Zouden wijnkenners geen brood zien in een serie workshops over vinologiedenken? Dat bepaalde denkwijzen die in de bestudering van wijn van enorm belang zijn, ook waardevol zijn voor allerlei andere vakgebieden zoals beleid maken of bankieren?
Vast wel. Iedereen die een specialistische opleiding heeft gedaan, heeft daar een nieuwe manier van kijken en redeneren geleerd. En iedereen kent de ervaring dat die kijk- en denkwijze ineens toepasbaar bleek op andere problemen buiten het eigen vakgebied – vaak met verrassende resultaten.
Soms leidt dat tot een ware emancipatiebeweging. Ontwerpers zijn hun vak gaan verkopen aan andere disciplines onder de noemer ‘Design Thinking’; wiskundigen en informatici onder de noemer ‘Computational Thinking’; een bont gezelschap van disciplines hangt ‘Systems Thinking’ aan. Dit zijn op dit moment de grote drie, maar er zijn ook anderen: Entrepreneurial Thinking, Historical Thinking, Anthropological Thinking, Evolutionary Thinking, of zelfs Policy Thinking.
Ik kan er grappen over maken, zoals met de vinologen of met politieagenten – die zijn immers experts in wetshandhavingsdenken -, maar misschien is dat niet zo aardig. Misschien zit er genoeg in dit, ja sorry, ‘ambassadeursdenken’, om het eens serieus te bekijken. Dat is precies wat Nathan Crilly dus doet in zijn boekje Design Thinking & Other Approaches.
Ik vond het boekje een verademing, want mensen uit de Design Thinking hoek, zijn altijd bezig hun benadering te verkopen als enorm uniek en belangrijk voor iedereen. Dat is precies wat Computational Thinkers doen. En… Nou ja. Het zijn allemaal ambassadeurs voor de waarde van hun vak in andere disciplines, maar ze houden zich weinig bezig met wat ambassadeurs van andere disciplines te zeggen hebben.
Heel weinig. In één procent van de Computational Thinking papers beginnen auteurs ook over Design Thinking. En zo voor elke combinatie van denksoorten waar veel over geschreven wordt. 1%.
Daardoor is het moeilijk te vergelijken: is Design Thinking wezenlijk anders dan Systems Thinking of Computational Thinking? Ze verwijzen niet naar elkaar of naar een gedeelde taxonomie van denksoorten. Dus wat moeten we dan denken over een claim als ‘ontwerpers hebben een hele unieke manier van denken waar ze problemen mee oplossen’? Als je Design Thinking niet tenminste vergelijkt met andere denkwijzen, hoe kun je dan zeggen dat het uniek en belangrijk is?
En dan zijn er nog twee andere problemen, die beide samenhangen met het ambassadeurschap. Een eerste vraag is of die manier van denken echt uniek is voor een discipline. Denken ontwerpers echt anders dan ondernemers? En zijn de verschillen tussen disciplines dan groter dan de verschillen tussen professionals binnen een discipline?
Misschien zul je zoiets antwoorden als: ja luister, mijn broer is psycholoog en die denkt echt anders dan ik. Maar om te bewijzen dat psychologiedenken een aparte denksoort is, moeten we laten zien dat die denksoort ook bruikbaar is als het niet over gedrag of hersenen gaat. Dus los van het onderwerp.
Misschien denken psychologen over diepere oorzaken na van complex gedrag, maar dat doen sociologen, biologen, en natuurkundigen ook. Zijn dat allemaal psychologiedenkers? Ontwerpers lossen problemen op, net als ingenieurs, natuurkundigen, ondernemers en, wie weet, vinologen. Er blijkt eigenlijk nergens een denkelement te zijn dat echt uniek is voor een specifieke denksoort.
Dat wil niet zeggen dat er geen verschillen tussen disciplines zijn, maar het maakt de bewering dat de manier van denken van een discipline nuttig kan zijn in een andere discipline wel ingewikkelder. Wat ons bij het tweede probleem brengt: namelijk de gedachte dat mensen uit een andere discipline die denkwijze kunnen aanleren zonder ook de inhoud van de discipline mee te nemen. Kortweg: helpt een cursus Design Thinking om een ontwerpende wetshandhaver te worden?
Crilly’s antwoord hierop is vergelijkbaar met wat ik eerder schreef over 21st century skills. Volgens Crilly zijn de elementen die geclaimd worden voor een bepaalde denksoort meestal ‘hogere denkvaardigheden’ zoals kritisch denken, oorzakelijk denken of creativiteit. Voor die vaardigheden is overtuigend bewijs dat ze niet los van vakinhoud aangeleerd en uitgeoefend kunnen worden. Mensen kunnen kritisch denken in het vak waar ze in opgeleid zijn, maar er blijft heel weinig van over in andere vakgebieden.
Crilly zegt dat het voor disciplinedenksoorten zoals Design Thinking ook zo werkt. Industrieel ontwerpers kunnen prima inventieve oplossingen voor producten bedenken, maar slechts matig voor wetswijzigingen. Als dat zo is, is er ook weinig hoop voor de wetshandhaver met interesse in ontwerp: hij zal een uitgebreide opleiding moeten doen met kennis en opdrachten over wetshandavingsontwerp. Als ik wil leren schrijven als een vinoloog, zal ik moeten leren hoe wijn werkt.
Natuurlijk is Nathan Crilly veel genuanceerder dan ik, maar hij rolt flink wat beren op de weg voor beweringen van de aanhangers van verschillende denksoorten. Meer dan er met een beetje Design-, Systems- of Computational Thinking weer af te krijgen zijn.
Zijn oproep is niet om te stoppen met het bestuderen van wat er bijzonder is aan de manier waarop ontwerpers, informatici of wetshandhavers hun problemen oplossen. Zijn betoog is eerder om dat in vergelijking met andere disciplines, en met meer wetenschappelijke grondigheid te doen dan nu gebruikelijk is. Die oproep kan ik van harte steunen.
Meer lezen?
Ik schreef aardig wat over ontwerpdenken. In Ontwerpkennis ging ik in op verschillende soorten kennis die nodig zijn om tot een ontwerp te komen. In doelkennis besprak ik dat kennis van alternatieven, doelen en idealen daar in ieder geval bij horen. In ontwerperig ging ik in op het idee dat ontwerpdenken zo verschilt van de mens- en natuurwetenschappen dat het meer status zou moeten krijgen in het basisonderwijs.
In kencultuur ging ik in op het verschil in onderzoekscultuur tussen verschillende wetenschapsdisciplines. In adaptief de 21e eeuw in besprak ik hoe hogere orde denkvermogens gebonden zijn aan disciplines.
Het boekje van Nathan Crilly is zeer de moeite waard, hoewel het kort is en meer een kritiek geeft op de moeilijkheid van denksoorten in plaats van een concrete vergelijking van denksoorten.
