Plat

NRC kopte gisteren dat één op de tien Fransen gelooft dat de aarde plat zou kunnen zijn. Ik moest meteen lachen natuurlijk. Zo van: dat is wel een heel merkwaardige overtuiging in deze moderne tijd. Meteen daarna bekroop me toch een ongemakkelijk gevoel. Ik maakte me zorgen over toestand van de wereld. Want zeg nou zelf: Frankrijk! Dat er Amerikanen zijn die geloven dat de aarde plat is. Ach. Een paar verdwaalde creationisten die het geloven? Zit ik niet mee. Maar 10% van iedereen. Dat is wel veel. En Frankrijk is om de hoek. Voor je het weet slaat dat de-aarde-zou-best-wel-eens-plat-kunnen-zijn virus over naar hier. Brrr.

Ik hoor zelf dus nog bij de groep die denkt dat de aarde rond is, maar door het berichtje ging ik me wel afvragen hoe dat ik zo zeker kon weten. Terwijl ik nog aan het nagniffelen was ging ik het bij mezelf na. 1: iedereen weet dat de aarde rond is. 2: ik heb op school geleerd dat de aarde rond is. 3: dat de aarde rond is past in andere ideeën die ik heb over de wereld, zoals dat de aarde om de zon draait. 4: een ronde aarde die om haar as draait geeft een mooie verklaring voor dag en nacht. 5: je kan helemaal om de aarde heen vliegen en varen. 6: op foto’s die vanuit de ruimte genomen zijn, ziet de aarde er uit als een bol.

Kortom: ik heb het van horen zeggen.

Want zeg nu zelf… direct bewijs voor de rondheid van de aarde kom je in dit lijstje niet tegen. Ik zou natuurlijk rond de aarde kunnen vliegen, maar ik heb het nog nooit gedaan. En toen ik eens naar Amerika vloog – dat is ongeveer een kwart rond – had ik na de landing helemaal niet het gevoel dat de aarde scheef stond. De grond was recht onder me en ik had helemaal geen moeite mijn evenwicht te bewaren. Die foto’s zijn eigenlijk ook geen direct bewijs: ze zouden nep kunnen zijn en je ziet eigenlijk een schijf, dus per saldo zit die hele bolvormigheid meer in je hoofd dan dat je het op de foto kan zien.

Het sterkste bewijs dat ik heb voor de rondheid van de aarde is dat al die verschillende indirecte bronnen het eens zijn met elkaar. Het is altijd een sterke aanwijzing dat je goed zit wanneer verschillende bronnen in dezelfde richting wijzen, maar in dit geval is dat gewoon weer terug te voeren op punt 1: iedereen denkt dat de aarde rond is.

Ik ben natuurlijk niet écht gaan twijfelen door deze gedachtegang, maar het laat wel iets belangrijks zien: voorwetenschappelijke ideeën, zoals een platte aarde, zijn niet zo dom als dat je zou denken. Het wereldbeeld waar wij mee opgevoed zijn is eigenlijk nogal tegen-intuïtief. Als je je zintuigen vertrouwt in plaats van wat je op school leerde, ontwikkel je hele andere ideeën over de wereld dan de wetenschap ons voorschotelt. We weten zelfs vrij precies welke ideeën dat zijn. Dat blijkt bijvoorbeeld uit onderzoek aan misconcepties van middelbare scholieren over de natuur en natuurkunde. De ideeën die scholieren daarover hebben komen precies overeen met hoe de Griekse filosofen, zoals Aristoteles, over de wereld dachten. Er zijn geen IQ scores van Aristoteles bekend, maar ik schat in dat die niet tegenvallen. Geloof in voorwetenschappelijke ideeën is dus niet te verklaren vanuit een gebrek aan logisch redeneren of kritisch denken. Het gaat er om welke bronnen je gebruikt en welke je daarvan het meest vertrouwt.

Terug naar de Franse wereldbolontkenners. Is het een probleem dat zij het wereldbeeld waar wetenschappers honderden jaren op gepuzzeld hebben niet blijken te vertrouwen? Dat hangt er natuurlijk van af waar het wantrouwen vandaan komt. NRC suggereerde een beetje dat er een schrikbarende opkomst van collectieve paranoia gaande is en het past natuurlijk ook mooi in recente berichten over filterbubbels en feitenvrije politiek, maar ik durf wel te betwijfelen of dat is wat hier aan de hand is.

