Media

Ze krijgen werkelijk overal de schuld van: de media. Dat is niet nieuw hoor. De Grieken dachten dat het schrift het einde van de samenleving zou inluiden; ik hoorde dat televisie door God verboden is; van internet wordt je dom en natuurlijk veroorzaken sociale media en algoritmes  de huidige polarisatie in de samenleving. Goed: achteraf blijkt het altijd wel mee te vallen, maar daar gaat het me vandaag ook niet om. Wat mij bezig houd is de vraag of er in de eerste plaats wel iets over te zeggen is.

Het probleem met de media is dat het woord meervoud is. We hebben het niet over één ding, maar over een heleboel tegelijk. Ze zijn echt overal, de media. We lezen, we kijken tv, we gaan naar theater, we gamen, we appen, we navigeren, we surfen online, we lopen op straat. Zowat iedereen lijkt zich ook me media bezig te houden: nieuwsmedia, entertainment bedrijven, communicatie professionals, platformen, internet cowboys, docenten en kunstenaars.

Dat maakt media alomtegenwoordig. De denkende mens is meteen ook de communicerende mens. Onze breinen ademen communicatie. Geen wonder dat we zoveel technologieën en beroepen ontworpen hebben om dat beter, efficiënter, fijner, sneller of met meer beleving te doen. Die veelheid maakt het ook moeilijk er iets nuttigs over te zeggen. De media de schuld geven van polarisering is als de lucht de schuld geven van de griep. Ergens klopt het wel, maar er wringt ook iets.

Als je iets wil zeggen over het effect van de media op onze cultuur dan zijn er eigenlijk twee strategieën denkbaar. Je kunt (1) alle media over één kam scheren en er iets algemeens over proberen te zeggen of je kunt (2) er een genre uitpakken zoals radio en televisie en proberen te zeggen hoe die specifieke media het spel veranderen.

De eerste strategie wordt gebezigd door media ecologen. Een mooi woord is dat:  media ecologie. Net zoals je in de biologie kunt kijken naar de relatie van levende wezens met hun biologische omgeving, kun je als mediawetenschapper zoeken naar de relatie tussen de mens en de rijke omgeving van al die verschillende media. De meeste media-ecologen nemen daarbij als uitgangspunt hoe het gebruik van media het bewustzijn beïnvloedt.

De absolute grondlegger van dit vakgebied was de Canadese wetenschapper Marshall McLuhan. Hij stelde dat de media het best gezien konden worden als een extensie van onze zintuigen. En dat onze cultuur verandert bij de introductie van een nieuw medium, omdat onze media bepaalde zintuigen bevoordelen. Het schrift zou zou een transitie van een orale een naar visuele cultuur teweeg gebracht hebben en daarmee rationaliteit ingebracht hebben. De introductie van radio en televisie zou die weer deels teniet gedaan hebben.

McLuhan vond dat in zij tijd veel te veel aandacht was voor de boodschappen die via de media verspreid werden. Volgens hem was het niet de inhoud van de boodschappen die onze cultuur beïnvloede maar de vorm ervan. Vandaar zijn beroemde uitspraak: the medium is the message.

De zintuigentheorie van McLuhan komt wat simplistisch over en ook modernere denkers die ik in deze lijn plaats grijpen naar zo’n eenvoudig verklaringsmechanisme. Thomas de Zengotita, media theoreticus, probeert het effect van media te verklaren vanuit de gedachte dat we overspoeld worden door representaties van de werkelijkheid. Susan Blackmore, plaats het idee van imitatie centraal in haar theorie over de relatie tussen het brein en de media.

Helemaal onverwacht is die vereenvoudiging niet. Als je iets wil verklaren dat zo divers, veelomvattend en alomtegenwoordig is als de media dan moet je het wel in iets eenvoudigs proberen te vangen. Het heet niet voor niets verklaren. Het moet te begrijpen zijn. Je hebt een helder uitgangspunt nodig dat je als de kern van je verhaal kan gebruiken.

Maar, daar zit dan ook meteen de angel. Zo’n vereenvoudiging kan nooit recht doen aan de ingewikkelde, meervoudige effecten die de media hebben. Natuurlijk veranderen de media hoe we met elkaar communiceren: daar zijn ze voor gemaakt, maar elk medium doet dat op zijn eigen manier en heeft zijn eigen reikwijdte. Als je die allemaal over één kam scheert doe je weinig recht aan die diversiteit en het subtiele samenspel van verschillende media.

De andere benadering is te kijken naar een specifiek medium en dan te onderzoeken hoe die het grote intermenselijke communicatiespel veranderen. In de afgelopen jaren waren het internet, online gaming en sociale media natuurlijk onderwerp van dit soort analyses. Wat je hier vaak ziet is dat één opvallende ontwikkeling in de cultuur verklaard wordt vanuit een eigenschap van een nieuw en populair medium. En vooral de jongeren, vaak de eersten die nieuwe media gebruiken en nog erg beïnvloedbaar, moeten het daarbij ontgelden.

