Bezieling

Dit blogje gaat niet over bezieling van mensen zoals jij en ik – hoewel dat ook een heel interessant onderwerp is, maar over de bezieling van dingen. Je kan ook zeggen dat het gaat over de menselijke neiging om allerlei dingen – concreet of abstract – een wil toe te dichten. Dingen die naar een ‘natuurlijke’ plek willen, bijvoorbeeld, of die onze gedachten willen ‘beheersen’. Dat soort verzinsels. Verklaringen van het soort ‘dit of dat wil zus of zo’ fascineren me om twee redenen. Ten eerste zijn ze alomtegenwoordig en ten tweede nemen ze vaak een loopje met ons.

We gebruiken ze vaak hoor: verklaringen vanuit de wil der dingen. Daarom zijn er ook technische termen voor bedacht. Ze worden teleologische verklaringen genoemd of doeloorzaken. Vooral dat laatste woord vind ik mooi. Op de een of andere manier wringt het van binnen. Misschien omdat doelen gewoonlijk voor ons liggen en oorzaken achter ons. Je voelt gewoon aan je water dat het niet klopt als iets tegelijkertijd het doel en de oorzaak is.

Voor alle duidelijkheid: de meeste dingen willen helemaal niets hè? Goed: mijn konijn drinkt omdat ze dat wil en ik schrijf dit blogje omdat ik het nu eindelijk eens met jullie over doeloorzaken wil hebben, maar stenen vallen niet omlaag omdat ze lager willen zijn dan lucht en de aarde draait niet om haar as omdat ze eigenlijk liever een tol was. En nee: de economie wil niet groeien, soorten willen niet evolueren en kwantumdeeltjes willen niet in meerdere toestanden tegelijk zijn. In ons mechanische wereldbeeld is er gewoon maar heel weinig plaats voor verklaringen vanuit de wil der dingen.

Dat we er zo van houden moet dus door onszelf komen. Omdat we zelf de ganse dag dingen willen, misschien. Daarom vinden we het fijn om bij moeilijke natuurkundige dingen ook te denken in termen van willen. We gebruiken willen als metafoor. Daarom leren we op school dat stroom van plus naar min wil en daarbij tegengehouden wordt door een weerstand. Soms aan de hand van een plaatje waarin kaboutertjes druk met rugzakjes rondsjouwen en over trappetjes gaan omdat ze nodig ergens heen moeten. In werkelijkheid zit het natuurlijk allemaal anders, maar hier hebben we een gevoel bij.

Ondanks de bezwaren die je tegen doeloorzaken kan hebben, is het verklaringsmodel ook bij wetenschappers erg geliefd. Een van de meest opvallende exemplaren vind ik de ‘selfish gene’ theorie van Richard Dawkins. Dawkins staat bekend als een harde betawetenschapper en missionair atheïst: niet bepaald het type van wie je zou verwachten dat hij doeloorzaken nodig zou hebben.

Maar in zijn boek The Selfish Gene schetst Dawkins een beeld van genen als zelfzuchtige dingen die niets liever willen dan zichzelf kopiëren en vermenigvuldigen – soms zelfs ten koste van het organisme dat dankzij die genen bestaat.

Dawkins gelooft natuurlijk niet echt dat genen iets willen. Hij legt dat ook omstandig uit in het boek. Dawkins gebruikt het idee van zelfzuchtige genen alleen bij wijze van spreken. In werkelijkheid zijn genen domme eiwitketens die zichzelf vermenigvuldigen. Sommige genen slagen daarin, anderen niet. Genen die erin slagen blijven over. Als we over genen praten als eiwitten die zichzelf willen vermenigvuldigen en daar in meer of minder mate succesvol in zijn – dan is dat alleen een kortere zegswijze voor dit ingewikkelde mechanisme.

Alleen roept die afkorting wel vragen op over oorzaak en gevolg. Neem het voorbeeld van de eerste dieren die konden zien. Het klassieke beeld is dat er een mutatie optrad waardoor dieren gevoelig werden voor licht en donker; waardoor ze een evolutionair voordeel hadden; waardoor de genen voor lichtgevoelige cellen zich konden verspreiden. De verspreiding van het gen is dus het gevolg van het evolutionaire voordeel van het dier.

Dawkins tekent het plaatje precies andersom. Genen willen zich verspreiden en het bouwen van lichtgevoelige dieren blijkt daartoe een succesvolle strategie, die dus via overerving navolging vindt. In die versie is de lichtgevoeligheid een gevolg van de verspreidingsdrang van de genen en niet andersom.

Dawkins vervangt in zijn redenering dus een gevolg: verspreiden van genen door het succes van een soort, door een doeloorzaak: de wil van genen om zich te verspreiden via een succesvolle mutatie. Ongeveer zoals Aristoteles het gevolg van de vallende voorwerpen verving door de doeloorzaak ‘de natuurlijke plaats in de kosmos’.

Waarom zou Dawkins deze vorm gekozen hebben? Misschien omdat hij met deze omdraaiing makkelijker kan laten zien dat de evolutie geen vooraf bepaalde richting heeft, maar dat elk evolutionair voordeel tot verspreiding van de onderliggende genen zal leiden. Dat klopt natuurlijk ook, maar de prijs die Dawkins betaalt voor deze onttovering van het evolutieproces is de bezieling van het gen zelf.

Dat is op zichzelf niet zo’n probleem als je je niet mee laat sleuren door die metafoor. De stap van ‘genen die zich willen verspreiden’ naar ‘virussen met een strijdplan’ is niet zo groot en voor je het weet ga je rare uitspraken doen, zoals: ‘vreemdgaan is een ideetje van de genen’. Dan is het hek natuurlijk van de dam. Want hoe meer leven je de genen inblaast, hoe meer je ze ook verantwoordelijk stelt voor de richting van de evolutie. Terwijl het hele punt dat Dawkins wilde maken juist was dat evolutie blind is.

Overigens slaagde Dawkins er zelf prima in om van de glijdende schaal van verklaring door doeloorzaken weg te blijven, maar zijn publiek had daar meer moeite mee. Daarbij denk ik niet eens alleen aan het algemene publiek. Ook meer wetenschappelijke volgers zoals Daniel Dennett en Susan Blackmore lijken soms meegesleurd te zijn door de wil-metafoor.

Susan Blackmore’s mementheorie, die ik in mijn vorig blogje besprak, is een goed voorbeeld. Ze doet de observatie dat mensen elkaar imiteren en zo elkaars ideeën overnemen. Dan zet ze de denkstap dat die ideeën gezien kunnen worden als memen die zich willen verspreiden. Dat kan allemaal nog, maar daarna stelt ze dat de memen achter de ontwikkeling van taal en communicatietechnologie zoals het schrift, televisie en internet zitten. Die technologie dient namelijk de verspreiding van memen en het was dus een kwestie van tijd voordat de memen ons op het idee gingen brengen van die technologie.

Als je het mij vraagt laat ze zich dan meesleuren in de doeloorzaakredenering. Het is één ding om vast te stellen dat we elkaar imiteren en dat sommige ideeën populairder zijn dan anderen. Het is een omdraaiing van oorzaak en gevolg om dat toe te schrijven aan de wil van de memen. Als je vervolgens concludeert dat culturele evolutie de memen dient en niet de mens, dan laat je je door die omdraaiing meesleuren. Memen willen niets, laat staan dat ze van plan zijn om communicatietechnologie uit te vinden. Die is uitgevonden omdat het ons (mensen) handig leek.

Door de dingen een wil toe te dichten kunnen we ingewikkelde processen in de natuur makkelijker begrijpen. Als ik en mijn konijn een wil hebben, waarom stenen, elektronen, de aarde, de economie, genen en memen niet? Maar het probleem met willen als metafoor is dat we die metafoor niet weten te beheersen. Als de dingen eenmaal dingen gaan willen, dan gaan we er dingen in zien die er niet zijn. We gaan denken dat de economie ons wel aan welvaart zal willen helpen of dat memen wel robots gaan uitvinden om ons als memenverspreiders te vervangen. Dit soort waanideeën zijn verre van onschuldig. Hou daarom een sceptisch oogje in het zeil als je iemand een doeloorzaak verklaring hoort gebruiken. Hoe graag we de dingen ook willen bezielen, af en toe moeten we onszelf eraan blijven herinneren: de wil der dingen is onzin.

Meer lezen?

Ik besprak Blackmore’s ideeën over memen in cultuurdragers. Hoe mensen in alledaagse termen over de wereld denken kwam al eerder aan bod in plat en eksters.

Cultuurdragers

Wat nou als de gedachten in je hoofd helemaal niet van jezelf zijn, maar dat je ze hooguit te leen hebt van een ander? Ik word zelf nogal kriebelig van dat idee: zeker als ik aan het schrijven ben, maar het is wel in de kern wat mementheoretici over gedachten beweren. Nou, misschien niet over al je gedachten, maar wel over verreweg de meesten.

Mementheorie is een soort culturele evolutietheorie. Daar waar biologische evolutie gestuurd wordt door genen, wordt – zo denken mementheoretici – culturele evolutie gestuurd door memen. Memen vermenigvuldigen zich door van het ene menselijk hoofd naar het andere te springen en bepalen zo hoe we denken en doen. Als mementheorie helemaal nieuw voor je is: ik schreef er al eens een uitgebreid blogje over.

