Adaptief de 21e eeuw in

Kennis is weer uit. Althans, in het onderwijs. Daar zijn 21st century skills in; en computational thinking. Die aandacht voor vaardigheden boven kennis is natuurlijk niet fonkelnieuw. Ik ben zo’n 25 jaar geleden tot docent opgeleid en sindsdien wordt ongeveer dezelfde mantra steeds in een nieuw, nog hipper, jasje gestoken.

Het gaat ongeveer zo. In de toekomst gaat feitenkennis minder belangrijk worden. Want leerlingen kunnen alles opzoeken op internet en bovendien verandert de wereld steeds sneller waardoor de ideeën verouderen waar je bij staat. Wat studenten ècht nodig hebben is leervermogen. Ze moeten nieuwe kennis tot zich kunnen nemen. Ze moeten multidisciplinair kunnen samenwerken. Ze moeten zich snel aan nieuwe situaties kunnen aanpassen. Zodat ze, in de turbulente tijden die voor ons liggen, met alle winden mee kunnen waaien. Zoiets.

Ja het klopt: ik ben daar sceptisch over. Er kloppen twee dingen niet aan: het geschetste wereldbeeld én de voorgestelde oplossing.

Eerst even die steeds sneller veranderende wereld. Klopt dat? Nou, nee. Zo snel gaan die veranderingen nu ook weer niet. Historici wijzen erop dat we al eeuwen het gevoel hebben dat de ontwikkelingen steeds sneller gaan, maar dat zegt misschien meer over ons dan over de daadwerkelijke ontwikkelingen in de wereld. Het revolutionaire en ontwrichtende karakter van nieuwe technologie wordt meestal nogal overdreven; zeker door de uitvinders.

En de digitale revolutie dan? Ja, natuurlijk. De smartphone is pas een dikke tien jaar oud en allang niet meer uit de samenleving weg te denken. Maar alles wat ik daar nu mee doe: e-mailen, internetten, gamen en bellen, doe ik al sinds mijn jeugd met andere technische middelen. De ‘revolutie’ is vooral dat ik het nu kan doen terwijl ik naar mijn werk fiets.

Revolutionair denken is volgens mij vooral een kwestie van aandacht. Als je je aandacht richt op wat er allemaal veranderd is, dan gaat het inderdaad allemaal razendsnel. Let je op wat er allemaal hetzelfde blijft, dan loopt het zo’n vaart niet.

Maar de ècht prangende kwestie is natuurlijk de voorgestelde oplossing. Is het voor het toekomstige aanpassingsvermogen van onze leerlingen goed om minder vakinhoud en meer leervaardigheden te onderwijzen? Met andere woorden: moeten we op de basisschool taal en rekenen, op de middelbare school natuurkunde en geschiedenis, of in het beroepsonderwijs kook- en programmeerles, vervangen door lessen over creativiteit, leren leren, probleemoplossen en samenwerken? Die vraag verdient een genuanceerd antwoord, dat volgens mij toch begint met: “nou nee” of “nog niet meteen”.

Het probleem met 21st century skills, ontwerpdenken of andere complexe vaardigheden is dat ze niet kunnen bestaan zonder vakinhoud. Kennistransfer – het hergebruiken van kennis die je in één context hebt geleerd in een nieuwe context – blijkt namelijk heel moeilijk te zijn. Creatieve schakers volgen bij het koken vaak simpele, vaste recepten, terwijl sterrenkoks nog geen toren van een pion kunnen onderscheiden. Het is alsof er verschillende ruimtes zijn in het brein: voor taal en rekenen, voor natuurkunde, en voor frisbee – en dat de taalcreativiteit niet naar het frisbeeveldje durft, of andersom. Je kunt studenten creativiteitsles geven tot je een ons weegt, maar zonder ze materiaal te geven om creatief mee te zijn – of zonder ze onder te dompelen in een vakwereld waarin hun creativiteit een plekje kunnen geven – heeft dat geen enkele zin.

Gelukkig is er een middenweg. We hoeven niet per se te kiezen tussen vak- of vaardighedenles. We kunnen die twee hand in hand laten gaan. Het is goed mogelijk om vakinhoud zò te onderwijzen dat studenten die flexibeler kunnen inzetten. 21st century content dus. Die middenweg wordt onderzocht door onderwijskundigen die zich richten op adaptieve expertise.

Het idee van adaptieve expertise start met een interessante asymmetrie. Terwijl het bijna altijd zo is dat mensen die creatief zijn, goed kunnen samenwerken en nieuwe problemen aan kunnen pakken óók experts zijn in hun vak – is het niet altijd zo dat experts in een vak ook die vaardigheden voor aanpassing hebben. Blijkbaar vloeien die vaardigheden voort uit vakkennis, maar niet altijd. Alsof je op een gekostumeerd bal komt en sommige gasten blijken een maskertje te dragen en anderen niet. Het roept de vraag op hoe die creatieve, of adaptieve, vakmensen zich onderscheiden, en of dat ook te leren is.

Volgens onderzoekers hebben adaptieve experts dezelfde vakkennis als gewone experts, maar is die op een andere manier ‘gerepresenteerd’. Adaptieve experts hebben blijkbaar hun bovenkamer beter op orde. Hun kennis is beter gestructureerd en abstracter dan die van gewone experts. Hierdoor zijn ze beter in staat om in nieuwe situaties opnieuw gebruik te maken van hun vakkennis. Adaptieve experts hebben adaptatie ook al geoefend. Ze hebben vaak meer ervaring met vernieuwende opdrachten en ze hebben de kans gehad hun eigen oplossingsstrategieën te ontwikkelen.

Wat ik interessant vind aan dit lijstje, is dat hier twee ‘kampen’ samenkomen die in de 21st century skills-discussie lijnrecht tegenover elkaar staan. Hoe zorg je dat leerlingen een gestructureerde kennisbasis verwerven en dat ze abstracte kennis opdoen? Dat kan met degelijk onderwijs met veel aandacht voor theorie. Hoe zorg je dat studenten hun kennis in nieuwe situaties kunnen toepassen en hun eigen oplossingsstrategieën kunnen ontwikkelen? Vrij onderwijs waar studenten losgelaten worden, in projecten bijvoorbeeld.

Het is dus én én en niet òf òf.

Kan 21st century-onderwijs je leerlingen flexibeler maken? Ik denk dat het er nogal van afhangt hoe je onderwijs er nu al uitziet. Geef je nu alleen klassiek onderwijs waarin vakkennis centraal staat, dan is het misschien raadzaam iets meer ruimte te maken voor leervaardigheden en het ontwikkelen van eigen oplossingsstrategieën. Maar, als je nu al veel met projecten werkt, loop je met nóg meer vaardighedenonderwijs het risico de vakkennis – die juist de basis vormt voor adaptieve expertise – uit te hollen. Volgens de adaptieve-expertisetheorie moet je feitelijk een middenweg zien te vinden.

Misschien denk je nu: “Maar dat deden we toch allang?” Dan sta je vast niet alleen. Verandering is relatief. Als je als docent of school de afgelopen 25 jaar met geen enkele mode bent meegegaan, wordt het hoog tijd voor een nieuwe garderobe. Maar als je steeds de mode hebt bijgehouden, kun je echt nog wel een jaartje toe met dat leuke jasje. Hét onderwijs hoeft niet helemaal anders. Heel erg ouderwets onderwijs moet (misschien) wél helemaal anders.

 Want zeg nou zelf: meer nog dan of het wel zinvol is, vraag je je bij onderwijsvernieuwing vaak af welk onderwijs de onderwijsvernieuwers zélf eigenlijk genoten hebben.

Meer Lezen?

Ik sprak al over kennistransfer toen ik me hier afvroeg wat echt basiskennis is. Ik sprak over de uitdagingen van het onderwijzen van nieuwe ontwikkelingen in mijn blog opkijken naar nieuwe kennis en ik schreef ik al eens een beschouwing over het vak geschiedenis.

Aan het denken over de toekomst en veranderingen besteedde ik aandacht in de blogjes vooruitgang en in opdracht van de tijd.

Voor dit artikel heb ik gebruik gemaakt van een systematische literatuurstudie over adaptieve expertise van de universiteit van Maastricht. Deze is helaas nog niet open access beschikbaar.

Poetsvissen

Poetsvissen hebben zelfbewustzijn! Althans… er is een poetslipvis geslaagd voor een test die vaak gebruikt wordt om dat te meten. De krant maakte er maar tussen neus en lippen melding van, maar het zou wel eens een heel belangrijke – zo niet ontwrichtende – bevinding kunnen blijken.

Goed, misschien wordt het maar één keer gevonden natuurlijk. Het zou kunnen dat die wetenschappers toevallig naar de Einstein onder de poetsvissen hebben zitten kijken. Of ze hebben het gedrag van die poetsvissen verkeerd geïnterpreteerd. Dan waait het wel weer over.

Maar, als dat niet zo is?.. Ik bedoel: het zou ook zomaar zo kunnen zijn dat dit experiment herhaald wordt. En dat dan heel veel poetsvissen het blijken te kunnen. En misschien ook nog wel andere vissen. Dat gaat veel discussie geven. Òf het experiment wordt afgeschreven òf we gaan accepteren dat poetsvissen echt zelfbewustzijn hebben. In beide gevallen vindt er een landverschuiving plaats in ons denken. Welke van deze twee opties het wordt zegt misschien wel meer over ons dan over die schattige beestjes.

Goed, waar hebben we het over? Poetslipvisjes zijn visjes van zo’n vier centimeter groot. Ze zijn langwerpig, hebben gekleurde en zwarte strepen en zijn meestal in de buurt van andere vissen te vinden. Ze eten namelijk parasieten en dood weefsel van andere vissen. Vandaar die naam. Maar weten poetsvissen wie ze zijn? Hebben ze een ego – een ik? Kunnen ze als het ware over zichzelf nadenken, zoals wij dat de godganse dag aan het doen zijn? Dat is eigenlijk de vraag die in dit experiment centraal staat.

We weten bijzonder weinig over wat dieren bewust meemaken. We zijn ons wel bewust van sommige van onze eigen ervaringen, maar we kunnen niet inschatten of dieren iets soortgelijks beleven. Het probleem is dat beleving altijd subjectief is. We kunnen zelfs niet met zekerheid zeggen of andere mensen écht ervaren wat wij ervaren.

Hoe weet je wat anderen ervaren? Daar is geen direct bewijs voor. Wat je kan doen is het afleiden uit gedrag. Als je samen met een vriend in een achtbaan zit en hij begint heel hard te gillen, terwijl je zelf de adrenaline door je aderen voelt stromen en je maag voelt draaien, is het niet zo’n grote stap om te denken dat je vriend ongeveer hetzelfde ervaart als jij. De omstandigheden en het gedrag van je vriend zijn ongeveer hetzelfde als de jouwe, dus dan zal je ook wel ongeveer hetzelfde ervaren.

Bij dieren is dat lastiger natuurlijk. De verschillen in omstandigheden en gedrag zijn nu eenmaal groter. Maar wat dieren ervaren is wel een heel belangrijke vraag omdat het iets zegt over hoe we ons tegenover andere dieren mogen gedragen.

