Eerlijk Vergelijken

Mensen vergelijken veel en dat kan nog knap moeilijk zijn. Neem dit zinnetje bijvoorbeeld.

Ze voeren alle slechte lijstjes aan: de kinderen van Turkse en Marrokaanse gastarbeiders. Drugs, schoolverlaten, kleine criminaliteit, noem maar op…

Je komt uitspraken van deze vorm voortdurend tegen in het spraakgebruik en in de krant. Meestal denk je er ook niet al te veel bij na. Misschien was het je zonder mijn inleiding niet eens opgevallen het hier om een vergelijking tussen groepen gaat. Laat staan dat je je had afgevraagd of die vergelijking wel deugt. Maar, in dit éne zinnetje zitten niet minder dan drie veel gemaakte vergelijkingsslordigheden.

Slordigheid 1: In het midden laten met wie vergeleken is.

De kinderen van gastarbeiders voeren blijkbaar slechte lijstjes aan, maar wie staan er eigenlijk nog meer op die lijstjes? Zijn ze crimineler dan hun ouders? Dan leraren? Dan honden? Dan Russische maffia? Als je er dat er niet bij zegt wordt het wel erg moeilijk conclusies trekken en stel je de luisteraar ook niet echt in de gelegenheid na te gaan of het wel om een eerlijke vergelijking gaat. Toch komt deze slordigheid heel vaak voor. Omdat de spreker denkt bijvoorbeeld dat het wel duidelijk is met wie vergeleken is, omdat het makkelijker leest of om dat het zo nog net iets feitelijker klinkt allemaal.

Nu zijn er best wat tegenwerpingen te bedenken. Je zou kunnen zeggen: “Het is toch niet zo belangrijk wie er verder nog op het lijstje staan? Allochtonen staan bovenaan, dus de aanpak van drugs onder deze groep heeft hoe dan ook prioriteit”. Een variant hiervan is de volgende: “wat hier eigenlijk vergeleken wordt zijn allochtonen in vergelijking tot alle Nederlanders – en ze doen het slechter, dus we moeten daar wat mee”. Ik ben het met allebei grondig oneens, wat me bij een tweede slordigheid brengt.

Slordigheid 2: Appels en peren vergelijken.

Is het eerlijk om kinderen van gastarbeiders te vergelijken met alle Nederlanders? Of laat ik de vraag anders stellen: kan je verwachten dat kinderen van gastarbeiders het even goed doen als alle Nederlanders? Nee natuurlijk. Gastarbeiders zijn naar Nederland gekomen om fabriekswerk te doen: meestal waren ze laag opgeleid. Als je een groep laagopgeleiden vergelijkt met een groep met alle opleidingsniveaus erin, doet die eerste groep het al snel slechter. Dat blijkt hier ook het geval: kinderen van gastarbeiders doen het in de slechte lijstjes beter dan kinderen van laag opgeleide Nederlandse ouders, maar die worden in de meeste onderzoeken niet als aparte groep gemeten. Het maakt dus wel degelijk uit wie er in het lijstje staan, want waren kinderen van laagopgeleide ouders apart gemeten, was er een hele andere ranglijst uitgerold.

Als je twee groepen vergelijkt moeten die dus ook echt vergelijkbaar zijn. Daarom moeten ze gelijksoortig zijn, op alle aspecten behalve die waar je iets over wil zeggen. Het is vaak echt als appels en peren vergelijken. Appels en peren zijn goed vergelijkbaar op sommige aspecten suikergehalte of de prijs, maar heel moeilijk te vergelijken op andere aspecten zoals de vorm en de smaak. Als die moeilijke aspecten wel een rol spelen in je redenering wordt het lastig. Dit is extra problematisch bij groepen omdat er binnen groepen grote verschillen kunnen zijn en een groepsgemiddelde daar van af kan hangen. Het is meestal niet handig om een smalle groep met een brede groep te vergelijken. De prestaties van Nederlandse topsporters zijn uitstekend in vergelijking met die van Nederlanders in het algemeen, maar misschien niet in vergelijking met andere topsporters. Maar ook het vinden van een kleinere groep die echt vergelijkbaar is kan knap moeilijk zijn. Vaak wordt je ‘score’ bepaald door iets wat wel samenhangt met de keuze van je groepen, maar niet hetgeen is waar je iets over wil zeggen; wat me brengt bij een derde slordigheid.

Slordigheid 3: Niet zeggen waarom je vergelijkt.