Het bekendste voorbeeld is misschien wel de ‘filter bubble’, een idee dat zo aantrekkelijk is dat het in ons dagelijkse taalgebruik is doorgedrongen. Bij de filter bubble zijn computer algoritmen de boosdoener. De gedachte is dat we veel te weten komen via Google search en via de tijdlijn van sociale media. Die worden gefilterd om ons met zo relevant mogelijke informatie te voorzien. Wat ik zie bij een Google zoektocht is gebaseerd om mijn persoonlijke zoekhistorie en is dus anders dan wat jij ziet. Wat op mijn tijdlijn van Twitter en Facebook komt is gebaseerd op mijn klikgedrag en dus anders dan wat anderen zouden zien.

Door deze sturing vanuit de media raken we steeds meer in een isolement van ideeën. Als media persoonlijk worden in plaats van collectief komen we niet meer in aanraking met andersdenkenden of met ideeën die ons onwelgevallig zijn. We komen in een zeepbel van gelijkgestemden terecht. En de gedachte is dat als iedereen in zijn eigen ideeënzeepbel leeft, dat de samenleving als geheel dan polariseert.

Zou Eli Pariser, de bedenker van de filter bubble, stil gestaan hebben bij de gedachte dat mensen nog andere bronnen van informatie gebruiken dan Google en Facebook? Dat ze elkaar spreken, naar televisie kijken, naar theater gaan? Media is meervoud, mensen gebruiken meerdere media naast elkaar. Stel je voor dat er op je Facebook tijdlijn alleen maar kattenfilmpjes voorkomen, zit ik dan meteen in een kattenzeepbel?

Voor Nederlanders met een flintertje historisch besef is die filter bubble gedachte ook wat potsierlijk. Waren de media hier niet gekoppeld aan ‘zuilen’? Katholieken woonden in dezelfde steden, gingen naar dezelfde kerken, keken dezelfde TV programma’s, hadden eigen sportverenigingen en blaadjes en stemden dezelfde politieke partijen. Dat was pas een zeepbel! Om in de moderne wereld een zeepbel te veroorzaken die aan een ‘zuil’ kan tippen zou je de vrijheid van media gebruik behoorlijk moeten inperken en algoritmes nog heel veel meer macht moeten geven.

Als je inzoomt op een bepaald medium en vandaar uit iets over media en de samenleving in het algemeen probeert te zeggen heb je snel last van kokervisie. Om helderheid te krijgen over de effecten van een nieuw medium proberen we in kaart te brengen wat we zien gebeuren rondom een bepaald medium. Instagram voedt faalangst; Twitter hyperigheid; Whats App faciliteert rellen. Dat werk. Maar, we kijken dan door een vergrootglas. Het is maar de vraag of wat we daar iets zien er op de schaal van de samenleving er nog toe doet. Als je zoontje een beetje opgefokt raakt van een oorlogspel, is er nog geen agressieve generatie gekweekt. Heel veel foto’s op Instagram zijn te mooi om waar te zijn, maar daarmee is er nog geen collectieve faalangstcultuur ontstaan.

Door onze focus op één medium vergeten we even dat onze kinderen ook blootstaan aan andere invloeden. Dat ze andere media gebruiken, dat ze opgevoed worden, naar school gaan.

Als die effecten al zo groot zijn als dat ze door het vergrootglas lijken, dan nog heeft het opschalen ervan naar maatschappelijke proporties weinig zin. In de zee van invloeden waar we als mens aan bloot staan verdunnen de effecten van één medium razendsnel. Om de vergelijking met ecologie nog maar eens te maken: als er een nieuw plantje in het bos komt krijgen sommige planten minder ruimte en veranderd het ecosysteem, maar de beestjes hebben daar doorgaans weinig last van: voor hen wordt het menu juist gevarieerder.

De alomtegenwoordigheid en veelvormigheid van de media zorgen dus voor een probleem met focus. Als we ze willen begrijpen door uit te zoomen scheren we ze over één kam – en doen we te weinig recht aan hun diversiteit; Maar teveel inzoomen betekent weer kokervisie – en daarmee doen we ook geen recht aan hun diversIteit. Hoe we de lens ook afstellen, steeds ontglippen ons de meest belangrijke aspecten.

Natuurlijk, de impuls is om te zeggen: je moet die twee ook combineren. De visie op het totale ecosysteem en de aandacht voor specifieke plantjes daarin. Dat doen biologen ook.

