Complexiteit

Ik heb eens rondgevraagd, maar ik ken bijna niemand die het volgende zinnetje nog nooit gehoord heeft.

“De wereld wordt steeds complexer”

Het lijkt wel alsof het idee dat de wereld steeds complexer wordt nog meer aanhangers kent dan de ronde aarde en dat al die mensen óók in de veronderstelling zijn dat het feit nieuw en belangwekkend genoeg is om het elkaar nog eens onder de neus te wrijven. Volgers van deze blogjes kunnen al wel raden dat ik juist helemaal niet denk dat de wereld steeds complexer wordt. En dat klopt: ik ben een flat-earther als het op complexiteitsdenken aankomt.

Ik had de messen dus alweer geslepen. Ik vroeg mensen wat ze bedoelden met toenemende complexiteit en het bleek hem te zitten in het ontstaan van steeds meer nieuwe disciplines en ook in de groei van het aantal discipline-overstijgende uitdagingen. Ik zocht bewijs dat het aantal disciplines al stijgt sinds er disciplines zijn en hield mensen voor dat die toename van complexiteit al zo oud is als de oerknal. Ik riep ook dat een toename van het aantal disciplines logischerwijs zou leiden tot een toename van het aantal discipline-overstijgende uitdagingen, zonder dat die uitdagingen zelf per se ingewikkelder zijn. Ik maakte een vergelijking met potjes pindakaas en vroeg – retorisch – of het aantal verschillende merken pindakaas ons iets wezenlijk kon vertellen over de complexiteit van pindakaas en hoe een merkoverstijgende pindakaasuitdaging er precies uit zou zien.

Het hielp allemaal niets. Sommige mensen raakten geïrriteerd, anderen schudden hun hoofd of moesten smakelijk lachen om mijn redeneringen, maar serieuze discussie ontstond er nergens. Het was vechten tegen windmolens.

Blijkbaar stelde ik de verkeerde vragen. Ik wilde weten wat we precies bedoelen met de uitspraak dat de wereld steeds complexer wordt en of het wel waar is – objectief waar. Ik was op zoek naar de verborgen complexiteitsindex die de mensen  blijkbaar aan het volgen waren en die het gesprek van de dag was: “Heb je het gezien? Alweer gestegen! Poeh zeg.”

Maar het gaat de mensen die over de complexiteit van de wereld beginnen helemaal niet om de complexiteit van de wereld. Het is ons met dat zinnetje niet te doen om de waarheid achter de steeds grotere complexiteit van de wereld: het gaat om de waarheid van die complexiteit. Als je complexiteit gaat reduceren tot één toetsbare lezing van die complexiteit doe je geen recht aan de complexiteit ervan.

Ik had dat zinnetje al die jaren verkeerd ingeschat. De bedoeling was nooit om iets belangwekkends over de wereld te vertellen, iets dat iemand grondig had onderzocht. Ik hoefde het niet te snappen, ik moest er iets mee doen. De bedoeling was dat ik mijn eigen verhaal erbij verzon en daar flink mee aan de slag zou gaan. Ik kreeg geen speelkaart toegespeeld maar een joker. Het was een vorm van pre-symbolisch taalgebruik.

Het begrip pre-symbolisch taalgebruik is door Alain Hayakawa gepopulariseerd. In zijn boek “Language in Thought and Action” bespreekt hij hoe hij als Aziatische immigrant in Amerika vaak het ijs moest breken in gesprekken.

Veel Amerikanen wisten in zijn tijd blijkbaar minder goed of je met een Aziaat wel een leuk gesprekje kan voeren en zijn reactie was dan om een gesprek te voeren over de meest ongevaarlijke dingen die hij kon bedenken. “Lekker weertje vandaag hè?” Dat werk. En van daaruit verder.

Denken we, als we over het lekkere weer beginnen, zo vroeg Hayakawa zich af, werkelijk dat we onze gesprekspartners iets interessants en nieuwswaardigs vertellen? Is het onze veronderstelling dat het de ander niet is opgevallen dat het lekker weer is? Of voelen we bij 22 graden, half bewolkt, de behoefte om te na te gaan of de buurvrouw goede redenen heeft om dat rotweer te vinden?

Nee, natuurlijk. Het punt van gesprekjes over het weer is juist dat we al weten dat de ander er precies zo over denkt als wij. En we gaan graag om met mensen die dezelfde denkbeelden hebben als wij. Dat schept een band. We beginnen niet over het weer om anderen te informeren over de weersomstandigheden, we beginnen erover om ons groepslidmaatschap te bevestigen. Onder de oppervlakte zeggen we: “Wij zijn allebei mooiweerwaardeerders. Wij begrijpen elkaar. We vinden elkaar aardig. We zijn loyaal aan onze groep”.

Hayakawa liet zien hoe belangrijk dit soort gekeuvel kan zijn. Door met de mensen om hem heen moedwillig gesprekjes te voeren waarvan hij al precies kon voorspellen hoe het zou gaan, wist hij met wildvreemden een band te scheppen. Daarmee schiep hij ook een basis om het over dingen te hebben waarover ze misschien wel andere denkbeelden op nahielden. En hij slaagde erin om hiermee culturele grenzen te slechten.

En zo is het ook met de complexiteit van de wereld. Ik werk in het hoger onderwijs. In onze kringen, die van hoogopgeleide hoogopleiders, vinden we allemaal dat de wereld steeds complexer wordt. Daarom is het extra belangrijk dat we mensen hoog opleiden. Er zijn immers steeds meer disciplines en ook het aantal discipline-overstijgende opgaven stijgt in een rap tempo.

Dat vraagt om slimme professionals die over de grenzen van hun discipline heen kunnen kijken. Hoe we dat voor elkaar krijgen, daarover verschillen we misschien van inzicht, maar waar we het voor doen: studenten voorbereiden op de alsmaar complexere wereld. Daar zijn we het over eens. Dat is onze basis.

Soms is het nodig om bij die basis te beginnen. Om nog even naar te benoemen dat onze gemeenschappelijke uitdaging is om studenten voor te bereiden op de complexiteit van morgen. Als collega’s in mijn kringen beginnen over complexiteit is dat géén uitnodiging om kritische vragen over die complexiteit zelf te stellen. Het is een beetje dom om op zo’n moment over pindakaassoorten en pindakaassoort-overstijgende opgaven te beginnen. Het duurde even maar dat snap ik nu. De wereld wordt ook steeds complexer.

Meer lezen?

In verandersnelheid beschreef ik hoe de wereld niet steeds sneller veranderd. Ik schreef eerder over hoe onze sociale wereld onze taal beïnvloed – en andersom in betekenisdrift en in jargon. In plat nam ik het al eens op voor mensen die écht denken dat de aarde plat is.

Gedeeld begrip is een belangrijk aspect in taalgebruik. Ik ga daar op in de taalpragmatiek van Herbert Clark. In onuitdrukbaarheid spreek ik over kennis die niet in taal uit te drukken is.

Language in Thought and Action van Alan Hayakawa is een zeer lezenswaardig boek.

Onuitdrukbaarheid

“Er zijn geen woorden meer voor wat ik voel, ik heb geen woorden meer voor jou”. De Jazzpolitie zong het in de jaren tachtig en in de liefde gebeurt het ons allemaal: dat we gevoelens ervaren die we als diep, waar en uniek zien – en die we, ondanks een overvloed aan liefdesliedjes, onmogelijk in woorden weten te vangen.

Maar de verliefden van deze wereld zijn niet de enigen die zich op onuitdrukbaarheid beroepen. Neem intuïtie. Intuïtie is een soort kennis die je niet gemakkelijk met anderen deelt, die mensen eerder “voelen” dan “denken” en waar, naast veel vrouwen, ook wiskundigen en ondernemers zich op beroepen. En je hebt de mystici. Mensen die via spirituele wegen, vaak door uitgebreide rituelen of zelfs met behulp van hallucinogene middelen, tot inzichten over het leven proberen te komen waarvan ze vervolgens claimen dat ze diep, waar en -helaas voor ons- onuitdrukbaar zijn.

Slaan die claims ergens op? Moeten we die hartstochtigen, genieën en zieners serieus nemen? Hebben ze echt kennis die niet in woorden uit te drukken is, of moeten we ze gewoon vragen een beetje beter hun best te doen? Over die vraag gaat dit blogje.

Is het brein of de taal de beperking?

Er zijn twee redenen te bedenken waarom dingen onuitdrukbaar kunnen zijn. De eerste is dat het brein niet alles kan bevatten omdat het daarvoor te beperkt is. Dit noemen we ‘gebonden betekenisgeving’. De kennis is er dus wel, maar je hoofd kan er niet bij. De tweede reden is dat het brein juist meer dingen kan bevatten dan met taal uit te drukken is. We weten het wel, maar niet op een talige manier. Dit noemen we het ‘mystieke argument’. In het eerste geval is het brein te klein, in het tweede geval de taal.

Laten we met het brein beginnen. De gedachte van gebonden betekenisgeving is vrij eenvoudig. Stel dat we het brein opvatten als een begrijpmachine. Is het dan redelijk te verwachten dat het brein werkelijk alles wat begrepen zou kunnen worden begrijpt? Vermoedelijk niet. Het brein heeft door de evolutie een structuur die het geschikt maakt voor bepaalde typen inzichten. Het kan dingen begrijpen die gelinkt zijn aan onze zintuigen en taal. Er zullen dus inzichten mogelijk zijn waar ons brein ongeschikt voor is, maar die door dolfijnen gretig worden uitgewisseld.