Dit is de meest controversiële slordigheid. Misschien vind je het juist prettig aan het zinnetje waar ik mee begonnen ben. Dat het lekker feitelijk is. Elke vorm van argumentatie ontbreekt. Er staat niet of we het een probleem vinden dat kinderen van gastarbeiders de slechte lijstjes aanvoeren. Er staat niet waarom we denken dat ze aanvoerder zijn: is het cultuur, intelligentie, taalachterstand, zijn het de genen? En er staat niet wat er zou moet gebeuren: moeten allochtonen uitgezet of moeten we op de thee, moeten ze worden bijgeschoold of moeten we rustig wachten tot het probleem zich vanzelf oplost?

Ook dit is iets wat je erg vaak tegenkomt. Soms is het omdat de conclusie wel ‘voor zich spreekt’. In zo’n geval dan zorgt de weglating ervoor dat de lezer de conclusie zelf trekt – en komt het nog beter binnen. Je vindt deze stijlfiguur veel in kroegenpraat en onder politici. Soms wil de schrijver er ook gewoon zijn vingers niet aan branden. Hij is zeker van de feiten, maar minder zeker van de conclusies of acties, dus die laat hij aan de lezer. Dit treffen we wel aan onder journalisten en wetenschappers. Of het is omdat de schrijver je de ruimte voor je eigen conclusies wil laten. De redenering is dan, dat we de feiten het best los kunnen zien van de discussie. We beginnen met de feiten en dan kan de discussie daarna de vrije loop hebben, toch?

Nee dus. Ik denk dat hier feiten en meningen niet gescheiden zouden moeten zijn. Groepen vergelijken is zo moeilijk dat als je niet zegt wat de achterliggende reden voor de vergelijking was je ook niet na kan gaan of de groepen die vergeleken worden handig gekozen zijn. Er zit bijna altijd wel een addertje onder het gras, waardoor de groepen toch niet zo veel op elkaar lijken als eerst gedacht. Denk maar aan het voorbeeld van de intelligentie van de ouders van de kinderen op de slechte lijstjes. Natuurlijk zou je kunnen zeggen dat dit in de discussie wel naar voren kan komen en zo loop het vaak, uiteindelijk, ook. Maar, door niet te vertellen waarom je vergelijkt zet je de lezer eigenlijk op een achterstand. Eerst vraag je de uitkomst van de vergelijking als feit te accepteren en pas in de discussie komt de reden van vergelijking naar boven en kan iemand pas nagaan of de feiten wel kloppen. Maar, dan wordt de discussie al op het scherpst van de snede gevoerd en is er weinig ruimte om nog eens goed naar de feiten te kijken.

Hoe wel?

Dat brengt me tot een drietrapsraket voor groepsvergelijkingen. Ten eerste moet het duidelijk zijn waarom er een vergelijking uitgevoerd wordt, ten tweede moet duidelijk zijn wie er vergeleken worden en ten derde moeten die groepen goed gekozen, gezien het doel van de vergelijking. Eigenlijk zou je alle drie moeten nagaan voor je de uitkomst als een feit accepteert en er over gaat discussiëren, maar meestal is dat niet te doen natuurlijk. Wat wel kan is voorzichtig zijn met vergelijkingen waar de informatie over een van de drie trappen ontbreekt. En dat zijn verreweg de meesten.

Meer lezen?

Dit is het tweede deel uit een tweeluik over groepsvergelijkingen. In het eerste deel stelde ik aan de orde dat een verschil tussen groepen niet zoveel hoeft te zeggen over de personen in een groep.

Ik schreef natuurlijk ook al eerder over onze meet- en vergelijkcultuur. Ik ben er nog niet uit of dat iets goeds is. Soms blijk ik warm voorstander zoals in waardendragers en eksters. Maar soms ook niet, zoals in dit blogje en in waarheidsinjecties.

Het enige ‘feitje’ uit dit blogje. Dat de kinderen van gastarbeiders het beter doen dan kinderen van laag opgeleide Nederlandse ouders komt uit een hoorcollege van Leo Lucassen over de geschiedenis van migratie. Ik heb hier geen verder ‘fact-check’ op uitgevoerd.

 

Gedachtenexperimenten

Een van mijn favoriete gedachtenexperimenten is dat van het “hamer en aanbeeld”. Het is van Galileo Galilei die tot de conclusie was gekomen dat de valsnelheid niet afhankelijk is van het gewicht van een voorwerp. In de menselijke ervaring komen bewegende dingen vanzelf tot stilstand en vallen zware dingen sneller dan lichte. Dat het gewicht niet van invloed is op de valsnelheid was in de 16e eeuw dan ook een revolutionair idee. Op de middelbare school leer je het met een “echt” experiment. Je docent heeft een buis met daarin een veertje en een kogeltje. Het veertje valt langzamer dan het kogeltje, de docent zuigt vervolgens de buis vacuüm en daarna vallen het veertje en de kogel wel even snel. Slaapverwekkend.