Ik heb, dat gaf ik in dat blogje al ruiterlijk toe, gemengde gevoelens bij mementheorie. Dat was voor mij reden om me er eens verder in te verdiepen. Zou mementheorie zich na de jaren zeventig ontwikkeld hebben tot een volwaardige wetenschappelijke discipline? Zouden er experimenten uitgevoerd zijn om mementheorie te toetsen? Zouden theoretici erin geslaagd zijn het idee van memen meer handen en voeten te geven? Ik kon mijn geluk dus niet op toen bleek dat er een relatief recent, populair-wetenschappelijk boekje over bestaat: The Meme Machine van Susan Blackmore. Tijd voor een bespreking dus.

Imitatie vormt de basis van Blackmore’s behandeling van memen. Volgens Blackmore is imitatie – kunnen leren door iemand iets te zien doen – een eigenschap die min of meer uniek is voor mensen. Doordat mensen kunnen imiteren kunnen ze leren van elkaar en daardoor ontstaat cultuur. De eerste imiterende mensen gingen werktuigen maken, spreken, hun doden begraven, […], de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens tekenen, naar de maan reizen, enzovoort.

Nou ja, misschien loop ik nu wat op de zaken vooruit. Culturele ontwikkeling is dus te begrijpen als een evolutieproces. Mensen die elkaar imiteren geven volgens Blackmore memen door. Als ik jou zie dansen en ik doe je na, dan springt er een meme over van jouw hoofd naar het mijne.

Wat een meme is, weet niemand precies. Ik houd het zelf op zoiets als “ideeën”, maar verschillende mementheoretici hanteren verschillende definities en Blackmore houdt het dus bij “datgene dat doorgegeven wordt bij imitatie”. Waar mementheoretici het wel over eens zijn, is dit: sommige van die memen zijn succesvol – in die zin dat ze makkelijk en vaak doorgegeven worden -, anderen zijn minder succesvol en sterven uit. Als iedereen ons dansje na gaat doen is het een succesvolle dansmeme, anders niet.

Al met al vindt er dus een kopieer- en selectieproces plaats van memen en zo evolueert de cultuur. De manier waarop we dansen, praten, denken en doen verandert doordat er steeds nieuwe memen succesvol zijn.

Dit culturele evolutieproces heeft volgens Susan Blackmore verregaande consequenties gehad voor onze biologische en technologische evolutie.

Veel mensen denken dat met het ontstaan van cultuur de biologische evolutie van de mens zo’n beetje tot stilstand gekomen is, maar volgens Blackmore heeft de culturele evolutie de biologische evolutie juist aangestuurd. Met memen – het vermogen tot imitatie – kregen mensen namelijk een enorm voordeel ten opzichte van andere dieren die niet op deze manier kunnen leren. Steenbijlen, vuur maken en leefstijlen zoals het jagen in groepen hoefden maar één keer uitgevonden te worden. Anderen konden die praktijken meteen overnemen. Omdat culturele evolutie veel sneller is dan biologische evolutie, had de imiterende mens een enorm aanpassingsvermogen en dus een fors evolutionair voordeel.

Als gevolg daarvan ging de evolutie selecteren op het vermogen tot imitatie. Eerst nog vooral door natuurlijke selectie: slechte imitatoren hadden immers minder kans om te overleven, maar waarschijnlijk speelde later ook seksuele selectie een rol. Als goede imitatoren grotere overlevingskansen hebben, wil je graag kinderen van een goede imitator. Imitatievermogen, in welke vorm dan ook, werd daarmee een aantrekkelijke eigenschap. Zo ontstond misschien zoiets als muzikaal talent. Niet direct iets wat de overlevingskansen van je kinderen vergrootte, maar wel een bewijs van imitatievermogen en dus een voordeel in de liefde.

De gevolgen voor de biologische mens waren dramatisch: we ontwikkelden een enorm brein en taalvermogen, inclusief het verfijnde spraakapparaat dat daarvoor nodig is. Dit was gereedschap waarmee we de culturele evolutie mee voort konden stuwen. Of eigenlijk: we werden gereedschap van die culturele evolutie. Want als Blackmore één ding duidelijk probeert te maken, is het wel dat wij niet de baas zijn over de memen, maar dat de memen de baas zijn over ons. De mens staat ten dienste van de culturele evolutie, niet andersom.

Neem onze taal bijvoorbeeld. Waarom praten we zoveel? Hoeveel van wat we tegen elkaar zeggen, is werkelijk essentieel voor het voortbestaan van onze soort? Wat heb je vandaag allemaal al uitgekraamd waar, wel beschouwd, niemand beter van wordt? Zulke verspilling is onbegrijpelijk als je denkt dat taal vooral een biologisch nut dient, maar niet als het voor de culturele evolutie is. We spreken zoveel om onze memen te helpen zich voort te planten en te verspreiden.

Of neem onze gedachten. Waarom denken we zoveel? Waarom spoken zo vaak precies dezelfde gedachten door ons hoofd? En… in hoeverre zijn die gedachten eigenlijk van onszelf? In hoeverre herhalen we niet, in iets aangepaste vorm, die dingen die we gelezen en gehoord hebben? Biologisch gezien lijkt al dat ronddenken verspilling, maar cultureel gezien is het dat misschien wel niet. Gedachten die we steeds herhalen, hebben een grotere kans om onthouden en doorgegeven te worden. Ons bewustzijn, wil Blackmore maar zeggen, dient de memen. Het brein is niet die originele bron van nieuwe ideeën die we er graag in zien, maar eerder een kopieermachine voor de memen.

En dan heb je menselijke technologische uitvindingen zoals het schrift en later de telefoon en het internet. Nuttige uitvindingen voor de mens natuurlijk, maar bedenk je eens hoe geweldig die uitvindingen waren voor de memen! Hoeveel beter ging het verspreiden van ideeën wel niet door de drukpers en wat een impact had dat op onze cultuur? En als die drukpers niet een volledig origineel idee van Gutenberg was, maar een samenraapsel van ideeën die hij ergens opgepikt had, was het dan niet gewoon een product van de memen, ten behoeve van die memen?

Zo trakteert Blackmore haar lezers op voorbeeld na voorbeeld waarin ze laat zien hoe invloedrijk de memen wel niet zijn. Er is een wereldwijd strijdperk vol zelfzuchtige memen die alleen maar uit zijn op reproductie. Om elkaar daarin de loef af te steken, sleuren ze ons mee: eerst vormden ze onze breinen om tot memenverspreiders, toen vonden ze taal en zelfbewustzijn uit, daarna onze culturele systemen zoals religie en tot slot onze communicatietechnologie.

Als memen zo invloedrijk zijn als Blackmore beweert, is mementheorie het belangrijkste waar wetenschappers aan kunnen werken. Wetenschappelijke vragen, zoals: ‘Waarom hebben mensen cultuur en technologie en dieren niet?’, ‘Hoe kan het dat wetenschappelijke ideeën er niet altijd in slagen het te winnen van het geloof in het paranormale, buitenaardse wezens en religie?’ en ‘Wat is het bewustzijn precies’, kunnen nu allemaal van één eenvoudig antwoord voorzien worden: memen.

Mementheorie als theorie voor alle belangrijke vragen. Dat is te mooi om waar te zijn en dat is natuurlijk ook precies het probleem dat ik met het boek heb. Ik hoopte op een wetenschappelijke verhandeling en kreeg een boek van een gelovige. Her en der formuleert Blackmore een toetsbare hypothese, maar voor het overgrote deel blijft het boek erg speculatief.

Daarbij ontwijkt ze veel moeilijke vragen. Is imitatie wel zo uniek voor mensen? Makaken blijken hun gebruik van gereedschap razendsnel aan de komst van nieuw voedsel aan te kunnen passen: dat wijst echt op imitatie. Er zijn ook vormen van imitatie en taal gevonden bij allerlei andere diersoorten. En bestaan “memen” wel echt? Niemand kan ze vinden of zelfs maar definiëren. Zijn memen eigenlijk wel nodig (of nuttig) om culturele evolutie te verklaren? Andere theorieën van culturele evolutie blijven onbesproken in het boek. Kunnen we culturele evolutie niet beter zien als een samenspel van verschillende evoluties? Evoluties van kunst, ideologie en technologie die naast elkaar bestaan en elk hun eigen mechanismen en snelheden hebben bijvoorbeeld? Wat ‘winnen’ we eigenlijk door dit kille plaatje van zelfzuchtige memen die met ons aan de haal zijn gegaan?

Ik heb veel van mijn twijfels bij mementheorie al in mijn vorige blogje geuit en ben, dat zal duidelijk zijn, door het boek bepaald geen aanhanger geworden. Blackmores speculaties over de rol van memen in de menselijke, culturele en technologische evolutie gaan erg ver en zijn niet met overdreven veel bewijs gestut. Maar ik denk dat ik die laatste vraag naar de ‘opbrengst’ van mementheorie wel kan beantwoorden.

Want tijdens het schrijven van dit blogje is er iets belangrijks in mij veranderd. Ik voel me een stuk minder kriebelig bij het idee dat mijn gedachten niet van mijzelf zijn. Blackmores observatie dat onze gedachten voor een groot deel worden gevormd door wat we horen en lezen, klopt natuurlijk gewoon; en in die zin zijn we inderdaad een product van onze cultuur. Dus ja: misschien heb ik mijn gedachten wel te leen, in plaats van dat ze uit mijn eigen brein ontsproten zijn.

