Verandersnelheid

Hoe snel verandert de wereld eigenlijk? Ik stel de vraag eigenlijk niet omdat ik denk dat er een betekenisvol antwoord op te geven is, maar wel omdat ik in allerlei rapporten en visiedocumenten de opmerking tegenkom dat de wereld steeds sneller verandert. Tja. Dan komen er routinevragen bij me op, zoals: “is het wel waar?”, “wat bedoel je precies?”, “hoe meet je verandersnelheid eigenlijk?” en “waar komt dit idee vandaan?”. Veel te wetenschappelijk van me natuurlijk, maar, op het risico af de keizer zonder kleren te ontmaskeren, waag ik me er toch maar even aan.

In het boek De Duizelingwekkende Jaren bespreekt Philipp Blom de eerste vijftien jaar van de vorige eeuw: 1900-1915, de periode voor de Eerste Wereldoorlog. De schaduw die de twee wereldoorlogen over de twintigste eeuw zouden werpen, was nog niet in zicht. Het was een bloeiperiode voor het modernisme. De dynamo was het symbool voor oneindigheid, voor morele kracht. Ze draaide met duizelingwekkende snelheid rond. Snelheid was een thema. Fietsen zorgden voor een aanmerkelijk snellere verplaatsing van grote groepen mensen. Auto’s waren nog geen gemeengoed, maar autoraces kwamen al wel op. Maatschappelijke verhoudingen verschoven. De adel nam een steeds bescheidener rol in in de samenleving. Vrouwen eisten kiesrecht. Communicatietechnologie (telegraaf en telefoon) was in opkomst.

Weinig New Yorkers realiseren zich dat er door de drukte van de grote stad voortdurend berichten schieten van mensen die door enorme afstanden van elkaar zijn gescheiden. Boven de daken, dwars door de muren en in de lucht die we inademen, staan woorden geschreven in elektriciteit.’ – New York Times, 21 april 1912 -techgiganten

Poëtisch natuurlijk – en herkenbaar. Tegenwoordig zijn we er misschien iets minder lyrisch over, maar nog altijd geven technologische ontwikkelingen ons het gevoel ingehaald te worden door de tijd. De -alles gaat steeds sneller geest- waart evengoed door elke bladzijde van De Duizelingwekkende Jaren, als dat ze door onze moderne berichtgeving waart. De gedachte dat de wereld steeds sneller verandert is dus alvast van alle tijden – of tenminste van moderne tijden: minstens anderhalve eeuw oud. Dat is een lange tijd in een wereld die steeds sneller lijkt te gaan.

Is het dan reëel om te denken dat de wereld echt steeds sneller verandert – of is het eerder iets psychologisch? Elke verandering roept het gevoel op ingehaald te worden. Met objectieve verandersnelheid heeft dat mogelijk niets te maken. Misschien is het ook iets demografisch. Dat de oudere generatie altijd het gevoel heeft dat ze ingehaald wordt door de jeugd-  en daarom denkt dat de wereld steeds sneller gaat. Toen de ouderen nog jong waren werden ze immers nog niet ingehaald door de jeugd.

Er is eigenlijk maar één scenario denkbaar waarin de wereld van 1900 tot en met vandaag inderdaad steeds sneller veranderde: exponentiële groei. Groeit de wereld – of misschien technologie – exponentieel? Het is natuurlijk precies waar dit idee vandaan komt. Zoals ik al eerder schreef is exponentiële groei lang een goed model geweest voor de wetenschap. En ook voor rekenkracht van computers is dat een hele tijd opgegaan. Eén van de belangrijkste bronnen van de terugkerende gedachte dat de wereld steeds sneller verandert is dan ook de wet van Moore.

Gordon Moore, lang de directeur van Intel, voorspelde in 1965 dat de hoeveelheid rekenkracht in computers elke twee jaar zou verdubbelen. Hij voorspelde dat dit in ieder geval nog tot 1975 door zou gaan, maar daarin bleek hij te voorzichtig. Pas sinds 2015 waarschuwen Intel en anderen dat de groeisnelheid afneemt. Een tweejaarlijkse verdubbeling – dát is exponentiële groei. Voor computers geldt: van 1965 tot 2015 groeide de rekenkracht steeds sneller. Dat bood ruim baan voor alles en iedereen die in radicale verandering van de wereld geloofde.

Maar is het waar? Brengt de opkomst van rekenkracht snelle veranderingen met zich mee? Ik bedoel in de wereld? In de manier waarop wij met elkaar communiceren, voor elkaar zorgen, onderwijs inrichten, van a naar b reizen, de dingen die we belangrijk vinden en waar we over in gesprek gaan?

Het antwoord is natuurlijk ja én nee. Alle sectoren die hier genoemd worden, krijgen te maken met digitalisering en met nieuwe praktijken, maar die veranderen niet in het zelfde exponentiële tempo.

Een verdubbeling van rekenkracht ervaren we meestal als een net iets soepelere, rijkere versie van een softwareproduct dat we al jaren gebruiken. Microsoft Word uit 2019 kan heus meer dan de eerste versie van WordPerfect uit 1979, maar de essentie van het product is in die 40 jaar natuurlijk hetzelfde gebleven. De rekenkracht is explosief toegenomen, maar dat is aan de toepassing nauwelijks te zien. Preciezer: we hebben die vermiljoenvoudiging van rekenkracht in 40 jaar gebruikt om te zorgen dat we de opmaak meteen kunnen zien en onze spelling real-time kunnen laten controleren. Fijn natuurlijk, maar geen revolutie.

Doen we wezenlijk meer met onze smartphones dan we daarvoor op vaste computers deden? Eigenlijk niet: gamen, internet, e-mail – het is allemaal niet erg nieuw. Sociale media? Als je het mij vraagt, is dat een update van e-mail. De enige online diensten echt die minder dan 20 jaar oud zijn zijn locatiediensten en streaming (on demand) media, maar om nu te zeggen dat TomTom en Netflix de wereld fundamenteel veranderd hebben?

Hoe kan het dat computersnelheid exponentieel groeit, maar wat we ermee doen nauwelijks lijkt te veranderen? En hoe kan het dat we al die tijd dat we dezelfde dingen aan het doen zijn met nieuwe computers, toch het gevoel hebben dat de (computer)technologie ons aan het inhalen is?