Veel mensen gaan ervan uit dat dieren geen bewustzijn hebben, zeker niet de dieren die we op willen eten. Insecten kun je zonder problemen doodslaan en ook vissen kunnen volgens sommige mensen geen pijn voelen. Varkens gillen wel als ze onverdoofd gecastreerd worden, maar dat is aanstellerij. Honden hebben weer bovennatuurlijk bewustzijn, die voelen het al aan als er iets ergs gebeurt met de baas, voordat ie het huis binnenkomt. Nou ja. Je weet wel hoe er zoal over gepraat wordt. Feitenvrij.

Dus. Hoe kan je wel op een betrouwbare manier zicht krijgen op het bewustzijn van dieren? Hoe zou je kunnen bewijzen dat dieren zelfbewustzijn hebben, bijvoorbeeld? Daar komt het spiegelexperiment om de hoek kijken. De psycholoog Gordon Gallup bedacht het in de jaren 70. Het spiegelexperiment was een manier om te onderzoeken of apen – primaten bijvoorbeeld – misschien ook zelfbewust waren, net als mensen.

De meeste dieren worden agressief als ze in de spiegel kijken, maar op een gegeven moment wennen ze eraan. Gallup liet apen wennen aan de spiegel. Vervolgens bracht hij iets op het lijf aan, zoals een vlek of een sticker, die de dieren alleen via de spiegel konden zien. Sommige apen gingen die vlek vervolgens inspecteren. De conclusie moest wel zijn dat de dieren zichzelf in de spiegel konden herkennen.

Een van de interessante dingen aan de spiegeltest is dat niet alle dieren ervoor slagen. Het lijstje bestaat eigenlijk alleen uit dieren die ook ander intelligent gedrag vertonen: bonobo’s, dolfijnen, orca’s, olifanten en eksters. Er zijn ook veel dieren die we als bijzonder intelligent beschouwen zoals honden, katten, – en ook allerlei apen – die zakken voor die test. Zelfbewustzijn is niet ieder dier gegeven.

En nu blijken poetsvissen dus ook door de test te komen. Poetsvissen gaan een vlekje van zichzelf proberen te verwijderen, nadat ze die in de spiegel gezien hebben. Dat is een tikje onverwacht en – om heel eerlijk te zijn – best wel ongemakkelijk.

De bevinding morrelt namelijk aan ons wereldbeeld. Wij zien onszelf heel graag als een uitzondering in de natuur. Dat wordt met twee dure woorden ‘exceptionalistisch antropocentrisme’ genoemd. De gedachte is dat mensen zijn geen ‘gewone’ dieren zijn, maar dat ze zich op de een of andere manier onderscheiden. Ze zijn door taal, cultuur, intelligentie of technologie ver boven andere diersoorten verheven. Als zodanig hebben mensen ook andere rechten en plichten in de natuur.

De uitzonderingspositie voor de mens in de natuur zie je terug in allerlei oude teksten, zoals de Bijbel; en we denken nog steeds vaak dat we heel anders zijn dan andere dieren. Dat is ook niet zo vreemd. Zolang andere dieren niet in steden wonen, autorijden en Netflix kijken – is het toch moeilijk om ze als volledig gelijkwaardig te zien.

Maar het exceptionalisme gaat wél tegen de ideeën van Charles Darwin in. Darwin was een gradualist. Hij erkende dat dieren van elkaar verschilden, maar die verschillen waren in zijn ogen altijd klein. Soorten evolueerden stukje bij beetje naar andere soorten. Als je de mens wilde bestuderen kon je beter kijken naar wat we allemaal gemeen hebben met andere dieren, dan naar wat de verschillen zijn. Zo kon men zien waar onze bijzondere eigenschappen vandaan kwamen en wat ooit het evolutionaire voordeel ervan was.

De spiegeltest vormt een prettige middenweg tussen het gradualisme en het exceptionalisme. De test laat zien dat andere dieren óók zelfbewustzijn hebben – en dat het dus niet iets unieks menselijks is, maar het plaatst de mens ook in een exclusief gezelschap van hoogst intelligente dieren die (blijkbaar) op de een of andere manier ‘hoger’ zijn dan andere dieren. Bonobo’s, olifanten en walvissen bijvoorbeeld.

De uitzonderingsbevestiging die in het spiegelexperiment omsloten zit komt op losse schroeven te staan als lagere dieren, zoals mieren en poetsvissen er voor gaan slagen. Wat moeten we met een experiment waar honden voor zakken, maar poetsvissen voor slagen?

Je kan daar verschillende kanten mee uit. De eerste weg is om het experiment zelf te bekritiseren. Dat is wat je geneigd bent te doen met experimenten die niet in je wereldbeeld passen. In dat geval hou je dus vast aan het idee van hogere en lagere dieren en van zelfbewustzijn als een eigenschap van hogere dieren – en dan probeer je te laten zien waarom het spiegelexperiment niet noodzakelijk zelfbewustzijn aantoont. Dit is een strategie die veel wetenschappers op dit moment volgen.

Iets radicaler is het om de uitkomsten van het experiment te accepteren. Dan kun je vervolgens vragen stellen over het hiërarchische idee dat in het spiegelexperiment omsloten zit. Je zegt dus: “het is voorlopig de vraag wie voor het spiegelexperiment slagen en wie zakken, dat zouden mieren of meelwormen kunnen zijn, of poetsvissen, of struisvogels – maar alle dieren die slagen hebben zelfbewustzijn en dieren die zakken niet”.

Dit is de radicale variant. Het plaatst zelfbewustzijn buiten de indicatoren van de ‘hoogte’ van een diersoort en het stelt indirect vragen over het hele idee van hogere en lagere diersoorten. Dieren zijn verschillend: niet ‘meer’ of ‘minder’. Dat werk.

Ik heb al een paar keer door laten schemeren dat een keuze voor één van beide vormen uit kan maken voor wat we acceptabel menselijk gedrag vinden. Als er ‘lagere’ dieren bestaan zonder ‘subjectieve ervaringen’, dan kunnen we die met een gerust hart op een industriële manier telen of verbouwen. Wanneer zulke dieren veel meer op ons lijken als dat we nu toe willen geven, dan wordt het moeilijker. Zo zouden de, zichzelf herkennende, poetsvissen zomaar iets kunnen betekenen voor onze – duidelijk veel intelligentere – varkens. Het is me wat!

Meer lezen?

Ik schreef over dierenwaarneming en -bewustzijn in ervaring en omwereld. Ik schreef over het vraagstuk van intelligentie van anderen in Brein in een vat. Ik schreef over de evolutietheorie in Evolutiesnelheid, Memen en Cultuurdragers. Ik schreef eerder over dierexperimenten in Eksters.

Dit blogje is gebaseerd over een berichtje in het NRC over poetslipvissen. Ook de Volkskrant belichte het onderwerp.

Nog voor dat poetslipvissen door de spiegeltest kwamen lukte dat een bepaalde mierensoort. Dit is op de een of andere manier minder controversieel, omdat bij mieren het nog moeilijker is om de hypothese dat ze echt ‘zelfbewustzijn’ hebben overeind te houden dan bij poetslipvissen.

Calimero

Nu we na decennia babbelen over de klimaatverandering eindelijk in actie lijken te komen, breken gouden tijden aan voor argumentatie-antropologen. De na-mij-de-zondvloed-types in ons land willen natuurlijk best een beetje inschikken met hun Hummers, maar niet zonder eerst nog even flink wat verbaal vuurwerk af te steken. Dus rapporteert de Telegraaf in chocoladeletters over “klimaathysterie” en “klimaatindustrie” en buitelen de drogredenen en complottheorieën op sociale media weer als vanouds over elkaar heen. Over het woordenspelletje dat de Telegraaf nu probeert te spelen sprak ik al eens in Betekenisdrift, dus daar hoef ik nu niet zoveel aan toe te voegen, maar er zijn zeker argumenten in deze discussie die een nieuw blogje waard zijn.

Zoals bijvoorbeeld het argument waar ik me het meest over heb verbaasd: het Calimero-argument. Het gaat ongeveer als volgt. (1) Wij zijn maar een heel klein landje. (2) Dus moeten we vooral niet vooroplopen met klimaatmaatregelen. (3) Want wat wij doen helpt bijna niets én (4) misschien doen de anderen wel niet mee.

Zucht. En zij zijn groot en wij zijn klein. Het is een venijnig argument omdat het zo redelijk en lekker veilig klinkt. Eerst maar eens kijken of de grote jongens wel meedoen, dan kunnen wij onze paar centen ook wel inleggen; en tot die tijd is er toch niet veel verloren. Getekend: diverse politieke partijen, waaronder het CDA.

Het deugt natuurlijk niet hè? Het klimaatprobleem is een typisch geval van wat economen de tragedy of the commons noemen. Als er een handvol boeren zijn die hun koeien op hetzelfde gras (de commons) laten grazen zijn de individuele belangen van de boeren niet te rijmen met het gemeenschappelijke belang.

Voor elke boer afzonderlijk is het handig om een paar extra koeien op het gras te laten: dat levert meer melk op. Zolang er genoeg gras is tenminste: dus het is in het gemeenschappelijke belang om juist niet te veel koeien los te laten. Als alle boeren een extra koe nemen is het gras zo verdwenen.

De tragedie is dat er een kale vlakte ontstaat als alle boeren hun individuele belang voorop stellen en alle boeren dan failliet gaan. Slimme boeren denken dus niet alleen aan zichzelf, maar maken afspraken over hoeveel koeien ze laten grazen en houden zich eraan. Zodat alle koeien – ook die van henzelf – altijd genoeg gras hebben.  Ze plaatsen het gemeenschappelijke belang vóór het eigenbelang.

Zo zit het ook met het klimaat. We dragen allemaal bij aan het klimaatprobleem en hebben er allemaal baat bij dat het opgelost wordt. We hebben in Parijs afgesproken minder uit te stoten en het is in ons gemeenschappelijke belang dat ook te doen. Als Calimero alleen maar aan zichzelf denkt is het vast beter om even te wachten met die klimaatmaatregelen, maar dat najagen van het eigenbelang is juist wat het probleem veroorzaakt. Het kan dus niet de oplossing zijn. Tijd om wakker te worden. Er is nauwelijks gras meer. Iedereen, ook Calimero, moet het gemeenschappelijke belang voorop gaat stellen.

Het vingerwijsspelletje dat hier gespeeld wordt is ook alomtegenwoordig. Het maakt helemaal niet uit hoe groot of klein je bent. Burgers wijzen naar de grote bedrijven. Kleine landen wijzen naar grote landen. Grote landen wijzen terug. Arme landen wijzen naar rijke landen. Iedereen wijst naar Amerika.

Maar het gaat niet om wie het meeste gras eet. Het is dit keer juist gèèn wedstrijd. Iedereen eet nu al meer dan haar deel. De meeste Nederlandse burgers eten te veel gras. Het bedrijfsleven eet te veel gras. Andere landen, groot en klein, eten te veel gras. We moeten allemaal minder gras gaan eten en zolang we naar elkaar blijven wijzen verandert er niets. Bovendien ben je pas in een positie om iets te zeggen van wat anderen doen, als jouw eigen gebruik een beetje op orde is. Hoe groot of klein je ook bent.