Is dat erg? Welnee! Dat leensysteem van ideeën verbindt me namelijk met al die mensen die er eerder eigenaar van waren en die mij ooit bevrucht of begiftigd hebben. Mijn hoofd zit vol met Mulisch en Tolstoj, met Harry Potter, met Frans Bauer en met mijn familie, vrienden, buren en collega’s. Ik draag steeds stukjes van ze mee en ik draag stukjes van ze uit. Liever dan een eenzaam genie met totaal originele ideeën ben ik een cultuurdrager, vol van wat van anderen is. Want zeg nou zelf… cultuurdrager zijn is zo gek nog niet.

Meer lezen?

In memen schreef ik al eens uitgebreid over mementheorie, en ook mijn blogjes ideeënsex en geheugenmachine raken aan dit idee.

Hoewel Blackmore dit zelf niet aanhaalt zijn er behoorlijk wat raakvlakken tussen haar ideeën en die van mediatheoreticus Thomas de Zengotita die ik eerder op mijn Engelse blog besprak. Met name de alles omvattende rol van imitatie in onze hedendaagse cultuur en de pop- en jeugdcultus die daar uit volgt beschrijft De Zengotita treffend.

Blackmore is te zien in een TED praatje, waarin ze wel stelt dat technologie een eigen (autonome) evolutie ondergaat. Ze noemt memen daarin ‘gevaarlijk’. Dit idee van gevaarlijke memen wordt ook in Daniel Dennet’s  TED praatje over memen benadrukt.

Onlangs verscheen in NRC een stuk over de geschiedenis van talen. In dat onderzoek blijkt een evolutietheoretisch kader prima te werken.

Dit is mijn derde boekbespreking op dit blog. Eerder nam ik Laboratory Life van Bruno Latour, en Little Science, Big Science van Derek de Solla Price al onder handen.

Je kunt natuurlijk ook The Meme Machine gewoon zelf lezen.

Bomen

René Descartes vergeleek de filosofie, of eigenlijk alle wetenschappen, eens met een boom. Hij vond dat de wortels stonden voor de metafysica (filosofie), de stam de fysica (natuurkunde) en de takken voor alle andere wetenschappen. Nu was dit niet erg origineel: de 17e eeuw was een tijd waarin die boommetafoor voor kennis populair was. Het idee van de encyclopedie is ook van toen en de gedachte dat in een dergelijk boek alle kennis die in de wereld beschikbaar was, op nette, geordende wijze kon worden opgenomen, was gewoon een van de spannende en nieuwe ideeën die toen rondzoemden. Nog altijd is de boommetafoor voor kennis populair, maar de vraag is natuurlijk wel – vergeef me de woordspeling – of ze wel hout snijdt.

Vaak is het zo dat ideeën die populair zijn ook een bepaalde elegantie hebben. Zo is het met ‘kennis als boom’ zeker. Voor elke discipline, theorie of kernidee valt vrij gemakkelijk een kennisboom te tekenen. De theorie is ontsproten uit meerdere voorlopers (wortels); daar is een stabiele kern uit gekomen (stam); die zich vertakt in allerlei toepassingen (takken). De evolutietheorie heeft bijvoorbeeld wortels in de geologie en de ecologie en heeft vertakkingen naar de techniek en politieke filosofie. De boom is een prima metafoor om de vragen ‘waar komt het vandaan’ en ‘waar gaat het heen’ aan op te hangen.

Maar het is natuurlijk ook te mooi om waar te zijn. Want hoe moeten we al die boommetaforen rondom verschillende ideeën eigenlijk verenigen? In de metafoor van Descartes ontstaat meteen ruzie over wie de wortels mogen zijn. Ik studeerde ooit natuurkunde en natuurkundigen zien de natuurkunde als de moeder van alle wetenschappen, niet de filosofie. Wiskundigen zijn het daar weer helemaal niet mee eens. Als we allemaal de wortels willen zijn dan blijft er van de boom niet zoveel over.

De vertakkingen staan ook niet los van elkaar. Heel verschillende ideeën komen voort uit dezelfde wortels en uit heel verschillende ideeën volgen vaak gelijksoortige toepassingen. Als een individuele theorie gezien kan worden als een boom, dan is onze complete kenniswereld een mangrovebos, of iets dat nog veel ingewikkelder is.  Het is niet duidelijk welke wortel bij welke stam hoort, en eigenlijk ook niet of iets een stam of een vertakking is. Totale chaos is misschien wel een betere metafoor voor onze kennis dan een bos.

De boommetafoor voor kennis is dus wat narcistisch: ze bestaat bij de gratie van het wegdenken van alle andere bomen die van dezelfde wortels gebruik maken en dezelfde toepassingen voeden. De metafoor is ook onnodig hiërarchisch omdat ze veronderstelt dat elke toepassing een ‘vertakking’ is van een fundamenteler idee. Daarmee is de boom zeker geen handige metafoor voor onze totale kennis, zoals Descartes dacht.

Niettemin, als je de boommetafoor tegenkomt, schrik niet terug. De auteur richt zich op één stukje kennis en probeert de boom te gebruiken om, geïnspireerd op de historie van het idee dat hij bespreekt en de mogelijke toepassingen die kunnen volgen, het bestaan van de stam te rechtvaardigen. Daarbij denkt hij alles wat hem niet uitkomt weg: misschien is die ‘stam’ zelf wel een ‘tak’ van een andere boom of een wortel, maar dat doet er even niet toe. Wanneer de boomschrijver het bos even vergeten is, is het aan ons om het er weer bij te denken. Daardoor zien we misschien door de bomen het bos niet meer, maar zonder het bos zien we de boom dan weer niet in het juiste licht – en dat zou pas echt jammer zijn.

Meer Lezen?

Ik besprak eerder andere kennismetaforen waaronder ideeënsex, kennisnetwerken, geheugenmachinememen, kennisstroom en kenniscontainers. Het belang van metaforen voor ons denken besprak ik in metaforen voor het leven.

Plat

NRC kopte gisteren dat één op de tien Fransen gelooft dat de aarde plat zou kunnen zijn. Ik moest meteen lachen natuurlijk. Zo van: dat is wel echt een beetje dom. We leven toch in een moderne tijd? Gaan ze daar niet naar school? Maar het zat me ook niet lekker. Ik dacht: “Waar gaat het heen met deze wereld?”. Want zeg nou zelf: Frankrijk! Dat er Amerikanen zijn die geloven dat de aarde plat is. Ach. Een paar verdwaalde creationisten die het geloven? Zit ik niet mee. Maar 10% van iedereen. Dat is wel veel. En Frankrijk is om de hoek. Voor je het weet slaat dat de-aarde-zou-best-wel-eens-plat-kunnen-zijn-virus over naar hier. Brrr.

Ik hoor zelf dus nog bij de groep die denkt dat de aarde rond is, maar door het berichtje ging ik me wel afvragen hoe ik dat zo zeker kon weten. Terwijl ik nog aan het nagniffelen was ging ik het bij mezelf na. 1. Iedereen weet dat de aarde rond is. 2. Ik heb op school geleerd dat de aarde rond is. 3. Dat de aarde rond is past in andere ideeën die ik heb over de wereld, zoals dat de aarde om de zon draait. 4. Een ronde aarde die om haar as draait geeft een mooie verklaring voor dag en nacht. 5. Je kan helemaal om de aarde heen vliegen en varen. 6. Op foto’s die vanuit de ruimte genomen zijn, ziet de aarde er als een bol uit.

Kortom: ik heb het van horen zeggen.

Want zeg nu zelf… In dit lijstje staat eigenlijk geen direct bewijs voor de rondheid van de aarde. Ik zou natuurlijk rond de aarde kunnen vliegen, maar ik heb het nog nooit gedaan. En toen ik eens naar Amerika vloog – dat is ongeveer een kwart rond – had ik na de landing niet het gevoel dat de aarde scheef stond. De grond was recht onder me en ik had helemaal geen moeite mijn evenwicht te bewaren. Die foto’s zijn eigenlijk ook geen direct bewijs: ze zouden nep kunnen zijn en je ziet eigenlijk een schijf, dus per saldo staat die bolvormigheid niet op de foto. Ze zit in je hoofd.

Het sterkste bewijs dat ik heb voor de rondheid van de aarde is dat al die verschillende indirecte bronnen het met elkaar eens zijn. Het is altijd een sterke aanwijzing dat je op het goede spoor zit wanneer verschillende bronnen in dezelfde richting wijzen. Maar toch, in dit geval is dat gewoon weer terug te voeren op punt 1. Iedereen denkt dat de aarde rond is.

Ik ben natuurlijk niet écht gaan twijfelen door deze gedachtegang, maar het laat wel iets belangrijks zien. Voorwetenschappelijke ideeën, zoals een platte aarde, zijn niet zo dom als je zou denken. Het wereldbeeld waar wij mee opgevoed zijn is eigenlijk niet zo intuïtief. Als je je zintuigen vertrouwt in plaats van wat je op school leerde, ontwikkel je hele andere ideeën over de wereld dan de wetenschap ons voorschotelt. 