Het probleem met dat experiment, behalve dat het gewoonweg te snel gaat, is dat het voortbouwt op een idee waar Galilei helemaal niet over kon beschikken: dat van lucht en luchtdruk. Ja, zal je zeggen, maar hoe kan hij dat nou niet geweten hebben? Hij ademde toch, dan voel je de luchtdruk toch gewoon? Oh wat zou ik graag willen dat ik hem dat kon vragen, maar het idee dat lucht een gas is, uit bewegende deeltjes bestaat en dat het druk en wrijving uitoefent was nog niet geland in de 16e eeuwse wetenschap. Hij wist het niet.

Een echt experiment uitvoeren zat er dus ook niet in. Hij kon al niet op het idee komen van een vacuüm, laat staan dat hij het echt kon maken. Hij kon natuurlijk wel zware en lichte voorwerpen met dezelfde vorm laten vallen en in de praktijk dokterde hij zijn valtheorie uit met rollende ballen die van hellingen met verschillende steilheden rolden. Ook al niet iets dat tot de verbeelding spreekt.

Daarom bedacht hij het volgende gedachtenexperiment. Stel, zei Galilei, dat je een aanbeeld en een hamer aan elkaar knoopt. Ongeveer zo.

de-vector-van-de-hamer-en-van-het-aambeeld-24689659

Valt dit geheel nu sneller of langzamer dan een aparte hamer en een apart aanbeeld? Als de hamer langzamer gaat, remt zij het aanbeeld en gaat het geheel dus langzamer dan het aanbeeld alleen. Maar het geheel van aanbeeld en hamer is zwaarder dan het aanbeeld alleen, dus zouden aanbeeld en hamer samen juist sneller moeten vallen. Het probleem kan worden opgelost door aan te nemen dat hamer en aanbeeld even snel vallen.

Prachtig, nietwaar? Een bewijs is het natuurlijk niet. Dan had de Griekse filosoof Zeno ook wel bewezen dat een pijl nooit tegen een muur geschoten kan worden en dat een konijn een schildpad nooit kan inhalen. Maar toch is het verschil tussen een goed experiment en een goed gedachtenexperiment kleiner dat je zou denken.

Een goed experiment, of je het nou uitvoert of niet, moet retorisch goed werken: het verhaal moet kloppen. Het experiment moet je gedachten zo op een spoor zetten dat de uitkomst werkelijk als een bom inslaat. De eerste stap in die vertelkunst in de vraag die het experiment stelt. Vallen zware voorwerpen wel echt sneller? Zetten mensen hun morele kompas onder druk van autoriteit uit, of in een groep? Het moeten als het even kan alledaagse, onschuldige vragen zijn. Het is voor het effect van het experiment namelijk belangrijk dat je het antwoord op de vraag allang denkt te weten. Als je geen verwachtingen hebt werkt een experiment niet. Daarom richten onderzoekers het experiment zo eenvoudig en zo puur in als het maar enigszins kan. Je denkt echt dat je zeker weet wat er uit gaat komen. Maar dan komt het natuurlijk. In de uitvoering blijkt het tegendeel. De ontluisterende uitkomst van een goed experiment is dat je al die tijd ongelijk had. Alle voorwerpen vallen even snel. De morele standvastigheid van de mens is flinterdun.

Ik kan erg genieten van goed ontworpen experimenten. Maar ik vind gedachtenexperimenten er toch de mooiste vorm van. Een gedachtenexperiment hoef je niet eens uit te voeren om het overtuigend te laten zijn. Vaak gaat dat natuurlijk mis. Veel theoretisch natuurkundigen zijn goed in gedachtenexperimenten. Einstein was er een kei in. Maar een van zijn bedenksels: het Einstein, Poldofsky, Rosen experiment werd later echt uitgevoerd en stelde hem in het ongelijk. Over dat experiment schrijf ik nog wel eens een blogje. Tot die tijd is het aan de makers van gedachtenexperimenten om te overtuigen zonder dat hun hersenspinsels in het echt getoetst kunnen worden.

Meer lezen?

Ik ga op de waarde van echte experimenten in Waardendragers. Ook mijn blogjes Eksters en Lableven raken aan dit onderwerp.