Dat het moreel onjuist is om klimaatmaatregelen uit te stellen betekent natuurlijk niet dat het ook onhandig is. Misschien is afwachten gewoon goede realpolitik. Het commons-spel wordt nooit helemaal eerlijk gespeeld en wie weet kunnen we ons wel in een betere positie sjoemelen door iets later in te stappen. Daarom intrigeert het woord vooroplopen in het Calimero-argument mij. Wat zou een voormalig gidsland kunnen winnen bij een beetje achterop lopen?

Ik kan wel wat dingen bedenken, maar de belangrijkste is de overloopredenering. Nederland is natuurlijk geen eiland. Als wij strenge klimaatregels gaan hanteren terwijl andere landen er met de pet naar gooien, dan gaan die vervuilende bedrijven, vliegtuigen en personen wel ergens anders heen. De wereld wordt daar niet schoner van en wij verdienen er veel minder door. Erger nog als die bedrijven eenmaal weg zijn komen ze misschien wel nooit meer terug en ondervinden wij blijvend schade aan onze economie, alleen maar omdat we zo nodig de eerste wilden zijn.

Nu lopen sommige dingen wel sneller over dan andere. Mensen die in het Oosten wonen pakken misschien net zo lief in Frankfurt het vliegtuig, maar daarmee zit Schiphol niet ineens zonder reizigers. Veel mensen vinden het sfeertje op Schiphol prettiger en voor veel mensen voelt het dichterbij. Daarom blijven ze naar Schiphol gaan, ook als het wat duurder is. Zo zit het ook met bedrijven. Een bedrijf verplaatsen kost veel geld en moeite dus je gaat je geluk pas in het buitenland beproeven als je daar heel goede redenen voor hebt.

Overlopen is zo makkelijk nog niet. De kosten om je persoonlijke routine te verleggen of om de bedrijfsvoering aan te passen, worden switching costs genoemd. Switching costs vaak een reden om je geluk juist niet elders te beproeven. Tenzij je er vertrouwen in hebt dat het daar blijvend beter gaat zijn. Vaak zijn de switching costs te hoog om een overstap te rechtvaardigen. Daar komt nog bij dat de angst dat bedrijven die overstappen voorgoed weg zijn ook nog eens gebaseerd is op een asymmetrie. Een overstap naar het buitenland is zo gebeurd, maar om terug te komen zijn die switching costs ineens veel te hoog?

Eigenlijk is die overloopredenering dus ìn en ìn pessimistisch. Het doet alsof wij heel onpopulair zijn en niemand bij ons wil horen. Het drukt  ook pessimisme uit over de toekomst en hoe anderen dan met het klimaat zullen omgaan. In een wereld waar iedereen haar klimaatbeleid gaat aanscherpen, nu of in de iets verdere toekomst, heeft overlopen niet zoveel zin. En dan is het voor een klein gidslandje als Nederland ook helemaal niet zo erg om voorop te lopen in de verduurzaming.

Daarmee is het overloopargument gewoon een onderdeel van het wijsspelletje dat toch al onderdeel was van het Calimero-argument. Wij zijn bang dat anderen misschien niet meedoen en daarom doen we nog maar even niets. Waarmee we onszelf blootstellen aan de risico’s die met klimaatverandering gepaard gaan én voorkomen dat we in een positie zijn om er wat van te zeggen als anderen inderdaad niet mee blijken te doen. Dat lijkt me heel onverstandig.

Ik kan wel eens boos en verdrietig worden van hoe we op dit moment aan pessimisme ten onder gaan. Als het niet zo vreselijk was, zou je de mensheid nu zien als een bedreigde diersoort die het aan zichzelf te danken heeft. Panda’s hebben bijna nooit seks en eten met hun dieet van bamboe wel heel eenzijdig. Dat is niet slim als je als soort wil voortbestaan. Mensen wijzen naar elkaar tot ze een ons wegen en stoken ondertussen de planeet zo warm dat die onleefbaar wordt. Natuurlijk red je het dan niet als soort. Het is tragisch, maar ook wel een beetje aandoenlijk.

Meer lezen?

In betekenisdrift ga ik in op de vraag of woordgebruik invloed heeft op de gedachten. De Telegraaf rekent daar wel op, maar geloof er niet zo in.

In in opdracht van de tijd sprak ik ook al eens over hoe verwachtingen over de toekomst ons handelen bepalen. Ik was daar vrij kritisch over het gebruik van voorspellingen over de toekomst als raadgever.

Moeras

Veel metaforen die mensen voor kennis gebruiken idealiseren het begrip wel een beetje: een boom heeft structuur en groeit, containers zijn handig om dingen netjes in op te bergen, in netwerken is alles met alles verbonden, een kennisstroom gaat ergens heen. Dat zijn natuurlijk mooie eigenschappen, maar het zijn misschien meer eigenschappen waarvan we zouden willen dat kennis ze bezit dan dat dat ook daadwerkelijk zo is. Deze metaforen schilderen kennis eigenlijk af als het mooiste meisje van de klas, waar we jammer genoeg toch nooit mee gaan trouwen. Daarom gooi ik het nu eens over een totaal andere boeg. Wat als we kennis niet vergelijken met iets moois en verhevens, maar eerder met de stinkende, natte en zompige werkelijkheid van het moeras?

Als ze het durven toegeven zullen veel onderzoekers het wel een treffende vergelijking vinden denk ik. Ik voel me bijvoorbeeld vaak als een soort Baron von Munchausen die zichzelf aan de eigen haren uit het moeras trok; met dat verschil dat het hem wèl lukte. Steeds als ik iets nieuws probeer te begrijpen is het zoeken naar houvast en structuur. Het lukt je wel eens om ergens een takje vast te pakken om wat houvast te hebben; of om ergens een beetje vaste grond onder je voeten te voelen, maar je hoeft maar één stap te zetten en je zakt weer helemaal weg in de modder.

Ook als je geen onderzoeker bent, kun je iets met deze metafoor. Denk eens aan de voorzichtigste eerste stapjes die je soms zet om iets te begrijpen dat helemaal nieuw voor je is. Je probeert nieuwe begrippen altijd terug te brengen tot dingen die je al kent, maar omdat dat maar ten dele lukt, kun je je behoorlijk verloren voelen. Er is geen overzicht: je krijgt je hoofd er nooit helemaal omheen; je hebt geen vaste grond om op te staan. Uiteindelijk krijg je natuurlijk wel meer begrip, je leert de omgeving van het nieuwe idee beter kennen, er ontstaan olifantenpaadjes waarlangs je weet dat het begrip benaderbaar is. Zo komt het langzaam binnen bereik. Maar o wee als iemand een onverwachte vraag weet te stellen, dan ben je weer helemaal verloren. Als je het idee weer langs een nieuwe weg moet bereiken is de kans op natte voeten weer levensgroot.

Als een van de weinige kennismetaforen benadrukt het idee van kennis als een moeras hoe moeilijk leren en onderzoeken werkelijk zijn: hoe lastig, onvindbaar en slecht begaanbaar de wegen naar een nieuwe kennis kunnen zijn. Of het nou om kennis in je hoofd of in de wereld gaat. Misschien verklaart dat waarom sommigen het opgeven en liever blijven bij wat ze al weten en kunnen, dan dat ze iets nieuws leren.

Dat geldt niet alleen voor individuen. Ook wetenschappelijke disciplines hebben hier last van, waardoor ze soms naar binnen gericht kunnen zijn. De filosoof Imre Lakatos beschreef disciplines eens als dingen met een harde kern van onbetwijfelbare waarheden, met daaromheen een ontwikkelingsgebied dat groter of kleiner kan zijn afhankelijk van de ouderdom van de discipline.

Het beeld van een vestingstad in een verder vrij onbegaanbaar moerasgebied dringt zich dan op. Binnen de discipline is vaste grond: in de vesting bestaan structuren en zekerheden, maar daarbuiten –tussen disciplines in – is het terrein veel onbegaanbaarder. Als wetenschapper heb je een keuze: blijf je veilig binnen de stad om er binnen de spelregels en structuren een betere plek van te maken, trek je er op uit om buiten de poorten op ontdekkingstocht te gaan? Mensen die kennis zien als een gebouw of als een boom, bekijken de kennis zoals die binnen de discipline is opgebouwd. Vaak zullen het ook mensen zijn die liever binnen de stad aan het werk zijn, dan ze eropuit trekken om de drassige omgeving te verkennen.

Geef ze eens ongelijk. Het moeras is koud en nat, je kunt er verdwalen en de kans dat je er een schat vindt, of een nieuwe woonplek, is bijzonder klein. Maar nodig is dit soort werk net zo goed. Echt nieuwe kennis, of een brug of begaanbare weg tussen disciplines, ligt misschien niet voor het grijpen, maar het is de moeite meer dan waard. Als de buurman niets nieuws wil leren en almaar vast blijft houden aan zijn eigen ideeën dan beschouwen we dat als lui of dom, terwijl we ons niet druk maken als wetenschappers datzelfde gedrag vertonen.

Meer lezen?

Ik schreef over de voor- en nadelen van wetenschappelijke disciplines in helpt specialiseren. Ik besprak eerder andere metaforen voor kennis zoals de kenniscontainer, kennisstroom, kennisboom, kennisnetwerken en de geheugenmachine.

Ongezond

Als de dokter een medicijn voorschrijft dan mag je hopen dat hij zich goed geïnformeerd heeft, dat de werkzaamheid van het medicijn is aangetoond en dat de bijwerkingen bescheiden zijn – en bekend. Misschien wil je ook nog dat het medicijn beter werkt, of anders toch goedkoper is, dan andere medicijnen op de markt. Om dat allemaal mogelijk te maken bestaat er een praktijk die evidence based medicine heet. Maar in de praktijk van ‘bewezen medicijnen’ gaat zoveel mis dat artsen eigenlijk geen fatsoenlijke medische beslissingen kunnen nemen.

Dat betoogt, althans, Ben Goldacre in zijn boek “Bad Pharma”. Het is een dikke pil waarin hij de praktijk van evidence based medicine helemaal afpelt. Hij laat zien hoe het zou moeten gaan, welke waarborgen er zouden moeten zijn en op hoeveel plekken het ook mis gaat. Als je evidence based medicine een warm hart toedraagt kan je van Goldacre’s betoog behoorlijk in de put raken, maar om het systeem te kunnen repareren moet je de fouten eerst blootleggen. Of, zoals Goldacre het brengt: “daylight is often a good disinfectant”.

Wat is er mis? Om dat te begrijpen moet je iets weten van de basisprincipes achter evidence based medicine. De gedachte is dat medicijnen grondig worden getest voordat ze (mogen) worden voorgeschreven. Dat gebeurt in zogenaamde “randomized controlled trials”. Het medicijn wordt aan een groep patiënten gegeven en een andere groep patiënten krijgt een nepmedicijn – een placebo -, of een concurrerend medicijn. Zo kan de werkzaamheid van het medicijn worden bewezen en kunnen artsen het daarna met een gerust hart voorschrijven.

Het kernprobleem in deze praktijk is ontbrekende gegevens. In essentie is het doen van een medische trial een kwestie van tellen. Hoeveel patiënten zijn gezond geworden in de groep die het medicijn kreeg? Hoeveel in de controlegroep? Is er geen verschil, dan werkt het medicijn niet; is het er wel, dan werkt het. Maar wat nou als je niet iedereen meetelt? Stel je voor dat je, bijvoorbeeld, mensen die gezond worden van het medicijn wèl telt en mensen waarvoor het niets doet niet. Dat lijkt flauw: alleen de gezonde mensen tellen, maar het is volgens Goldacre precies wat de farmaceutische industrie vaak doet.