We weten zelfs vrij precies welke ideeën dat zijn. Dat blijkt bijvoorbeeld uit onderzoek aan misconcepties van middelbare scholieren over de natuurkunde. De ideeën die scholieren daarover hebben komen precies overeen met hoe de Griekse filosofen, zoals Aristoteles, over de wereld dachten. Er zijn volgens mij geen IQ-scores van Aristoteles bekend, maar die zullen best in orde geweest zijn. Geloof in voorwetenschappelijke ideeën is dus niet te verklaren vanuit een gebrek aan logisch redeneren of kritisch denken. Het gaat erom welke bronnen je gebruikt en welke je daarvan het meest vertrouwt.

Terug naar de Franse wereldbolontkenners. Is het een probleem dat zij het wereldbeeld waar wetenschappers honderden jaren op hebben gepuzzeld niet blijken te vertrouwen? Dat hangt er natuurlijk vanaf waar het wantrouwen vandaan komt. In NRC was de toon een beetje dat we met zijn allen paranoia aan het worden zijn. Dat past natuurlijk ook mooi in recente berichten over filterbubbels en feitenvrije politiek, maar ik vraag me af of dat het is.

Ik denk dat het bericht, of vooral de reactie erop, laat zien dat we de invloed van de wetenschap op het grote publiek structureel overschatten. Zo wetenschappelijk zijn onze denkbeelden nu ook weer niet. We denken er allemaal het onze van als het zo uitkomt. Wie heeft er nog nooit een therapie genomen, die niet bewezen is? Of waarvan zelfs bewezen is dat ze niet werkt? Veel mensen geloven misschien niet in God, maar hebben het vervangen door “ietsisme”. Wereldwijd trekken intellectuelen hele registers vol met drogredenen open om de klimaatwetenschap te ontkennen. Nou ja, zo kan ik nog wel even doorgaan.

Wat mij wel interessant lijkt is een meting door de tijd heen van dit soort ideeën. Hoeveel mensen dachten in 1850 dat de aarde wel plat kon zijn in vergelijking met nu? Dan kunnen we tenminste zien of we echt met plotselinge massaparanoia te maken hebben of met normale, gezonde, variatie van publiek gedachtengoed rondom wat wetenschappers hebben bedacht. Maar voor zover ik weet is de invloed van de wetenschap als geheel op het grote publiek nooit wetenschappelijk onderzocht.

Misschien is ongeloof in klimaatverandering en geloof in homeopathie iets anders dan denken dat de aarde plat is, maar het werkt op dezelfde manier. Het echt pijnlijke van dit krantenbericht is dat het ook over onszelf gaat. We geven vaak de voorkeur aan onze eigen, slecht geïnformeerde meningen, boven het grote puzzelwerk van wetenschappers van over de hele wereld. Als het om onze eigen ideeën gaat, zijn we even hoogmoedig. Het stuk gaat niet alleen over die 10% platdenkers, het gaat over ons allemaal.

Meer lezen?

Ik schreef al eens over ideeën het publiek versus de wetenschap in Eksters. Ik beschreef ook al eens verschillende kennisbronnen, waarvan getuigenis de belangrijkste is voor ons. Dit blogje suggereert eigenlijk dat ons wetenschappelijke wereldbeeld tot de basiskennis behoort.

De mogelijkheid dat nieuwe media wel degelijk collectieve paranoia aanjagen onderzocht ik in Collateral damage of the robotsrace (on the web).

Het volledige NRC artikeltje vind je hier. Ook de column van Rosanne Hertzberger uit die zelfde week is een aanrader.

Brein in een vat

We hebben er allemaal wel eens een gesprekje bij een kampvuur of in de kroeg aan gewijd: wat nou als alles een illusie is? Ongeveer zoals in die film The Matrix, waar machines ons gebruiken als energievoorziening en in ruil daarvoor een virtuele wereld in ons brein injecteren. Dit heet het brein-in-een-vat-scenario en ik heb het altijd heel onwaarschijnlijk gevonden. De wereld lijkt mij gewoon te echt om nep te zijn.

Maar, vreemd genoeg doet dit ‘te echt om nep te zijn’-argument het maar matig bij het kampvuur. Je opponent verzint gewoon een nog slimmere computer, godheid of demon die de virtuele wereld in je hoofd maakt – en voor je het weet breng je de avond alsnog in diepe twijfel over het bestaan van de echte wereld door. Misschien is het wel goed zo: het is vast heel menselijk om af en toe aan het bestaan van de wereld te twijfelen. Maar ik begrijp het ook best als je eens flink tegengas wilt bieden aan je filosofisch ingestelde kampvuurgenootjes. Dan biedt de redenering uit dit blogje mogelijk uitkomst.

Origineel is dat brein-in-een-vat-scenario natuurlijk niet hè? Er waren al Griekse filosofen die beweerden dat de werkelijkheid net zo goed een illusie kon zijn. René Descartes beweerde in de 17de eeuw op basis van het brein-in-een-vat-scenario dat je wél kan twijfelen aan het bestaan van de echte wereld, maar niet aan het bestaan van menselijke gedachten. In zijn geval maakte een demon de illusies. Zelfs in de hedendaagse filosofische literatuur komt het brein-in-een-vat-scenario regelmatig terug; al was het alleen maar omdat er weer eens een nieuwe manier bedacht is om het te weerleggen. Want dat is natuurlijk de crux. Bijna niemand gelooft echt dat we een brein in een vat zijn, maar het blijkt knap lastig om deugdelijke tegenargumenten te vinden.

Pogingen zijn er genoeg, maar mijn favoriete weerlegging komt van Hilary Putnam. Putnams argument bouwt op het idee van verwijzen. In iets aangepaste vorm gaat het als volgt. Stel je voor, zegt Putnam, dat je met een vriendin naar het strand gaat. Daar zie je een mier lopen die een spoor in het zand achterlaat waar ze gelopen heeft. Jullie kijken er een tijdje naar en plotseling blijkt er een afbeelding van Justin Bieber te staan. Wow!  Even staan jullie verbouwereerd te kijken, maar dan vraagt je vriendin: “Heeft die mier nu écht zojuist een portret getekend van Justin Bieber?”.

Putnam stelt dat het antwoord op die vraag nee moet zijn. De mier heeft misschien een spoor in het zand achtergelaten dat er voor jullie precies uitziet als Justin Bieber, maar de mier heeft Justin Bieber natuurlijk nog nooit gezien. De mier kan dus niet bedoeld hebben om een Justin Bieber-portret te tekenen; hij kan niet verwijzen naar Justin Bieber, omdat hij geen weet heeft van wie Justin Bieber is. Vanuit de mier gezien is het dus niet bedoeld als een portret van Justin Bieber en Putnam stelt dat dat nou juist nodig is om het een portret te maken. Als het bedoeld is als een portret van Justin Bieber, en naar Justin Bieber verwijst, is het een portret – of het er nou op lijkt of niet. En dus ook: zonder bedoeling en verwijzing geen portret.

Wat kunnen we met dit inzicht? Een gemene wetenschapper heeft ons brein uit ons hoofd gehaald, in een vat met voedingsstoffen geplaatst en alle zenuwuiteinden aan een supercomputer aangesloten; zodat het net lijkt alsof we nog steeds doorleven.

Stel nu dat dat brein een boom voor zich ziet en misschien zelfs wel roept “Kijk daar staat een boom!”. Verwijst dat brein dan naar een boom?

Nee, zou Putnam zeggen. Het is net als in het verhaal van de mier en Justin Bieber. Er is niet echt een boom, er is alleen de illusie van een boom. Het brein heeft geen zintuigen en leeft niet in de echte wereld. Daarom heeft het alleen weet van boomillusies, maar niet van echte bomen. Het kan dus ook alleen verwijzen naar die illusie. Als het brein in een vat roept “Kijk daar is een boom” dan bedoelt het brein niet een echte boom, maar een boomillusie.

Maar als dat zo is, bijt het brein-in-een-vat-argument zichzelf in de staart! Want… kan het brein-in-een-vat dan wel verwijzen naar een brein-in-een-vat? Kan, met andere woorden, een brein-in-een-vat denken dat ze alleen maar een brein-in-een-vat is? Of kan ze dat met een collega brein-in-een-vat aan het kampvuur bespreken?

Nee, dat kan dus niet. Als een brein-in-een-vat over een brein-in-een-vat begint, dan bedoelt het brein-in-een-vat de illusie van een brein-in-een-vat. Je kan dus niet tegelijkertijd een echt brein-in-een-vat zijn en over een echt-brein-in-een-echt-vat spreken. Of anders gezegd: als we breinen in een vat waren en we de echte wereld bij elkaar hallucineerden, dan konden we het niet hebben over echte breinen in echte vaten, omdat de enige breinen en vaten die we kenden hallucinaties waren. Putnam trekt daaruit de volgende conclusie: als we breinen in vaten waren, konden we het er niet over hebben en dus zijn we het niet.

Ik zal eerlijk toegeven dat ik dit verhaaltje nog nooit bij het kampvuur heb uitgeprobeerd. Hoe briljant ik het argument van Putnam ook vind, het is heel ongemakkelijk omdat er een soort van Droste-effect in zit. Ik zie me al een avond bij het kampvuur praten over illusies van illusies van illusies van breinen in vaten. Dan denk ik nog liever wat langer na over het bestaan van de echte wereld; of over hoe echt echt moet lijken om ook echt te zijn. Of ik zet The Matrix nog eens op, want die breinillusies zijn tenminste nog te hacken.