Toch gelooft niet iedereen in gebonden betekenisgeving. Er zijn filosofen die beweren dat gedachten losstaan van de infrastructuur waar ze uit voortkomen: gedachten zijn immers immaterieel. We breiden onze zintuigen ook steeds uit door meetinstrumenten te bouwen die dingen kunnen waarnemen waar wij ongeschikt voor zijn. Ons brein is misschien niet gebouwd om de relativiteitstheorie of quantummechanica te bevatten, maar door wetenschap en taal komen we een heel eind. Het tegenargument tegen gebonden betekenisgeving is dus dat taal een soort universele begrijpstof is die alle ideeën kan bevatten. Ook ideeën die ondenkbaar zijn.

Als de taal niet deugt…

Maar die argumentatie zal slecht vallen bij de Jazzpolitie, bezitsters van vrouwelijke intuïtie of de mystici. Zij zeggen juist dat taal niet toereikend is hun ervaringen en de inzichten die daar in loskomen te verwoorden. Dit wordt het mystieke argument genoemd.

Mystici gaan vaak zelfs zo ver dat ze het als een certificaat van echtheid beschouwen als ze hun inzichten niet onder woorden kunnen brengen. Volgens Johannes de evangelist kun je een goddelijk inzicht herkennen aan het feit dat het geen empirische vorm heeft. Je kunt een goddelijk inzicht niet uit de werkelijkheid afleiden en dus kun je het ook niet in woorden uitdrukken.

Zelf denk ik dat het certificaat van echtheid, naast het ware geloof ook voor échte liefde geldt. Als je er woorden voor hebt lijkt het ineens minder echt. In de liefde zijn we allemaal mystici.

Bestaan de woorden niet of volstaan ze niet?

Hoe kan het dat we dingen kunnen weten die we niet in woorden kunnen vatten? Waarom hebben we de woorden niet? Er zijn opnieuw grofweg twee mogelijkheden. Het kan zijn dat de woorden niet bestaan of dat de woorden niet volstaan.

Als de woorden niet bestaan zeggen filosofen dat een inzicht niet representeerbaar is. Het is een andere manier om te zeggen dat er te weinig woorden zijn. De logica is haast onontkoombaar. Een gemiddelde taal heeft ongeveer 50.000 woorden. Er zijn oneindig veel dingen die je zou willen kunnen zeggen. Dus hebben we altijd te weinig woorden. Het probleem met deze redenering is natuurlijk dat talen niet àf zijn. Als de woorden er niet voor zijn kunnen we er woorden voor verzinnen. Ik denk dat er goede redenen zijn waarom mystici en verliefden dat niet doen, maar daar kom ik zo op.

Eerst het tweede probleem: als woorden niet volstaan. Dit wordt door filosofen het onuitvoerbaarheidsprobleem genoemd. De gedachte is dat er wel woorden zijn om de inzichten mee uit te drukken, maar dat er een of andere blokkade is om ze daadwerkelijk uit te spreken. Omdat het te omstreden is bijvoorbeeld, of te moeilijk, te beschamend of te triviaal. Je kunt het wel denken in woorden, maar je krijgt het niet over je lippen. Ik denk dat dit de kwaal is waar de mystici aan leiden.

Hoe we nieuwe woorden maken….

Want als talen niet af zijn, en er zijn ergens geen woorden voor, dan kunnen we toch gewoon nieuwe woorden maken? Het ontstaan van nieuwe woorden vindt plaats in een proces dat conversational  grounding heet. Er zijn twee dingen voor nodig waar het de mystici aan ontbreekt. Een gedeelde ervaring en de behoefte om samen te werken.

Fictief voorbeeld. Wij hebben thuis iets staan met een merkwaardige vorm dat àltijd in de weg staat. Mijn vrouw en ik proberen het huis een beetje opgeruimd te houden, dus we kunnen elkaar helpen door het ding uit de weg te halen. Daarom willen we de ander kunnen vragen dat te doen en hebben we het een naam gegeven: stoel.

Het voorbeeld is een beetje flauw, maar de twee ingrediënten zitten er in. Mijn vrouw en ik moeten de stoel allebei kunnen zien en overtuigd zijn dat de ander hem kan zien – anders werkt het niet. Dit is de gedeelde ervaring. En we moeten er ook allebei belang bij hebben om er een woord voor te hebben: de behoefte om samen te werken aan een opgeruimd huis. Uit die twee ingrediënten: gedeelde ervaring en samenwerking ontstaat het woord vanzelf.

De mystieke ervaring is individueel….

Hier zit de crux bij de mystici. Mystici die veel moeite doen om een lijntje met God te openen zijn er meestal van overtuigd dat zij de enigen zijn die dat lijntje hebben. Ze willen helemaal niet dat de ervaringen die ze hebben breed gedeeld zijn. Als mystici met elkaar zouden samenwerken om God eens goed de waarheid te vertellen, dan zouden ze zeker taal ontwikkelen om te checken of iedereen God hetzelfde begrepen heeft. Mystieke ervaringen zijn niet zozeer onuitdrukbaar, er is vooral geen behoefte om ze uit te drukken.

En hier zit ook de crux bij de verliefden. Ook zij beschouwen hun liefde als hoogst individueel. Iedereen vindt John een adonis, maar wat Marieke voor hem voelt is zo speciaal: daar zijn geen woorden voor. Op de werkvloer gaat het de hele dag over John, maar die woorden zijn voor wat we sámen voor John voelen en die vallen dus af om Marieke’s unieke band met hem te beschrijven.

De woorden zijn er dus wel!

Onuitdrukbaarheid is eigenlijk geen vaststelling, maar eerder een bezwering en een uitsluitingsmechanisme.

Het punt is niet zozeer dat mystieke gevoelens – over je relatie met God, je intuïtie voor een oplossing of je liefde voor de ander – niet in woorden uit te drukken zijn; het is meer dat we het niet willen. Zodra we woorden geven aan mystieke ervaringen verliezen ze hun unieke, individuele karakter. We willen niet dat er woorden voor zijn. Die woorden bestaan wel, maar ze volstaan niet omdat woorden gedeelde dingen zijn, precies het verkeerde gereedschap om iets unieks mee aan te pakken.

En dat is inderdaad de kern van “liefdesliedjes”. Volgens de Jazzpolitie zijn alle liefdesliedjes al geschreven, waardoor er geen woorden overblijven om hun unieke liefde voor jou uit te drukken.

Meer lezen?

Het idee van conversational grounding besprak ik uitgebreid in het blogje De taalpragmatiek van Herbert Clark. Het idee van gebonden betekenisgeving besprak ik eerder in kenvermogen. Ik schreef al over de relatie tussen taal en kennis in jargon en in betekenisdrift.

Voor dit blogje maakte ik gebruik van het boek Ineffability and Philosophy van André Kukla. Ik heb zijn analyse grofweg gevolgd, maar wel sterk vereenvoudigd. Hij maakt zelf overigens geen gebruik van het idee van conversational grounding als uitweg uit het probleem.

Media

Ze krijgen werkelijk overal de schuld van: de media. Dat is niet nieuw hoor. De Grieken dachten dat het schrift het einde van de samenleving zou inluiden; ik hoorde dat televisie door God verboden is; van internet word je dom en natuurlijk veroorzaken sociale media en algoritmes de huidige polarisatie in de samenleving. Goed: achteraf blijkt het altijd wel mee te vallen, maar daar gaat het me vandaag ook niet om. Wat mij bezighoudt is de vraag of er in de eerste plaats wel iets over te zeggen is.

Het probleem met de media is dat het woord meervoud is. We hebben het niet over één ding, maar over een heleboel tegelijk. Ze zijn echt overal, de media. We lezen, we kijken tv, we gaan naar theater, we gamen, we appen, we navigeren, we surfen online, we lopen op straat. Zowat iedereen lijkt zich ook met media bezig te houden: nieuwsmedia, entertainmentbedrijven, communicatieprofessionals, platformen, internetcowboys, docenten en kunstenaars.

Dat maakt media alomtegenwoordig. De denkende mens is meteen ook de communicerende mens. Onze breinen ademen communicatie. Geen wonder dat we zoveel technologieën en beroepen ontworpen hebben om dat beter, efficiënter, fijner, sneller of met meer beleving te doen. Die veelheid maakt het ook moeilijk er iets nuttigs over te zeggen. De media de schuld geven van polarisering is als de lucht de schuld geven van de griep. Ergens klopt het wel, maar er wringt ook iets.

Als je iets wil zeggen over het effect van de media op onze cultuur, dan zijn er eigenlijk twee strategieën denkbaar. Je kunt, (1) alle media over één kam scheren en er iets algemeens over proberen te zeggen of je kunt, (2) er een genre uitpakken zoals radio en televisie en proberen te zeggen hoe die specifieke media het spel veranderen.

Media-ecologie

De eerste strategie wordt gebezigd door media-ecologen. Een mooi woord is dat: media-ecologie. Net zoals je in de biologie kunt kijken naar de relatie van levende wezens met hun biologische omgeving, kun je als mediawetenschapper zoeken naar de relatie tussen de mens en de rijke omgeving van al die verschillende media. De meeste media-ecologen nemen daarbij als uitgangspunt hoe het gebruik van media het bewustzijn beïnvloedt.