Ik denk dat het antwoord op beide vragen hetzelfde is. Mensen veranderen (hun praktijken) vrij langzaam en de mens is de maat der dingen. Natuurlijk: er zijn dingen mogelijk met moderne computertechnologie die hele andere manieren van leven en samenleven mogelijk maken, maar we willen die dingen niet en beginnen er dus niet aan. Natuurlijk: technologie heeft de afgelopen jaren aanleiding gegeven voor allerlei veranderingen in onze manier van leven en samenleven. Die veranderingen gingen ongeveer even snel als we aankonden als mensen. Voor de meesten was dat duizelingwekkend snel.

Technologische ontwikkelingen mogen dan vrij snel gaan: volwassen applicaties – die inspelen op wat mensen op dit moment nodig hebben – moeten reken houden met wat mensen nu kunnen en willen accepteren. Volwassen technologie schrijdt dus veel langzamer voort dan mogelijk zou zijn op basis van de ontwikkelingen.

Uit die frictie tussen wat technologisch mogelijk is en de verandering die volwassen applicaties belichamen en de verandering die we als mensen willen omarmen, komt het versnellingsdenken voort. Je moet maar eens opletten: snelheidsprofeten beginnen bijna altijd over nieuwe technologische mogelijkheden en ontwikkelingen die nog lang niet klaar zijn voor de langzame mensenmarkt. Het gaat nooit over de revolutionaire manier waarop tekstverwerkers zich in de afgelopen 40 jaar ontwikkeld hebben; omdat die zich niet revolutionair ontwikkeld hebben. En die nieuwe technologie waar ze het wel over hebben? Die zal zich ook niet revolutionair ontwikkelen. Simpelweg omdat wij mensen daar nog niet aan toe zijn.

De ontluisterende bottom-line is dat we veranderen: zo snel als we kunnen. Dat geeft ons steeds het gevoel dat we de veranderingen maar nét kunnen bijhouden. Het zijn altijd duizelingwekkende jaren. De technologie heeft altijd de potentie om nog meer mogelijk te maken. De technologie zit ons altijd op de hielen.

Maar verandert de wereld steeds sneller? Nou nee. De toekomst raast helemaal niet op ons af. Mijn stelling is zelfs dat de wereld al jaren even snel verandert. Sneller dan ons lief is, misschien. Sneller dan we comfortabel kunnen bijhouden, wellicht. Maar niet met de snelheid van de technologie mee, maar met ónze snelheid – niet meer en niet minder.

Meer lezen? 
Ik sprak over de exponentiële groei van de wetenschap in Big Science (little science). Ik had het eerder het denken over verandering in in opdracht van de tijd, vooruitgang en halfwaardetijd.

Valorisatie

Nog zo’n begrip waar ik een dubbel gevoel bij heb: valorisatie. De vereniging van samenwerkende Nederlandse universiteiten (VSNU) beschrijft valorisatie als het ‘benutten van kennis’ door samen te werken met anderen, mensen iets te leren of – niet onbelangrijk -, door er geld mee te verdienen. Het kan immers zomaar zijn dat je als onderzoeker nieuwe technologie mogelijk maakt waar de BV Nederland wat aan heeft: CD’s, of oplaadbare batterijen ofzo. En dan zou het mooi zijn als je daarmee de economie ook een steuntje in de rug wil geven.

Je merkt het al. Ik loop niet zo warm voor dat economische argument. Als toepassingsgerichte onderzoeker vind ik het belangrijk dat mensen iets kunnen met de uitkomsten van mijn onderzoek, maar of dat nou per se ook geld moet opleveren?

Veel wetenschappers delen dit sentiment. Daarom is er ook veel kritiek op ons valorisatiebeleid. De focus op toepassing van kennis zou goede kennisontwikkeling in de weg staan en daardoor op de langere termijn nadelig uitpakken. De focus op de economie zou de onafhankelijkheid van het onderzoek in gevaar brengen. En de rol van de onderzoeker zou helemaal niet moeten zijn om geld te helpen verdienen, daar is het bedrijfsleven immers veel beter in.

Erg sterk vind ik die argumenten niet. Mijn bezwaar is dat ze niet gebaseerd zijn op een doordacht model van hoe innovatie in zijn werk gaat en hoe beleid daaraan bij kan dragen. Het grootste probleem is dat deze argumenten uitgaan van een strikte scheiding tussen kennisontwikkeling en gebruik. Of tenminste van de wenselijkheid daarvan. Kennisontwikkeling is het domein van universiteiten en het gebruik van kennis vindt plaats in de samenleving.

Zo’n ‘scheiding der machten’ lijkt mooi, maar er is wel wat tegen in te brengen. Het is een beetje alsof een autofabrikant zijn auto’s niet aan de slechte wegen in sommige landen wil aanpassen, omdat overheden nu eenmaal de wegen bouwen en autofabrikanten daar niets mee te maken hebben. Natuurlijk kan je je strikt aan de spreekwoordelijke schoenmakersleest houden, maar of het echt voor iedereen het beste is?

Dus, hoe dan wel? Laten we ons eens proberen te verplaatsen in de overheid. Als je als overheid wilt dat kennis (goed) gebruikt wordt, hoe stimuleer je dat dan?

Één vraag die je dan moet beantwoorden is hoe fundamentele inzichten zich vertalen in praktische toepassingen. Dat is geen gemakkelijke vraag. De onderstaande illustratie van ‘de reis van de kennis’ vind ik in dit opzicht verhelderend. Het laat voor één toepassing zien wie er allemaal nieuwe dingen mest leren voor dat ze breed toepasbaar was: de grafische gebruikersinterface. Reis van de kennisVoor wie de geschiedenis niet kent: vroeger bedienden we computers door commando’s in te typen. Op een dag werd de grafische gebruikersinterface ontwikkeld, waardoor we de computer met een aanwijsapparaat, iconen en menu’s konden gaan bedienen. Dit gebeurde bij Xerox, een bedrijf dat handelde in kopieermachines. Het werd populair gemaakt door Apple en Microsoft zorgde ervoor dat het wereldwijd de standaard werd.