Meer lezen?

Hoewel Emanuel Kant geloofde dat de buitenwereld bestond, geloofde hij niet dat we hem kunnen kennen. Zijn visie vind je in het blogje kenvermogen

Als je net als ik van gedachtenexperimenten houdt is mijn blogje over dat onderwerp een aanrader. Of mijn blogje over het EPR experiment.

Hilary Putnam gebruikte Winston Churchill in zijn versie van het mier-in-het-zand-voorbeeld. Je vindt zijn argumentatie in: Reason, Truth and History.

Nuance

Een klein beetje nuance: ik kan er hevig naar verlangen als ik een tijdje in verhitte discussie zit, maar op andere momenten kan ik nuance enorm vermoeiend vinden. Nuances kunnen als drijfzand zijn: je kan er gemakkelijk in wegzakken of verstrikt raken en ze kunnen je zicht op de zaak behoorlijk vertroebelen. Ik vraag me dus vaak af of genuanceerdheid niet enorm wordt overgewaardeerd. Ik moest hieraan denken toen ik, nota bene midden in de jaarlijkse Zwarte Piet-discussie, een stuk van Herman Vuijsje las over het racisme-debat in Nederland.

Een goed stuk hoor, daar niet van. Aan de hand van 10 dogma’s laat Vuijsje zien welke misvattingen de polarisatie in het Nederlandse racismedebat aanjagen. We denken volgens Vuijsje in twee kampen: ‘zwart’ en ‘wit’, terwijl er in werkelijkheid heel veel verschillende meningen zijn – die ook nog eens dwars door die kampen heen lopen. We doen alsof racisme alleen bij blanken in de genen zit, terwijl racisme in alle bevolkingsgroepen voorkomt. We maken slecht onderscheid tussen wat er op internet gezegd wordt en hoe er in werkelijkheid over racisme gedacht wordt… en ga zo maar even door.

Het hele stuk door laat Vuijsje zien hoe we de genuanceerde waarheid geweld aan doen door dingen eenvoudiger en gepolariseerder voor te stellen dan ze werkelijk zijn; en zo komen we natuurlijk niet verder in het debat. Daar zou hij best gelijk in kunnen hebben, maar ik vraag me op mijn beurt af of de genuanceerde standpunten die Vuijsje als alternatief aandraagt dan wel zo behulpzaam zijn.

Want stel je het racismedebat eens in alle nuance voor. We zouden met elkaar moeten spreken over hoe sommige mensen anders behandeld worden door sommige andere mensen; om redenen die soms wel en soms ook niet helemaal racistisch van aard zijn; en hoe we dat eventueel beter zouden kunnen aanpakken met zijn allen – of ten minste met sommigen van ons.

Precies. Dat is geen debat, dat is een brij. Het probleem met nuance is dat het niet zonder tegenpolen kan. Een genuanceerde mening is altijd een middenweg tussen uitersten – en ze is alleen waardevol in relatie tot die uitersten. Het heeft gewoon weinig zin om te weten dat de waarheid in het midden ligt als je niet weet tussen welke uitersten je dat midden moet zoeken. Nuance kan dus niet zonder polarisatie. Die hebben elkaar nodig als yin en yang: de een betekent niets zonder de ander.

Maar onrechtvaardig genoeg heeft polarisatie een slechte naam en nuance een goede. We vinden het dom en naïef om alle blanken en zwarten over één kam te scheren en we vinden het juist heel verstandig als iemand erop wijst dat het zo eenvoudig niet zit. We vinden het kortzichtig om te denken dat alleen witte mensen racistisch zijn en vinden het heel doortastend als iemand voorbeelden aandraagt van zwart racisme om dat standpunt te nuanceren. Nuance is het mooiste meisje uit de klas, terwijl we collectief op polarisatie neerkijken – zij is gewoon te lelijk en te brutaal.

Hoe komt dat toch? Misschien staat nuance hoger in aanzien omdat het de angel uit een standpunt haalt waar we ons niet thuis in voelden. Het is gewoon prettiger als nuance eenmaal haar werk heeft gedaan. Of misschien ligt het genuanceerde standpunt gewoon bijna altijd dichter bij de waarheid dan de extremen waarop het gebaseerd is en vinden we nuance daarom beter. Of misschien vinden we het zelf fijn om genuanceerd te zijn: met nuance in de hand sta je immers altijd aan de redelijke kant en niet op de plek waar de klappen vallen.

Wat er ook achter zit: ik denk dat die eenzijdige waardering voor nuance ons niet helpt. Het is tijd om polarisatie te herwaarderen. Het zijn immers de polen die het debat maken: ongenuanceerde standpunten vormen bakens waardoor het speelveld voor nuance wordt bepaald. De nuance zelf is niet meer dan een mediator die een dikke boterham verdient aan twee strijdende partijen. Ze staat aan de goede kant, maar alleen bij de gratie van de onhoudbare posities waar ze een weg tussen zoekt. Toegegeven: dat maakt haar broodnodig, maar niet méér nodig dan de polarisatie waar ze tegenwicht aan biedt.

Alles goed en wel, zul je zeggen, maar is het alternatief niet eeuwige polarisatie? Belanden we, zonder nuance, niet in een langdurige loopgravenoorlog, waar niemand ooit uit zijn eigen fort van overtuigingen geholpen wordt? Is nuance niet de vredesduif die we nodig hebben om het debat uiteindelijk te beslechten?

Ik denk van niet. Nuance kan best een rol spelen in het maatschappelijk debat, maar niet om het definitief te beslechten. Een collectief: “Het zit nu eenmaal complex in elkaar, dus laten we de gulden middenweg zoeken” heb ik in ieder geval zelden meegemaakt. Ik denk dat we verder komen als we nuance gebruiken als opmaat naar een nieuw debat langs andere lijnen. Ik heb niets tegen auteurs die laten zien dat de extremen in het debat niet deugen of te simplistisch zijn. Maar als lezer moeten we ons, na de eerste opluchting, afvragen of de auteur meer te bieden heeft dan plotselinge redelijkheid. Draagt hij of zij ook nieuwe zienswijzen en standpunten aan? Worden er nieuwe posities ingenomen waardoor het speelveld verandert? Want het is volgens mij die verschuiving die het debat verder brengt, niet de nuance die eraan voorafgaat.

Meer lezen?

Ik schreef al eens over de rol van (nieuwe) taal in het maatschappelijke debat in betekenisdrift. Ook mijn blogjes eerlijk vergelijken en groepsidentificaties gaan over kennis in het maatschappelijke debat.

Het stuk van Herman Vuijsje is hier te vinden. Overigens vind ik dat hij wel degelijk ook beantwoord aan mijn laatste oproep om de debatbakens te verzetten, alleen springt dat wat minder in het oog.

Samenloop

“Vind je dat niet een beetje link?”, vroeg ik een collega toen hij een stapel stenen soepkommen op de rand van een balustrade plaatste. Een verdieping lager was een ruimte met flexplekken voor studenten. Het is al jaren geleden, maar zijn antwoord is me altijd bijgebleven. “Verantwoordelijkheid is een netwerk” zei hij. Hij bedoelde iets in deze geest: elke gebeurtenis is een samenloop van omstandigheden; er ligt een keten van oorzaken aan ten grondslag.

Stel je voor dat de soepkommen van de rand zouden vallen en een student zouden verwonden. Dat komt net zo goed door diegene die ze van de balustrade afstoot als door diegene die ze er opgezet heeft; of door de student die op zo’n onhandig plek is gaan zitten: of door de catering die met stenen in plaats van met plastic soepkoppen werkt; of de collega die ze zag staan en ze niet weghaalde; of door de architect die de flexplekken onder zo’n potentieel gevaarlijke richel geplaatst heeft. En zo kun je nog wel even doorgaan. De meeste oorzaken zijn ook maar als gevolg begonnen. Ik heb er maar even een tekening van gemaakt.

netwerk droog

Dit plaatje is op zichzelf niet eens zo heel interessant. Maar, het punt is dat je voor elke gebeurtenis die je kan bedenken zo’n plaatje kan tekenen. Er zijn meerdere oorzaken aan te wijzen voor het feit dat je vanochtend wakker werd, dat je thee minder heet is dan je zou verwachten, dat de zon schijnt en dat je dit blogje leest – en aan elk van die oorzaken zit weer een keten van oorzaken vast. Alles wat er gebeurd is met elkaar verbonden.

Op dat feit kan je prima een hele spirituele gedachtegang bouwen, maar vaak zit het ons nogal in de weg. Ons brein wil de complexiteit van het hele netwerk dat aan een gebeurtenis ten grondslag ligt graag terugbrengen tot één of, heel misschien, twéé oorzaken.

Misschien heb je in het voorbeeld hierboven -zo ongeveer toen ik over de verantwoordelijkheid van de architect begon – wel gedacht: maar dat is wel heel erg ver gezocht. Dat is precies wat ik bedoel. Je brein werd wanhopig van de uitgebreidheid van de keten van oorzaken die ik aandroeg en probeerde er alles aan te doen om het klein te houden. Misschien is het daar nog mee bezig. Dat snap ik best.