De absolute grondlegger van dit vakgebied was de Canadese wetenschapper Marshall McLuhan. Hij stelde dat de media het best gezien konden worden als een extensie van onze zintuigen. En dat onze cultuur verandert bij de introductie van een nieuw medium, omdat onze media bepaalde zintuigen bevoordelen. Het schrift zou een transitie van een orale een naar visuele cultuur teweeggebracht hebben en daarmee rationaliteit ingebracht hebben. De introductie van radio en televisie zou die weer deels teniet gedaan hebben.

McLuhan vond dat in zijn tijd veel te veel aandacht was voor de boodschappen die via de media verspreid werden. Volgens hem was het niet de inhoud van de boodschappen die onze cultuur beïnvloedde maar de vorm ervan. Vandaar zijn beroemde uitspraak: the medium is the message.

De zintuigentheorie van McLuhan komt wat simplistisch over en ook modernere denkers die ik in deze lijn plaats grijpen naar zo’n eenvoudig verklaringsmechanisme. Thomas de Zengotita, mediatheoreticus, probeert het effect van media te verklaren vanuit de gedachte dat we overspoeld worden door representaties van de werkelijkheid. Susan Blackmore plaatst het idee van imitatie centraal in haar theorie over de relatie tussen het brein en de media.

Helemaal onverwacht is die vereenvoudiging niet. Als je iets wilt verklaren dat zo divers, veelomvattend en alomtegenwoordig is als de media dan moet je het wel in iets eenvoudigs proberen te vangen. Het heet niet voor niets verklaren. Het moet te begrijpen zijn. Je hebt een helder uitgangspunt nodig dat je als de kern van je verhaal kunt gebruiken.

Maar, daar zit dan ook meteen de angel. Zo’n vereenvoudiging kan nooit recht doen aan de ingewikkelde, meervoudige effecten die de media hebben. Natuurlijk veranderen de media hoe we met elkaar communiceren: daar zijn ze voor gemaakt, maar elk medium doet dat op zijn eigen manier en heeft zijn eigen reikwijdte. Als je die allemaal over één kam scheert doe je weinig recht aan die diversiteit en het subtiele samenspel van verschillende media.

Specifieke mediakritiek

De andere benadering is te kijken naar een specifiek medium en dan te onderzoeken hoe dat het grote intermenselijke communicatiespel veranderen. In de afgelopen jaren waren het internet, online gaming en sociale media natuurlijk onderwerp van dit soort analyses. Wat je hier vaak ziet is dat één opvallende ontwikkeling in de cultuur verklaard wordt vanuit een eigenschap van een nieuw en populair medium. En vooral de jongeren, vaak de eersten die nieuwe media gebruiken en nog erg beïnvloedbaar, moeten het daarbij ontgelden.

Het bekendste voorbeeld is misschien wel de ‘filter bubble’, een idee dat zo aantrekkelijk is dat het in ons dagelijkse taalgebruik is doorgedrongen. Bij de filter bubble zijn computeralgoritmen de boosdoener. De gedachte is dat we veel te weten komen via Google search en via de tijdlijn van sociale media. Die worden gefilterd om ons met zo relevant mogelijke informatie te voorzien. Wat ik zie bij een Google zoektocht is gebaseerd op mijn persoonlijke zoekhistorie en is dus anders dan wat jij ziet. Wat op mijn tijdlijn van Twitter en Facebook komt is gebaseerd op mijn klikgedrag en dus anders dan wat anderen zouden zien.

Door deze sturing vanuit de media raken we steeds meer in een isolement van ideeën. Als media persoonlijk worden in plaats van collectief komen we niet meer in aanraking met andersdenkenden of met ideeën die ons onwelgevallig zijn. We komen in een zeepbel van gelijkgestemden terecht. En de gedachte is als iedereen in zijn eigen ideeënzeepbel leeft, dat de samenleving als geheel dan polariseert.

Zou Eli Pariser, de bedenker van de filter bubble, stilgestaan hebben bij de gedachte dat mensen nog andere bronnen van informatie gebruiken dan Google en Facebook? Dat ze elkaar spreken, naar televisie kijken, naar theater gaan? Het woord media is meervoud, mensen gebruiken meerdere media naast elkaar. Stel je voor dat er op je Facebooktijdlijn alleen maar kattenfilmpjes voorkomen, zit ik dan meteen in een kattenzeepbel?

Voor Nederlanders met een flintertje historisch besef is die filter-bubble-gedachte ook wat potsierlijk. Waren de media hier niet gekoppeld aan ‘zuilen’? Katholieken woonden in dezelfde steden, gingen naar dezelfde kerken, keken dezelfde TV programma’s, hadden eigen sportverenigingen en blaadjes en stemden dezelfde politieke partijen. Dat was pas een zeepbel! Om in de moderne wereld een zeepbel te veroorzaken die aan een ‘zuil’ kan tippen zou je de vrijheid van mediagebruik behoorlijk moeten inperken en algoritmes nog heel veel meer macht moeten geven.

Als je inzoomt op een bepaald medium en vandaaruit iets over media en de samenleving in het algemeen probeert te zeggen heb je snel last van kokervisie. Om helderheid te krijgen over de effecten van een nieuw medium proberen we in kaart te brengen wat we zien gebeuren rondom een bepaald medium. Instagram voedt faalangst; Twitter hyperigheid; WhatsApp faciliteert rellen. Dat werk. Maar, we kijken dan door een vergrootglas. Het is maar de vraag of wat we daar zien er op de schaal van de samenleving nog toe doet. Als je zoontje een beetje opgefokt raakt van een oorlogsspel, is er nog geen agressieve generatie gekweekt. Heel veel foto’s op Instagram zijn te mooi om waar te zijn, maar daarmee is er nog geen collectieve faalangstcultuur ontstaan.

Door onze focus op één medium vergeten we even dat onze kinderen ook blootstaan aan andere invloeden. Dat ze andere media gebruiken, dat ze opgevoed worden, naar school gaan.

Als die effecten al zo groot zijn als ze door het vergrootglas lijken, dan nog heeft het opschalen ervan naar maatschappelijke proporties weinig zin. In de zee van invloeden waar we als mens aan blootstaan verdunnen de effecten van één medium razendsnel. Om de vergelijking met ecologie nog maar eens te maken: als er een nieuw plantje in het bos komt krijgen sommige planten minder ruimte en verandert het ecosysteem, maar de beestjes hebben daar doorgaans weinig last van: voor hen wordt het menu juist gevarieerder.

Focus in; focus uit

De alomtegenwoordigheid en veelvormigheid van de media zorgen dus voor een probleem met focus. Als we ze willen begrijpen door uit te zoomen scheren we ze over één kam – en doen we te weinig recht aan hun diversiteit; maar te veel inzoomen betekent weer kokervisie – en daarmee doen we ook geen recht aan hun diversiteit. Hoe we de lens ook afstellen, steeds ontglippen ons de belangrijkste aspecten.

Natuurlijk, de impuls is om te zeggen: je moet die twee ook combineren. Biologen doen dat ook: ze combineren de visie op het totale ecosysteem met aandacht voor specifieke plantjes daarin.

Ik zou het daarmee eens zijn, als die twee analyses elkaar inderdaad raken – bijvoorbeeld als een totaaltheorie over media aan het wankelen gebracht zou kunnen worden door een analyse van Twitter. Of als inzichten over Twitter opgetild konden worden tot een totaalvisie op de media zonder de botte generalisaties zoals ik die net besprak. Maar zo’n dialoog tussen het grote plaatje en gericht onderzoek kom ik eigenlijk niet vaak tegen.

En misschien is er nog iets mis. Namelijk de premisse dat de media – als in de karakteristieken van elk medium – er veel toe doen. Dat we veel in contact staan met verschillende media betekent niet dat het er enorm veel toe doet hoe die media informatie overbrengen of welk soort informatie er het makkelijkst door verspreid wordt. Als onze jeugd veel meer keuzestress ervaart dan vroeger, moeten we ons misschien afvragen of we ze zelf niet teveel keuzevrijheid geven in plaats van Facebook de schuld te geven. Als de samenleving polariseert, moeten we ons misschien afvragen wie het verdeel-en-heersspel speelt, en hun tactieken en retorieken in kaart proberen te brengen, in plaats van ons blind te staren op de algoritmen van Google.

We maken onze cultuur zelf, of tenminste samen. Misschien moeten we cultuurverandering in de eerste en belangrijkste plaats bij onszelf zoeken. Het zou kunnen dat we Marshal McLuhan’s The Medium Is the Message nog altijd veel te serieus nemen. In plaats van ons blind te staren op de verborgen effecten van verschillende soorten media, moeten we onze aandacht misschien richten op wat er in het volle zicht is. Wie die media gebruiken en wat ze ermee roepen. Voor de hoe de Grieken zich organiseerden was de overgang van een orale naar een schriftelijke communicatievorm misschien het meest wezenlijk, maar in deze tijd van mediaovervloed moeten we ons eerder weer op de inhoud richten. The message is the message.

Meer lezen?

Ik schreef elders eerder recensies van Marshal McLuhan’s “Understanding Media” en Tomas de Zengotita’s “mediated”. Hier besprak ik  Susan Blackmore’s “The Meme Machine” al eens.

