Complexiteit

Ik heb eens rondgevraagd, maar ik ken bijna niemand die het volgende zinnetje nog nooit gehoord heeft.

“De wereld wordt steeds complexer”

Het lijkt wel alsof het idee dat de wereld steeds complexer wordt nog meer aanhangers kent dan de ronde aarde en dat al die mensen óók in de veronderstelling zijn dat het feit nieuw en belangwekkend genoeg is om het elkaar nog eens onder de neus te wrijven. Volgers van deze blogjes kunnen al wel raden dat ik niet denk dat de wereld steeds complexer wordt. En dat klopt: ik ben een flat-earther als het op complexiteitsdenken aankomt.

Ik had de messen dus alweer geslepen. Ik vroeg mensen wat ze bedoelden met toenemende complexiteit en het bleek hem te zitten in het ontstaan van steeds meer nieuwe disciplines en ook in de groei van het aantal discipline-overstijgende uitdagingen. Ik zocht bewijs dat het aantal disciplines al stijgt sinds er disciplines zijn en hield mensen voor dat die toename van complexiteit al zo oud is als de oerknal. Ik riep ook dat een toename van het aantal disciplines logischerwijs zou leiden tot een toename van het aantal discipline-overstijgende uitdagingen, zonder dat die uitdagingen zelf persé ingewikkelder zijn. Ik maakte een vergelijking met potjes pindakaas en vroeg – retorisch – of het aantal verschillende merken pindakaas ons iets wezenlijk kon vertellen over de complexiteit van pindakaas en hoe een merkoverstijgende pindakaasuitdaging er precies uit zou zien.

Het hielp allemaal niets. Sommige mensen raakten geïrriteerd, anderen schudden hun hoofd of moesten smakelijk lachen om mijn redeneringen, maar serieuze discussie ontstond er nergens. Het was vechten tegen windmolens.

Bijkbaar stelde ik de verkeerde vragen. Ik wilde weten wat we precies bedoelen met de uitspraak dat de wereld steeds complexer wordt en of het wel waar is – objectief waar. Maar het is helemaal niet de bedoeling dat we die vraag stellen. Het is ons met dat zinnetje niet te doen om de waarheid achter de steeds grotere complexiteit van de wereld: het gaat om de waarheid van die complexiteit. Als je complexiteit gaat reduceren tot één, toetsbare, lezing van de complexiteit doe je geen recht aan de complexiteit ervan.

En toen viel het kwartje. Ik had dat zinnetje al die jaren verkeerd ingeschat. De bedoeling van het zinnetje was helemaal niet om iets belangwekkends over de wereld te vertellen dat iemand grondig had onderzocht. De bedoeling was dat ik mijn eigen verhaal erbij verzon en daar flink mee aan de slag zou gaan. Ik kreeg geen speelkaart toegespeeld maar een joker. Het was een vorm van pre-symbolisch taalgebruik.

Het begrip pre-symbolisch taalgebruik is door Alain Hayakawa gepopulariseerd. In zijn boek “Language in Thought and Action” bespreekt hij, hoe hij als Aziatische immigrant in Amerika, vaak het ijs moest breken in gesprekken.

Veel Amerikanen wisten in zijn tijd blijkbaar minder goed of je met een Aziaat wel een leuk gesprekje kan voeren en zijn reactie was dan om een gesprek te voeren over de meest ongevaarlijke dingen die hij kon bedenken. “Lekker weertje vandaag hè?” Dat werk. En van daaruit verder.

Denken we, als we over het lekkere weer beginnen, zo vroeg Hayakawa zich af, werkelijk dat we onze gesprekspartners iets interessants en nieuwswaardigs vertellen? Is het onze veronderstelling dat het de ander niet is opgevallen dat het lekker weer is? Of voelen we bij 22 graden, half bewolkt, de behoefte om te checken of de buurvrouw goede redenen heeft om dat rotweer te vinden?

Nee natuurlijk. Het punt van over het weer beginnen is juist dat we al weten dat de ander er precies zo over denkt als wij. We gaan graag om met mensen die dezelfde denkbeelden hebben als wij. Dat schept een band. We beginnen niet over het weer om anderen te informeren over de weersomstandigheden, we beginnen er over om ons groepslidmaatschap te bevestigen. Onder de oppervlakte zeggen we “wij zijn allebei mooiweerwaardeerders, we begrijpen elkaar, we vinden elkaar aardig, we zijn loyaal aan onze groep”.

Hayakawa liet zien hoe belangrijk dit soort gekeuvel kan zijn. Door met de mensen om hem heen moedwillig gesprekjes te voeren waarvan hij al precies kon voorspellen hoe het zou gaan, wist hij met wildvreemden een band te scheppen en daarmee ook een basis te scheppen om het over dingen te hebben waarover ze misschien wel andere denkbeelden op nahielden. En hij slaagde erin om hiermee culturele grenzen te slechten.

En zo is het ook met de complexiteit van de wereld. Ik werk in het hoger onderwijs. In onze kringen, hoogopgeleide hoogopleiders, vinden we allemaal dat de wereld steeds complexer wordt. Daarom is het extra belangrijk dat we mensen hoog opleiden. Er zijn immers steeds meer disciplines en ook het aantal discipline-overstijgende opgaven stijgt in een rap tempo.

Dat vraagt om slimme professionals die over de grenzen van hun discipline heen kunnen kijken. Hoe we dat voor elkaar krijgen, daarover verschillen we misschien van inzicht, maar waar we het voor doen: studenten voorbereiden op de als maar complexere wereld. Daar zijn we het over eens. Dat is onze basis.

Soms is het nodig om bij die basis te beginnen. Om nog even naar te benoemen dat onze gemeenschappelijke uitdaging is om studenten voor te bereiden op de complexiteit van morgen. Het is een beetje dom om op zo’n moment over pindakaassoorten te beginnen. Dat snap ik nu. De wereld wordt steeds complexer.

Meer lezen?

In verandersnelheid beschreef ik hoe de wereld niet steeds sneller veranderd. Ik schreef eerder over hoe onze sociale wereld onze taal beïnvloed – en andersom in betekenisdrift en in jargon. In plat nam ik het al eens op voor mensen die écht denken dat de aarde plat is.

Gedeeld begrip is een belangrijk aspect in taalgebruik. Ik ga daar op in de taalpragmatiek van Herbert Clark. In onuitdrukbaarheid spreek ik over kennis die niet in taal uit te drukken is.

 

Language in Thought and Action van Alan Hayakawa is een zeer lezenswaardig boek.