Ik geef je ook geen ongelijk. Het denkt gewoon een stuk vlotter met eenvoudige voorstellingen van zaken dan met complexe. Dus …: hoe perk je je in?

Één manier is om alleen directe oorzaken aan te wijzen. Je begint  bij de gebeurtenis zelf en telt alleen die dingen die daar direct toe geleid hebben mee. Dit lijkt heel zuiver. Een besluit van je baas veroorzaakt loonsverhoging; een virus veroorzaakt verkoudheid. Het probleem is dat dit vaak heel onbevredigend is. In het soepkoppen voorbeeld is het omgooien van de soepkoppen een directe oorzaak, het gevaarlijk wegzetten niet. Als iemand met zijn dronken kop tegen een boom rijdt is een stuurfout de directe oorzaak, niet het dronkenschap. En… waarom besloot je baas eigenlijk tot loonsverhoging? Bij een directe-oorzaken-strategie vallen die dingen die we het meest belangrijk of interessant vinden vaak juist buiten beschouwing. Meestal, zeker in het geval van een loonsverhoging, vinden we de diepere oorzaken belangrijker.

Het kan dan een betere strategie zijn om een cirkel van invloed te tekenen. Bij een cirkel van invloed kijk je niet zozeer naar de hele samenloop van omstandigheden, maar naar dat stuk dat onder jouw invloed staat. Mijn collega kon niet zorgen voor plastic koppen, maar wel zorgen dat hij de stenen versies niet zo enorm gevaarlijk wegzette. De architect kon het gedrag van de catering, of mijn collega, niet veranderen, maar kon wel zorgen dat dit soort gevaarlijke situaties onwaarschijnlijk werden. Als iedereen nu vanuit zijn of haar cirkel van invloed het goede deed was de wereld een paradijs.

Of, nou ja, misschien ook niet. Het cirkel-van-invloed denken is een handig benadering en het zou waarschijnlijk wel werken als we allemaal dezelfde doelen nastreefden, maar dat is niet zo. Hierdoor maken we voortdurend de verkeerde inschattingen over de grootte van onze cirkel van invloed.

Het probleem is dat iedere beslissing een verandering teweeg kan brengen in meerdere cirkels-van-invloed tegelijk. Als de architect uit het soepkommenvoorbeeld rekening moet houden met elke oen die later in zijn gebouw gaat werken en elke gevaarlijke situatie wil voorkomen, dan neemt hij veiligheid heel serieus. Maar, je kunt op je vingers natellen dat er een draak van een gebouw uit komt. Hij tekent een grote ‘veiligheidscirkel-van-invloed’, maar dat gaat ten koste van zijn ‘leefbaarheidscrikel-van-invloed’ of zijn ‘kostencirkel-van-invloed’. Een duivels dilemma.

De andere kant van die medaille is dat als niemand buiten zijn cirkeltje durft te kijken, we de problemen met diepere oorzaken niet op kunnen lossen. We kunnen als consumenten duurzame boodschappen doen zoveel we willen, als we niet òòk zorgen dat het bedrijfsleven en de politiek hun verantwoordelijkheden nemen kunnen we de klimaatverandering niet oplossen. We moeten buiten onze normale cirkel van invloed opereren omdat andere partijen andere doelen nastreven dan wij. Lastig.

Gelukkig is er nog een derde strategie over. Je kunt ontrafelen. Heel zorgvuldig breng je het totale netwerk van oorzaken in kaart, van elke oorzaak stel je vast hoe direct, beïnvloedbaar en belangrijk die is en dan kun je een zorgvuldige afweging maken over welke combinatie van strategieën het makkelijkst kan voorkomen dat er een soepkom op het hoofd van een student valt.

Ik kom die strategie soms tegen bij historici, die allerlei omstandigheden aanwijzen die geleid hebben tot een bepaalde gebeurtenis in de geschiedenis of bij sociale wetenschappers die een heel netwerk van psychologische of sociale mechanismen proberen bloot te leggen en soms ook proberen door te meten. De gedachte is dat als je eerst een overzicht schetst van alle oorzaken en hun invloeden, dat je daarna kunt beslissen wat doorslaggevend is. Wacht! Dit teken ik ook even uit.

netwerk ontrafelt

Mooi hè? Als je dat je door dit plaatje ineens het licht ziet en roept: “oh zó zit het dus met die gevaarlijke soepkommen”, hoor je waarschijnlijk bij de uitzonderingen. Omdat de ontrafelstrategie alle verbanden ook nog eens van een gewicht voorziet maakt deze het vaak eerder ingewikkelder dan eenvoudiger. Je ziet eigenlijk door de rafels het netwerk niet meer.

Is er dan niets aan te doen? Nee, denk ik. Dat bijna elke gebeurtenis een gevolg is van een samenloop van omstandigheden, waar we ons hoofd nooit helemaal omheen krijgen, is iets waar we mee moeten leren leven. Als de wereld te ingewikkeld voor ons is, moeten we met een eenvoudige versie werken. Maar wat we wèl kunnen doen is onthouden dàt we het doen. Niemand heeft de keten van oorzaken op de juiste manier in kaart, ook de ontrafelaars niet en niemand kan een monopolie hebben op een oplossing. Dat is misschien een ontnuchterende gedachte, maar van een handjevol bescheidenheid is nog nooit iemand dood gegaan.

Oh…. en die soepkommen hebben we natuurlijk gewoon weer veilig weggezet.

Meer lezen?

In verkoudheid besprak ik al eens hoe discussies mis kunnen lopen als we  vergeten dat dingen een samenloop van omstandigheden kunnen zijn. In groepsidentificaties en eerlijk vergelijken bespreek ik andere dingen die mis kunnen gaan in het alledaagse redeneren.

Tijdmeters

Hoe wapenen wetenschappers zich tegen de tijd? In mijn vorige blogje betoogde ik dat wetenschappelijke kennis een halfwaardetijd heeft: hoe belangwekkend een vinding ook is, over tijd wordt de waarde ervan langzaam minder. Hierdoor zitten onderzoekers in een lastig spanningsveld.

Immers:

1 het kost (veel) tijd en moeite om aan nieuwe kennis te komen

2 die kennis gaat maar een beperkte tijd mee

Hoe gaan ze daar eigenlijk mee om? Hoe zorgen ze dat de kennis die ze opleveren de moeite waard is, ook als ze een houdbaarheidsdatum heeft?  Ik denk dat er een paar strategieën te bedenken zijn die onderzoekers tot hun beschikking staan. Je zou aan elke strategie een type onderzoeker kunnen toekennen en misschien ook van elke strategie kunnen zeggen in welke disciplines ze het meest gangbaar zijn, maar ik denk dat de meeste onderzoekers een combinatie van deze strategieën gebruiken.

1 De fundamentswerker: richt je op het ontwikkelen van fundamentele kennis

Zou het niet wat zijn om zoiets als de evolutietheorie of de wetten van de logica ontdekt te hebben? Het fijne van het ontwikkelen van dit soort fundamentele kennis is dat deze op allerlei problemen toepasselijk is en daardoor ook lang meegaat. Deze theorieën hebben een lange halfwaardetijd, waardoor het de moeite waard kan zijn om veel te investeren in het maken ervan.

Jammer genoeg komen deze fundamentswerkers, verschillende hindernissen tegen. Zo is het een strategie met een hoog risico. Ik zou helemaal niet durven beweren dat fundamentele kennis in het algemeen een langere halfwaardetijd heeft dan toegepaste kennis in het algemeen. Dan moet je ook alle fundamentele theorieën meetellen die ooit bedacht zijn, maar die al snel niet bleken te kloppen of die niemand ooit begrepen heeft waardoor toepassingen uitbleven. Het is dus een beetje alles of niets: als het lukt gaat je theorie een hele tijd mee, maar verreweg de meeste fundamentele theorieën die bedacht zijn, zijn nooit of amper gebruikt.

Een tweede nadeel van deze strategie is dat fundamentele kennis vaak abstract en algemeen is. Daardoor is ze niet direct toepasbaar en haar toepasbaarheid is moeilijk te voorspellen. Als je een onderzoeker op radio geprikkeld hoort reageren op de vraag naar (latere) toepassingen van een onderzoeksprogramma dan weet je bijna zeker dat je met een fundamentswerker te maken hebt. Voor dit soort onderzoekers leiden toepassingen immers alleen maar af van de kern van de zaak. Toch is de vraag naar mogelijke toepassingen een goede vraag die een doordacht en concreet antwoord verdiend. Fundamentele kennis ontleent zijn waarde namelijk aan toepassingen; een toepassing zonder fundament is een heel stuk waardevoller dan een fundament zonder toepassingen.

2 De tijdreiziger: richt je op toepassingen die ver in de toekomst liggen

Een alternatieve strategie, die door engineers veel wordt toegepast, is om je op een verre toekomst te richten. Voor dit soort onderzoekers tellen toepassingen wel degelijk, dus proberen ze op een andere manier tijd te winnen. Dit doen ze door alvast vooruit te werken; aan een toepassing die “ergens in de toekomst” mogelijk kan worden. Hoe verder dat punt in de toekomst ligt hoe meer tijd de onderzoekers kunnen steken in het ontwikkelen van de kennis die er voor nodig is.