Ik denk dat het bericht, of vooral de reactie er op, laat zien dat we de invloed van de wetenschap op het grote publiek structureel overschatten. Zo wetenschappelijk zijn onze denkbeelden nu ook weer niet. We denken er allemaal het onze van als het zo uitkomt. We maken massaal gebruik van therapieën die niet bewezen zijn of waarvan zelfs bewezen is dat ze niet werken. We geloven misschien niet in God, maar hebben het vervangen door “ietsisme”. Wereldwijd trekken intellectuelen hele registers vol met drogredenen open om de klimaatwetenschap te ontkennen. Zo kan ik nog wel even doorgaan.

Wat mij wel interessant lijkt is een meting door de tijd heen van dit soort ideeën. Hoeveel mensen dachten in 1850 dat de aarde wel plat kon zijn in vergelijking met nu? Dan kunnen we tenminste zien of we echt met plotselinge paranoia te maken hebben of met normale, gezonde, variatie van publiek gedachtengoed rondom wat wetenschappers bedacht hebben. Maar voor zover ik weet is de invloed van de wetenschap als geheel op het grote publiek nooit wetenschappelijk onderzocht.

Misschien is ongeloof in klimaatverandering en geloof in homeopathie en ‘iets’ van een andere orde dan denken dat de aarde plat is, maar het mechanisme is hetzelfde. Het écht pijnlijke feit achter dit krantenbericht is dat het ook over onszelf gaat. We geven gewoon met zijn allen vaak de voorkeur aan onze eigen, weinig geïnformeerde meninkjes, boven het magnifieke puzzelwerk van wetenschappers van over de hele wereld. Als het om onze denkbeelden gaat lijden we collectief aan dezelfde arrogantie en hoogmoed, niet alleen die 10% platdenkers.

Meer lezen?

Ik schreef al eens over ideeën het publiek versus de wetenschap in Eksters. Ik beschreef ook al eens verschillende kennisbronnen, waarvan getuigenis de belangrijkste is voor ons. Dit blogje suggereert eigenlijk dat ons wetenschappelijke wereldbeeld tot de basiskennis behoort.

De mogelijkheid dat nieuwe media wel degelijk collectieve paranoia aanjagen onderzocht ik in Collateral damage of the robotsrace (on the web).

Het volledige NRC artikeltje vind je hier. Ook de column van Rosanne Hertzberger uit die zelfde week is een aanrader.

Groepsindentificaties

Ik ben een man, docent en skeeleraar. Dit zijn drie brokjes informatie die je kunnen helpen om je een beeld van mij te vormen. Want, stel je voor dat ik dit blogje gestart was met “ik ben vrouw, tandartsassistente en paintballer“? Dan had je je toch een heel ander persoon voorgesteld. Het kan een handige manier zijn om iemand te leren kennen: ontdekken bij welke groepen hij of zij hoort. Zodra je weet dat ik een man ben, kun je datgene wat je van mannen weet op mij toepassen. Niet alles daarvan zal kloppen, maar het meeste wel en dan ben je al weer een stuk verder. Toch is het de moeite waard eens wat beter te kijken naar de werking van dit soort ‘groepsidentificatie’, want we draven er natuurlijk vaak veel te ver mee door.

Mijn favoriete voorbeeld is het verschil tussen mannen en vrouwen, gewoon omdat je dat zo met de paplepel ingegoten krijgt. In tegenstelling tot veel andere jeugdtrauma’s, lukt het ons ook maar niet om er overheen te komen als we ouder worden. Zo kan het zomaar gebeuren dat je een getrouwde man iets hoort zeggen als:

Als mijn vrouw en ik naar Frankrijk gaan, pakt zij de kaart. Daarin zijn we heel atypisch.

De gedachte is hier: vrouwen zijn slecht in kaartlezen dus hoe bijzonder (atypisch) is het wel niet dat mijn vrouw dat wel goed kan? Maar, het antwoord is natuurlijk dat het niet bijzonder is: heel veel vrouwen kunnen goed kaartlezen.

