echt om nep te zijn” argument het maar matig bij het kampvuur. Je opponent verzint gewoon een nog slimmere computer, godheid of demon die de virtuele wereld in je hoofd maakt – en voor je het weet breng je de avond alsnog in diepe twijfel over het bestaan van de echte wereld door. Misschien is het wel goed zo: het is vast heel menselijk om af en toe aan het bestaan van de wereld te twijfelen. Maar ik begrijp het ook best als je eens flink tegengas wil bieden aan je filosofisch ingestelde kampvuurgenootjes. Dan biedt de redenering uit dit blogje mogelijk uitkomst.

Origineel is dat brein in een vat scenario natuurlijk niet hè? Er waren al Griekse filosofen die beweerden dat de werkelijkheid net zo goed een illusie kon zijn. René Descartes beweerde in de 16e eeuw op basis van het brein-in-een-vat scenario dat je wél kan twijfelen aan het bestaan van de echte wereld, maar niet aan het bestaan van menselijke gedachten. In zijn geval maakte een demon de illusies. Zelfs in de hedendaagse filosofische literatuur komt het brein-in-een-vat scenario regelmatig terug; al was het alleen maar omdat er weer eens een nieuwe manier bedacht is om het te weerleggen. Want dat is natuurlijk de crux. Bijna niemand gelooft echt dat we een brein in een vat zijn, maar het blijkt knap lastig om deugdelijke tegenargumenten te vinden.

Pogingen zijn er genoeg, maar mijn favoriete weerlegging komt van Hilary Putnam. Putnams argument bouwt op het idee van verwijzen. In iets aangepaste vorm gaat het als volgt. Stel je voor, zegt Putnam, dat je met een vriendin naar het strand gaat. Daar zie je een mier lopen die een spoor in het zand achterlaat waar ze gelopen heeft. Jullie kijken er een tijdje naar en plotseling blijkt er een afbeelding van Justin Bieber te staan. Wow!  Even staan jullie verbouwereerd te kijken, maar dan vraagt je vriendin: “heeft die mier nu écht zojuist een portret getekend van Justin Bieber?”.

Putnam stelt dat het antwoord op die vraag nee moet zijn. De mier heeft misschien een spoor in het zand achtergelaten dat er voor jullie precies uitziet als Justin Bieber, maar de mier heeft Justin Bieber natuurlijk nog nooit gezien. De mier kan dus niet bedoeld hebben om een Justin Bieber portret te tekenen; hij kan niet verwijzen naar Justin Bieber omdat hij geen weet heeft van wie Justin Bieber is. Vanuit de mier gezien is het dus niet bedoeld als een portret van Justin Bieber en Putnam stelt dat dat nou juist nodig is om het een portret te maken. Als het bedoeld is als een portret van Justin Bieber en naar Justin Bieber verwijst is het een portret – of het er nou op lijkt of niet. En dus ook: zonder bedoeling en verwijzing geen portret.

Wat kunnen we met dit inzicht? Een gemene wetenschapper heeft ons brein uit ons hoofd gehaald, in een vat met voedingstoffen geplaatst en alle zenuwuiteinden aan een supercomputer aangesloten; zodat het net lijkt alsof we nog steeds doorleven.

Stel nu dat dat brein een boom voor zich ziet en misschien zelfs wel roept “kijk daar staat een boom!”. Verwijst dat brein dan naar een boom?

Nee, zou Putnam zeggen. Het is net als in het verhaal van de mier en Justin Bieber. Er is niet echt een boom, er is alleen de illusie van een boom. Het brein heeft geen zintuigen en leeft niet in de echte wereld. Daarom heeft het alleen weet van boom-illusies, maar niet van echte bomen. Het kan dus ook alleen verwijzen naar die illusie. Als het brein in een vat roept “kijk daar is een boom” dan bedoelt het brein niet een echte boom, maar een boomillusie.

Maar als dat zo is bijt het brein-in-een-vat argument zichzelf in de staart! Want… Kan het brein-in-een-vat dan wel verwijzen naar een brein-in-een-vat? Kan, met andere woorden, een brein-in-een-vat denken dat ze alleen maar een brein-in-een-vat is? Of kan ze dat met een collega brein-in-een-vat aan het kampvuur bespreken?

Nee dat kan dus niet. Als een brein-in-een-vat over een brein-in-een-vat begint dan bedoelt het brein-in-een-vat de illusie van een brein-in-een-vat. Je kan dus niet tegelijkertijd een echt brein-in-een-vat zijn en over een echt-brein-in-een-echt-vat spreken. Of anders gezegd: als we breinen-in-een-vat waren en we hallucineerden de echte wereld bij elkaar dan konden we het niet hebben over echte breinen in echte vaten omdat de enige breinen en vaten die we kenden hallucinaties waren. Putnam trekt daaruit de volgende conclusie: als we breinen in vaten waren konden we het er niet over hebben en dus zijn we het niet.

Ik zal eerlijk toegeven dat ik dit verhaaltje nog nooit bij het kampvuur heb uitgeprobeerd. Hoe briljant ik het argument van Putnam ook vindt, het is heel ongemakkelijk omdat er een soort van Droste effect in zit. Ik zie me al een avond bij het kampvuur praten over illusies van illusies van illusies van breinen in vaten. Dan denk ik nog liever wat langer na over het bestaan van de echte wereld; of over hoe echt echt moet lijken om ook echt te zijn. Of ik zet the Matrix nog eens op, want die breinillusies zijn tenminste nog te hacken.

Meer lezen?

Hoewel Emanuel Kant geloofde dat de buitenwereld bestond, geloofde hij niet dat we hem kunnen kennen. Zijn visie vind je in het blogje kenvermogen

Als je net als ik van gedachtenexperimenten houdt is mijn blogje over dat onderwerp een aanrader. Of mijn blogje over het EPR experiment.

Hilary Putnam gebruikte Winston Churchill in zijn versie van het mier in het zand voorbeeld. Je vind zijn argumentatie in: Reason, Truth and History.