In het diagram staat uiteengezet wie er wat voor soort dingen moest leren voordat de grafische gebruikersinterface een wereldstandaard werd. Het begint met het ontwikkelen van de fundamentele ideeën hebben geleid tot de ontwikkeling van grafische gebruikersinterface en het eindigt met professionals die deze nieuwe ontwerp principes voor het eerst in hun eigen praktijk gingen toepassen.

Een super simplistisch diagram. Het suggereert éénrichtingsverkeer: van fundamenteel naar toegepast, terwijl toepassingen ook vaak tot meer fundamentele vragen leiden. Het laat ook alle ontwikkelingen die er niet toe deden én alle kennis die onderweg geleend werd van andere praktijken of wetenschap buiten beschouwing. Tot slot gaat het plaatje over een aantal inzichten die altijd al met het oog op toepassingen ontwikkeld is en dus niet over ‘echt’ fundamenteel onderzoek.

Tegelijkertijd is het veel genuanceerder dan de vaak gebruikte tweedeling tussen kennisontwikkeling en -toepassing. Het plaatje geeft ook een mooi overzicht dat je kan helpen om uit te denken waar je als overheid je geld zou willen investeren.

Zou je al je geld zetten op de eerste kolom en alleen fundamenteel onderzoek stimuleren of zou je ook verderop in de pijplijn ondersteuning willen geven? Zou je een voorkeur hebben voor wetenschappers die aantoonbaar zicht hebben op wat er later met hun werk kan en moet gebeuren, zodat er iets helemaal rechts in het diagram terecht kan komen? Of behandel je de stappen in dit diagram liever als silo’s die zich niets van elkaar aan moeten trekken? Welke kolommen laat je aan de markt en welke kolommen krijgen subsidie – en hoeveel dan?

De Nederlandse overheid kiest ervoor het meeste publieke geld te investeren in de meest linkse stap: ontwikkelen van nieuwe kennis. Dit doen ze via de financiering van universitair onderzoek. Een klein deel gaat ook in de tweede stap: het ontwikkelen van nieuwe toepassingen. Dit gaat via de financiering van onderzoek in het HBO. De derde en vierde kolom worden voornamelijk aan het bedrijfsleven overgelaten.

Steeds wil de overheid dat onderzoekers laten zien dat ze zicht hebben op de rest van de keten. Van universitaire onderzoekers wordt gevraagd om inzichtelijk te maken wat in de tweede kolom mogelijk zou zijn, van onderzoekers in het HBO wordt gevraagd bedrijven uit de derde kolom te betrekken. Zodat de ‘doorstroming’ langs de verschillende stappen zo soepel mogelijk verloopt.

Of dit het best denkbare beleid is, weet ik niet, maar als je het mij vraagt zit er een logica achter. De vraag is misschien eerder waarom de middelen niet gelijkelijk verdeeld worden over àlle stappen en samenwerking tussen alle stappen wordt geëist, dan andersom.

  • Natuurlijk: fundamenteler onderzoek (naar nieuwe kennis) zou ook onafhankelijker moeten zijn, dan onderzoek naar nieuwe toepassingen, maar een harde scheiding tussen kolom 1 en 2 lijkt mij niet erg productief.
  • Natuurlijk: nieuwe kennis heeft een langere levensduur dan nieuwe toepassingen, maar dat maakt investeren in toepassingen nog geen slechte strategie.
  • Natuurlijk: voor alle deze stappen kan je je afvragen hoeveel de overheid en hoeveel het bedrijfsleven zou moeten investeren, maar het voorbeeld van Xerox laat meteen zien dat bedrijven in alle kolommen een rol kunnen spelen. Waarom de overheid dan niet?

Ik heb de indruk dat veel kritiek op ‘het valorisatiebeleid’ eerder ingegeven is door persoonlijke frustraties van wetenschappers dan door een doorwrochte wetenschappelijke analyse van effectief valorisatiebeleid. Dat is begrijpelijk: het denken start vaak in de eigen ervaring, maar wetenschappers laten zichzelf dan wel kennen. Zouden wetenschappers niet juist bij uitstek de beroepsgroep moeten zijn die vanuit de beste kennis in plaats van hun eigen ervaring en belang redeneren? Zouden wetenschappers niet de eersten moeten zijn die erkennen dat ze niet overal verstand van hebben en dus niet kunnen oordelen over dingen die buiten hun vakgebied liggen? Als het om wetenschapsbeleid gaat, zie ik daar weinig van terug.

Het is goed samen na te denken óf valorisatie belangrijk is, óf innovaties en geld verdienen doelen moeten zijn van de wetenschap en hóe dit het beste te stimuleren is, maar laten we dat doen aan de hand van de best beschikbare wetenschappelijke kennis over dit onderwerp. Laten we er niet van uitgaan dat we valorisatie-expert zijn, alleen maar omdat we al wetenschapper zijn.

Meer lezen?

Dit blogje is een vervolg op mijn blogje over de Nobelprijs, waar de relatie tussen fundamenteel onderzoek en bruikbare toepassingen, zoals die in die prijs voorgespiegeld worden bekritiseerde. De -breed gedragen- misverstanden over die relatie stelde ik eerder al eens aan de kaak in mijn blogje stokoude kennis. Het idee dat sommige kennis duurzamer is dan andere besprak ik al in halfwaardetijd en strategieën van wetenschappers om daar mee om te gaan in tijdmeters.

Voor de hier gebruikte definitie van valorisatie raadpleegde ik het VSNU rapport over dit onderwerp.

Nobel

De week waarin de Nobelprijzen worden uitgereikt vind ik altijd spannend. Zelf ben ik natuurlijk geen kanshebber en vaak ken ik de prijswinnaars ook helemaal niet. Maar de Nobelprijs is een bijzondere prijs. Zeker de prijzen voor natuur- en scheikunde – en vaak ook die voor economie –  zetten onderzoek in het zonnetje dat, toen het werd uitgevoerd, heel fundamenteel en soms onzinnig leek, maar waarvan door de jaren heen gebleken is dat er veel nuttige toepassingen uit zijn voortgevloeid. Dat is vrij uitzonderlijk: veel fundamenteel onderzoek is helemaal niet zo direct tot toepassingen te herleiden; en het levert altijd een mooi verhaal op: hoe een of andere bizarre zoektocht van een of andere wetenschapper ons uiteindelijk allemaal raakt.