De kenniskritiek in dit blogje kwam ook in Samenloop en Verkoudheid als eens naar voren. Ik schreef ook al eerder over de vermeende invloed van het internet op de jeugd en over de haken en ogen van het gebruik van algoritmen in Glazen Bol en A Priori.

Verandersnelheid

Hoe snel verandert de wereld eigenlijk? Ik stel de vraag eigenlijk niet omdat ik denk dat er een betekenisvol antwoord op te geven is, maar wel omdat ik in allerlei rapporten en visiedocumenten de opmerking tegenkom dat de wereld steeds sneller verandert. Tja. Dan komen er routinevragen bij me op, zoals: “is het wel waar?”, “wat bedoel je precies?”, “hoe meet je verandersnelheid eigenlijk?” en “waar komt dit idee vandaan?”. Veel te wetenschappelijk van me natuurlijk, maar, op het risico af de keizer zonder kleren te ontmaskeren, waag ik me er toch maar even aan.

In het boek De Duizelingwekkende Jaren bespreekt Philipp Blom de eerste vijftien jaar van de vorige eeuw: 1900-1915, de periode voor de Eerste Wereldoorlog. De schaduw die de twee wereldoorlogen over de twintigste eeuw zouden werpen, was nog niet in zicht. Het was een bloeiperiode voor het modernisme. De dynamo was het symbool voor oneindigheid, voor morele kracht. Ze draaide met duizelingwekkende snelheid rond. Snelheid was een thema. Fietsen zorgden voor een aanmerkelijk snellere verplaatsing van grote groepen mensen. Auto’s waren nog geen gemeengoed, maar autoraces kwamen al wel op. Maatschappelijke verhoudingen verschoven. De adel nam een steeds bescheidener rol in in de samenleving. Vrouwen eisten kiesrecht. Communicatietechnologie (telegraaf en telefoon) was in opkomst.

Weinig New Yorkers realiseren zich dat er door de drukte van de grote stad voortdurend berichten schieten van mensen die door enorme afstanden van elkaar zijn gescheiden. Boven de daken, dwars door de muren en in de lucht die we inademen, staan woorden geschreven in elektriciteit.’ – New York Times, 21 april 1912 -techgiganten

Poëtisch natuurlijk – en herkenbaar. Tegenwoordig zijn we er misschien iets minder lyrisch over, maar nog altijd geven technologische ontwikkelingen ons het gevoel ingehaald te worden door de tijd. De -alles gaat steeds sneller geest- waart evengoed door elke bladzijde van De Duizelingwekkende Jaren, als dat ze door onze moderne berichtgeving waart. De gedachte dat de wereld steeds sneller verandert is dus alvast van alle tijden – of tenminste van moderne tijden: minstens anderhalve eeuw oud. Dat is een lange tijd in een wereld die steeds sneller lijkt te gaan.

Is het dan reëel om te denken dat de wereld echt steeds sneller verandert – of is het eerder iets psychologisch? Elke verandering roept het gevoel op ingehaald te worden. Met objectieve verandersnelheid heeft dat mogelijk niets te maken. Misschien is het ook iets demografisch. Dat de oudere generatie altijd het gevoel heeft dat ze ingehaald wordt door de jeugd-  en daarom denkt dat de wereld steeds sneller gaat. Toen de ouderen nog jong waren werden ze immers nog niet ingehaald door de jeugd.

Er is eigenlijk maar één scenario denkbaar waarin de wereld van 1900 tot en met vandaag inderdaad steeds sneller veranderde: exponentiële groei. Groeit de wereld – of misschien technologie – exponentieel? Het is natuurlijk precies waar dit idee vandaan komt. Zoals ik al eerder schreef is exponentiële groei lang een goed model geweest voor de wetenschap. En ook voor rekenkracht van computers is dat een hele tijd opgegaan. Eén van de belangrijkste bronnen van de terugkerende gedachte dat de wereld steeds sneller verandert is dan ook de wet van Moore.

Gordon Moore, lang de directeur van Intel, voorspelde in 1965 dat de hoeveelheid rekenkracht in computers elke twee jaar zou verdubbelen. Hij voorspelde dat dit in ieder geval nog tot 1975 door zou gaan, maar daarin bleek hij te voorzichtig. Pas sinds 2015 waarschuwen Intel en anderen dat de groeisnelheid afneemt. Een tweejaarlijkse verdubbeling – dát is exponentiële groei. Voor computers geldt: van 1965 tot 2015 groeide de rekenkracht steeds sneller. Dat bood ruim baan voor alles en iedereen die in radicale verandering van de wereld geloofde.

Maar is het waar? Brengt de opkomst van rekenkracht snelle veranderingen met zich mee? Ik bedoel in de wereld? In de manier waarop wij met elkaar communiceren, voor elkaar zorgen, onderwijs inrichten, van a naar b reizen, de dingen die we belangrijk vinden en waar we over in gesprek gaan?

Het antwoord is natuurlijk ja én nee. Alle sectoren die hier genoemd worden, krijgen te maken met digitalisering en met nieuwe praktijken, maar die veranderen niet in het zelfde exponentiële tempo.

Een verdubbeling van rekenkracht ervaren we meestal als een net iets soepelere, rijkere versie van een softwareproduct dat we al jaren gebruiken. Microsoft Word uit 2019 kan heus meer dan de eerste versie van WordPerfect uit 1979, maar de essentie van het product is in die 40 jaar natuurlijk hetzelfde gebleven. De rekenkracht is explosief toegenomen, maar dat is aan de toepassing nauwelijks te zien. Preciezer: we hebben die vermiljoenvoudiging van rekenkracht in 40 jaar gebruikt om te zorgen dat we de opmaak meteen kunnen zien en onze spelling real-time kunnen laten controleren. Fijn natuurlijk, maar geen revolutie.

Doen we wezenlijk meer met onze smartphones dan we daarvoor op vaste computers deden? Eigenlijk niet: gamen, internet, e-mail – het is allemaal niet erg nieuw. Sociale media? Als je het mij vraagt, is dat een update van e-mail. De enige online diensten echt die minder dan 20 jaar oud zijn zijn locatiediensten en streaming (on demand) media, maar om nu te zeggen dat TomTom en Netflix de wereld fundamenteel veranderd hebben?

Hoe kan het dat computersnelheid exponentieel groeit, maar wat we ermee doen nauwelijks lijkt te veranderen? En hoe kan het dat we al die tijd dat we dezelfde dingen aan het doen zijn met nieuwe computers, toch het gevoel hebben dat de (computer)technologie ons aan het inhalen is?

Ik denk dat het antwoord op beide vragen hetzelfde is. Mensen veranderen (hun praktijken) vrij langzaam en de mens is de maat der dingen. Natuurlijk: er zijn dingen mogelijk met moderne computertechnologie die hele andere manieren van leven en samenleven mogelijk maken, maar we willen die dingen niet en beginnen er dus niet aan. Natuurlijk: technologie heeft de afgelopen jaren aanleiding gegeven voor allerlei veranderingen in onze manier van leven en samenleven. Die veranderingen gingen ongeveer even snel als we aankonden als mensen. Voor de meesten was dat duizelingwekkend snel.

Technologische ontwikkelingen mogen dan vrij snel gaan: volwassen applicaties – die inspelen op wat mensen op dit moment nodig hebben – moeten reken houden met wat mensen nu kunnen en willen accepteren. Volwassen technologie schrijdt dus veel langzamer voort dan mogelijk zou zijn op basis van de ontwikkelingen.

Uit die frictie tussen wat technologisch mogelijk is en de verandering die volwassen applicaties belichamen en de verandering die we als mensen willen omarmen, komt het versnellingsdenken voort. Je moet maar eens opletten: snelheidsprofeten beginnen bijna altijd over nieuwe technologische mogelijkheden en ontwikkelingen die nog lang niet klaar zijn voor de langzame mensenmarkt. Het gaat nooit over de revolutionaire manier waarop tekstverwerkers zich in de afgelopen 40 jaar ontwikkeld hebben; omdat die zich niet revolutionair ontwikkeld hebben. En die nieuwe technologie waar ze het wel over hebben? Die zal zich ook niet revolutionair ontwikkelen. Simpelweg omdat wij mensen daar nog niet aan toe zijn.

De ontluisterende bottom-line is dat we veranderen: zo snel als we kunnen. Dat geeft ons steeds het gevoel dat we de veranderingen maar nét kunnen bijhouden. Het zijn altijd duizelingwekkende jaren. De technologie heeft altijd de potentie om nog meer mogelijk te maken. De technologie zit ons altijd op de hielen.

Maar verandert de wereld steeds sneller? Nou nee. De toekomst raast helemaal niet op ons af. Mijn stelling is zelfs dat de wereld al jaren even snel verandert. Sneller dan ons lief is, misschien. Sneller dan we comfortabel kunnen bijhouden, wellicht. Maar niet met de snelheid van de technologie mee, maar met ónze snelheid – niet meer en niet minder.

Meer lezen? 
Ik sprak over de exponentiële groei van de wetenschap in Big Science (little science). Ik had het eerder het denken over verandering in in opdracht van de tijd, vooruitgang en halfwaardetijd.

Valorisatie

Nog zo’n begrip waar ik een dubbel gevoel bij heb: valorisatie. De vereniging van samenwerkende Nederlandse universiteiten (VSNU) beschrijft valorisatie als het ‘benutten van kennis’ door samen te werken met anderen, mensen iets te leren of – niet onbelangrijk -, door er geld mee te verdienen. Het kan immers zomaar zijn dat je als onderzoeker nieuwe technologie mogelijk maakt waar de BV Nederland wat aan heeft: CD’s, of oplaadbare batterijen ofzo. En dan zou het mooi zijn als je daarmee de economie ook een steuntje in de rug wil geven.