Ontbrekende gegevens ontstaan grofweg op 2 manieren. Ten eerste worden er flink wat trials uitgevoerd, maar niet gerapporteerd. Neem Reboxetine, een anti-depressie-medicijn. Het medicijn had een positief resultaat in één trial waar 254 patiënten aan meededen. Maar toen onderzoekers gingen graven wisten ze zes, niet gepubliceerde, trials op te sporen met in totaal meer dan 2500 patiënten: zonder resultaat. Werkt Reboxetine? Waarschijnlijk niet. En in ieder geval niet zo goed als dat doctoren die alleen toegang hebben tot de gepubliceerde data denken.

Ontbrekende gegevens kunnen ook in een trial ontstaan, vaak vanwege praktische ingewikkeldheden. Hoe moet je bijvoorbeeld omgaan met mensen die uitvallen tijdens een trial. Tel je ze bij de groep voor wie het medicijn niet geholpen heeft? Dat kleurt je uitslag negatiever in dan misschien nodig. Of tel je ze helemaal niet mee en doe je alsof ze zich nooit ingeschreven hebben? Dat lijkt een neutrale keuze, maar dat is het niet. Omdat mensen die ziek worden van het medicijn of de bijwerkingen vaker afhaken, is de kans heel reëel dat het juist een positieve kleuring aan de resultaten geeft. Of wat te doen met trials die vroegtijdig gestopt worden? Niemand wil natuurlijk dat een trial langer duurt dan nodig. Mensen slikken experimentele medicijnen en noodzakelijkerwijs slikt een groep zieke mensen helemaal geen medicijn. Maar als je stopt zodra een trial een voldoende positief resultaat heeft, is de kans op een positief resultaat ook groter. Bij een negatief resultaat ga je door, waardoor het nog positief kan worden, maar bij een positief resultaat niet. Ook dan tel je gezonde patiënten zwaarder mee.

Deze problemen spelen in alle trials, niet alleen de trials die door de farmaceutische industrie worden uitgevoerd, maar daar gaat het, misschien niet helemaal onverwacht, wel veel vaker mis. Uit onderzoek blijkt dat als een trial is uitgevoerd door de fabrikant van een medicijn, in plaats van door een onafhankelijke instantie, de kans ongeveer vier keer zo groot is dat er een positief resultaat uitkomt. Dat hoeft geen fraude te zijn: het gaat eerder om ondeugdelijk onderzoek. Fabrikanten van medicijnen kunnen niet tellen. Of eigenlijk is het erger: ze rekenen zich rijk. En ja… verreweg de meeste trials worden uitgevoerd door de industrie. Een positieve trial is immers nodig om een medicijn op de markt te krijgen.

Allebei de vormen van verkeerd tellen zijn volstrekt gangbaar, maar ze vertroebelen het beeld voor artsen op een ontoelaatbare manier. Feitelijk hebben artsen, door het oppoetsen van trial data door de industrie, geen basis voor het nemen van deugdelijke medische beslissingen. Ze kunnen niet weten of een medicijn werkzaam is omdat de meeste informatie waarop ze zich moeten baseren ontbreekt en omdat die informatie waar ze wél beschikking over hebben alleen bestaat omdat het de fabrikant van het medicijn goed uitkwam. We praten hier niet over één medicijn of een beperkte groep maar voor veel, zo niet alle, medicijnen op de markt. En dat in een praktijk die over leven en dood gaat.

Dat is misselijkmakend natuurlijk. Dus zoekt Goldacre naar oorzaken. Hoe komt het toch dat zoveel data verloren gaat en achtergehouden wordt? Bij zo’n onderzoek komt de farmaceutische industrie er natuurlijk slecht af, maar ook de instanties die de goedkeuring voor medicijnen verlenen, academische tijdschriften, ethische commissies en de overheid laten volgens Goldacre veel te veel steken vallen. Door de bewijslast bij de industrie te leggen en door het ontbreken van waarborgen waardoor alle data ook beschikbaar zijn blijkt de praktijk van evidence based medicine wel heel schraal af te steken bij de ideeën die eraan ten grondslag liggen. En erg gezond is dat niet.

Meer lezen?

Bad Pharma is een bedachtzame aanklacht tegen misstanden in de praktijk evidence based medicin, het staat vol met feiten en inzichten waar ik in dit korte blogje natuurlijk geen recht aan kon doen. Lees het.

Dit is de eerste keer dat ik over evidence practice schrijf. Over de statistiek achter trials sprak ik (indirect) in groepsidentificaties en eerlijk vergelijken. Over de de werelbeelden die achter een diagnose schuil kunnen gaan sprak ik in verkoudheid.

Eerdere boekreviews gingen over Little Science, Big Science van Derek de Solla Price, The Meme Machine van Susan Blackmore , Laboratory Life en Science in Action, beide van Bruno Latour.

A Priori

Ik was laatst in een supermarkt en moest kiezen tussen grapefruits en sinaasappels. Zonder veel nadenken nam ik de grapefruits. Natuurlijk had ik even online kunnen gaan om uit te zoeken welke van de twee gezonder zijn. Of ik had na kunnen gaan hoeveel van beide opties ik het meest gegeten heb in de afgelopen tijd. Of ik had mijn vrouw kunnen appen met de vraag welke zij het lekkerst vindt. In al die gevallen had ik meer informatie gehad en vermoedelijk een beter besluit genomen. Maar ik deed het niet. Genoeg is genoeg, ook als het om informatie gaat.

Zo gaat het natuurlijk steeds. We nemen verreweg de meeste beslissingen in ons leven met onvolledige informatie en daar maken we ons meestal niet druk over. Toch zullen de meesten zeggen dat je beslissingen, als het enigszins kan, moet nemen op basis van de beste informatie die je kunt krijgen. Je moet er niet aan denken dat een dokter zich onvoldoende informeert voor hij een besluit neemt om je te laten opereren of dat een rechter op basis van een half gelezen dossier een straf uitdeelt.

Toch was het juist een berichtje over de rechtspraak – ze willen er algoritmes inzetten om de strafmaat te helpen bepalen – dat voor mij de vraag opriep of je altijd wel alles moet willen meewegen. Het korte antwoord was nee. Vaak moet je dat niet willen, zeker in de rechtspraak niet.

Vergeef me dat ik om dat toe te lichten er even wat wiskunde bijhaal. Het gaat hier om de wet van Bayes. Thomas Bayes was een Engelse predikant uit de 18e eeuw die de basis legde voor een speciaal soort kansrekening. Hij vroeg zich af hoe je bewijs uit een reeks experimenten mee kon nemen in de inschatting van een uitkomst. Zijn ideeën zijn ook zonder wiskundige basis goed te begrijpen.

Hoe groot is de kans dat er bij jou thuis ingebroken wordt? Er zijn zo’n 45.000 inbraken per jaar in Nederland en zo’n 7,5 miljoen huizen. Dat maakt de kans dat er in een willekeurig huis in Nederland ingebroken wordt zo’n 0,6 procent. Niet erg veel.

Nu zijn er natuurlijk veel redenen te bedenken waarom inbrekers jouw huis sneller zullen uitkiezen. Misschien heb je een hoekhuis, slechte sloten of woon je in een slechte buurt. Al die omstandigheden kun je meewegen in de statistiek. Je kijkt hoeveel vaker er in hoekhuizen ingebroken wordt, hoeveel vaker in slechte buurten en hoeveel vaker in huizen met slechte sloten en je vermenigvuldigt dit met de algemene kans dat er ergens ingebroken wordt. Misschien kom je dan zelfs wel op 2 of 3 procent uit.

Bayes zou zeggen dat de kans van 0,6 procent dat er in je huis ingebroken wordt de kans vooraf is, ofwel de a priori-kans. De kans nadat je alle relevante omstandigheden hebt meegewogen is de kans achteraf, ofwel de a posteriori-kans. Of om de inleiding er nog maar eens bij te halen: a priori zijn sinaasappels even goed als grapefruits, maar als ik meeweeg dat grapefruits iets gezonder zijn, ik er weinig van gegeten heb de laatste tijd en mijn vrouw een voorkeur heeft voor grapefruits winnen ze, a posteriori, de strijd om mijn voorkeur.

De wet van Bayes geeft ons krachtig wiskundig gereedschap om van ruwe inschattingen vooraf, meer verfijnde en precieze inschattingen achteraf te maken, door kennis van omstandigheden in te brengen. En dat is precies wat die algoritmen waar de rechtspraak gebruik van wil maken doen.

Stel dat je voor de rechter komt vanwege een licht vergrijp zoals winkeldiefstal. Om je strafmaat te bepalen weegt de rechter allerlei omstandigheden. Misschien werd je ertoe verleid doordat je foute vrienden hebt of misschien omdat je in de schulden zit. Misschien denkt de rechter dat er een grote kans op herhaling is omdat je het al eens gedaan hebt of misschien verwacht de rechter dat je nu je een keer gepakt bent het niet meer zal doen. De rechter past geen vaste straf toe op een vast vergrijp, maar wikt en weegt omstandigheden.

Dat laatste kan enorm verbeterd worden met de Bayesiaanse wiskunde die algoritmen gebruiken. Er bestaat al een databank met alle gegevens van verdachten: zijn ze bijvoorbeeld man of vrouw, allochtoon of autochtoon, arm of rijk? Dit soort gegevens zijn van heel veel rechtszaken uit het verleden bekend. Vervolgens kun je met de wet van Bayes in de hand uitrekenen wat de invloed is van al die eigenschappen op herhaling – en zo wiskundig bewijs gebruiken bij het bepalen van de strafmaat voor een allochtone, arme vrouw die iemand beroofd heeft.

Je kan dit natuurlijk zien als een verbetering. De rechter woog omstandigheden al mee bij het bepalen van de strafmaat maar nu is ze in staat dit op een preciezere manier te doen. Je zou het ook als een zorgelijke ontwikkeling kunnen opvatten. Het gebruik van algoritmen mechaniseert dat proces namelijk. En de rechter gaat zwaarder tillen aan die aspecten die je kan meten (zoals de kans op herhaling) en minder aan onmeetbare aspecten (zoals sociale invloed).

Maar, ik hoop dat het voorbeeld ook meer fundamentele vragen oproept. Verdien je als vrouw een lichtere straf omdat andere vrouwen minder vaak een tweede misdrijf hebben gepleegd? Of verdien je als allochtoon een zwaardere straf omdat andere allochtonen draaideurcriminelen bleken te zijn? Als het goed is voelt dat idee niet helemaal goed. Ineens blijkt de weging van individuele omstandigheden af te hangen van allemaal groepslidmaatschappen. Dat gaat tegen het gelijkheidsbeginsel in. Het is klassenjustitie.

Als je als individu voor de rechter staat dan wil je je als individu beoordeeld worden. Maar, vreemd genoeg moet de rechter dan heel terughoudend zijn met het wegen van persoonlijke omstandigheden. Want hoewel de rechter niet letterlijk Bayesiaanse wiskunde gebruikt, is het onderliggende denkproces natuurlijk vergelijkbaar. Elke inschatting over een omstandigheid is gebaseerd op groepslidmaatschap: andere gevallen waar die omstandigheden ook speelden. De paradoxale conclusie is dus dat het meewegen van persoonlijke omstandigheden het besluit minder persoonlijk maakt. Het gelijkheidsbeginsel vraagt eigenlijk om de a priori benadering: vaste straffen voor elk vergrijp.