Een plaatje: de bell curve. Stel je voor dat je een manier zou weten om de vaardigheid kaartlezen te meten op een schaal van 0 tot 100. Niet alle vrouwen zouden het natuurlijk even goed doen. Een klein deel van de vrouwen bakt er echt helemaal niets van en scoort tussen de 0 en de 15. Er zijn al heel wat meer vrouwen die tussen de 15 en de 30 scoren en een groot deel van de vrouwen kan heel gemiddeld navigeren, laten we dat op 45 zetten. Er zijn natuurlijk ook vrouwen die bovengemiddeld navigeren, iets minder die heel goed navigeren en maar een paar die het uitzonderlijk goed kunnen. In grafiekvorm ziet dat er zo uit (de curve heeft een beetje de vorm van een bel, vandaar de naam).

bel v

Mooi toch? Voor mannen is het natuurlijk niet anders. Sommige mannen kunnen niet navigeren en zullen het nooit leren ook, een grote groep mannen navigeert heel gemiddeld en een paar kerels zijn er uitzonderlijk goed in. We gaan even mee in het vooroordeel dat mannen beter navigeren en zetten het gemiddelde op 55. Dat ziet er zo uit.

bel v plus m

Ik heb ze meteen maar in één plaatje gezet want dan kunnen we de mannen en vrouwen beter vergelijken. Twee dingen vallen op. Ten eerste zie je dat er inderdaad een verschil is tussen mannen en vrouwen als groep. Anders gezegd gemiddeld gesproken navigeren mannen beter dan vrouwen. De stippellijntjes die het groepsgemiddelde aangeven staan 10 navigatiepunten uit elkaar. Maar als we naar individuen gaan kijken zien we iets heel anders in het plaatje. Er is namelijk bijna overal erg veel overlap. Overal in het plaatje vind je zowel mannen en vrouwen. Kun je bijvoorbeeld aan de navigatiescore aflezen of iemand een man of een vrouw is? Eigenlijk niet. Als je 50 scoort op navigeren is de kans dat je een man of een vrouw bent precies even groot. Zelfs bij een score tegen de 70, waar het verschil het grootst is, doen mannen en vrouwen het nog ongeveer even goed. Het meten van een navigatiescore is uiteindelijk een waardeloze manier om te ontdekken of iemand een man of een vrouw is. Het is dus ook helemaal niet “atypisch” als een vrouw goed kan navigeren.

Het lijkt misschien paradoxaal dat groepen kunnen verschillen zonder dat dat iets zegt over de mensen in de groep, maar het is ook wel te begrijpen. Mensen verschillen gewoon veel. Er zijn er die goed kunnen navigeren en er zijn er die dat slecht kunnen. Als je groepen gaat vergelijken probeer je die individuele verschillen juist weg te denken. Dat doe je door gemiddeldes te meten en dat werkt: als je verschillen tussen alle mensen onderling wegdenkt, dan navigeren mannen iets beter. Maar als je vervolgens met die kennis in handen weer iets wil zeggen over alle mannen en vrouwen, dan moet je eigenlijk die verschillen tussen individuen er weer bijdenken en dat vergeet iedereen. Daardoor doen we vaak alsof iedereen van de groep het gemiddelde heeft. ‘Vrouwen navigeren gemiddeld iets slechter’ wordt zo vanzelf ‘alle vrouwen navigeren slecht’. Onzin natuurlijk. Niemand is het gemiddelde. Ik ben geen gemiddelde man, docent of skeeleraar en er is echt weinig gemiddeld aan mijn tandartsassistente.

Verschillen meten tussen groepen is een populaire bezigheid. Mannen en vrouwen zijn op duizenden aspecten met elkaar vergeleken. Het ironische is dat dat vaak veel moeite kost. Juist omdat mensen onderling zo verschillen is het lastig om verschillen tussen groepen vast te stellen. Op het moment dat het lukt om een verschil te vinden is het meteen groot nieuws: “Met een vernuftige meetwijze hebben we eindelijk aangetoond dat vrouwen gemiddeld net iets vaker dromen van een reis naar de maan”. Kan zo in de krant. Maar juist dit soort vindingen lijken als twee druppels water op de verzonnen versie hierboven. Het verschil tussen de groepen is veel kleiner dan verschillen tussen de leden uit de groep. Dat je in zo’n geval weinig kan met het gevonden verschil wordt voor het gemak maar even vergeten. Het nieuws is het verschil tussen de groepen, niet hoe klein het wel niet is.