Je merkt het al. Ik loop niet zo warm voor dat economische argument. Als toepassingsgerichte onderzoeker vind ik het belangrijk dat mensen iets kunnen met de uitkomsten van mijn onderzoek, maar of dat nou per se ook geld moet opleveren?

Veel wetenschappers delen dit sentiment. Daarom is er ook veel kritiek op ons valorisatiebeleid. De focus op toepassing van kennis zou goede kennisontwikkeling in de weg staan en daardoor op de langere termijn nadelig uitpakken. De focus op de economie zou de onafhankelijkheid van het onderzoek in gevaar brengen. En de rol van de onderzoeker zou helemaal niet moeten zijn om geld te helpen verdienen, daar is het bedrijfsleven immers veel beter in.

Erg sterk vind ik die argumenten niet. Mijn bezwaar is dat ze niet gebaseerd zijn op een doordacht model van hoe innovatie in zijn werk gaat en hoe beleid daaraan bij kan dragen. Het grootste probleem is dat deze argumenten uitgaan van een strikte scheiding tussen kennisontwikkeling en gebruik. Of tenminste van de wenselijkheid daarvan. Kennisontwikkeling is het domein van universiteiten en het gebruik van kennis vindt plaats in de samenleving.

Zo’n ‘scheiding der machten’ lijkt mooi, maar er is wel wat tegen in te brengen. Het is een beetje alsof een autofabrikant zijn auto’s niet aan de slechte wegen in sommige landen wil aanpassen, omdat overheden nu eenmaal de wegen bouwen en autofabrikanten daar niets mee te maken hebben. Natuurlijk kan je je strikt aan de spreekwoordelijke schoenmakersleest houden, maar of het echt voor iedereen het beste is?

Dus, hoe dan wel? Laten we ons eens proberen te verplaatsen in de overheid. Als je als overheid wilt dat kennis (goed) gebruikt wordt, hoe stimuleer je dat dan?

Één vraag die je dan moet beantwoorden is hoe fundamentele inzichten zich vertalen in praktische toepassingen. Dat is geen gemakkelijke vraag. De onderstaande illustratie van ‘de reis van de kennis’ vind ik in dit opzicht verhelderend. Het laat voor één toepassing zien wie er allemaal nieuwe dingen mest leren voor dat ze breed toepasbaar was: de grafische gebruikersinterface. Reis van de kennisVoor wie de geschiedenis niet kent: vroeger bedienden we computers door commando’s in te typen. Op een dag werd de grafische gebruikersinterface ontwikkeld, waardoor we de computer met een aanwijsapparaat, iconen en menu’s konden gaan bedienen. Dit gebeurde bij Xerox, een bedrijf dat handelde in kopieermachines. Het werd populair gemaakt door Apple en Microsoft zorgde ervoor dat het wereldwijd de standaard werd.

In het diagram staat uiteengezet wie er wat voor soort dingen moest leren voordat de grafische gebruikersinterface een wereldstandaard werd. Het begint met het ontwikkelen van de fundamentele ideeën hebben geleid tot de ontwikkeling van grafische gebruikersinterface en het eindigt met professionals die deze nieuwe ontwerp principes voor het eerst in hun eigen praktijk gingen toepassen.

Een super simplistisch diagram. Het suggereert éénrichtingsverkeer: van fundamenteel naar toegepast, terwijl toepassingen ook vaak tot meer fundamentele vragen leiden. Het laat ook alle ontwikkelingen die er niet toe deden én alle kennis die onderweg geleend werd van andere praktijken of wetenschap buiten beschouwing. Tot slot gaat het plaatje over een aantal inzichten die altijd al met het oog op toepassingen ontwikkeld is en dus niet over ‘echt’ fundamenteel onderzoek.

Tegelijkertijd is het veel genuanceerder dan de vaak gebruikte tweedeling tussen kennisontwikkeling en -toepassing. Het plaatje geeft ook een mooi overzicht dat je kan helpen om uit te denken waar je als overheid je geld zou willen investeren.

Zou je al je geld zetten op de eerste kolom en alleen fundamenteel onderzoek stimuleren of zou je ook verderop in de pijplijn ondersteuning willen geven? Zou je een voorkeur hebben voor wetenschappers die aantoonbaar zicht hebben op wat er later met hun werk kan en moet gebeuren, zodat er iets helemaal rechts in het diagram terecht kan komen? Of behandel je de stappen in dit diagram liever als silo’s die zich niets van elkaar aan moeten trekken? Welke kolommen laat je aan de markt en welke kolommen krijgen subsidie – en hoeveel dan?

De Nederlandse overheid kiest ervoor het meeste publieke geld te investeren in de meest linkse stap: ontwikkelen van nieuwe kennis. Dit doen ze via de financiering van universitair onderzoek. Een klein deel gaat ook in de tweede stap: het ontwikkelen van nieuwe toepassingen. Dit gaat via de financiering van onderzoek in het HBO. De derde en vierde kolom worden voornamelijk aan het bedrijfsleven overgelaten.

Steeds wil de overheid dat onderzoekers laten zien dat ze zicht hebben op de rest van de keten. Van universitaire onderzoekers wordt gevraagd om inzichtelijk te maken wat in de tweede kolom mogelijk zou zijn, van onderzoekers in het HBO wordt gevraagd bedrijven uit de derde kolom te betrekken. Zodat de ‘doorstroming’ langs de verschillende stappen zo soepel mogelijk verloopt.

Of dit het best denkbare beleid is, weet ik niet, maar als je het mij vraagt zit er een logica achter. De vraag is misschien eerder waarom de middelen niet gelijkelijk verdeeld worden over àlle stappen en samenwerking tussen alle stappen wordt geëist, dan andersom.

  • Natuurlijk: fundamenteler onderzoek (naar nieuwe kennis) zou ook onafhankelijker moeten zijn, dan onderzoek naar nieuwe toepassingen, maar een harde scheiding tussen kolom 1 en 2 lijkt mij niet erg productief.
  • Natuurlijk: nieuwe kennis heeft een langere levensduur dan nieuwe toepassingen, maar dat maakt investeren in toepassingen nog geen slechte strategie.
  • Natuurlijk: voor alle deze stappen kan je je afvragen hoeveel de overheid en hoeveel het bedrijfsleven zou moeten investeren, maar het voorbeeld van Xerox laat meteen zien dat bedrijven in alle kolommen een rol kunnen spelen. Waarom de overheid dan niet?

Ik heb de indruk dat veel kritiek op ‘het valorisatiebeleid’ eerder ingegeven is door persoonlijke frustraties van wetenschappers dan door een doorwrochte wetenschappelijke analyse van effectief valorisatiebeleid. Dat is begrijpelijk: het denken start vaak in de eigen ervaring, maar wetenschappers laten zichzelf dan wel kennen. Zouden wetenschappers niet juist bij uitstek de beroepsgroep moeten zijn die vanuit de beste kennis in plaats van hun eigen ervaring en belang redeneren? Zouden wetenschappers niet de eersten moeten zijn die erkennen dat ze niet overal verstand van hebben en dus niet kunnen oordelen over dingen die buiten hun vakgebied liggen? Als het om wetenschapsbeleid gaat, zie ik daar weinig van terug.

Het is goed samen na te denken óf valorisatie belangrijk is, óf innovaties en geld verdienen doelen moeten zijn van de wetenschap en hóe dit het beste te stimuleren is, maar laten we dat doen aan de hand van de best beschikbare wetenschappelijke kennis over dit onderwerp. Laten we er niet van uitgaan dat we valorisatie-expert zijn, alleen maar omdat we al wetenschapper zijn.

Meer lezen?

Dit blogje is een vervolg op mijn blogje over de Nobelprijs, waar de relatie tussen fundamenteel onderzoek en bruikbare toepassingen, zoals die in die prijs voorgespiegeld worden bekritiseerde. De -breed gedragen- misverstanden over die relatie stelde ik eerder al eens aan de kaak in mijn blogje stokoude kennis. Het idee dat sommige kennis duurzamer is dan andere besprak ik al in halfwaardetijd en strategieën van wetenschappers om daar mee om te gaan in tijdmeters.

Voor de hier gebruikte definitie van valorisatie raadpleegde ik het VSNU rapport over dit onderwerp.

Nobel

De week waarin de Nobelprijzen worden uitgereikt vind ik altijd spannend. Zelf ben ik natuurlijk geen kanshebber en vaak ken ik de prijswinnaars ook helemaal niet. Maar de Nobelprijs is een bijzondere prijs. Zeker de prijzen voor natuur- en scheikunde – en vaak ook die voor economie –  zetten onderzoek in het zonnetje dat, toen het werd uitgevoerd, heel fundamenteel en soms onzinnig leek, maar waarvan door de jaren heen gebleken is dat er veel nuttige toepassingen uit zijn voortgevloeid. Dat is vrij uitzonderlijk: veel fundamenteel onderzoek is helemaal niet zo direct tot toepassingen te herleiden; en het levert altijd een mooi verhaal op: hoe een of andere bizarre zoektocht van een of andere wetenschapper ons uiteindelijk allemaal raakt.