Meer lezen?
In glazen bol besprak ik het gebruik van algoritmen bij de politie al kritisch. In groepsidentificaties en in eerlijk vergelijken lichte ik de relatie tussen groepslidmaatschappen en individuen al eens door. In IQ en waarheidsinjecties besprak ik al eens wat de impact kan zijn van een overdreven focus op metingen.

De zwarte dozen van Bruno Latour

Hoe komen wetenschappelijke feiten eigenlijk tot stand? Door experimenten. Althans dat is het antwoord dat veel mensen zullen geven. Het is ook een mooi beeld. Zo’n experiment heeft iets puurs. Feiten openbaren zich alleen in laboratoria omdat zij daar, dankzij de inventiviteit van de wetenschappers die er werken, losgekoppeld worden van alle rommelige context waar ze zich normaal in verstoppen. Dat is natuurlijk romantische onzin. Want wat kom je eigenlijk tegen als je de totstandkoming van feiten wetenschappelijk gaat onderzoeken?

Ik schreef al eens over het onderzoek van Bruno Latour naar de werking van de wetenschap in Lableven. Latour laat, dat zal je niet verbazen, weinig heel van de romantische ideeën die veel mensen hebben over de wetenschap. In dit blogje bespreek ik zijn bekendste werk, waar ik ooit de naam voor deze blog van geleend heb: “Science in Action”.

Het ideaalbeeld dat veel mensen hebben van wetenschap wordt gevoed door hoe we over wetenschap schrijven. Wetenschappers zelf, maar ook wetenschapsfilosofen, richten zich eerder op hoe wetenschap zou moeten zijn dan op hoe wetenschap is. Latour stelt zich anders op. Hij zegt dat wetenschap alleen begrepen kan worden door de praktijk te bestuderen. Dat doet hij dus ook, eerst in “Laboratory Life” en later in “Science in Action”. Latour laat daar zien dat wetenschappelijke feiten niet ontdekt, maar in de loop der tijd gesponnen worden.

Zwarte dozen…
Om dit te verduidelijken gebruikt Latour het begrip van de zwarte doos. Het begrip ‘zwarte doos’ wordt gebruikt voor technologie die te complex is om helemaal te begrijpen. We kennen de input en de output, maar hoe de machine erin slaagt de vertaalslag tussen die twee te maken blijft verborgen. Hoe het vanbinnen werkt, maakt niet uit; we vertrouwen gewoon op de output.

Wetenschappelijke feiten, zoals de dubbelhelix structuur van DNA, zijn net als die zwarte dozen. Toen DNA voor het eerst werd ‘ontdekt’, was het helemaal niet zo duidelijk wat die structuur was of wat het belang ervan was. Nu zien we de dubbele helix als een gegeven en is de complexe context van ontdekking voor ons verborgen. De dubbele helix is een zwarte doos geworden.

We kennen die wetenschap van de zwarte dozen goed. We leren de zwarte dozen op school: de aarde is rond, de zon een ster, dingen vallen door zwaartekracht, soorten ontstaan in evolutie, erfelijkheid, genetica, DNA. Allemaal dingen die je niet in twijfel hoeft te trekken. We zien de wetenschap vervolgens graag als een proces dat zulke onbetwistbare kennis oplevert. Wat kan het anders zijn? Maar de andere kant is de wetenschap in actie: het rommelige proces waarin die feiten tot stand komen. Dit is minder bekend. Hoe wordt een feit een feit? We moeten de zwarte dozen weer open zien te maken.

Doen we dat met de ‘dubbelhelix-doos’ dan zien we het gepuzzel van Watson en Crick. Er zijn mensen die geloven in een drievoudige helix en mensen die denken dat het helemaal geen helix kan zijn. Watson en Crick hebben het ook niet helemaal uitgedokterd: kan het chemisch wel? En als het zo zou zijn, helpt het de biologie dan verder? We zien de baas van Watson, die vindt dat ze zich met belangrijkere dingen bezig moeten houden. We zien hoe Watson en Crick zelf stukje bij beetje in het idee gaan geloven en hoe ze langzaam de ene na de andere collega in het lab weten te overtuigen. Ze publiceren de structuur. Het komt in het prestigieuze tijdschrift Nature.

Het spinnen van feiten…
Het geloof in de dubbele helix is dus langzaam gegroeid, in steeds bredere kring. Wanneer wordt de dubbele helix een feit? Hoeveel wetenschappers moeten er dan in geloven? Of was het al een feit en worden al die mensen daardoor overtuigd? Of zijn dit misschien twee kanten van dezelfde medaille, die op een dag omdraait? Om deze vragen te beantwoorden, onderzoekt Latour hoe wetenschappers elkaar overtuigen van hun gelijk: hij onderzoekt wetenschappelijke retoriek.

Je kunt de rijping van wetenschappelijke ideeën tot feiten goed volgen door wetenschappelijke retoriek te bestuderen. Wetenschappers kunnen bevindingen meer of minder feitelijk opschrijven. Een feitelijke vorm is: “de zon staat in het centrum van het heelal”. Een minder feitelijke vorm: “Galileo Galilei beweert, tegen de algemeen geaccepteerde ideeën van Aristoteles in, dat de zon in het midden van het heelal staat”. In het tweede geval ga je vanzelf twijfelen aan hoe het zit met de aarde en de zon. Die twijfel wordt gezaaid door de context van ontdekking mee te geven. Galileo zou er ook naast kunnen zitten, zeker omdat hij de grote Aristoteles tegenspreekt. Door alle context weg te laten wordt het juist meer een feit. Wetenschap in actie is onzeker en speculatief; de gestolde wetenschap niet.

In wetenschappelijke artikelen kun je goed zien dat de discussie nog in volle gang is. Wetenschappers trekken meestal een heel blik overtuigingstechnieken open om hun gelijk te krijgen. Ze staven hun beweringen met referenties naar anderen die soortgelijke dingen beweren; ze dekken zich in tegen wetenschappers die anders beweren; ze bouwen hun betoog gelaagd op, zodat hun bewering zo waterdicht en feitelijk mogelijk lijkt. Dat maakt wetenschappelijke papers zo moeilijk om te lezen. In een luchtig betoog schiet je veel gemakkelijker gaten. Dat komt wetenschappers, die hun prille ideeën geaccepteerd proberen te krijgen, natuurlijk niet goed uit.

Uit het bestuderen van het publicatieproces trekt Latour de conclusie dat anderen bepalen of een wetenschappelijke bewering als feit wordt gezien – of juist niet. Hoe slim je experiment ook is, of hoe baanbrekend je ideeën: wat uitmaakt is hoeveel wetenschappers naar jouw paper refereren, welke dat zijn en hoe feitelijk ze jou in die referenties aanhalen. Feiten ontstaan in een sociaal proces tussen wetenschappers. Het helpt zeker als je de natuur aan je kant hebt staan, maar de kunst is allereerst om andere wetenschappers te overtuigen.

Misschien vind je deze analyse van wetenschappelijke literatuur wat onbevredigend. Je kunt wel stellen dat feiten ontstaan in het sociale publicatieproces, maar al die publicaties gaan toch ergens over? Moeten we, als we willen weten hoe feiten tot stand komen, de ‘echte’ bron van die kennis niet bezoeken? Het laboratorium?

In het lab…

Dus neemt Latour ons mee het lab in. Maar ook het bezoek aan het laboratorium kan een teleurstellende ervaring zijn. Het lab staat op zichzelf weer vol met zwarte dozen. Als we in het lab om een reproductie van een belangrijke grafiek uit het artikel vragen, zien we op een bepaalde manier meer dan in het artikel staat. We kunnen nu echt zien hoe de grafiek tot stand komt: door een complexe opstelling van apparatuur, elektronica, protocollen. Maar we zien ook minder dan in het artikel, want we moeten elke stap in het proces en elk apparaat doorgronden en vertrouwen om een klein beetje zicht te krijgen op de ‘werkelijkheid’ achter de grafiek. Het lab staat zelf weer vol met zwarte dozen. Eigenlijk is de enige manier om echt grip op het experiment te krijgen, dan maar zelf een even ingewikkeld lab te bouwen en daar het experiment nadoen. Het is deze strijd tussen laboratoria die we in de literatuur terugzien.

Als we een experiment gaan bekijken, verwachten we de naakte feiten te kunnen zien: we verwachten een openbaring van de natuur. Maar in werkelijkheid zien we net zoiets als in het artikel: een zorgvuldig geconstrueerde, vaak uiterst kwetsbare, schakel in technische en theoretische argumentatie. Net als in het wetenschappelijke artikel is de natuur in het lab alleen indirect aanwezig.

Vooruit: je mag hopen dat de natuur uiteindelijk het debat tussen wetenschappers beslecht, maar zolang de kennis nog in ontwikkeling is, is óf en hoe de natuur zich via het experiment laat kennen juist het onderwerp van de discussie. Totdat wetenschappers het hier over eens zijn, kan de natuur het debat niet beslissen. Latour stelt daarom dat je als je wetenschap in actie bekijkt wel relativist moet zijn: hoe we de natuur zien is het resultaat van de wetenschappelijke controverse – het is een sociaal proces. Terwijl je als je naar gestolde wetenschap kijkt je wel realist moet zijn: uiteindelijk hebben we na veel discussie en een reeks ingewikkelde experimenten de natuur begrepen zoals hij écht is. Want, hoe indirect ook, als de natuur in al die experimenten niet een rol gespeeld had, was de controverse nooit geëindigd.

Tolken in groeiende netwerken….
Is de vorming van feiten uit speculaties nog beter te volgen? Daarvoor moeten we volgens Latour het lab weer uit en proberen om het sociale proces tussen wetenschappers in meer detail te bestuderen. Stel je voor dat je een onderzoeker bent die van een controverse een zwarte doos wil maken. Dan zal je anderen mee moeten krijgen. Je zult moeten zorgen dat anderen geïnteresseerd raken in jouw ideeën en dat ze jouw feiten-in-wording willen, ofwel moeten, gebruiken. Dat kan natuurlijk door aan te sluiten bij de interesses van anderen of door mensen te overtuigen dat wat jij doet in hun belang is. Ook zal je tot op zekere hoogte hun gedrag moeten controleren. Als anderen je werk op een heel andere manier gebruiken dan jij had voorzien ben je daar niet per se beter mee af.

Naast een inhoudelijke dimensie heeft wetenschap dus ook een politieke dimensie. De ene dimensie is niet te begrijpen zonder de andere. Het is een proces waarin je gelijktijdig mensen moet aanhaken bij je project, ze tot op zekere hoogte moet controleren, terwijl je de realiteit definieert. Die buitenkant van de wetenschap is zeker zo belangrijk als de binnenkant. De peperdure laboratoria waarin wetenschappelijke ontdekkingen gedaan worden, bestaan bij gratie van mensen die erin willen investeren, mensen die op hun beurt hun eigen belangen najagen. Latour licht dit toe aan de hand van Charles Lyell, de grondlegger van de geologie.