Eigenlijk zou het beter zijn als we het pas interessant gingen vinden als het verschil tussen de groepsgemiddelden groter was dan het gemiddelde verschil tussen de individuele groepsleden. Want in die situatie zegt een verschil tussen groepen ook echt iets over het merendeel van de mensen. Maar ja. Dat is best een zware eis. Er blijven dan heel weinig verschillen over. Vrouwen hebben gemiddeld gesproken iets meer curves, mannen kijken iets meer porno. Daar houdt het wel ongeveer op. En met andere groepen is het net zo. Er zijn nauwelijks cultuurverschillen tussen Duitsers en Nederlanders die deze toets overleven. Docenten en tandartsassistenten verschillen vooral op het aantal uur dat ze specifiek in monden kijken of voor groepen studenten staan. En zelf paintballers en skeeleraars zijn grosso modo één pot nat. Alle groepsverschillen die je werkelijk op individuen kan toepassen kennen we al, die hoeven niet meer gemeten. Realistisch, maar saai.

Dus? Dan maar niet meer over groepen praten? Eigenlijk denk ik dat er niet zoveel mis is met groepsidentificatie als je er maar niet in doordraaft. Als je trots bent dat jouw groep iets vaker van maanreizen droomt dan pronk je daar toch mee, ook al herkennen anderen van de groep zich er minder in? En als je je aan een dame voorstelt als skeeleraar, kan de paintballende luisterares misschien niet raden hoe je bent, maar ze kan het je wel vragen. De ingang heb je haar al gegeven. Beschouw groepslidmaatschappen gewoon als licht vermaak. Ga niet eindeloos zitten neuzelen over de volksaard van de Serven, de zogenaamde agressiviteit van moslims of de onhebbelijkheden van mannen of vrouwen. Probeer gewoon zo snel mogelijk om de specifieke persoon die je voor je hebt te leren kennen. Dat is degene die er toe doet, niet de groepen waar hij of zij toe behoord. En als je de moeite neemt iemand echt te leren kennen heb je vaak veel meer gemeen dan je eerst dacht.

Meer lezen?

Dit blogje is de eerste van een tweeluik over het vergelijken van groepen. In mijn volgende blogje eerlijk vergelijken ga ik verder in op de ingewikkeldheden die komen kijken bij het vergelijken van groepen.

Ik schreef natuurlijk ook al eerder over onze meet- en vergelijkcultuur. Ik ben er nog niet uit of dat iets goeds is. Soms blijk ik warm voorstander zoals in waardendragers en eksters. Maar soms ook niet, zoals in dit blogje en in waarheidsinjecties.

Asha ten Broeke geeft in het idee m/v een uitgebreide analyse van veel onderzoek over de verschillen tussen mannen en vrouwen. Zij stelt dat er bij kritische beschouwing van dat onderzoek heel weinig betekenisvolle verschillen over blijven. Dat argument heb ik dus uiteindelijk van haar. Overigens komen de voorbeelden die ik hier gebruik niet uit het boekje, die zijn allemaal verzonnen.

Spiegelpaleis

Gisteren stond ik in de rij achter een vader, een moeder en hun twee dochters; ze leken me een gelukkig gezinnetje. Maar, we stonden immers te wachten, één van de twee dochters was een beetje baldadig. De vader gaf haar een liefdevol-maar-berispend kneepje in de wang. Het duurde natuurlijk maar een paar seconden voordat zij haar zusje op hetzelfde recept trakteerde; wat haar natuurlijk weer op een reprimande kwam te staan. Wij mensen zijn sociale dieren en imitatiegedrag zoals in dit voorbeeld komt veel voor. Door elkaar steeds na te doen leren we van elkaar en versterken we onze groepsband. Of pappa het nou leuk vond of niet, met het knijpen van haar zusje zei ze tegen hem ‘ik ben net als jij’ en tegen haar zusje ‘jij hoort er ook bij’. Het was een ín en ín sociale actie.