Dit jaar ging de Nobelprijs voor de chemie bijvoorbeeld naar John Goodenough, Stanley Whittingham en Akira Yoshino voor fundamenteel onderzoek dat de basis legde voor de oplaadbare batterijen in onze telefoons en andere draagbare apparaten – en natuurlijk elektrische auto’s. Dit werk stamt uit de jaren 70 van de vorige eeuw. Geen van deze moderne toepassingen was in die tijd in beeld. Het was toen al prachtig werk, en het bleek een noodzakelijke schakel in latere technische ontwikkelingen die het gezicht van de huidige tijd bepalen.

Of niet? Hoewel veel mensen de Nobelprijs op deze manier aangrijpen om nog eens te onderstrepen hoe groot het belang van fundamenteel onderzoek voor de maatschappij is, denk ik dat ze het Nobel-verhaaltje te serieus nemen. Natuurlijk ben ik een voorstander om stevig te investeren in fundamenteel onderzoek, maar dat er soms jaren later nuttige toepassingen uit voortvloeien vind ik een slecht, onwetenschappelijk, argument voor dat type onderzoek.

De drogredenering die onder de letterlijke interpretatie van het Nobelprijsverhaaltje zit doe ik uit de doeken in mijn blogje stokoude kennis. Zoals ik daar al stel: je kunt voor elke bestaande toepassing wel fundamentele kennis aanwijzen die eraan ten grondslag ligt, maar dat zegt niet zoveel. In verreweg de meeste gevallen was die toepassing er ook wel gekomen zonder dat specifieke stukje onderzoek. Soms omdat de toepassing de kennis al vooruit is gesneld. De ontwikkeling van de thermodynamica is een gevolg van de ontwikkeling van de stoommachine en niet andersom. Maar meestal omdat die kennis anders gewoon iets later door andere wetenschappers ontwikkeld zou zijn. Niemand is onmisbaar voor de wetenschap. De tand des tijds kan echt wel wachten op de tweede of derde uitvinder.

Je kunt dus wel fundamentele kennis aanwijzen die bij een bepaalde toepassing hoort, maar dat is geen bewijs dat dat specifieke onderzoek een noodzakelijke – of zelfs maar een belangrijke schakel – was in de ontwikkeling van die toepassing. Het beste wat je achteraf kunt zeggen is dat het best van pas kwam. Het belang van fundamenteel onderzoek in het algemeen kun je er al helemaal niet uit afleiden, want dan moet je ook al dat fundamentele onderzoek meerekenen waar nooit iets buikbaars uitgekomen is.

Daar komt nog bij dat de Nobelprijs met zevenmijlslaarzen door de geschiedenis raast. Het is niet het oorspronkelijke, nogal explosieve, batterijtje van Wittingham dat in onze telefoons zit. Voordat die gemaakt kon worden waren nog honderden of misschien wel duizenden nieuwe ontdekkingen en ontwikkelingen nodig. Er ging niet voor niets vijftig jaar overheen. Hoe verhoudt de mankracht achter het fundamentele onderzoek zit zich eigenlijk tot de mankracht die nodig was om die batterijen echt werkend te krijgen?

Je kunt allerlei redenen hebben om fundamenteel onderzoek in het zonnetje te zetten. Dat er soms mooie toepassingen uit voortkomen spreekt tot de verbeelding, maar het is misleidend. De rol die het betreffende onderzoek écht heeft gespeeld voor die toepassingen is niet precies te achterhalen en vermoedelijk relatief klein.

Natuurlijk kunnen toepassingen en fundamentele kennis elkaar beïnvloeden en het is een Nobel-feestje waard om die bevruchting te vieren, maar dat feestje deugt op haar beurt niet als rechtvaardiging voor het bestaan van fundamenteel onderzoek. Daarom denk ik dat het contraproductief is om (oud) fundamenteel onderzoek te rechtvaardigen door te wijzen op moderne toepassingen. Als het argument niet klopt prikt iemand erop een dag doorheen.

Ik denk dat het beter is om het nut van fundamenteel onderzoek te verdedigen aan de hand van de waarde die het hier en nu voor ons heeft. Er zijn verschillende manieren waarop je dit kunt doen, maar ik zie het nut van fundamenteel onderzoek vooral vanuit zijn invloed op ander onderzoek. In fundamenteel onderzoek verkennen we wegen die we niet zouden verkennen als we ons druk maakten over toepassingen. Fundamenteel onderzoek vergroot zo onze horizon; het maakt ons slimmer. Als fundamenteel onderzoek andere wetenschappers, fundamenteel, of toegepast op een nieuwe manier aan het denken zet, is het goed onderzoek.

En of het ooit de lange weg naar een praktische toepassing vind? Ach.

Meer lezen?
In stokoude kennis bespreek ik uitgebreider waarom de toepassingen van nu niet herleidbaar zijn tot de oude kennis van toen. Ik ben van plan een blogje te schrijven over valorisatie waar ik nog eens in ga op kennis die wel tot toepassingen moet leiden.

Voor de informatie over de Nobelprijzen van dit jaar heb ik vooral gebruik gemaakt van het artikel daarover in het NRC, ik kende het onderzoek zelf niet voor de prijs uitgereikt werd. Ik heb me in deze post geconcentreerd op de verbinding die in de Nobelprijzen wordt gelegd tussen onderzoek en toepassing, maar ook andere aspecten van de Nobelprijs, zoals de focus op een individueel genie zijn kritiek waar. In Chemistry World verscheen daarover dit artikel.

Evidence-based Practice

Zou het niet mooi zijn als professionals hun handelen wat meer zouden baseren op wetenschappelijk bewijs? Zodat leerlingen onderwijs krijgen waarvan we weten dat het werkt; zorgverleners die dingen doen die objectief het beste zijn voor hun patiënten; en zodat – waarom ook niet? – accountants de boeken op de best denkbare manier controleren? Het is eigenlijk moeilijk om daar tegen te zijn, toch? Nou ja, je raadt het al… Ik vind op zijn minst dat een paar kanttekeningen op hun plaats zijn.

Een van de lastige dingen van het bespreken van evidence based practice – het gebruiken van wetenschappelijk bewijs in de praktijk dus – is dat er verschillende varianten van het idee bestaan. De strikte variant legt de nadruk op de wetenschappelijkheid van het bewijs dat gebruikt wordt. De zachte variant legt vooral de nadruk op het gebruik van bewijs in de praktijk.

In de strikte variant moeten professionals dus op de hoogte zijn van de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek en hun praktijken daarop baseren. De strikte variant stelt eigenlijk dat het enige bewijs dat professionals mogen gebruiken, wetenschappelijk van aard zou moeten zijn. In de zachte variant moet een professional óók zoveel mogelijk bewijs gebruiken, maar dat hoeft niet per se wetenschappelijk te zijn. Een professional mag in de zachte variant ook zelf bewijs verzamelen door collega’s of haar doelgroep te ondervragen of door dingen aan hen voor te leggen. Met die zachte variant is ook van alles mis, maar dat bespreek ik later nog eens. In dit blogje wil ik vooral de strikte variant eens onder de loep nemen.

Laat me duidelijk zijn: ik ben een voorstander van evidence based medicine. Ik vind het belangrijk dat medische behandelingen die ik onderga, eerst wetenschappelijk bewezen zijn. Behandelingen die de toets der kritiek niet kunnen doorstaan, zoals gebedsgenezing, acupunctuur en homeopathie, kunnen bij mij rekenen op veel scepsis. Maar de vraag is volgens mij of dit idee van evidence based medicine te vertalen is naar onderwijs, (zachte) zorg en accounting; of dat die vakgebieden juist om een wezenlijk andere benadering vragen.

Mijn antwoord laat zich raden. Ik denk dat zorg, onderwijs en accounting anders zijn. In mijn ogen is evidence-based-practice namelijk gebaseerd op een one-size-fits-all gedachte terwijl deze vakgebieden -goede accountancy misschien uitgezonderd – eerder vragen om professioneel maatwerk. Maatwerk is nooit gebaseerd op één enkele bron van bewijs. Maatwerk stelt de situatie of de omgeving centraal waarin bepaalde ingrepen effectief kunnen zijn; terwijl veel wetenschappelijk werk die afhankelijkheid van context juist buiten beschouwing laat.

Dat zit hem in wat telt als wetenschappelijk bewijs. De heilige graal van aanhangers van evidence based practice is vaak de randomised controlled trial (RCT). Het idee van een RCT is dat we onderzoeken of een benadering werkt ongeacht wie het ondergaat of wie het uitvoert. Één groep patiënten krijgt een medicijn, een andere groep krijgt een nepmedicijn. Niemand weet wie in welke groep zit, de patiënten niet, de dokters niet, de onderzoekers niet. Daardoor kunnen we vaststellen of een medicijn werkzaam is los van de context: wie de patiënt is, wie de behandelaar is, hoe het contact tussen die twee verloopt. De bedoeling is immers om de effectiviteit van een bepaalde benadering te bewijzen voor elke context. Dus zonder rekening te houden met kundigheid van de dokters, of de specifieke wensen van patiënten of gebruikers. En dat is meteen de grote zwakte van de RCT.

Zeker: als een medicijn door een RCT komt, weten we zeker dat het werkt voor de meeste behandelaars en de meeste patiënten. Dat is waardevolle kennis voor zorgverleners. En ik zou zeker niet willen dat ze iets voorschrijven waarvan de werkzaamheid niet is aangetoond.