Dit jaar ging de Nobelprijs voor de chemie bijvoorbeeld naar John Goodenough, Stanley Whittingham en Akira Yoshino voor fundamenteel onderzoek dat de basis legde voor de oplaadbare batterijen in onze telefoons en andere draagbare apparaten – en natuurlijk elektrische auto’s. Dit werk stamt uit de jaren 70 van de vorige eeuw. Geen van deze moderne toepassingen was in die tijd in beeld. Het was toen al prachtig werk, en het bleek een noodzakelijke schakel in latere technische ontwikkelingen die het gezicht van de huidige tijd bepalen.

Of niet? Hoewel veel mensen de Nobelprijs op deze manier aangrijpen om nog eens te onderstrepen hoe groot het belang van fundamenteel onderzoek voor de maatschappij is, denk ik dat ze het Nobel-verhaaltje te serieus nemen. Natuurlijk ben ik een voorstander om stevig te investeren in fundamenteel onderzoek, maar dat er soms jaren later nuttige toepassingen uit voortvloeien vind ik een slecht, onwetenschappelijk, argument voor dat type onderzoek.

De drogredenering die onder de letterlijke interpretatie van het Nobelprijsverhaaltje zit doe ik uit de doeken in mijn blogje stokoude kennis. Zoals ik daar al stel: je kunt voor elke bestaande toepassing wel fundamentele kennis aanwijzen die eraan ten grondslag ligt, maar dat zegt niet zoveel. In verreweg de meeste gevallen was die toepassing er ook wel gekomen zonder dat specifieke stukje onderzoek. Soms omdat de toepassing de kennis al vooruit is gesneld. De ontwikkeling van de thermodynamica is een gevolg van de ontwikkeling van de stoommachine en niet andersom. Maar meestal omdat die kennis anders gewoon iets later door andere wetenschappers ontwikkeld zou zijn. Niemand is onmisbaar voor de wetenschap. De tand des tijds kan echt wel wachten op de tweede of derde uitvinder.

Je kunt dus wel fundamentele kennis aanwijzen die bij een bepaalde toepassing hoort, maar dat is geen bewijs dat dat specifieke onderzoek een noodzakelijke – of zelfs maar een belangrijke schakel – was in de ontwikkeling van die toepassing. Het beste wat je achteraf kunt zeggen is dat het best van pas kwam. Het belang van fundamenteel onderzoek in het algemeen kun je er al helemaal niet uit afleiden, want dan moet je ook al dat fundamentele onderzoek meerekenen waar nooit iets buikbaars uitgekomen is.

Daar komt nog bij dat de Nobelprijs met zevenmijlslaarzen door de geschiedenis raast. Het is niet het oorspronkelijke, nogal explosieve, batterijtje van Wittingham dat in onze telefoons zit. Voordat die gemaakt kon worden waren nog honderden of misschien wel duizenden nieuwe ontdekkingen en ontwikkelingen nodig. Er ging niet voor niets vijftig jaar overheen. Hoe verhoudt de mankracht achter het fundamentele onderzoek zit zich eigenlijk tot de mankracht die nodig was om die batterijen echt werkend te krijgen?

Je kunt allerlei redenen hebben om fundamenteel onderzoek in het zonnetje te zetten. Dat er soms mooie toepassingen uit voortkomen spreekt tot de verbeelding, maar het is misleidend. De rol die het betreffende onderzoek écht heeft gespeeld voor die toepassingen is niet precies te achterhalen en vermoedelijk relatief klein.

Natuurlijk kunnen toepassingen en fundamentele kennis elkaar beïnvloeden en het is een Nobel-feestje waard om die bevruchting te vieren, maar dat feestje deugt op haar beurt niet als rechtvaardiging voor het bestaan van fundamenteel onderzoek. Daarom denk ik dat het contraproductief is om (oud) fundamenteel onderzoek te rechtvaardigen door te wijzen op moderne toepassingen. Als het argument niet klopt prikt iemand erop een dag doorheen.

Ik denk dat het beter is om het nut van fundamenteel onderzoek te verdedigen aan de hand van de waarde die het hier en nu voor ons heeft. Er zijn verschillende manieren waarop je dit kunt doen, maar ik zie het nut van fundamenteel onderzoek vooral vanuit zijn invloed op ander onderzoek. In fundamenteel onderzoek verkennen we wegen die we niet zouden verkennen als we ons druk maakten over toepassingen. Fundamenteel onderzoek vergroot zo onze horizon; het maakt ons slimmer. Als fundamenteel onderzoek andere wetenschappers, fundamenteel, of toegepast op een nieuwe manier aan het denken zet, is het goed onderzoek.

En of het ooit de lange weg naar een praktische toepassing vind? Ach.

Meer lezen?
In stokoude kennis bespreek ik uitgebreider waarom de toepassingen van nu niet herleidbaar zijn tot de oude kennis van toen. Ik ben van plan een blogje te schrijven over valorisatie waar ik nog eens in ga op kennis die wel tot toepassingen moet leiden.

Voor de informatie over de Nobelprijzen van dit jaar heb ik vooral gebruik gemaakt van het artikel daarover in het NRC, ik kende het onderzoek zelf niet voor de prijs uitgereikt werd. Ik heb me in deze post geconcentreerd op de verbinding die in de Nobelprijzen wordt gelegd tussen onderzoek en toepassing, maar ook andere aspecten van de Nobelprijs, zoals de focus op een individueel genie zijn kritiek waar. In Chemistry World verscheen daarover dit artikel.

Evidence-based Practice

Zou het niet mooi zijn als professionals hun handelen wat meer zouden baseren op wetenschappelijk bewijs? Zodat leerlingen onderwijs krijgen waarvan we weten dat het werkt; zorgverleners die dingen doen die objectief het beste zijn voor hun patiënten; en zodat – waarom ook niet? – accountants de boeken op de best denkbare manier controleren? Het is eigenlijk moeilijk om daar tegen te zijn, toch? Nou ja, je raadt het al… Ik vind op zijn minst dat een paar kanttekeningen op hun plaats zijn.