Lyell leefde in een tijd waarin het als een feit beschouwd werd dat de aarde door God geschapen was en waarin je de geschiedenis van de aarde alleen kon bestuderen aan de hand van de Bijbel. Hij had dus geen wetenschappelijke collega’s, maar had die wel nodig om zijn werk niet als een theorietje van een overenthousiaste amateur weg te laten zetten. Omdat hij geen wetenschappelijke gemeenschap om zich heen had, kon hij ook geen financiering regelen of studenten opleiden. Er was geen netwerk waarbinnen de piepjonge geologische wetenschap kon groeien.

Lyell slaagde er ondanks die beperkingen in om iets van de grond te krijgen, maar er zijn natuurlijk veel meer onderzoekers die er voortijdig – soms zelfs al tijdens hun promotie – mee stoppen. Er zijn twee soorten wetenschappers die niet zonder elkaar kunnen bestaan. Enerzijds de prof die nauwelijks nog onderzoek doet, maar zijn tijd besteedt aan netwerken, financiering regelen en ambassadeurschap. Anderzijds de onderzoeksassistent, die dag in dag uit in het lab aan het zwoegen is om de natuur haar geheimen te ontfutselen. Lyell combineerde beide soorten wetenschapper in één persoon, terwijl in moderne universiteiten en onderzoeksinstituten een hele machinerie van rollen en taken bestaat.

Dat betekent ook dat een groot deel van de mensen die cruciaal zijn in het wetenschappelijke proces helemaal geen wetenschapper zijn. Ze vervullen een rol om het netwerk klaar te maken en in te zetten voor de nieuwe kennis. Het is volgens Latour ongepast om de wording en verspreiding van wetenschappelijke kennis los van elkaar te zien. Nieuwe kennis wordt niet in het lab gemaakt en sijpelt dan door naar de samenleving. Ze vormt zich eerder in een breed netwerk van verschillende groepen met verschillende belangen. Daarom kun je het onderliggende proces beter begrijpen als een vertaling dan als een verspreiding. Bij een verspreiding denk je aan de situatie waarbij feiten eerst definitief gemaakt worden en daarna uitgedeeld. Maar zo schetst Latour het niet. Een feit komt tot stand doordat verschillende groepen, die er allemaal iets anders mee willen en voor wie het allemaal iets anders betekent, het als zodanig gaan gebruiken. Elk van die groepen heeft een eigen vertaling nodig.

Actie op afstand…
Toch is het niet vreemd dat mensen willen investeren in wetenschap. Ze maakt actie op afstand mogelijk. Als Latour zich buigt over hoe wetenschappelijke kennis verschilt van alledaagse kennis, stelt hij dat wetenschappelijke kennis eigenlijk samengebalde ervaringskennis is.

Toen de ontdekkingsreizigers in Azië aankwamen, kenden ze het landschap minder goed dan de oorspronkelijke inwoners. Maar dankzij hun instrumenten konden ze dit wel beter in kaart brengen en relateren aan stukken van de wereld die de Aziaten niet kenden. De dammen die in de Nederlandse delta gebouwd zijn, zijn beter dan dammen die je op basis van ervaring zou bouwen, omdat een schaalmodel de ingenieurs in staat heeft gesteld allerlei dingen uit te proberen en bloot te stellen aan alle voorkomende weertypen. Dit zou op de werkelijke schaal nooit mogelijk zijn en zo kunnen de ingenieurs meer ervaring opdoen dan dammenbouwers die zonder modellen werken.

Hier komen de zwarte dozen weer om de hoek kijken. De cartografen kunnen alleen maar kaarten maken door instrumenten die samenballingen zijn van de kennis van anderen. De waterkundigen gebruikten theorie van anderen over turbulentie. Ze profiteren van het collectieve en cumulatieve karakter van de wetenschap.

Wetenschap is volgens Latour te zien als het verzamelen, coderen en circuleren van sporen. Actie over afstand wordt mogelijk door de gebeurtenissen van ver weg en lang geleden mee te nemen naar het hier en nu. Ervaring moet mobiel worden, zodat het niet uitmaakt waar ze is opgedaan. Ze moet stabiel worden zodat ze onderweg niet kan veranderen of verweken. En ze moet combineerbaar worden, zodat verschillende ervaringen opgeteld en samengebald kunnen worden. De rol van inscripties, grafieken, formules, wiskunde en modellen is precies dit: zorgen dat je representaties van de werkelijkheid mobiel, uniform en herbruikbaar worden.

Dit mag wat kosten, want de voorkennis over de natuur die zo ontstaat helpt de volgende serie wetenschappers. Het is alsof ze de verschijnselen waar ze mee te maken hebben al kennen, omdat ze voort kunnen bouwen op gecodeerde ervaring. Tegelijkertijd schept deze manier van werken, het steeds verder coderen en samenballen van kennis een afstand tussen de wetenschap en datgene wat ze bestudeert. Sommigen vinden het vermogen tot voorspellen de grote kracht van de wetenschap, maar zulke voorspellingen zijn niet hetzelfde als de praktijk, ze raken de werkelijkheid nooit helemaal.

Wat wetenschappers kunnen voorspellen is alleen hoe hun eigen instrumenten zich in de buitenwereld zullen gedragen. Doctoren, bijvoorbeeld, hebben veel van die instrumenten. Ze vormen feitelijk een extensie van het wetenschappelijke netwerk. Zonder die instrumenten kan een dokter zijn kennis niet of nauwelijks aanwenden. Zo is ook een landkaart in de praktijk niet veel waard als  er niet een hele reeks richtingwijzers op de grond bestaan die een verbinding leggen tussen de echte en de wetenschappelijke werkelijkheid van de kaart. De lange, technische arm van de wetenschap vereist specifieke kennis en technologie.

Wetenschap in actie…
In Science in Action zet Latour een nieuwe theorie van de wetenschap en de totstandkoming van feiten neer, door precies na te gaan hoe wetenschappers te werk gaan. Hij traceert hoe feiten ontstaan uit discussies tussen specialisten, hoe wetenschappers zich moeten organiseren om dit mogelijk te maken en wat er in de samenleving verandert door deze praktijken.

Wetenschappers vormen hun ideeën in nauwe fragiele netwerken, die uiteindelijk hun tentakels tot diep in de samenleving kunnen uitspreiden. Daarvoor is het wel nodig om van hun ideeën een zwarte doos te maken, die iedereen wil – en kan- gebruiken zonder er nog vragen over te stellen. Dat is een door en door sociaal en technisch proces, waarin ideeën, mensen, belangen en apparatuur een allesbepalende rol spelen. Latour doet een poging de zwarte dozen open te maken, maar wat er uit komt is zo’n complex en subtiel spinsel dat, eerlijk gezegd, de behoefte de dozen dicht – en de feiten dus de feiten te laten – haast onweerstaanbaar is.

Meer lezen?
In Lableven bespreek ik het boek Laboratory Life van Bruno Latour. Over de ‘ontdekking’ van de dubbele helix in Helix. Andere boekbesprekingen op deze blog vind bijvoorbeeld je in de taalpragmatiek van Herbert Clark en in Big Science.

Het netwerkkarakter van kennis besprak ik eerder in kennisnetwerken en sociale kennisnetwerken.

Glazen Bol

Zou het nu toch werkelijkheid worden? Dat iedereen – of vooruit, misschien alleen bedrijven – gaan beschikken over een glazen bol waarin ze de toekomst kunnen zien? Ik las in de krant dat het algoritme oprukt in de bestuurspraktijk. Het “wenkende perspectief” is predictive policing. Met data komen we er straks achter waar in de stad bijstandsfraude, hennepaanplant of schoolverzuim het grootst is. Het bericht liet zien hoe big-data plannetjes werkelijk overal opduiken en hoe weinig we er bij stilstaan hoe wenselijk dat eigenlijk is.

Wenkend perspectief. Het zong nog wel even door mijn hoofd. Ik dacht: écht? Predictive policing? Onwillekeurig moest ik aan de film Minority Report denken. Drie “precogs” – een soort helderziende dames – liggen in een tank met draden aan hun hoofd en stellen de politie in staat misdaden te voorspellen; en zodoende ook te voorkomen. Totdat de precogs voorspellen dat een van de politieagenten, gespeeld door Tom Cruise, zelf een moord zal begaan. Spanning alom.

Dat beeld van die precogs is heel treffend. Het is magisch, technisch, realistisch. Niemand weet precies hoe die precogs kunnen voorspellen, maar de draden aan hun hoofd suggereren dat het allemaal heel hightech is – en dat het heus wel zal kloppen wat de dames voorzien. En wat maakt het ook uit dat we niet weten hoe het werkt, als de voorspellingen maar juist blijken te zijn. De vraag die in Minority Report aan de orde komt, is: “wat als de politie een hele goede glazen bol had”? Technische snufjes helpen om dat idee voor de moderne mens geloofwaardig te maken.

En daar staan we dan, met onze big data en algoritmes. Daarmee kunnen we de mensen van passende advertenties voorzien, we kunnen verkiezingen kantelen – en als het een beetje meezit, kunnen we binnenkort wat criminelen oppakken, nog voordat ze hun misdaad begaan hebben! Niemand weet precies hoe die algoritmen werken – ook de makers niet-, maar het perspectief lonkt alvast.

Wat moeten we hiervan denken? Ik was deze week bij een praatje van een mevrouw van Google, die goed uitlegde hoe dit soort algoritmes werken, maar ook een ontnuchterend verhaal hield over die hele big data hype. In een notendop was haar boodschap om er niet te veel achter te zoeken: big data is gewoon statistiek, maar dan beter. En: sciencefiction is een verkeerde raadgever als het om het begrijpen van nieuwe technologieën gaat.

Met dat eerste ben ik het eens, maar met dat laatste niet. De verwachtingen rondom big data zijn duidelijk overspannen. Het is gewoon statistiek en hoewel het aardig lukt om een idee te krijgen van welke boeken we interessant vinden zijn veel andere problemen nog veel te moeilijk voor computers. Maar science fiction geeft ons wel degelijk een inkijkje in wat er kan gebeuren als we ons te veel door die ontwikkelingen laten meeslepen. Minority Report legt het probleem, of eigenlijk de twee problemen, van het gebruik van zulke voorspellingen feilloos bloot.

Het eerste probleem is natuurlijk dat voorspellingen alleen maar accuraat kunnen zijn als we ze niet gebruiken. We kunnen voorspellen wat er allemaal voor naars gaat gebeuren door de klimaatverandering, maar als we daardoor de klimaatmaatregelen gaan treffen die ervoor zorgen dat het lekker koel blijft op aarde, dan komen die voorspellingen niet uit.

We voorspellen wat het klimaat gaat doen in de hoop het nog te kunnen veranderen. Maar als we het veranderen klopt de voorspelling niet meer. We kunnen dus niet tegelijkertijd een betrouwbare voorspelling doen en naar die voorspelling handelen. Het gebruik van de voorspelling haalt de basis – de aanname dat de dingen grosso modo hetzelfde blijven- onder de voorspelling weg.

Het tweede probleem is dat het oneerlijk is om iemand te straffen voor iets waarvan alleen maar voorspeld is dat hij het gedaan heeft. In Minority Report worden criminelen opgepakt voordat ze hun misdaad gedaan hebben; ze worden dus gestraft voor iets wat helemaal niet gebeurd is. Iedereen voelt aan dat daar iets niet in de haak is; hoe nauwkeurig die precogs ook mogen zijn.