Ik zou het daarmee eens zijn als die twee analyses elkaar inderdaad raken. Als een totaaltheorie van de media door een analyse van Twitter aan het wankelen gebracht zou kunnen worden. Of als inzichten over Twitter opgetild konden worden tot een totaalvisie op de media zonder de botte generalisaties zoals ik die net besprak. Maar zo’n dialoog tussen het grote plaatje en gericht onderzoek kom ik eigenlijk niet vaak tegen.

En misschien is er nog iets mis. Namelijk de premisse dat de media – als in de karakteristieken van elke medium – er veel toe doen. Dat we veel in contact staan met verschillende media betekent niet dat het er enorm veel toe doe hoe die media informatie over brengen of welk soort informatie er het makkelijkst door verspreid word. Als onze jeugd veel meer keuzestress ervaart dan vroeger, moeten ons we ons misschien afvragen of we ze zelf niet teveel keuzevrijheid geven in plaats van Facebook de schuld te geven. Als de samenleving polariseert moeten ons misschien afvragen wie verdeel en heers probeert te spelen en hun tactieken en retorieken in kaart proberen te brengen, in plaats van ons blind te staren op de algoritmen van Google.

We maken onze cultuur zelf, of tenminste samen. Misschien moeten we cultuurverandering in de eerste en belangrijkste plaats bij onszelf zoeken. Het zou kunnen dat we Marshal McLuhan’s “The Medium Is the Message” nog altijd veel te serieus nemen. In plaats van ons blind te staren op de verborgen effecten van verschillende soorten media, moeten we onze aandacht misschien richten op wat er in het volle zicht is. Wie het zijn die media gebruiken en welke dingen ze er mee rond roepen. Voor de hoe de Grieken zich organiseerden was de overgang van een orale naar een schriftelijke communicatievorm misschien het meest wezenlijk, maar in deze tijd van mediaovervloed moeten we ons eerder weer op de inhoud richten: “the message is the message”.

Meer lezen?

Ik schreef elders eerder recensies van Marshal McLuhan’s “Understanding Media” en Tomas de Zengotita’s “mediated”. Susan Blackmore’s “The Meme Machine”, nam ik op deze blog onder de loep.

De kenniskritiek in dit blogje kwam ook in Samenloop en Verkoudheid als eens naar voren. Ik schreef ook al eerder over de vermeende invloed van het internet op de jeugd en over de haken van het gebruik van algoritmen in Glazen Bol en A Priori.

A Priori

Ik was laatst in een supermarkt en moest kiezen tussen grapefruits en sinaasappels. Zonder veel nadenken nam ik de grapefruits. Natuurlijk had ik even online kunnen gaan om uit te zoeken welke van de twee gezonder zijn. Of ik had na kunnen gaan hoeveel van beide opties ik het meest gegeten heb in de afgelopen tijd. Of ik had mijn vrouw kunnen appen met de vraag welke zij het lekkerst vind. In al die gevallen had ik meer complete informatie gehad en vermoedelijk een beter besluit genomen. Maar ik deed het niet. Genoeg is genoeg, ook als het om informatie gaat.

Zo gaat het natuurlijk steeds. We nemen verreweg de meeste beslissingen in ons leven met incomplete informatie en daar maken we ons meestal niet druk over. Toch zullen de meesten zeggen dat je beslissingen, als het enigszins kan, moet nemen op basis van de beste informatie die je kunt krijgen. Je moet er niet aan denken dat een dokter zich onvoldoende informeert voor hij een besluit om je te laten opereren of dat een rechter op basis van een half gelezen dossier een straf uitdeelt.

Toch was het juist een berichtje over de rechtspraak – ze willen er algoritmes inzetten om de strafmaat te helpen bepalen – dat voor mij de vraag de vraag opriep of je altijd wel alles moet willen meewegen. Het korte antwoord was nee. Vaak moet je dat niet willen, zeker in de rechtspraak niet.

Vergeef me dat ik om dat toe te lichten er even wat wiskunde bijhaal. Het gaat hier om de wet van Bayes. Thomas Bayes was een Engelse predikant uit de 18e eeuw die de basis legde voor een speciaal soort kansrekening. Hij vroeg zich af hoe je bewijs uit een reeks experimenten mee kon nemen in de kansrekening. Zijn ideeën zijn ook zonder wiskundige basis goed te begrijpen.

Hoe groot is de kans dat er bij jou thuis ingebroken wordt? Er zijn zo’n 45.000 inbraken per jaar in Nederland en zo’n 7,5 miljoen huizen. Dat maakt de kans dat er in een willekeurig huis in Nederland ingebroken wordt zo’n 0,6 procent. Niet erg veel.