Een van de lastige dingen van het bespreken van evidence based practice – het gebruiken van wetenschappelijk bewijs in de praktijk dus – is dat er verschillende varianten van het idee bestaan. De strikte variant legt de nadruk op de wetenschappelijkheid van het bewijs dat gebruikt wordt. De zachte variant legt vooral de nadruk op het gebruik van bewijs in de praktijk.

In de strikte variant moeten professionals dus op de hoogte zijn van de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek en hun praktijken daarop baseren. De strikte variant stelt eigenlijk dat het enige bewijs dat professionals mogen gebruiken, wetenschappelijk van aard zou moeten zijn. In de zachte variant moet een professional óók zoveel mogelijk bewijs gebruiken, maar dat hoeft niet per se wetenschappelijk te zijn. Een professional mag in de zachte variant ook zelf bewijs verzamelen door collega’s of haar doelgroep te ondervragen of door dingen aan hen voor te leggen. Met die zachte variant is ook van alles mis, maar dat bespreek ik later nog eens. In dit blogje wil ik vooral de strikte variant eens onder de loep nemen.

Laat me duidelijk zijn: ik ben een voorstander van evidence based medicine. Ik vind het belangrijk dat medische behandelingen die ik onderga, eerst wetenschappelijk bewezen zijn. Behandelingen die de toets der kritiek niet kunnen doorstaan, zoals gebedsgenezing, acupunctuur en homeopathie, kunnen bij mij rekenen op veel scepsis. Maar de vraag is volgens mij of dit idee van evidence based medicine te vertalen is naar onderwijs, (zachte) zorg en accounting; of dat die vakgebieden juist om een wezenlijk andere benadering vragen.

Mijn antwoord laat zich raden. Ik denk dat zorg, onderwijs en accounting anders zijn. In mijn ogen is evidence-based-practice namelijk gebaseerd op een one-size-fits-all gedachte terwijl deze vakgebieden -goede accountancy misschien uitgezonderd – eerder vragen om professioneel maatwerk. Maatwerk is nooit gebaseerd op één enkele bron van bewijs. Maatwerk stelt de situatie of de omgeving centraal waarin bepaalde ingrepen effectief kunnen zijn; terwijl veel wetenschappelijk werk die afhankelijkheid van context juist buiten beschouwing laat.

Dat zit hem in wat telt als wetenschappelijk bewijs. De heilige graal van aanhangers van evidence based practice is vaak de randomised controlled trial (RCT). Het idee van een RCT is dat we onderzoeken of een benadering werkt ongeacht wie het ondergaat of wie het uitvoert. Één groep patiënten krijgt een medicijn, een andere groep krijgt een nepmedicijn. Niemand weet wie in welke groep zit, de patiënten niet, de dokters niet, de onderzoekers niet. Daardoor kunnen we vaststellen of een medicijn werkzaam is los van de context: wie de patiënt is, wie de behandelaar is, hoe het contact tussen die twee verloopt. De bedoeling is immers om de effectiviteit van een bepaalde benadering te bewijzen voor elke context. Dus zonder rekening te houden met kundigheid van de dokters, of de specifieke wensen van patiënten of gebruikers. En dat is meteen de grote zwakte van de RCT.

Zeker: als een medicijn door een RCT komt, weten we zeker dat het werkt voor de meeste behandelaars en de meeste patiënten. Dat is waardevolle kennis voor zorgverleners. En ik zou zeker niet willen dat ze iets voorschrijven waarvan de werkzaamheid niet is aangetoond.

Maar, nu die leraar. Die bijvoorbeeld rare grappen maakt om de aandacht vast te houden. Mag hij dit wel doen als niet wetenschappelijk is aangetoond dat het werkt?

We willen zeker graag dat een docent methoden gebruikt waarvan hij weet dat ze werken. Het is fijn als hij passende werkvormen gebruikt, bijvoorbeeld. Daar heeft hij een opleiding voor genoten. Maar de grappen die hij maakt, horen daar niet bij. Het interesseert ons niet of die voor alle docenten en alle leerlingen werken.

Sterker nog: dat soort generalisaties zit misschien alleen maar in de weg. De details van zijn werk: hoe hij een relatie opbouwt, hoe hij verschillende leerlingen verschillend aanpakt, de duizenden andere beslissingen die een docent elke dag weer neemt? Die zijn aan het professionele oordeel van de docent. Dat finetunen moet hij zelf doen, dat vraagt om fingerspitzengefühl. Je wil dat zijn aandacht in de klas is bij hoe zijn leerlingen reageren, niet bij wat de wetenschap ervan zal vinden. Dit zijn contextspecifieke beslissingen, daarover kunnen RCT’s geen uitspraken doen.

Wat we van een docent willen, is dat hij goed waarneemt, ervaringskennis gebruikt, fouten maakt en daarvan leert binnen een grofmazig wetenschappelijk kader. Nu is dat in de geneeskunde niet anders. Artsen, zeker huisartsen, voegen dat stukje professionaliteit aan de wetenschap toe. Dit maakt het mogelijk maakt om mensen goede zorg te leveren, zonder ze te reduceren tot een statistiek. De evidence-based-practice discussie is dus, zoals zo vaak, geen zwart-witdiscussie. Het is vooral een gevecht om ruimte. Hoe strak moeten de wetenschappelijke kaders zijn – en met hoeveel autonomie gedijen professionals?

Interessant genoeg wordt deze discussie dan weer weinig op basis van wetenschappelijk bewijs gevoerd. De wetenschappers trekken vaak aan de evidence-based kant en onderbouwen hun standpunten ironisch genoeg met anekdotes over professionals die helemaal niet blijken te handelen naar hun mooie wetenschappelijke inzichten. De professionals trekken aan de autonomie-kant en komen met allerlei uitzonderingen waar de wetenschap niets over te zeggen heeft. Volgens mij komen we zo – al touwtrekkend – niet verder.

Je zou een meta-studie willen doen, waarin afhankelijk van het vakgebied vergeleken wordt of het vergroten of juist verkleinen van de professionele ruimte beter werkt. Dan kunnen we het debat op een wetenschappelijke in plaats van een anekdotische manier beslechten. Mits we het eerst wel eens eens kunnen worden over de miljoen dollar-vraag: wat bedoelen we eigenlijk met “beter”?