Maar, nu die leraar. Die bijvoorbeeld rare grappen maakt om de aandacht vast te houden. Mag hij dit wel doen als niet wetenschappelijk is aangetoond dat het werkt?

We willen zeker graag dat een docent methoden gebruikt waarvan hij weet dat ze werken. Het is fijn als hij passende werkvormen gebruikt, bijvoorbeeld. Daar heeft hij een opleiding voor genoten. Maar de grappen die hij maakt, horen daar niet bij. Het interesseert ons niet of die voor alle docenten en alle leerlingen werken.

Sterker nog: dat soort generalisaties zit misschien alleen maar in de weg. De details van zijn werk: hoe hij een relatie opbouwt, hoe hij verschillende leerlingen verschillend aanpakt, de duizenden andere beslissingen die een docent elke dag weer neemt? Die zijn aan het professionele oordeel van de docent. Dat finetunen moet hij zelf doen, dat vraagt om fingerspitzengefühl. Je wil dat zijn aandacht in de klas is bij hoe zijn leerlingen reageren, niet bij wat de wetenschap ervan zal vinden. Dit zijn contextspecifieke beslissingen, daarover kunnen RCT’s geen uitspraken doen.

Wat we van een docent willen, is dat hij goed waarneemt, ervaringskennis gebruikt, fouten maakt en daarvan leert binnen een grofmazig wetenschappelijk kader. Nu is dat in de geneeskunde niet anders. Artsen, zeker huisartsen, voegen dat stukje professionaliteit aan de wetenschap toe. Dit maakt het mogelijk maakt om mensen goede zorg te leveren, zonder ze te reduceren tot een statistiek. De evidence-based-practice discussie is dus, zoals zo vaak, geen zwart-witdiscussie. Het is vooral een gevecht om ruimte. Hoe strak moeten de wetenschappelijke kaders zijn – en met hoeveel autonomie gedijen professionals?

Interessant genoeg wordt deze discussie dan weer weinig op basis van wetenschappelijk bewijs gevoerd. De wetenschappers trekken vaak aan de evidence-based kant en onderbouwen hun standpunten ironisch genoeg met anekdotes over professionals die helemaal niet blijken te handelen naar hun mooie wetenschappelijke inzichten. De professionals trekken aan de autonomie-kant en komen met allerlei uitzonderingen waar de wetenschap niets over te zeggen heeft. Volgens mij komen we zo – al touwtrekkend – niet verder.

Je zou een meta-studie willen doen, waarin afhankelijk van het vakgebied vergeleken wordt of het vergroten of juist verkleinen van de professionele ruimte beter werkt. Dan kunnen we het debat op een wetenschappelijke in plaats van een anekdotische manier beslechten. Mits we het eerst wel eens eens kunnen worden over de miljoen dollar-vraag: wat bedoelen we eigenlijk met “beter”?

Meer lezen?

Ik schreef al eens een kritisch stuk over de praktijk van evidence-based-medicine getiteld ongezond. Die misstanden doen natuurlijk niets af aan de principes. In verkoudheid bespreek ik dat er verschillende soorten bewijs en manieren om die te wegen zijn. In A Priori ga ik in op situaties waar je juist liever niet het beste bewijs inzet.

Significantie

Ik zou er een serie van kunnen maken. Het plot gaat ongeveer zo. Onderzoeker (m/v) wil grip krijgen op een probleem. De onderzoeker ontwikkelt een meetinstrument. Met succes: de ontwikkelde maat blijkt een prima middel om een beetje meer grip te krijgen op het probleem.

Maar dan gaat het mis omdat het te goed gaat. Veel andere onderzoekers willen ook graag meer grip krijgen op het probleem. Iedereen slaat aan het meten. Het instrument en de nieuwe maat worden populair en krijgen veel status. Sluipenderwijs verandert het instrument van gedaante. Ooit was het maar een middel, maar nu wordt het een doel op zich – nee het doel.

Het is een verhaal over hoogmoed en val. Of eigenlijk het verhaal van doctor Frankenstein: die macht over leven en dood wilde – en zodoende iets schiep dat hij niet meer in de hand had. Want een meetinstrument dat een doel op zich is geworden doet gewoonlijk meer kwaad dan goed. Als een uitkomst van een meetinstrument een doel wordt, gaan we de boel zo inrichten dat we hoog scoren op die uitkomst; vaak ten koste van dingen die eigenlijk gewoon belangrijker zijn. We bedenken een lat om de wereld de maat te nemen maar de lat neemt ons de maat.

Eerder schreef ik zo’n verhaal over IQ, maar vandaag is er aanleiding om statistische significantie: ofwel de p-waarde onder de loep te nemen. Die p-waarde wordt veel gebruikt, zo veel dat zo’n 800 wetenschappers een opiniestuk in het wetenschappelijke tijdschrift Nature ondertekenden dat argumenten gaf voor het afschaffen ervan – of tenminste pleitten deze wetenschappers voor een andere omgang met de p-waarde.

Wat gaat hier mis? Die p-waarde is echt heel erg belangrijk. Het gaat feitelijk om een groep wetenschappers die vinden dat het gebruikte wetenschappelijke gereedschap verboden moet worden. Je kan ook lezen: “tuindersvereniging protesteert tegen het gebruik van heggenscharen” of “ANWB pleit voor het afschaffen van wielen”. Niet echt het nieuws dat je verwacht.

Het zit zo. De p-waarde meet de kans dat een wetenschappelijke bevinding toeval kan zijn. Dus de kans dat je per ongeluk bewijs hebt gevonden voor een stelling. Als je de lengte van de jongens en meisjes in de klas meet en je vindt dat de jongens gemiddeld 1,3 cm langer zijn, dan wil je vaak ook weten of dit in alle klassen zo is óf alleen in jouw klas. Er is best een kans dat er in jouw klas toevallig een paar extra lange jongens zaten terwijl dat in andere klassen helemaal niet zo is en jongens dus ook niet gemiddeld langer zijn. Als je die mogelijkheid niet kan uitsluiten, ga je als wetenschapper niet zomaar roepen dat jongens gemiddeld langer zijn dan meisjes.

Daarvoor is dus statistiek uitgevonden. Of een uitkomst van een experiment toeval is, weet je natuurlijk nooit helemaal zeker. Wat je kunt doen, is op basis van het soort meting, het aantal metingen en de spreiding een schatting maken van hoe groot de kans is dat je elders hetzelfde zult vinden: de p-waarde.

Die p-waarde is populair. Of eigenlijk: zij is zò populair dat ze een norm is geworden. Het is knap lastig om nog resultaten te publiceren als de kans dat het toeval is wat je gevonden hebt niet kleiner is dan 5%, of liever nog 1%. Dit geldt zeker in de sociale wetenschappen?

Is dat slecht? Nou ja, misschien. Het bespaart ons zeker een hoop onzinbevindingen die zonder de p-waarde misschien enorm serieus genomen zouden worden.

Maar de ellende met de p-waarde als norm is natuurlijk dat wetenschappers – mensen – proberen die waarde op te krikken. Ze nemen bijvoorbeeld meer proefpersonen, of ze sluiten erg afwijkende proefpersonen uit of een enkeling verzint misschien wat data. Ik zou hier een hele lijst misstanden kunnen noemen, maar het punt is steeds: de p-waarde is het doel geworden in plaats van de waarheidsvinding. Einde wetenschap.

En dat is wat die onderzoekers van dat manifest dwars zit. Het gaat ze om misbruik, verkeerd gebruik en onbegrip; waardoor waardevolle bevindingen verloren gaan en waardeloze bevindingen enorm belangrijk gevonden worden. Daarom stellen ze voor om de p-waarde-norm los te laten en de p-waarde weer een bescheidener plek te geven naast datgene waar het écht om draait: het effect en de grootte daarvan.

Mijn steun hebben ze: dat moge duidelijk zijn, maar of het kansrijk is durf ik te betwijfelen. Ik begin te ontdekken dat normen makkelijker ontstaan dan verdwijnen. Natuurlijk is de eerste stap om je ertegen uit te spreken. Maar dan begint de lange, lange weg om de praktijk te veranderen. Of deze wetenschappers daar zo goed in zijn als in zich uitspreken? We gaan het zien.

Meer lezen?

Ik schreef al eens hoe enorm overschat de IQ test is en wat daar de gevolgen van zijn. Meer in het algemeen stelde ik vragen bij een doorgedreven vorm van empirisme in waarheidsinjecties. Het vergelijken van groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld) stelde ik aan de kaak in groepsidentificaties en in eerlijk vergelijken.

Sanne Blauw besprak op de Correspondent op heldere manier wat de p-waarde is en waarom wetenschappers hem willen afschaffen. Het oorspronkelijke Nature artikel vind je hier.

Ziekte

Er ging een relletje over. Een of andere feministe – ik weet haar naam niet meer – wilde niet spreken in een debatcentrum omdat daar eerder een rechtse professor – ik zal hem ook naamloos laten – had opgetreden. Inderdaad: alsof zijn verwerpelijke gedachten daar nog rond zouden zweven en haar gezonde geest mogelijk kon besmetten. Kennis als een ziekte. Het debatcentrum had nagelaten om de ruimte op een juiste manier te ontsmetten.