Nu zijn er natuurlijk veel redenen te bedenken waarom inbrekers jouw huis sneller zullen uitkiezen. Misschien heb je een hoekhuis, slechte sloten of woon je in een slechte buurt. Als die eigenschappen kun je meewegen in de statistiek. Je kijkt hoeveel vaker er in hoekhuizen ingebroken word, hoeveel vaker in slechte buurten en hoeveel vaker in huizen met slechte sloten en je vermenigvuldigd dit met de algemene kans dat er ergens ingebroken wordt. Misschien kom je dan zelfs wel op 2 of 3 procent uit.

Bayes zou zeggen dat de kans van 0,6 procent dat er in je huis ingebroken wordt de kans vooraf is of de a priori kans. De kans nadat je alle relevante omstandigheden hebt meegewogen is de kans achteraf ofwel de a posteriori kans. Of om de inleiding er nog maar eens bij te halen: a priori zijn sinaasappels even goed als grapefruits, maar als ik meeweeg dat grapefruits iets gezonder zijn, ik ze weinig gegeten heb de laatste tijd en mijn vrouw een voorkeur heeft voor grapefruits winnen ze, a posteriori, de strijd om mijn voorkeur.

De wet van Bayes geeft ons krachtig wiskundig gereedschap om van ruwe inschattingen vooraf, meer verfijnde en precieze inschattingen ‘achteraf’ te maken, door kennis van omstandigheden in te brengen. En dat is precies wat die algoritmen waar de rechtspraak gebruik van wil maken doen.

Stel dat je voor de rechter komt vanwege een licht vergrijp zoals winkeldiefstal. Om je strafmaat te bepalen weegt de rechter allerlei omstandigheden. Misschien werd je er toe verleid doordat je foute vrienden hebt of misschien omdat in de schulden zit. Misschien denkt de rechter dat er een grote kans op recidive (herhaling) is omdat je het al eens gedaan hebt of misschien verwacht de rechter dat je nu je een keer gepakt bent het niet meer zal doen. De rechter past geen vaste straf toe op een vast vergrijp, maar wikt en weegt omstandigheden.

Dat laatste kan enorm verbeterd worden met de Bayesiaanse wiskunde die die algoritmen gebruiken. Er bestaat al een databank met alle gegevens van verdachten: zijn ze bijvoorbeeld man of vrouw, allochtoon of autochtoon, arm of rijk?; van heel veel rechtszaken uit het verleden is dit bekend. Vervolgens kun je met de wet van Bayes in de hand uitrekenen wat de invloed is van al die eigenschappen op recidive – en zo wiskundig bewijs gebruiken bij het bepalen van de strafmaat voor een allochtone, arme vrouw die iemand beroofd heeft.

Je kan dit natuurlijk zien als een verbetering. De rechter woog omstandigheden al mee bij het bepalen van de strafmaat maar nu is ze in staat dit op een preciezere manier te doen. Je zou het ook als een zorgelijke ontwikkeling kunnen opvatten. Het gebruik van algoritmes mechaniseert dat proces namelijk. En de rechter gaat zwaarder tillen aan die aspecten die je kan meten (zoals recidive) en minder aan onmeetbare aspecten (zoals sociale invloed).

Maar, ik hoop dat het voorbeeld ook meer fundamentele vragen oproept. Verdien je als vrouw een lichtere straf omdat andere vrouwen minder vaak opnieuw de fout ingegaan zijn? Of verdien je als allochtoon een zwaardere straf omdat andere allochtonen notoire recidivisten bleken? Als het goed is voelt dat idee niet helemaal goed. Ineens blijkt de weging van individuele omstandigheden af te hangen van allemaal groepslidmaatschappen. Dat gaat tegen het gelijkheidsbeginsel in. Het is klassenjustitie.

Als je als individu voor de rechter staat dan wil je je als individu beoordeeld worden. Maar, vreemd genoeg moet de rechter dan heel terughoudend zijn met het wegen van persoonlijke omstandigheden. Want hoewel de rechter niet letterlijk Bayesiaanse wiskunde gebruikt, is het onderliggende denkproces natuurlijk vergelijkbaar. Elke inschatting over een ‘omstandigheid’ is gebaseerd op groepslidmaatschap: andere gevallen waar die ‘omstandigheden’ ook speelden. De paradoxale conclusie is dus dat als je wil dat de rechter je als individu beoordeeld, dat deze je persoonlijke omstandigheden niet mee zou moeten wegen en de rechter juist op basis van onvolledige informatie een besluit kan nemen. Het gelijkheidsbeginsel vraagt eigenlijk om de a priori benadering: vaste straffen voor elk vergrijp.

Meer lezen?
In glazen bol besprak ik het gebruik van algoritmen bij de politie al kritisch. In groepsidentificaties en in eerlijk vergelijken lichte ik de relatie tussen groepslidmaatschappen en individuen al eens door. In IQ en waarheidsinjecties besprak ik al eens wat de impact kan zijn van een overdreven focus op metingen.