Meer lezen?

Ik schreef al eens een kritisch stuk over de praktijk van evidence-based-medicine getiteld ongezond. Die misstanden doen natuurlijk niets af aan de principes. In verkoudheid bespreek ik dat er verschillende soorten bewijs en manieren om die te wegen zijn. In A Priori ga ik in op situaties waar je juist liever niet het beste bewijs inzet.

Significantie

Ik zou er een serie van kunnen maken. Het plot gaat ongeveer zo. Onderzoeker (m/v) wil grip krijgen op een probleem. De onderzoeker ontwikkelt een meetinstrument. Met succes: de ontwikkelde maat blijkt een prima middel om een beetje meer grip te krijgen op het probleem.

Maar dan gaat het mis omdat het te goed gaat. Veel andere onderzoekers willen ook graag meer grip krijgen op het probleem. Iedereen slaat aan het meten. Het instrument en de nieuwe maat worden populair en krijgen veel status. Sluipenderwijs verandert het instrument van gedaante. Ooit was het maar een middel, maar nu wordt het een doel op zich – nee het doel.

Het is een verhaal over hoogmoed en val. Of eigenlijk het verhaal van doctor Frankenstein: die macht over leven en dood wilde – en zodoende iets schiep dat hij niet meer in de hand had. Want een meetinstrument dat een doel op zich is geworden doet gewoonlijk meer kwaad dan goed. Als een uitkomst van een meetinstrument een doel wordt, gaan we de boel zo inrichten dat we hoog scoren op die uitkomst; vaak ten koste van dingen die eigenlijk gewoon belangrijker zijn. We bedenken een lat om de wereld de maat te nemen maar de lat neemt ons de maat.

Eerder schreef ik zo’n verhaal over IQ, maar vandaag is er aanleiding om statistische significantie: ofwel de p-waarde onder de loep te nemen. Die p-waarde wordt veel gebruikt, zo veel dat zo’n 800 wetenschappers een opiniestuk in het wetenschappelijke tijdschrift Nature ondertekenden dat argumenten gaf voor het afschaffen ervan – of tenminste pleitten deze wetenschappers voor een andere omgang met de p-waarde.

Wat gaat hier mis? Die p-waarde is echt heel erg belangrijk. Het gaat feitelijk om een groep wetenschappers die vinden dat het gebruikte wetenschappelijke gereedschap verboden moet worden. Je kan ook lezen: “tuindersvereniging protesteert tegen het gebruik van heggenscharen” of “ANWB pleit voor het afschaffen van wielen”. Niet echt het nieuws dat je verwacht.

Het zit zo. De p-waarde meet de kans dat een wetenschappelijke bevinding toeval kan zijn. Dus de kans dat je per ongeluk bewijs hebt gevonden voor een stelling. Als je de lengte van de jongens en meisjes in de klas meet en je vindt dat de jongens gemiddeld 1,3 cm langer zijn, dan wil je vaak ook weten of dit in alle klassen zo is óf alleen in jouw klas. Er is best een kans dat er in jouw klas toevallig een paar extra lange jongens zaten terwijl dat in andere klassen helemaal niet zo is en jongens dus ook niet gemiddeld langer zijn. Als je die mogelijkheid niet kan uitsluiten, ga je als wetenschapper niet zomaar roepen dat jongens gemiddeld langer zijn dan meisjes.

Daarvoor is dus statistiek uitgevonden. Of een uitkomst van een experiment toeval is, weet je natuurlijk nooit helemaal zeker. Wat je kunt doen, is op basis van het soort meting, het aantal metingen en de spreiding een schatting maken van hoe groot de kans is dat je elders hetzelfde zult vinden: de p-waarde.

Die p-waarde is populair. Of eigenlijk: zij is zò populair dat ze een norm is geworden. Het is knap lastig om nog resultaten te publiceren als de kans dat het toeval is wat je gevonden hebt niet kleiner is dan 5%, of liever nog 1%. Dit geldt zeker in de sociale wetenschappen?

Is dat slecht? Nou ja, misschien. Het bespaart ons zeker een hoop onzinbevindingen die zonder de p-waarde misschien enorm serieus genomen zouden worden.

Maar de ellende met de p-waarde als norm is natuurlijk dat wetenschappers – mensen – proberen die waarde op te krikken. Ze nemen bijvoorbeeld meer proefpersonen, of ze sluiten erg afwijkende proefpersonen uit of een enkeling verzint misschien wat data. Ik zou hier een hele lijst misstanden kunnen noemen, maar het punt is steeds: de p-waarde is het doel geworden in plaats van de waarheidsvinding. Einde wetenschap.

En dat is wat die onderzoekers van dat manifest dwars zit. Het gaat ze om misbruik, verkeerd gebruik en onbegrip; waardoor waardevolle bevindingen verloren gaan en waardeloze bevindingen enorm belangrijk gevonden worden. Daarom stellen ze voor om de p-waarde-norm los te laten en de p-waarde weer een bescheidener plek te geven naast datgene waar het écht om draait: het effect en de grootte daarvan.

Mijn steun hebben ze: dat moge duidelijk zijn, maar of het kansrijk is durf ik te betwijfelen. Ik begin te ontdekken dat normen makkelijker ontstaan dan verdwijnen. Natuurlijk is de eerste stap om je ertegen uit te spreken. Maar dan begint de lange, lange weg om de praktijk te veranderen. Of deze wetenschappers daar zo goed in zijn als in zich uitspreken? We gaan het zien.

Meer lezen?

Ik schreef al eens hoe enorm overschat de IQ test is en wat daar de gevolgen van zijn. Meer in het algemeen stelde ik vragen bij een doorgedreven vorm van empirisme in waarheidsinjecties. Het vergelijken van groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld) stelde ik aan de kaak in groepsidentificaties en in eerlijk vergelijken.

Sanne Blauw besprak op de Correspondent op heldere manier wat de p-waarde is en waarom wetenschappers hem willen afschaffen. Het oorspronkelijke Nature artikel vind je hier.