Dit soort gedrag speelt ook een belangrijke rol bij ideeënvorming. Zet een paar verschillende mensen bij elkaar in een groepje en hun denkbeelden zullen meestal snel naar elkaar toegroeien. Echt afwijkende ideeën houden we meestal liever voor onszelf en de dingen waar we het ongeveer over eens zijn bespreken we uitvoerig. Als we allebei vinden dat het niveau van onze studenten omhoog moet, is dat steeds onderwerp van gesprek. Als we heel verschillende ideeën hebben over hoe dat zou moeten, bespreken we daar minder van.  In een groep zijn de die ideeën die we met elkaar met elkaar blijven uitwisselen dus meestal gelijksoortig. Het sociale effect is dat er in de groep een gevoel van gelijkgestemdheid is waar we veel behoefte aan hebben. Maar het het delen van gelijksoortige ideeën heeft ook inhoudelijke voordelen. Gelijksoortige ideeën zijn namelijk gemakkelijk te combineren tot nieuwe ideeën waardoor ze zich verder ontwikkelen. Dit heeft op zijn beurt weer een sociaal effect. De ideeën die we als groep gemaakt hebben vormen weer een band, want gezanmelijke ideeën: daar zijn we samen trots op.

Zo leven we allemaal in verschillende kenniscellen. Je kamergenoten op het werk, een vriendengroep die je regelmatig ziet, je gezin het zijn allemaal kleine groepjes met hun eigen, gedeeld gedachtengoed. Eerst, zodra ze gevormd worden, zorgen kenniscellen bijna altijd voor veel creativiteit. De leden van het nieuwe groepje delen ideeën die op elkaar voortbouwen, waar weer nieuwe ideeën uit ontstaan. Maar dat creatieve effect dooft na een tijdje uit. De gemeenschappelijke ideeën zijn zo belangrijk voor de sociale orde, dat ze een steeds grotere plaats in de gespreksstof gaan innemen. Daardoor blijven in een oude kenniscel steeds maar weer dezelfde ideeën rondzingen. En er gebeurt nog iets anders. Het wordt steeds moeilijke om buiten de cel te kijken en in te schatten hoe anderen, buiten de cel, eigenlijk over de onderwerpen waar steeds over gesproken wordt denken. Mensen overschatten namelijk systematisch hoe breed hun eigen gedachtengoed, gedeeld wordt.

Dit heeft te maken met een psychologisch mechanisme dat de availability bias heet. Sociaal psychologen hebben aangetoond dat mensen informatie die makkelijk beschikbaar is voor het brein (omdat die vers in het geheugen zit bijvoorbeeld) zwaarder wegen in hun oordeelsvorming dan andere informatie. Als je elke dag nieuws hoort over bijvoorbeeld klimaatverandering ga je het sneller als een probleem zien en ga je eerder denken dat het waar is wat er over gezegd wordt. Je brein werkt het liefst met die dingen die voor het grijpen liggen. De combinatie van de availability bias met de neiging om in groepen gelijksgestemdheid te ontwikkelen leiden tot een soort ideeënblindheid. In een kenniscel hoor je steeds dezelfde ideeën van dezelfde mensen en de availability bias zorgt ervoor dat je juist aan die ideeën veel waarde hecht. Zodoende gaan groepen er vaak stilzwijgend van uit dat er buiten de groep ongeveer net zo over het onderwerp gedacht wordt als binnen de groep.

Natuurlijk bewegen we ons in meerdere groepen, maar veel daarvan zij stabiel. Op het werk zijn dat bijvoorbeeld het groepje collega’s waar we mee lunchen, de collega’s waar we een kamer mee delen en de vaste teams waar we in werken. Die stabiele teams vormen een soort spiegelpaleis. We denken het geheel van ideeën in onze sociale kring te kunnen overzien, maar dat blijkt vaak niet waar. Veel mensen denken bijvoorbeeld dat ze een aardig idee hebben van wat er zoal in de organisatie speelt, maar als je die ideeën gaat onderzoeken blijkt het projectie. Mensen denken dat datgene wat op hun eigen kamer besproken wordt, in de hele organisatie besproken worden. Maar een kamer verder worden andere dingen besproken; en denken ze ook dat juist die ideeën in de hele organisatie spelen. De availability bias maakt dat onze kenniscellen spiegelwanden heeft waarin we van alles denken te zien, maar waar we eigenlijk vooral naar onszelf zitten te kijken.