Er zijn drie overduidelijke nadelen aan deze strategie die alledrie te maken hebben met het feit dat de toekomst nu eenmaal onvoorspelbaar is.

Het eerst nadeel dat deze tijdreizigers hebben is dus dat de toepassing waar je aan werkt er misschien wel nooit gaat komen. Veel onderzoekers brengen tegen dit bezwaar dat de kennis die voor de ene toepassing ontwikkeld wordt ook heel nuttig kan zijn bij het maken van andere toepassingen. Helaas kleven er aan dit tegenargument dezelfde bezwaren als aan fundamenteel onderzoek. Dat er wel eens nuttige kennis gekomen is uit het maken van nutteloze toepassingen betekent nog niet dat het in het algemeen een effectieve manier is om aan je kennis te komen. Daarvoor zijn er gewoon teveel mislukkingen.

Het tweede nadeel is dat de technologie die beschikbaar is op het moment dat de toepassing er komt niet de technologie is die je nu moet gebruiken om de toepassing te demonstreren. Het zou dus zomaar kunnen zijn dat de kennis die je nu ontwikkeld niet de kennis is waarmee de uiteindelijke toepassing mogelijk wordt.

Het derde nadeel is dat niet alleen de komst van je toepassing zelf en de technologie waarmee die gerealiseerd moet worden onzeker is, maar ook toepassingscontext waar je het ding voor maakt veranderd. Mensen krijgen andere behoeftes en er komen andere technische mogelijkheden waardoor je toepassing overbodig. .Je kunt aan een toepassing voor het jaar 2300 werken zoveel je wilt, maar of mensen in dat jaar echt zitten te wachten op hydrofibrilators is natuurlijk maar de vraag. We bedenken oplossingen voor de wereld van nu, maar in de toekomst zijn andere problemen waarschijnlijk belangrijker.

3 De ontdekkingsreiziger: zoek onbekend terrein op.

De eerste twee strategieën richtten zich er op om kennis op te leveren die lang mee kan, maar je kan ook proberen om sneller aan nieuwe kennis te komen.

Één manier om dat te doen is om volledig onbekend terrein op te zoeken. Als je aan een heel nieuw onderwerp werkt is elk nieuw inzicht een belangrijke ontdekking. Bovendien zullen anderen, zodra die zich op het door jou gevonden, gemaakte of verzonnen terrein begeven, jouw kennis als leidraad nemen. Wat volledig onbekend terrein is veranderd steeds. Vlak na de oorlog was werk aan computers helemaal nieuw, enkele jaren terug was neuropsychologie zo’n onontgonnen terrein.

Maar ook deze wetenschappelijke ontdekkingsrezigers staan bloot aan verschillende gevaren. Zo kan het zijn dat niemand ooit geïnteresseerd raakt in jouw stukje van de kenniswereld. Of, wat vaker voorkomt, dat een andere onderzoeker hetzelfde terrein verkend zonder te weten dat jij er al ooit geweest bent. Een beetje zoals captain Cook na Abel Tasman opnieuw Nieuw Zeeland ontdekte, maar, in tegenstelling tot Tasman, die gewoon weer weggevaren was, er wel een kolonie stichtte. Tot slot kan de toegankelijkheid van het nieuwe terrein natuurlijk tegenvallen. De subjectieve beleving van huisvliegen is een erg interessant nieuw studieterrein, waar elk inzicht belangwekkend is, maar het blijkt toch nog knap lastig die eerste stapjes te zetten.

4 De kennismakelaar: spreek nieuwe doelgroepen aan met bestaande kennis.

Een laatste strategie is om kennis op een slimme manier te hergebruiken. De wetenschap is een verkokerde wereld waar groepen wetenschappers onafhankelijk van elkaar aan gelijksoortige problemen werken, vaak zonder oog te hebben voor elkaars werk. Een strategie is dus om kennis uit een ander, vergelijkbaar, vakgebied toegankelijk te maken voor onderzoekers in je eigen vakgebied, door het op een slimme manier te herverpakken.

Ook deze kennismakelaars komen hobbels op de weg tegen. Zo kan het voorkomen dat de herverpakte kennis helemaal niet herkend wordt als de oplossing voor een probleem in het eigen vakgebied. Of dat erkenning voor het overbruggen van de twee vakgebieden uitblijft: de kennismakelaar zit immers ook tussen twee gemeenschappen in maakt van beide niet echt volwaardig deel uit. En dan is er nog het probleem dat als de brug naar een aanpalend vakgebied eenmaal geslagen is anderen ook gemakkelijker de weg zullen kunnen vinden. Waardoor die eerste brug ook weer snel achterhaald kan zijn.

Tot slot

Ik ben bij het schrijven van dit blogje steeds uitgegaan van wetenschappers, maar ik denk dat een veel bredere groep kenniswerkers dit spanningsveld zullen herkennen. Een compleet overzicht is dit dus zeker niet. Als je vanuit je eigen praktijk dingen toe te voegen hebt dat houd ik me erg aanbevolen!

Meer lezen?

Dit blogje is een vervolg op mijn blogje over halfwaardetijd. Ik schreef eerder impliciet over ontdekkingsreizigers en kennismakelaars in helpt specialiseren. De explosieve groei van wetenschap maakt de tijdsklem alleen maar nijpender. Iets wat ik in Big Science al besprak. In stokoude kennis ging ik in op de mythe dat kennis tijdloos is.

De titel van dit blogje is geleend van de gelijknamige roman van David Mitchell waarin twee rivaliserende groepen verschillende (magische) stratgieën toepassen om het eeuwige leven te hebben en zo aan de tand-des-tijds te ontsnappen. Het leek me niet zo passen om in dit blogje in te gaan op het boek zelf, maar het is zeker lezenswaardig. Het woord hidrofibrilator leende ik uit een liedje Waar blijft de tijd? van Kees Torn.

Halfwaardetijd

“Engineers zijn zich bijvoorbeeld veel bewuster van zoiets als de halfwaardetijd van kennis…”. Een professor uit mijn vakgroep wees me op een vrij onschuldige manier op het idee dat kennis, ook wetenschappelijke kennis, een houdbaarheidsdatum heeft.

Nu is dat misschien ook geen wereldschokkend idee. Iedereen die wel eens een dieet gevolgd heeft weet dat “nieuwe inzichten” elkaar snel kunnen opvolgen. Vijf jaar terug werd je nog vooral dik van vetten, tegenwoordig is het vooral suiker en snelle koolhydraten waar je voor op moet passen. Dieetkennis is in no-time achterhaald.

Toch was het voor mij destijds een eye-opener. Ik herkende wel dat wetenschap een race tegen de klok was, maar die race draaide er voor mij hooguit om om het eerst bij de nieuwe inzichten te zijn. Maar de eerste zijn is maar de één kant van de zaak. Je kunt ook het langst overblijven. Of als je het minder goed doet kun je als onderzoeker van achter ingehaald worden door nieuwe of betere inzichten. Wetenschappers hebben strategieën nodig om snel aan nieuwe inzichten te komen, maar ze moeten ook zorgen dat ze de vergetelheid te slim af zijn.

In mijn ervaring houden wetenschappers ook niet van het idee dat de kennis die zij ontwikkelen snel weer achterhaald kan zijn. Daarvoor kost het ontwikkelen van nieuwe inzichten te veel moeite. Alleen al het bouwen van de deeltjesversneller waarmee het Higgs Boson ontdekt is koste meer dan dertig jaar. Daarmee hadden ze het Higgs-deeltje, nog niet gemaakt en al helemaal niet gemeten dat het er echt was. Als je zoveel moeite steekt in het verkrijgen van kennis is het wel zo fijn als die ook een tijdje beklijft.

Nu zullen juist de ontdekkers van het Higgs Boson niet vaak stil staan bij de kans dat binnenkort niemand meer om het deeltje maalt. Het zijn immers wetenschappers. Ik weet niet hoe dieetgoeroes over de houdbaarheid van hun kennis nadenken, maar wetenschappers vormen een beroepsgroep die bij uitstek opgegroeid zijn met het idee dat kennis tijdloos is.

De wiskunde die ze gebruiken stamt immers van Euclides (300 voor Christus); het beeld van het heelal van Copernicus (1550) en Galileï (1600); veel van de Natuurkunde komt van Newton (1700) – en ga zo maar door. Bijna elke wetenschappelijke theorie bouwt voort op een lange traditie van denkers en ideeën. Als daar niet uit te lezen valt dat kennis tijdloos is, dan toch dat goede kennis tijdloos is. Ook veel van de begrippen die we voor wetenschappelijke kennis gebruiken zoals “ontdekking” of “natuurwet” hebben een air van tijdloosheid over zich. Het Higgs Boson kan toch maar één keer ontdekt worden? Hoezo dan halfwaardetijd?

Dat heeft dus met de vergetelheid te maken. Het begrip halfwaardetijd komt uit de natuurkunde en staat voor de tijd die een radioactief element nodig heeft om half zo actief te worden. Die tijd kan erg kort zijn: voor sommige elementen enkele milliseconden of erg lang: Uranium 385, het element dat in kerncentrales gebruikt wordt, heeft een halfwaardetijd van 700 miljoen jaar.