Ach, zo zal ze vast niet écht geredeneerd hebben, maar de gedachte dat ideeën gevaarlijk kunnen zijn; onze weerloze breinen onherstelbaar kunnen beschadigen; en dat mensen of instituten die zich met de verkeerde ideeën inlaten ‘gezuiverd’ moeten worden, doet wel weer opgang.

Misschien komt het door de opkomst van ‘alternatief rechts’: dat zichzelf op vrijheid van meningsuiting beroept en anderen juist de mond probeert te snoeren door nota bene de ‘vrijdenkers’ – zoals wetenschappers en kunstenaars – verdacht te maken. Knuffelwoord: indoctrinatie. Misschien denken we in het moderne leven al zo vaak over gezondheid, virussen, bacteriën, besmetting, hygiëne en medicatie, dat we er vanzelf ook aan denken als het over kennis gaat.

Wat moeten we met het idee van kennis als ziekte?

Een vreemd idee is het niet. Eigenlijk bieden mijn blogjes over mementheorie al een aardig inkijkje in dit denken: veel van de eigenschappen van ziektes zijn ook toepasbaar op kennis. Ideeën kunnen besmettelijk zijn, zich verspreiden, kunnen andere ideeën onder druk zetten. Het opdoen van nieuwe ideeën is niet altijd positief: mensen worden soms besmet met een gedachtengoed waar ze – ik roep maar wat- aanslagen van gaan plegen.

Maar in twee opzichten denk ik toch dat mensen die kennis als een ziekte zien, of het zo althans behandelen, ernaast zitten.

Ten eerste: breinen zijn niet bepaald weerloos. We staan voortdurend bloot aan nieuwe gedachten en ideeën. Maar vijandige ideeën worden door het brein toch echt geweerd. Als een idee niet in overeenstemming is met bestaande ideeën en onze achtergrondkennis, dan heeft het – zo laat veel sociaalpsychologisch onderzoek zien – weinig vat op ons. Zien we ideeën als ziektekiemen, dan is onze basiskennis ons afweersysteem.

Ten tweede: het helpt niet om je af te schermen voor slechte ideeën van anderen. Intellectueel zuivere mensen hebben eerder een slechtere dan een betere afweer. De metafoor doet hier prima zijn werk. Als we niet regelmatig bloot staan aan ziektekiemen, dan wordt onze afweer slechter. Dat geldt, denk ik, ook voor ideebesmetting. Mensen die intellectueel zuiver proberen te blijven, zouden wel eens makkelijker met een nieuw gedachtegoed ‘geïnfecteerd’ kunnen worden dan mensen die gewend zijn om alle meningen tot zich te nemen en te wegen. Zulke intellectuele sponzen hebben de tegenargumenten waarmee door andermans drogredenen geprikt kan worden al paraat.

Je kan kennis best zien als een ziekte en epidemiologisch naar het publieke debat kijken. Maar pas op voor types, van welke politieke kleur dan ook, die willen ‘zuiveren’. Ze hebben het niet begrepen. In de meeste gevallen is het niet de blootstelling aan het virus dat ons ziek maakt, maar eerder een gebrek aan weerstand.

Meer lezen?

Ik schreef over mementheorie in memen en cultuurdragers. In betekenisdrift leg ik uit waarom taal een minder krachtige veranderaar is van het denken dan je zou denken.

Ik besprak al een hele reeks andere metaforen zoals kennis als moeras, kennis als boom, en kennis als container.

Rorschach

Er zijn vast maar weinig lezers die bij de titel van dit blogje aan een plaatsje aan de Bodensee denken. Bijna iedereen denkt meteen aan vlekken. Sterker nog, ik denk dat een behoorlijk percentage Nederlanders een echte Rorschachvlek van een neppe kan onderscheiden. Zo beroemd is die man.

Wacht ik laat er even een zien…

download

Rorschachvlekken stonden voor mij altijd symbool voor de vaagheid van de psychiatrie. Zeg maar de psychiater als charlatan die je vraagt om vrij te associëren bij een totaal onduidelijk plaatje, en die daar dan het zijne van vindt – vast iets met onderdrukte seksuele impulsen. Misschien komt het door de film: daar is het zonder uitzondering een of andere pseudoloog die met die vlekken aan de slag gaat. Ik had er dus ook nooit zoveel mee. Totdat…

Nou ja. Mijn fascinatie voor Rorschachs vlekken begon pas toen ik leerde dat die vlekken onderdeel uitmaken van een gestandaardiseerde test. Dat hàd me moeten opvallen – net als jullie herkende ik Rorschach vlekken uit duizenden, maar het signaal dat dat door standaardisatie zou kunnen komen pikte ik gewoonweg niet op. Ik vond het ook een raar gegeven: een gestandaardiseerde vlekkentest; gewoon omdat het niet in het plaatje paste.

Maar het bleek te kloppen. Wat Hermann Rorschach onderscheidde van zijn tijdgenoten was juist dat hij zijn diagnoses heel wetenschappelijk wilde maken, veel wetenschappelijker dan in het begin van de 20e eeuw gebruikelijk was. Hij tekende ruim 100 inktvlekken en testte die op zo’n 400 proefpersonen, waarvan 300 patiënten. De 10 vlekken die het beste werkten voor een diagnose koos hij uit. Daar schreef hij een uitgebreide handleiding bij over hoe de antwoorden van patiënten geïnterpreteerd moesten worden. Met onderdrukte seksuele fantasie had het allemaal niets van doen.

Omdat de Rorschachtest een gestandaardiseerde test is, kan bovendien de collectieve ervaring van alle therapeuten die met de test werken, gebruikt worden om de interpretatie beter te maken. In de jaren zestig gebeurde dit ook en kwam er een nieuw, betrouwbaarder scoresysteem. De vlekken zelf veranderden niet.

Hoe komt het dan toch dat Rorschach zo’n slecht imago heeft? Vermoedelijk komt dat door het soort test: het is een projectietest. Je wordt gevraagd jouw ideeën op de plaatjes te projecteren, in de hoop dat dat iets zegt over je persoonlijkheid. Je bent -zeg maar – wat je in de plaatjes ziet. Maar om dat te kunnen doen moet je je beroepen op je fantasie. En fantasieën zijn vrij intiem. De meeste mensen delen hun fantasieën niet met iedereen – en al helemaal niet in een situatie waar ze beoordeeld worden op hun geestelijke gezondheid; nog zoiets intiems. Het is dus een test waarbij de patiënt in een kwetsbare positie wordt gedwongen. Als toeschouwers voelen we in deze situatie meer mee met de arme patiënt dan met de dokter en zijn, zogenaamd, betrouwbare scoresysteem.

Er zijn ook goede redenen om te denken dat een dergelijke test niet kàn werken. Je verwacht dat mensen heel verschillende dingen roepen als ze gevraagd worden wat ze in die vlekken zien. Die diversiteit geeft ruis: als mensen heel verschillende antwoorden geven op dezelfde vraag, is het lastig om vast te stellen hoe je zo’n antwoord moet interpreteren. De antwoorden worden zelf weer een soort Rorschach-vlek. Het is maar wat je erin ziet. Over het algemeen geld dat je met gerichte vragen een betere betrouwbaarheid kan halen dan met een vrije-associatie test.

Ondanks zijn wetenschappelijke doel en zijn update in de jaren 60 staat de Rorschachtest dus nog altijd onder vuur staan. Er zijn onderzoeken die zeggen dat de test het niet beter doet dan een diagnose zonder test; dat de test verkeerde diagnoses stelt; en dat hij voor te weinig verschillende ziektes gebruikt kan worden. Een interessante kritiek is ook dat de test tegenwoordig niet meer zou werken omdat iedereen die plaatjes nu al kent en dus niet meer onbevangen de test in kan gaan. Heb je de diagnose eindelijk gestandaardiseerd…

Hoewel wetenschappelijke studies naar het gebruik van de test niet eenduidig zijn en de test niet heel sterk uit de bus komt, laten ze wel degelijk een positief effect zien. Het lijkt er op dat een diagnose met Rorschachtest beter werkt dan een diagnose zonder hulpmiddel. Rorschach heeft, zij het heel voorzichtig, de wetenschap aan zijn kant.

Mijn inschatting is dat het te weinig is. Er zijn -of komen- betere testen, waarbij patiënten niet hun fantasieën bloot hoeven te geven. Dan verdwijnt Rorschach van het toneel en blijft alleen het charlatanimago uit de film over. Dat vind ik fijn voor de patiënten, maar jammer voor ons als maatschappij. Ik denk ook dat die test niet kan werken, maar dat is wel een vooroordeel. Juist omdat de test zo’n rare mix vormt van mystieke en wetenschappelijke ideeën, herinnert zij ons eraan dat we dat soort vooroordelen moeten toetsen – en dat we uiteindelijk de wetenschap moeten laten spreken.

Het verketteren van de Rorschachtest, voordat het finale oordeel van de wetenschap geveld is, hoort nu eenmaal niet bij de wetenschappelijke houding die Rorschach zelf voor stond. Laten we de man eren, als was het alleen omdat hij het icoon voor twijfels aan de wetenschappelijkheid van de psychiatrie ontwierp.

Meer lezen?

Ik besprak eerder de IQ test, die er ook al niet goed af kwam. Het soort trials dat heeft aangetoond dat de Rorschach test werkt zijn niet bepaald waterdicht, zoals ik in ongezond aan de orde stelde. Dat je je ideeën moet testen en waarom bespreek ik in Eksters.