Voor dit nadelige aspect van kenniscellen is eigenlijk maar één remedie. De reality check.  Als je altijd op een universiteit rondloopt loop dan eens een dagje mee in de verpleging. Ga eens op de thee bij je Turkse buurvouw. Praat eens met een collega die je niet elke dag ziet. Op die momenten prik je de celwand even door en ontdek je wat er buiten je eigen wereldje leeft. Dat kan best verfrissend zijn.

Meer lezen?

Dit blogje is voor een groot deel gebaseerd op de ideeën van Thijs Homan, professor verandermanagement aan de open universiteit. Hij vertelt er smakelijk over in dit online college.

Ik sprak al eerder over de onbetrouwbaarheid van het brein en het effect op onze kennisbeleving in mijn blogjes: geheugenmachine, kennisbronnen en in eksters.

Verkoudheid

Het is winter. De vraag of je van kou vatten verkouden kan worden, verdeelt dus weer hele volksstammen. Kun je verkouden worden door tocht in huis of door zonder jas naar buiten gaan? Of heeft verkoudheid in feite niets met kou te maken? Wetenschappelijk gezien is dit een onbeslist vraagstuk en dit blogje gaat ook niet over het enige juiste antwoord op de ‘kouvatvraag’. Waar het me hier om te doen is, is wat er onder de oppervlakte van de discussie speelt. De twee meest voorkomende antwoorden op de kouvatvraag zijn namelijk verschillende soorten antwoorden en  kamp waar je jezelf in bevindt, zegt dus misschien wel meer over je, dan je denkt. Hoor je bij het koukamp of het viruskamp?

Situaties die we allemaal kennen. Bob, een manneke van tien, rent half- November zonder jas naar buiten. Zijn moeder roept hem terug en doet hem snel een jas aan: “want anders vat je nog kou”. Vader bromt ondertussen: “je wordt helemaal niet verkouden van kou, je wordt verkouden van een virus”. Of neem mijn oma die als het tocht in huis altijd vraagt of de deur dicht mag: “anders heb ik zo weer een klets te pakken”. Een brommende oom uit het viruskamp vindt het al veel te warm in huis en laat nog even weten hoe het ‘echt’ zit: “het is een viiiirruuus….”. Iedereen kent wel een scenario zoals dit, of maakt het, als het weer zo blijft, binnenkort mee.

De koukampers denken dat je door kou verkouden kan worden. Ze beroepen zich op ervaring of op volkswijsheid. Voor viruskampers speelt kou geen rol en zij beroepen zich op hun kennis van de oorzaak van verkoudheid: het verkoudheidsvirus. Ik zal het maar meteen toegeven: ik hoor bij het koukamp. Ik ben een van die mensen die denkt dat kou wel degelijk een grote rol speelt bij verkouden worden.

In de herfst en de winter worden veel meer mensen verkouden dan in de zomer. Bij elke graad temperatuurdaling onder de 5 graden Celsius neemt het percentage verkouden mensen met bijna 20% toe. Het is dus niet zo vreemd dat koukampers denken dat die twee wel iets met elkaar te maken zullen hebben, én dat het heel verstandig is om je er tegen te beschermen. Misschien denken ze ook terug aan de laatste keer dat ze verkouden geworden zijn. Later konden ze zich precies herinneren wanneer ze kou gevat ‘moeten’ hebben. Voor verstokte koukampers is dit ruim voldoende bewijs om bij kou het zekere voor het onzekere te nemen. Ze laten zich dus ook niets wijs maken door mensen die er anders over denken, ook niet door een viruskamper met zijn verhalen over de skivakantie waar niemand verkouden is geworden.

Maar erg waterdicht is het verhaal van de koukamper natuurlijk niet. Het is heel vaak zo dat dingen samengaan zonder dat het ene het andere veroorzaakt. Bij goed weer verdrinken er bijvoorbeeld meer mensen. Toch is de oorzaak van die verdrinkingen niet de zon, maar zwemmen in de zee. Ook de herinnering van de koukamper aan het moment van kou vatten zegt niet zoveel. Zoals ik in mijn blogje over eksters al besprak, is het geheugen nogal selectief met het onthouden van bewijs. Alle tocht in huis die niet tot verkoudheid geleid heeft, wordt meteen vergeten. Dat ene zuchtje kou dat wel een verkoudheid opleverde, blijft stevig in het geheugen. Jaja: de herinnering aan tocht zorgt voor verkoudheid zeker?

