Brein in een vat

We hebben er allemaal wel eens een gesprekje aan een kampvuur of in de kroeg aan gewijd: wat nou als alles een illusie is? Ongeveer zoals in die film “The Matrix”, waar machines ons gebruiken als energievoorziening en in ruil daarvoor een virtuele wereld in ons brein injecteren. Dit heet het “brein-in-een-vat scenario” en ik heb het altijd heel onwaarschijnlijk gevonden. De wereld is gewoon te echt om nep te zijn.

Maar, vreemd genoeg doet dit “te echt om nep te zijn” argument het maar matig bij het kampvuur. Je opponent verzint gewoon een nog slimmere computer, godheid of demon die de virtuele wereld in je hoofd maakt – en voor je het weet breng je de avond alsnog in diepe twijfel over het bestaan van de echte wereld door. Misschien is het wel goed zo: misschien is het gewoon menselijk om af en toe aan de wereld te twijfelen, maar, dat begrijp ik best: soms wil je er ook wel eens onder uit. Dan biedt de redenering uit dit blogje mogelijk uitkomst.

Origineel is het brein in een vat scenario natuurlijk niet hè? Er waren al Griekse filosofen die beweerden dat de werkelijkheid net zo goed een illusie kon zijn. René Descartes beweerde in de 16e eeuw op basis van het brein in een vat scenario dat je wél kan twijfelen aan het bestaan van de echte wereld, maar niet aan het bestaan van menselijke gedachten. In zijn geval maakte een demon de illusies. Zelfs in de hedendaagse filosofische literatuur komt het brein in een vat scenario regelmatig terug; al was het alleen maar omdat er weer eens een nieuwe manier bedacht is om het te weerleggen. Want dat is natuurlijk de crux. Bijna niemand gelooft echt dat we een brein in een vat zijn, maar het blijkt knap lastig om een deugdelijke tegenargumentatie te vinden.

Pogingen zijn er genoeg, maar mijn favoriete weerlegging komt van Hilary Putnam. Putnams argument bouwt op het idee van verwijzen. In iets aangepaste vorm gaat het als volgt. Stel je voor, zegt Putnam, dat je met een vriendin naar het strand gaat. Daar zie je een mier lopen die een spoor in het zand achterlaat waar ze gelopen heeft. Jullie kijken er een tijdje naar en plotseling blijkt er een afbeelding van Justin Bieber te staan. Wow!  Even staan jullie verbouwereerd te kijken, maar dan vraagt je vriendin: “heeft die mier nu écht zojuist een portret getekend van Justin Bieber?”.

Putnam stelt dat het antwoord op die vraag nee moet zijn. De mier heeft misschien een spoor in het zand achtergelaten dat er voor jullie precies uitziet als Justin Bieber, maar de mier heeft Justin Bieber natuurlijk nog nooit gezien. De mier kan dus niet bedoeld hebben om een Justin Bieber portret te tekenen; hij kan niet verwijzen naar Justin Bieber omdat hij geen weet heeft van wie Justin Bieber is. Vanuit de mier gezien is het dus niet bedoeld als een portret van Justin Bieber en Putnam stelt dat dat nou juist nodig is om het een portret te maken. Als het bedoeld is als een portret van Justin Bieber en naar Justin Bieber verwijst is het een portret – of het er nou op lijkt of niet. En dus ook: zonder bedoeling en verwijzing geen portret.

Wat kunnen we met dit inzicht? Een gemene wetenschapper heeft ons brein uit ons hoofd gehaald, in een vat met voedingstoffen geplaatst en alle zenuwuiteinden aan een supercomputer aangesloten; zodat het net lijkt alsof we nog steeds doorleven.

Stel nu dat dat brein een boom voor zich ziet en misschien zelfs wel roept “kijk daar staat een boom!”. Verwijst dat brein dan naar een boom?

Nee, zou Putnam zeggen. Het is net als in het verhaal van de mier en Justin Bieber. Er is niet echt een boom, er is alleen de illusie van een boom. Het brein heeft geen zintuigen en leeft niet in de echte wereld. Daarom heeft het alleen weet van boom-illusies, maar niet van echte bomen. Het kan dus ook alleen verwijzen naar die illusie. Als het brein in een vat roept “kijk daar is een boom” dan bedoelt het brein niet een echte boom, maar een boomillusie.

Maar als dat zo is bijt het brein in een vat argument zichzelf in de staart! Want… Kan het brein in een vat dan wel verwijzen naar een brein in een vat? Kan, met andere woorden, een brein in een vat denken dat ze alleen maar een brein in een vat is? Of kan ze dat met een collega brein in een vat aan het kampvuur bespreken?

Nee dat kan dus niet. Als een brein in een vat over een brein in een vat begint dan bedoelt het brein in een vat de illusie van een brein in een vat. Je kan dus niet tegelijkertijd een echt brein in een vat zijn en over een echt brein in een echt vat spreken. Of anders gezegd: als we breinen in een vat waren en we hallucineerden de echte wereld bij elkaar dan konden we het niet hebben over echte breinen in echte vaten omdat de enige breinen en vaten die we kenden hallucinaties waren. Putnam trekt daaruit de volgende conclusie: als we breinen in vaten waren konden we het er niet over hebben en dus zijn we het niet.

Ik zal eerlijk toegeven dat ik dit verhaaltje nog nooit bij het kampvuur heb uitgeprobeerd. Hoe briljant ik het argument van Putnam ook vindt, het is heel ongemakkelijk omdat er een soort van Droste effect in zit. Ik zie me al een avond bij het kampvuur praten over illusies van illusies van illusies van breinen in vaten. Dan denk ik nog liever wat langer na over het bestaan van de echte wereld; of over hoe echt echt moet lijken om echt te zijn. Of ik zet the Matrix nog eens op, want die breinillusies zijn tenminste nog te hacken.

Meer lezen?

Hoewel Emanuel Kant geloofde dat de buitenwereld bestond, geloofde hij niet dat we hem kunnen kennen. Zijn visie vind je in het blogje kenvermogen

Als je net als ik van gedachtenexperimenten houdt is mijn blogje over dat onderwerp een aanrader. Of mijn blogje over het EPR experiment.

Hilary Putnam gebruikte Winston Churchill in zijn versie van het mier in het zand voorbeeld. Je vind zijn argumentatie in: Reason, Truth and History.