Ziekte

Er ging een relletje over. Een of andere feministe – ik weet haar naam niet meer – wilde niet spreken in een debatcentrum omdat daar eerder een rechtse professor – ik zal hem ook naamloos laten – had opgetreden. Inderdaad: alsof zijn verwerpelijke gedachten daar nog rond zouden zweven en haar gezonde geest mogelijk kon besmetten. Kennis als een ziekte. Het debatcentrum had nagelaten om de ruimte op een juiste manier te ontsmetten.

Ach, zo zal ze vast niet écht geredeneerd hebben, maar de gedachte dat ideeën gevaarlijk kunnen zijn; onze weerloze breinen onherstelbaar kunnen beschadigen; en dat mensen of instituten die zich met de verkeerde ideeën inlaten ‘gezuiverd’ moeten worden, doet wel weer opgang.

Misschien komt het door de opkomst van ‘alternatief rechts’: dat zichzelf op vrijheid van meningsuiting beroept en anderen juist de mond probeert te snoeren door nota bene de ‘vrijdenkers’ – zoals wetenschappers en kunstenaars – verdacht te maken. Knuffelwoord: indoctrinatie. Misschien denken we in het moderne leven al zo vaak over gezondheid, virussen, bacteriën, besmetting, hygiëne en medicatie, dat we er vanzelf ook aan denken als het over kennis gaat.

Wat moeten we met het idee van kennis als ziekte?

Een vreemd idee is het niet. Eigenlijk bieden mijn blogjes over mementheorie al een aardig inkijkje in dit denken: veel van de eigenschappen van ziektes zijn ook toepasbaar op kennis. Ideeën kunnen besmettelijk zijn, zich verspreiden, kunnen andere ideeën onder druk zetten. Het opdoen van nieuwe ideeën is niet altijd positief: mensen worden soms besmet met een gedachtengoed waar ze – ik roep maar wat- aanslagen van gaan plegen.

Maar in twee opzichten denk ik toch dat mensen die kennis als een ziekte zien, of het zo althans behandelen, ernaast zitten.

Ten eerste: breinen zijn niet bepaald weerloos. We staan voortdurend bloot aan nieuwe gedachten en ideeën. Maar vijandige ideeën worden door het brein toch echt geweerd. Als een idee niet in overeenstemming is met bestaande ideeën en onze achtergrondkennis, dan heeft het – zo laat veel sociaalpsychologisch onderzoek zien – weinig vat op ons. Zien we ideeën als ziektekiemen, dan is onze basiskennis ons afweersysteem.

Ten tweede: het helpt niet om je af te schermen voor slechte ideeën van anderen. Intellectueel zuivere mensen hebben eerder een slechtere dan een betere afweer. De metafoor doet hier prima zijn werk. Als we niet regelmatig bloot staan aan ziektekiemen, dan wordt onze afweer slechter. Dat geldt, denk ik, ook voor ideebesmetting. Mensen die intellectueel zuiver proberen te blijven, zouden wel eens makkelijker met een nieuw gedachtegoed ‘geïnfecteerd’ kunnen worden dan mensen die gewend zijn om alle meningen tot zich te nemen en te wegen. Zulke intellectuele sponzen hebben de tegenargumenten waarmee door andermans drogredenen geprikt kan worden al paraat.

Je kan kennis best zien als een ziekte en epidemiologisch naar het publieke debat kijken. Maar pas op voor types, van welke politieke kleur dan ook, die willen ‘zuiveren’. Ze hebben het niet begrepen. In de meeste gevallen is het niet de blootstelling aan het virus dat ons ziek maakt, maar eerder een gebrek aan weerstand.

Meer lezen?

Ik schreef over mementheorie in memen en cultuurdragers. In betekenisdrift leg ik uit waarom taal een minder krachtige veranderaar is van het denken dan je zou denken.

Ik besprak al een hele reeks andere metaforen zoals kennis als moeras, kennis als boom, en kennis als container.

Rorschach

Er zijn vast maar weinig lezers die bij de titel van dit blogje aan een plaatsje aan de Bodensee denken. Bijna iedereen denkt meteen aan vlekken. Sterker nog, ik denk dat een behoorlijk percentage Nederlanders een echte Rorschachvlek van een neppe kan onderscheiden. Zo beroemd is die man.

Wacht ik laat er even een zien…

download

Rorschachvlekken stonden voor mij altijd symbool voor de vaagheid van de psychiatrie. Zeg maar de psychiater als charlatan die je vraagt om vrij te associëren bij een totaal onduidelijk plaatje, en die daar dan het zijne van vindt – vast iets met onderdrukte seksuele impulsen. Misschien komt het door de film: daar is het zonder uitzondering een of andere pseudoloog die met die vlekken aan de slag gaat. Ik had er dus ook nooit zoveel mee. Totdat…

Nou ja. Mijn fascinatie voor Rorschachs vlekken begon pas toen ik leerde dat die vlekken onderdeel uitmaken van een gestandaardiseerde test. Dat hàd me moeten opvallen – net als jullie herkende ik Rorschach vlekken uit duizenden, maar het signaal dat dat door standaardisatie zou kunnen komen pikte ik gewoonweg niet op. Ik vond het ook een raar gegeven: een gestandaardiseerde vlekkentest; gewoon omdat het niet in het plaatje paste.

Maar het bleek te kloppen. Wat Hermann Rorschach onderscheidde van zijn tijdgenoten was juist dat hij zijn diagnoses heel wetenschappelijk wilde maken, veel wetenschappelijker dan in het begin van de 20e eeuw gebruikelijk was. Hij tekende ruim 100 inktvlekken en testte die op zo’n 400 proefpersonen, waarvan 300 patiënten. De 10 vlekken die het beste werkten voor een diagnose koos hij uit. Daar schreef hij een uitgebreide handleiding bij over hoe de antwoorden van patiënten geïnterpreteerd moesten worden. Met onderdrukte seksuele fantasie had het allemaal niets van doen.

Omdat de Rorschachtest een gestandaardiseerde test is, kan bovendien de collectieve ervaring van alle therapeuten die met de test werken, gebruikt worden om de interpretatie beter te maken. In de jaren zestig gebeurde dit ook en kwam er een nieuw, betrouwbaarder scoresysteem. De vlekken zelf veranderden niet.