Dit idee van langzaam steeds minder actief worden kun je ook op kennis toepassen. De nieuwe kennis die wetenschappers ontsluiten verliest in de loop der tijd zijn waarde doordat ze steeds minder (her)gebruikt wordt. De halfwaardetijd van nieuwe kennis is dus de tijd voordat deze kennis nog maar half zo relevant is voor de wetenschappers van nu. Euclides wiskunde bleek een lange halfwaardetijd te hebben, terwijl veel van de natuurkunde die Aristoteles omwikkelde het minder lang heeft uitgehouden. Geen van deze theorieën komen in de buurt van de halfwaardetijd van Uranium.

Ik vond het idee van halfwaardetijd van kennis wat ongemakkelijk, maar ook inzichtelijk en nuttig. Het is vast zo dat het Higgs Boson maar één keer ontdekt wordt, maar de theorie waar het deel van uit maakt, nu zo’n 50 jaar oud, heeft misschien zijn langste tijd al gehad; ontdekking van het Boson of niet. Zo gaat het met de meeste kennis. Theorieën blijken bij nader inzien onhoudbaar, ze worden vervangen door andere theorieën, of de vraagstukken waar ze over gaan raken simpelweg uit de mode. Soms is dat, ironisch genoeg, juist omdat er weinig meer aan te ontdekken valt.

Voor wetenschappers, die zoveel moeite doen om aan ‘ware’ kennis te komen en die opgevoed zijn met zoveel helden uit een ver verleden, is het idee dat ware kennis niet hetzelfde is als eeuwige kennis een zure appel om te slikken. Voor de wetenschapper van nu is de kans om de nieuwe Euclides te worden kleiner dan de kans om de loterij te winnen. Maar ze hebben ook strategieën tot hun beschikking, waarmee ze de kans om ingehaald te worden een beetje kleiner maken. Daarover gaat mijn volgende blogje.

Meer lezen?

In een eerder blogje maakte ik al eens gehakt van de mythe van de stokoude kennis die veel wetenschappers aanhangen. In mijn volgende blogje, tijdmeters, bespreek, ik strategieën die onderzoekers van allerlei snit toepassen om met de beperkte houdbaarheid van nieuwe kennis om te gaan.

Deductie

Volgens mij moeten we het eens hebben over deductie. Deductie is een redeneerwijze die vaak tegenover inductie geplaatst wordt. Deductie heeft een goede naam, maar inductie niet. Dat zit zo: de beroemde filosoof David Hume leverde felle kritiek op inductie. Deductie zag hij als onproblematisch. Zoals ik in mijn vorige blogje al besprak hebben veel filosofen geprobeerd Humes kritiek op inductie te weerleggen. Maar, de vraag of Hume wel gelijk had ten aanzien van deductie wordt veel minder gesteld. Ik denk dat Hume deductie ten onrechte voortrok. Had Hume deze redeneerwijze blootgesteld aan dezelfde kritiek als hij op inductie had, was hij volgens mij tot de conclusie gekomen dat deductieve redeneringen ook niet geldig zijn.

Hoe zat het ook al weer? Deductie is het trekken van conclusies voor concrete gevallen uit algemeen geldende regels. Als ik 100% zeker weet dat alle roze olifantjes nodig moeten plassen en Dumbo is een roze olifantje dan weet ik 100% zeker dat Dumbo nodig moet plassen. Er lijkt geen vuiltje aan de lucht. Maar laten we eens naar de kritiek die Hume op inductie leverde kijken.

Bij inductie leidt je een algemene conclusie af uit specifieke gevallen. Ik zie bijvoorbeeld vier paarse krokodillen die van ijs houden en dan concludeer ik dat alle paarse krokodillen van ijs houden. Volgens Hume heb je om zo’n conclusie te kunnen trekken een algemeen principe nodig zoals: eigenschappen die je bij veel exemplaren van een soort ziet, gelden voor alle exemplaren van de soort. Dit noemen we een uniformiteitsprincipe, dat veronderstelt dat de natuur op de een of andere manier regelmatig of uniform is. Volgens Hume moeten we een dergelijk algemeen principe ook uit inductie verkrijgen en is het daarom verdacht: we kunnen het proces van inductie niet rechtvaardigen met een principe dat uit inductie verkregen moet worden. Veel filosofen hebben geprobeerd om inductie te “redden” van deze kritiek, die pogingen besprak ik eerder al vrij uitgebreid.

Interessant genoeg bleek geen van de stukken die ik er op nageslagen heb Hume’s kritiek ook op deductieve redeneringen toe te passen. Als er bij inductie een impliciete aanname nodig is, zoals het uniformiteitsprincipe, zouden zulke aannamen niet ook achter een deductieve redenering kunnen schuilen? Ik denk dat er twee van die aannamen zijn om een deductieve redenering (Dumbo moet nodig naar de WC omdat hij een roze olifantje is) op te kunnen zetten:

1 Logica is geschikt gereedschap om een redenering mee te rechtvaardigen.

2 Er zijn algemeen geldende uitspraken te vinden die de basis kunnen vormen voor een deductieve redenering.

Goed. Het eerste punt is misschien een beetje flauw. Logica is immers een essentiële bouwsteen van veel, nee heel veel, van onze kennis. Tegelijkertijd is het een menselijke uitvinding en is het dus onduidelijk waarom (deductieve) logica wel vanzelf gerechtvaardigd is terwijl het unformiteitsprincipe dat niet is. Het lijkt me dat dat beargumenteerd zou moeten worden.

Maar het tweede punt is wat mij betreft nog veel vuurgevaarlijker. Er zijn volgens mij twee manieren om aan algemeen geldende regels te komen: door inductie of door middel van fantasie. Stellingen die door inductie verkregen zijn, zijn wat dubieus – daar hoef ik nu niet meer op in te gaan. Maar dat stellingen die aan de fantasie ontspruiten wel te vertrouwen zijn lijkt me wel heel moeilijk hard te maken.

We noemen stellingen die door fantasie verkregen zelden verzinsels, maar we geven ze deftige namen zoals uitgangspunten, beginselen, definities of axioma’s. Een bekend voorbeeld zijn de stellingen van Euclides die de basis vormen voor de meetkunde. De kortste lijn tussen twee punten is een rechte lijn; twee evenwijdige lijnen snijden elkaar niet – dat werk. Toegegeven: er zijn criteria voor dit soort uitspraken zoals dat ze volstrekt duidelijk, intuïtief en onbetwijfelbaar moeten zijn. Jammer genoeg zijn dat zelf weer subjectieve begrippen en leiden ze de aandacht af van het feit dat deze eerste beginselen in eerste instantie volledig uit de lucht gegrepen zijn.

Je zou hier tegen in kunnen brengen dat de eerste beginselen van Euclides zich ruimschoots bewezen hebben en dat hebben ze ook. Maar, er zijn meetkundes opgesteld die van andere uitgangspunten uitgingen: de zogenoemde niet-euclidische meetkundes. Die meetkundes hebben zich vervolgens ook bewezen. De uitgangspunten van Euclides zijn dus zeker niet onfeilbaar te noemen. Bovendien, heeft het uniformiteitsprincipe waar Hume bij inductie over viel zich niet op een zelfde manier bewezen?

Veel filosofen zullen hier op antwoorden dat ik de discussie vertroebel door er dingen bij te halen die er niet toe doen. Mijn aanmerkingen gaan immers over de inhoud van de stellingen en niet over het proces. Iedereen erkent dat deductieve redeneringen alleen tot ware kennis kunnen leiden mits de algemene stellingen die de basis voor de redenering vormen correct zijn. Zo bezien is deductie een machine die waarheid kan ‘behouden’. Als je er ware kennis in stopt dan komt er ware kennis uit en als je er onzin instopt komt er onzin uit. Het is niet redelijk om te verwachten dat deductie ineens waarheid uit onzin fabriceert.

Maar ik denk dat dat tegenargument te gemakzuchtig is. Er is immers geen enkele reden om waarde toe te kennen aan deductieve redeneringen zolang er helemaal geen stellingen te vinden zijn die de basis kunnen vormen voor een deductieve redenering die tot gerechtvaardigde kennis leid. Feitelijk hebben we een perfecte machine die we nooit kunnen gebruiken omdat de ingrediënten waar de machine mee moet werken niet bestaan. Hoe veel plezier wetenschappers van allerlei snit ook beleven aan het doen van deductieve afleidingen, het mechanisme kan nooit gebruikt worden om de absolute waarheid te vinden, zolang algemene stellingen die er voor nodig zijn via inductie of fantasie verkregen moeten worden.  Daar zouden filosofen zich toch druk over moeten maken!

Meer lezen?

Dit blogje is een vervolg op Inductie, waarin ik verschillende filosofische antwoorden op de kritiek van Hume op inductie besprak. Ik schreef eerder een praktischer blogje over deductie en inductie: Waarheidsinjecties. In Kennisbronnen besprak ik alle fundamentele manieren waarop een mens aan kennis kan komen. Ook daar kwam ik al tot de conclusie dat filosofen soms aan de verkeerde dingen het meeste aandacht geven.

Ik besprak het ook werk van wetenschapsfilosoof Karl Popper al eens in De Drie Werelden van Popper en in Groeit Kennis? En van wetenschapssocioloog Bruno Latour in Lableven.