Jammer genoeg doen we dit vaak genoeg. We voorspellen studiesucces om studiekeuze te bepalen, waarmee we het behalen van een slechte studievoorspelling afstraffen met een mindere opleiding.

Als voorspellingen alleen geldig zijn in een wereld die niet te beïnvloeden is, is het niet goed om het lot van mensen ervan afhankelijk te maken. We zadelen ze dan op met dingen die nog niet gebeurd zijn en dankzij de voorspelling misschien ook wel niet gaan gebeuren. Hoe goed we machines ook leren voorspellen, het gebruik ervan deugt gewoon niet.

Veel van de dingen die misschien gaan kunnen met big data en algoritmen moeten we dus helemaal niet willen. We gaan onszelf voor de gek houden door stevig in te zetten op voorspellingen, die we vervolgens intensief willen gebruiken. En die twee dingen gaan niet samen. Er is niets lonkends aan predictive policing: het is een nachtmerrie.

Gelukkig is er die andere vaststelling van de big data specialisten: het zal zo’n vaart niet lopen. Die big-data voorspellingen worden nooit zo goed als we nu denken; en we zullen, met vallen en opstaan, ook wel leren om er verstandig mee om te gaan.

Anderzijds, dit zijn natuurlijk ook maar voorspellingen.

Meer lezen?

In in opdracht van de tijd, ga ik uitgebreider in op wat er mis kan gaan als je switcht van voorspellen naar beïnvloeden. In IQ ga ik dieper in op de nadelen van het voorspellen van studiesucces. In zelfvervullend ga ik dieper in op de self-fulfilling prophecy. 

De taalpragmatiek van Herbert Clark

Mensen die deze blog al een tijdje volgen hebben het misschien allang gespot: ik ben een Clarkiaan. Wees gerust: dat is geen sekte van enge mannetjes die met blogberichtjes geld uit hun gehersenspoelde publiek proberen te kloppen, maar een zelfverzonnen woord voor mensen die Herbert Clarks “Common Ground” theorie aanhangen. Mensen zoals ik dus. Omdat ik jullie al verschillende keren op een gedachtenspoor à la Clark heb proberen te zetten, vond ik het hoog tijd eens uit de kast te komen en uit te leggen hoe die pragmatische taaltheorie van hem eigenlijk in elkaar steekt.

Een pragmatische benadering

De manier waarop mensen als Herbert Clark naar taal kijken kan je eigenlijk in één zinnetje samenvatten.

Taal is wat we ermee doen. 

Vooruit, dat is misschien wat cryptisch, maar de kern is dat pragmatici taal proberen te begrijpen door te kijken wat mensen ermee proberen te bereiken, in plaats van het als iets zelfstandigs te bestuderen.

Vergelijk het met de vraag “wat is een vork?”. Veel mensen zullen zeggen dat een vork een metalen ding met drie of vier tanden is. Die mensen bekijken een vork als iets met een bepaalde vorm. Waar het ding toe dient – of hoe het in de wereld is gekomen – is dan even minder relevant. Pragmatici bekijken de vork anders. Zij zeggen dat een vork iets is waar je eten mee van je bord kan prikken en in je mond kan stoppen. Dan bekijk je dus de functie, of wat mensen ermee doen in plaats van de vorm. Hoeveel tanden het ding heeft of van welk materiaal het gemaakt is, doet er even minder toe.

Zo zit het dus ook met taal. Je kunt de vorm van een taal zoals de grammatica of de spelling als iets wat op zichzelf staat bestuderen óf je kunt je richten op taalgebruik en bestuderen wat mensen met taal doen.

Dat laatste is bij taal een handige keuze. In het geval van een vork kan je aan de vorm wel zien wat mensen ermee doen. Maar, bij taal is dat niet zo. Waarvoor zouden Hindi-sprekers dit woord bijvoorbeeld voor gebruiken: कार? Dat is eigenlijk niet te raden en dat komt omdat de vorm van een woord in letters en klanken meestal helemaal los staan van de betekenis.

Welke klanken je gebruikt om iets over te brengen is eigenlijk willekeurig. Maf is dat, als je erover nadenkt: het is alsof het helemaal niet uit maakt of je je eten van je bord prikt met een vork of met een koffiemok. Allebei werken ze even goed. Toch is dat in talen zo en zijn de betekenissen van de verschillende woorden dus eigenlijk gewoon ‘afgesproken’.

Dat roept de vraag op hoe dit soort ‘afspraken’ tot stand komen en om dat te begrijpen moeten we naar taalgebruik kijken. Herbert Clark legt dat in vier stappen uit: hij stelt (1) dat samenwerking cruciaal is voor het gebruik van taal, hij wijst (2) op het belang van gedeeld begrip in de samenwerking die voor taalgebruik nodig is, (3) op het ontstaan van gedeeld begrip bij het gebruik van taal en als afgeleide daarvan (4) het ontstaan van betekenissen van woorden en uitdrukkingen. Laten we die eens één voor één bekijken.

1. Taal gebruiken is samenwerken

Taalgebruik staat volgens Clark altijd in het teken van gemeenschappelijke actie. Je gebruikt taal omdat je samen met je luisteraar ergens uit wil komen. Je wil iets kopen van iemand; of je wil afspraken maken over het eten; of je wil je studenten iets bijbrengen. Steeds is het nodig dat jij iets met taal doet en dat de ander: de verkoper, je huisgenoot of je studenten hun best doen om jou te begrijpen en verder te helpen. Het is alsof je de tango danst: als spreker heb je misschien de leiding, maar als je partner zich niet op jou instelt en met je meedanst dan kom je alsnog nergens.

In het tabelletje hieronder vind je die samenwerking uitgewerkt in wat Clark een actieladder noemt. Stel je voor dat je een frietje gaat halen, de friettent binnenloopt en vraagt “een friet mèt graag”. Volgens Clark moet je dan op vier niveaus samenwerken.

Spreker Luisteraar
Gedeeld project doet een voorstel overweegt het voorstel
Gedeeld begrip gebruikt betekenis begrijpt betekenis
Communicatie presenteert signaal identificeert signaal
Uitvoering maakt geluid hoort geluiden

Op al deze niveaus kan het misgaan. Neem deze uitwisseling:

  • Jij: “een friet mèt graag!”
  • Baliemedewerker: “wat zei je?”

Hier is de uitvoering mislukt. Jij bent er niet in geslaagd je voor de baliemedewerker verstaanbaar te maken.

Het kan ook in de communicatie zitten.

  • Jij: “een friet mèt graag!”
  • Baliemedewerker: [gaat gewoon verder met zijn werk]
  • Jij: “hé ik had het tegen jou hoor”
  • Baliemedewerker: “Oh sorry. Een frietje mèt, toch?”

Hier heeft de baliemedewerker je wel gehoord, maar niet doorgehad dat je iets met hem wilde regelen. Hij miste het signaal: “ik heb het tegen jou”.

Of neem deze:

  • Jij: “een friet mèt graag!”
  • Baliemedewerker: “sorry hoor, maar met wat?”

Hier gaat het mis op het gedeeld begrip. Jij bedoelt waarschijnlijk een friet met mayonaise, maar de baliemedewerker is, vreemd genoeg, nog niet zo ver ingevoerd dat hij weet wat je bedoelt.

Of neem deze:

  • Jij: “een friet mèt graag!”
  • Baliemedewerker: “dat is dan 3,75!”
  • Jij: “oh shit ik ben mijn portemonnee vergeten”

Hier gaat het mis op het gezamenlijke project. Jullie begrepen elkaar prima, maar voor een transactie is nu eenmaal geld nodig en dat was er even niet.

De actieladders laten zien dat je zelfs bij zoiets simpels als het bestellen van een frietje nauw moet samenwerken op verschillende niveaus. Dat weten we omdat het op al die niveaus mis kan gaan. Tegelijkertijd hebben we het vaak feilloos door en kunnen het op tijd herstellen.

2.  Voor taalgebruik is gedeeld begrip van belang

Alledaags taalgebruik vereist dus intensieve samenwerking. Volgens Herbert Clark is dat alleen mogelijk door de common ground -het gedeeld begrip – die spreker en luisteraar hebben. Met common ground bedoelt Clark alles waarvan spreker en luisteraar weten dat ze het allebei weten. De volgende interactie laat het belang daarvan zien.

  • Jij: Verkoopt u ook friet?
  • Baliemedewerker: [kijkt je verdwaasd aan]

Als het goed is komt deze uitwisseling niet vaak voor. Als je een friettent inloopt mag je ervan uitgaan dat ze er friet verkopen. Jij en de baliemedewerker weten dat allebei. Het is dan ook heel onverwacht als je dat nog eens gaat vragen en dat roept dat aan de andere kant verwarring op. Gedeeld begrip bepaalt dus wat je wel en niet vraagt of vertelt en ook hoe de ander zal reageren.

Met de meeste mensen die je tegenkomt heb je veel gedeeld begrip. Het zijn bijvoorbeeld allemaal Nederlanders, waardoor je weet dat ze de taal machtig zijn, dat ze een basisidee hebben van belangrijke personen en gebeurtenissen in de geschiedenis en het nieuws. Als je ze op straat tegen komt mag je ervan uitgaan dat ze zien wat jij ziet, en daar kan je een in een gesprek op voortbouwen.

Wat gedeeld begrip is verschilt van persoon tot persoon. Mijn vrouw en ik weten meer van elkaar dan mijn studenten en ik. Daar moet ik rekening mee houden. Als ik mijn studenten iets vertel over mijn laatste vakantie dan zal ik daar veel uitgebreider op ingaan dan bij mijn vrouw. Als ik iemand tegenkom uit een heel ander land wordt het veel lastiger communiceren. Zonder een goede inschatting van wat de ander weet is het lastig een soepel gesprek op te zetten.

3. Als we taal gebruiken ontstaat gedeeld begrip.

Ik ben een fanatieke skeeleraar en nu ik je dat verteld heb is het gedeeld begrip. Ik wist allang dat ik een fanatieke skeeleraar ben en nu weet ik zeker dat jij het ook weet. Maar, ik mag er genoegzaam vanuit gaan dat er nog meer gedeeld begrip is ontstaan. Je weet nu dat ik aan buitensport doe, dat ik vermoedelijk ook kan schaatsen en nog wat dingen. Die komen dus mee met het gedeeld begrip.

Je reactie is erg belangrijk voor het gesprek. Blijkt daaruit dat je ook een skeeleraar bent, dan weet ik dat je je net als ik druk maakt over asfalt, routes en wieltjes en kan ik ‘dieper’ in de materie duiken. Er komt een hele berg gedeeld begrip bij. Blijkt dat je niet skeelert dan weet ik dat alles wat ik over skeeleren ga vertellen waarschijnlijk nieuw voor je is.

Elk zinnetje dat we wisselen krijgen we dus meer vaste grond onder de voeten. We weten beter wat de ander allemaal weet en wat nog niet en dat maakt het makkelijker om het gesprek te voeren. Het gedeelde begrip groeit elke wisseling: je bouwt voort op het gedeelde begrip wat je al hebt en je bouwt nieuw gedeeld begrip op.