De, vaak wat superieure reactie, van de viruskamper is dan ook best te begrijpen. De viruskamper stelt dat we nu eenmaal uit de wetenschap weten dat verkoudheid veroorzaakt wordt door een virus. Daarom is al die angst voor kou ongegrond en zijn alle voorzorgsmaatregelen overdreven. Bovendien is er die skivakantie.

Maar, ook het verhaal van de viruskamper is verre van waterdicht. Hij begaat wat in de filosofie wel een switcheroo genoemd wordt. Een switcheroo bega je als je een sterke stelling verdedigt met bewijs voor een zwakkere stelling. De stelling dat verkoudheid door een virus wordt veroorzaakt is een vrij bescheiden stelling die makkelijk te verdedigen is. Je hoeft alleen mensen te infecteren met het virus en dan aan te tonen dat een behoorlijk deel er verkouden van wordt.

Het gaat alleen al iets verder om te stellen dat het verkoudheidsvirus een noodzakelijke oorzaak is voor verkoudheid. Nu moet je ineens bewijzen dat er niemand verkouden wordt zonder het verkoudheidsvirus in zijn lijf. Dit is een behoorlijk zware bewijslast. Niettemin is hier zeker wetenschappelijk bewijs voor.

Maar, de viruskampers gaan nog een stap verder. Als je de voorzorgsmaatregelen die koukampers treffen bagatelliseert, stel je eigenlijk dat kou helemaal geen rol speelt bij verkoudheid. Eigenlijk stellen de viruskampers dat het virus de enige oorzaak is van verkoudheid.

Maar, kan verkoudheid niet een samenloop van omstandigheden zijn? De meeste gebeurtenissen in het echte leven zijn een samenloop van omstandigheden – ook dingen die door fysische wetten worden geregeerd zoals het weer. Misschien zijn er mensen die het verkoudheidsvirus al in hun lijf hebben en pas daadwerkelijk verkouden worden door kou – of omdat ze door een andere reden ‘bevattelijk’ zijn. Dat je in een samenloop van omstandigheden één oorzaak weet aan te wijzen betekent nog niet dat de andere oorzaken er niet toe doen.

Het is niet zo verwonderlijk dat de koukampers en de viruskampers allebei redeneerfouten maken. Maar waarom accepteren ze elkaars bewijsvoering zo slecht? Ik denk dat dat komt omdat ze een wezenlijk andere vorm van bewijs gebruiken.

Koukampers zijn holisten en ervaringsleerders. Zij hebben de beschikking over een overdadige hoeveelheid bewijs, want elke winter is het weer raak en worden er weer een heleboel mensen verkouden door onoplettendheid met de kou. Maar het is wel zwak bewijs en dat weten koukampers ook. Ze weten niet precies hoe het mechanisme van oorzaak en gevolg in elkaar zit. Overigens maakt dat ze – tot ergernis van de knorrige viruskamp oom – ook niet zoveel uit. Eventuele theorieën over hoe echt werkt zijn prima, zolang ze maar in lijn zijn met het bewijs waardoor de koukampers allang weten hoe het zit.

De viruskampers daarintegen, zijn eerder reductionisten en theoretici. Zij denken het mechanisme achter kouvatten te begrijpen en daardoor weten ze al hoe het zit. Ze hebben maar weinig bewijs, maar het is wel sterk bewijs. Ze laten zich dus ook niet door een dubieuze berg van zwak bewijs uit het veld slaan. Alleen een koukamper die kan laten zien welk mechanisme ervoor kan zorgen dat je van kou verkouden wordt, heeft een klein kansje bij een viruskamper.

Misschien lees je dit op een ongezellig feestje in de winter, waar je oom en je oma elkaar weer in de haren vliegen en maak je je nu zorgen over of we er ooit uit komen. En dat kan natuurlijk best. Zodra er een relatief makkelijk te begrijpen theorie komt die de koukampers in het gelijk stelt, maar bevredigend is voor viruskampers is er weer even harmonie in huis. Maar al snel begint de discussie opnieuw over een ander onderwerp. De kampen krijgen dan andere namen, maar bestaan waarschijnlijk uit dezelfde personen. Je kentheoretische natuur verloochend zich gewoon niet door het beslissen van zo’n onbeduidend onderwerp als verkoudheid.