4.  Betekenis geven doe je samen 

Het is duidelijk dat we taal gebruiken om te communiceren, dat gedeeld begrip daar een centrale rol in speelt en dat betekenissen van woorden gedeeld begrip zijn. Maar wat nou als we geen gedeeld begrip hebben? Dan worden de betekenissen gevormd door ons taalgebruik. Anders gezegd: taal ontstaat doordat we ermee communiceren. Bekijk het volgende voorbeeld:

  • Persoon 1:  Je weet toch dat roken ongezond is?
  • Persoon 2: YOLO man, YOLO!
  • Persoon 1: YOLO?
  • Persoon 2: Je leeft maar één keer! chillex!
  • Persoon 1: Nou dan leef ik liever één keer lang.

Op een bepaalde manier gaat deze interactie over of roken iets is dat je moet laten omdat het ongezond is of niet. Maar in de interactie wordt ook het begrip YOLO geïntroduceerd door persoon 2. Het had betekenis voor persoon 2, die waarschijnlijk weet dat het een afkorting is en wat die betekent, maar niet voor persoon 1 die het begrip voor het eerst hoort.

Het paar repareert het gebrek aan gedeeld begrip in beurt 3 en 4. Uit beurt 5 blijkt dat persoon 1 de betekenis van YOLO nu begrepen heeft. Persoon 1 weet waarschijnlijk niet dat YOLO een afkorting is die als woord gebruikt wordt, maar wel dat het een woord is dat door jongeren gebruikt wordt en in de plaats gekomen is van het oude gezegde pluk de dag.

Wat we hier gezien hebben is dus het ontstaan van een betekenis van YOLO. Mensen leren wat woorden betekenen doordat ze in gesprekken gebruikt worden en doordat ze daaruit oppikken hoe ze gebruikt worden. Het gevolg is dat iedereen nieuwe woorden kan introduceren of woorden kan veranderen. Door het gewoon te gebruiken pikken anderen het vanzelf op. Al snel gaan mensen om je heen het ook gebruiken. Als je hier heel erg invloedrijk in bent wordt het woord onderdeel van de standaardtaal.

Clark in actie

Voor Clark zijn betekenissen dus geen vaststaande eigenschappen van woorden, maar iets dat steeds opnieuw gevormd wordt door sprekers en luisteraars – in de duizenden gesprekjes die we voeren in ons leven. Taal is wat we ermee doen.

Daarom is taal per definitie iets levends en veranderlijks. Als jij en ik ervoor kiezen om het woord snups te gaan gebruiken voor iedereen die alleen betekenissen uit de Dikke van Dale accepteert, dan begrijpen jij en ik elkaar prima; en daar kan geen snups iets aan veranderen. Ooit komt het woord misschien zelfs in de Dikke van Dale en dan moeten zelfs de snupsen het woord snups accepteren.

Dat taal meestal niet zo snel verandert, komt omdat het handiger is te communiceren in taal die iedereen begrijpt en nieuwe taal dus maar mondjesmaat doorsijpelt. Je merkt ook dat nieuwe betekenissen heel sterk in kleine groepen ontstaan en gecultiveerd worden. Collega’s, jongeren, of eigenlijk alle mensen die veel met elkaar omgaan, ontwikkelen een eigen taal, met gelijksoortige uitspraak (dialect) en eigen woorden (jargon) die buiten die groep slecht begrepen worden.

Het is precies die connectie tussen groepslidmaatschap en betekenisvorming die ik in mijn andere Clarkiaanse blogjes besprak.

Meer lezen?

Ik schreef over de turbulente geschiedenis van het woord nep in betekenisdrift. Ik sprak over het ontstaan van jargon in jargon en over kantoorbubbels in spiegelpaleis.

In de wetenschapsfilosofie komt Bruno Latour het dichtst bij Clarks, talige benadering, zijn werk besprak ik in lableven. Herbert Clark ontvouwd zijn theorie in het boek Using Language, dat ik van harte aanbeveel.

कार betekent auto, volgens Google Translate, tenminste.

IQ

Ik houd een lijstje bij met slechtst begrepen wetenschappelijke begrippen en bijna bovenaan, ver boven relativiteit, staat IQ. Mensen schijnen over IQ onder andere te geloven dat het echt bestaat, dat we weten wat het is – èn dat we er nuttige dingen mee kunnen doen. Allemaal hardnekkige misverstanden. IQ vormt een perfect voorbeeld van wat er allemaal mis kan gaan als je iets gaat meten.

Even een prikkelend feitje over IQ: het IQ van de wereldbevolking gaat al jaren omhoog. Dit stijgende IQ wordt het Flynn-effect genoemd, naar de psycholoog James Flynn die liet zien dat de gemiddelde Amerikaan tussen 1932 en 1978 zo’n 10% slimmer was geworden. Of Amerikanen nog steeds elk jaar slimmer worden durf ik niet te zeggen, maar de rest van de wereld wordt dat blijkbaar wel.

Dat is natuurlijk heel erg fijn voor ons allemaal. Maar het roept ook heel erg veel vragen op. Want was het IQ niet een meting van een aangeboren eigenschap? Is intelligentie niet het best te begrijpen als een soort van talent om moeilijke dingen te snappen, te leren en misschien om in het algemeen handige dingen te doen? Hoe kan het dat de genen van onze soort zo snel veranderen dat we in razend tempo slimmer worden? Is er soms een sterke selectiedruk op intelligentie in onze maatschappij?

Het antwoord laat zich raden: intelligentietests meten helemaal geen intelligentie. Tenminste niet als je dat ziet als een aangeboren leertalent. IQ-tests stellen vast hoeveel lastige puzzels je in een bepaalde tijd kan oplossen. Ze meten dus breinprestaties op een bepaald moment en niet het leertalent wat daarvoor gezorgd heeft. Breinprestaties zijn natuurlijk van veel meer dingen afhankelijk dan je aangeboren talenten. Heb je meer scholing gehad, of specifieke IQ-testtraining? Dan doe je het beter op IQ-tests.

Nu zou je kunnen zeggen dat breinprestaties op een bepaald moment een aardige voorspeller kunnen zijn van leervermogen gedurende een bepaalde tijd, maar dan ga je er wel vanuit dat leervermogen een constante is. Dat hoeft natuurlijk niet zo te zijn. Steeds als je iets leert verandert je brein een beetje. Zou een dergelijke verandering niet ook kunnen zorgen dat je daarna gemakkelijker nieuwe dingen leert? Met andere woorden: zou het kunnen dat je leertalent afhankelijk is van wat je leert?

Veel wetenschappers denken tegenwoordig van wel. Dit wordt fluïde intelligentie genoemd. Onderwijs verhoogt niet alleen je vermogen om puzzels op te lossen, maar ook je vermogen om te leren om puzzels op te lossen. Intelligentie is niet alleen aangeboren: je kan ook leren om intelligent te zijn.

Daarmee blijft er weinig over de aannames achter de intelligentietest: intelligentie is een aangeboren eigenschap, die je kunt meten. Dat zou allemaal niet uitmaken als IQ-tests een aardige voorspelling zouden geven van dingen waar je wat aan hebt in het leven: bijvoorbeeld studiesucces of succes in een toekomstige baan. Maar ook dat blijkt tegen te vallen: IQ-tests kunnen bar weinig voorspellen. Niet alleen omdat de IQ-tests zelf niet deugen, maar ook omdat er meerdere soorten intelligentie zijn en omdat heel andere menselijke eigenschappen zoals doorzettingsvermogen of een houding ten aanzien van leren veel belangrijkere voorspellers blijken te zijn van later succes.

Ik heb zelf veel te danken aan een IQ-test. Mijn basisschooldocent dacht dat ik beter naar de Mavo kon, maar de IQ-test die ik deed wees Havo uit – en daar ging ik dus heen. Op de Havo – en later op de universiteit – ontwikkelde ik vervolgens veel van mijn huidige talent om te leren. Ik dank mijn IQ dus aan een IQ-test. Want stel je eens voor dat die test Vmbo had uitgewezen, dan was ik vast lang zo slim niet geworden. IQ-test worden dus eigenlijk verkeerd gebruikt. We doen alsof IQ-tests iets belangrijks kunnen voorspellen, maar ze veroorzaken dingen.

Dat is niet erg als ze positieve dingen zouden veroorzaken, zoals in mijn geval, maar vaker gebeurt het tegenovergestelde. We gebruiken de IQ-test tegen de laatbloeiers in onze samenleving. Ben je niet snel genoeg slim geworden, dan krijg je dankzij het gebruik van de IQ test geen kans meer om van een dubbeltje naar een kwartje te groeien. Naar vind ik dat.

Als we de balans opmaken voor IQ-tests komen we op het volgende ontluisterende lijstje. IQ-tests maken op basis van breinprestaties op een bepaald moment een schatting van het gemiddelde leervermogen tot dan toe, waarbij de omgeving weggedacht is en het feit dat leertalent kan veranderen weggedacht wordt. Vervolgens doen we net alsof dat IQ allerlei successen kan voorspellen, terwijl we allang beter weten. IQ meten is een beetje koffiedik kijken in psychologie-vermomming.

Dat roept de vraag op hoe het zo ver heeft kunnen komen… Hoe verklaren we de populariteit van de IQ-test als het ding zo overduidelijk niet deugt? Een deel van het antwoord is dat we pas sinds kort weten wat er allemaal mis is met IQ-tests. Je hebt behoorlijk wat tijd nodig om te meten hoe goed een test studiesucces kan voorspellen en wat eventueel betere voorspellers zijn. Ook het idee van fluïde intelligentie is vrij nieuw en hoe fluïde onze intelligentie precies is, is niet bekend. Dat maakt het moeilijk inschatten wat je wel en niet uit een IQ-test kan voorspellen.

Toch denk ik dat er een belangrijkere reden is voor de aanhoudende populariteit van IQ en de IQ-test en dat is deze: het meten van dingen maakt ze tastbaar. Dingen die je in een getal kan uitdrukken zijn echt. Kilometertellers maken afstanden tastbaar, klokken maken de tijd tastbaar en IQ-tests maken intelligentie tastbaar.

Veel van ons hebben wel eens een IQ-test gedaan. Als ik zelf een IQ van 120 heb, dan moet intelligentie wel bestaan. Hoe kan je het anders meten? Dat is misschien een cirkelredenering, maar tegen de achtergrond van mijn eigen IQ van 120, lijken die verhaaltjes over fluïde intelligentie en slechte voorspellende waarde echt een beetje geneuzel. Mijn indrukwekkende IQ staat immers zo vast als een huis.

Mijn voorspelling is dus dat IQ-tests, ondanks de aanzwellende kritiek, nog tot in jaar en dag tot de vaste uitrusting van de psychologen blijven behoren. Werkgevers willen weten wat het IQ is van het personeel dat ze gaan aannemen. De mensen willen weten wat hun IQ is. Dus blijven we het meten en als we het kunnen meten dan zal het wel bestaan.

En laat dat dan een les zijn voor als je zelf eens iets onzichtbaars aan de man wil brengen: of het nou om astrologie, aardstraling, één of ander -isme of om boze geesten gaat… Zorg voor een betrouwbare meting en je zit gebeiteld!

Meer lezen?

In waarheidsinjecties betoog ik dat we teveel proberen te meten in deze samenleving. In doeloorzaken bespreek ik een andere tactiek om moeilijke dingen te begrijpen. In evolutiesnelheid stel ik misverstanden rondom de evolutietheorie aan de kaak. In zelfvervullend bespreek de self-fulfilling prophecy in meer detail.