Meer lezen?

Ik heb voor het schrijven van dit blogje gebruik gemaakt van een artikeltje van Wim Köhler in de NRC.Next van 30 November 2015.

Eerder schreef ik over volkswijsheid in mijn blogje over eksters. De twee kampen die ik hier onderscheid lijken erg veel op de twee kampen die ik in waarheidsinjecties al eens uit elkaar haalde.

Eksters

Veel vragen worden met experimenten beslist. Experimenten zijn ook ideaal als je dingen zeker wil weten. Welke wasmachine gebruikt het minste energie? Zitten er in rietsuiker meer calorieën dan in fruitsuiker? Vertrouwen mensen eerder hun eigen waarnemingen dan die van de groep? Bestaat licht uit deeltjes of uit golven? Allemaal dingen die je met experimenten kan vaststellen – en op weinig andere manieren.

Het mooiste is als een experiment aantoont dat iets waar je altijd van dacht dat het onzin was toch waar blijkt te zijn of andersom. Het maakt niet uit of je met een Miele wast of een B-merk. Er zitten evenveel calorieën in fruitsuiker. Mensen vertrouwen de groep. Licht bestaat uit golvende deeltjes. Dat soort dingen. Ik vind het het mooist als een experiment iets aankaart waar iedereen al een mening over heeft. Neem Eksters. Schattige vogeltjes zijn dat met een voorkeur voor glimmende dingen. Pas dus op met je sieraden als je een Ekster ziet!

Het verbaast je misschien dat deze volkswijsheid nooit eerder aan een experiment onderworpen is, maar wij wetenschappers doen veel te weinig aan het toetsen van volkswijsheden. Onderzoekers van de Universiteit van Exeter (de naam is vast toeval) hebben het wel onderzocht en het blijkt dat Eksters een afkeer hebben van nieuwe dingen, of ze nu glimmen of niet. De onderzoekers plaatsten glimmende en niet-glimmende objecten in de buurt van het eten van wilde Eksters en bij de huiseksters van het lab. Beide groepen vermeden het eten waar voorwerpen bij geplaatst waren, of deze nu glommen of niet. Conclusie: wat de Ekster niet kent dat vreet hij niet.

Maar… Hoort er niet een kern van waarheid in dit soort volkswijsheden heden te zitten? Of anders… Als het niet waar is, hoe komen Eksters dan aan deze reputatie? Het antwoord op deze vraag schuilt in een gemene neiging van mensen om vooral te letten op dingen die in lijn zijn met wat ze al weten, de “confirmation bias”. Stel: je ziet een Ekster met een takje in zijn bek. Misschien dacht je nog “Wow! Een Ekster!”, maar je dacht niet: “Mmm… Eksters houden blijkbaar van niet-glimmende dingen zoals takjes”. Stel nu dat je een Ekster met een glimmend ding in zijn bek ziet. Dan denk je: “ZIE JE WEL!! Een Ekster met een glimmend ding! Het is DUS waar!” – goed gezien, maar toch niet helemaal eerlijk.

Zelfs als je reacties iets gebalanceerder zijn dan in het voorbeeld, is het makkelijk te snappen hoe Eksters hun reputatie kunnen houden. Als je eenmaal de reputatie hebt van zilverdief, zijn alle ogen op je gericht wanneer je het doet en nul ogen wanneer je het laat. In de praktijk zijn er zelfs geen waarnemingen nodig: het gaat om het aantal geloofwaardige beschuldigingen en als Ekster delf je dan het onderspit.

Zielig? Mwa. Maar wel een waarschuwing voor ons mensen. Als je denkt dat je iets zeker weet, vooral wanneer het is omdat iedereen het zeker weet – misschien is het dan tijd voor een eerlijk, vergelijkend, experiment.

Meer weten?

Het experiment met de Eksters is beschreven in:
http://www.theguardian.com/environment/2014/aug/18/silver-magpie-shine-research

De confirmation bias is een broertje van de selection bias, waar ik in mijn blogje over stokoude kennis al over sprak.