Hoe komt het dan toch dat Rorschach zo’n slecht imago heeft? Vermoedelijk komt dat door het soort test: het is een projectietest. Je wordt gevraagd jouw ideeën op de plaatjes te projecteren, in de hoop dat dat iets zegt over je persoonlijkheid. Je bent -zeg maar – wat je in de plaatjes ziet. Maar om dat te kunnen doen moet je je beroepen op je fantasie. En fantasieën zijn vrij intiem. De meeste mensen delen hun fantasieën niet met iedereen – en al helemaal niet in een situatie waar ze beoordeeld worden op hun geestelijke gezondheid; nog zoiets intiems. Het is dus een test waarbij de patiënt in een kwetsbare positie wordt gedwongen. Als toeschouwers voelen we in deze situatie meer mee met de arme patiënt dan met de dokter en zijn, zogenaamd, betrouwbare scoresysteem.

Er zijn ook goede redenen om te denken dat een dergelijke test niet kàn werken. Je verwacht dat mensen heel verschillende dingen roepen als ze gevraagd worden wat ze in die vlekken zien. Die diversiteit geeft ruis: als mensen heel verschillende antwoorden geven op dezelfde vraag, is het lastig om vast te stellen hoe je zo’n antwoord moet interpreteren. De antwoorden worden zelf weer een soort Rorschach-vlek. Het is maar wat je erin ziet. Over het algemeen geld dat je met gerichte vragen een betere betrouwbaarheid kan halen dan met een vrije-associatie test.

Ondanks zijn wetenschappelijke doel en zijn update in de jaren 60 staat de Rorschachtest dus nog altijd onder vuur staan. Er zijn onderzoeken die zeggen dat de test het niet beter doet dan een diagnose zonder test; dat de test verkeerde diagnoses stelt; en dat hij voor te weinig verschillende ziektes gebruikt kan worden. Een interessante kritiek is ook dat de test tegenwoordig niet meer zou werken omdat iedereen die plaatjes nu al kent en dus niet meer onbevangen de test in kan gaan. Heb je de diagnose eindelijk gestandaardiseerd…

Hoewel wetenschappelijke studies naar het gebruik van de test niet eenduidig zijn en de test niet heel sterk uit de bus komt, laten ze wel degelijk een positief effect zien. Het lijkt er op dat een diagnose met Rorschachtest beter werkt dan een diagnose zonder hulpmiddel. Rorschach heeft, zij het heel voorzichtig, de wetenschap aan zijn kant.

Mijn inschatting is dat het te weinig is. Er zijn -of komen- betere testen, waarbij patiënten niet hun fantasieën bloot hoeven te geven. Dan verdwijnt Rorschach van het toneel en blijft alleen het charlatanimago uit de film over. Dat vind ik fijn voor de patiënten, maar jammer voor ons als maatschappij. Ik denk ook dat die test niet kan werken, maar dat is wel een vooroordeel. Juist omdat de test zo’n rare mix vormt van mystieke en wetenschappelijke ideeën, herinnert zij ons eraan dat we dat soort vooroordelen moeten toetsen – en dat we uiteindelijk de wetenschap moeten laten spreken.

Het verketteren van de Rorschachtest, voordat het finale oordeel van de wetenschap geveld is, hoort nu eenmaal niet bij de wetenschappelijke houding die Rorschach zelf voor stond. Laten we de man eren, als was het alleen omdat hij het icoon voor twijfels aan de wetenschappelijkheid van de psychiatrie ontwierp.

Meer lezen?

Ik besprak eerder de IQ test, die er ook al niet goed af kwam. Het soort trials dat heeft aangetoond dat de Rorschach test werkt zijn niet bepaald waterdicht, zoals ik in ongezond aan de orde stelde. Dat je je ideeën moet testen en waarom bespreek ik in Eksters.

Adaptief de 21e eeuw in

Kennis is weer uit. Althans, in het onderwijs. Daar zijn 21st century skills in; en computational thinking. Die aandacht voor vaardigheden boven kennis is natuurlijk niet fonkelnieuw. Ik ben zo’n 25 jaar geleden tot docent opgeleid en sindsdien wordt ongeveer dezelfde mantra steeds in een nieuw, nog hipper, jasje gestoken.

Het gaat ongeveer zo. In de toekomst gaat feitenkennis minder belangrijk worden. Want leerlingen kunnen alles opzoeken op internet en bovendien verandert de wereld steeds sneller waardoor de ideeën verouderen waar je bij staat. Wat studenten ècht nodig hebben is leervermogen. Ze moeten nieuwe kennis tot zich kunnen nemen. Ze moeten multidisciplinair kunnen samenwerken. Ze moeten zich snel aan nieuwe situaties kunnen aanpassen. Zodat ze, in de turbulente tijden die voor ons liggen, met alle winden mee kunnen waaien. Zoiets.

Ja het klopt: ik ben daar sceptisch over. Er kloppen twee dingen niet aan: het geschetste wereldbeeld én de voorgestelde oplossing.

Eerst even die steeds sneller veranderende wereld. Klopt dat? Nou, nee. Zo snel gaan die veranderingen nu ook weer niet. Historici wijzen erop dat we al eeuwen het gevoel hebben dat de ontwikkelingen steeds sneller gaan, maar dat zegt misschien meer over ons dan over de daadwerkelijke ontwikkelingen in de wereld. Het revolutionaire en ontwrichtende karakter van nieuwe technologie wordt meestal nogal overdreven; zeker door de uitvinders.

En de digitale revolutie dan? Ja, natuurlijk. De smartphone is pas een dikke tien jaar oud en allang niet meer uit de samenleving weg te denken. Maar alles wat ik daar nu mee doe: e-mailen, internetten, gamen en bellen, doe ik al sinds mijn jeugd met andere technische middelen. De ‘revolutie’ is vooral dat ik het nu kan doen terwijl ik naar mijn werk fiets.

Revolutionair denken is volgens mij vooral een kwestie van aandacht. Als je je aandacht richt op wat er allemaal veranderd is, dan gaat het inderdaad allemaal razendsnel. Let je op wat er allemaal hetzelfde blijft, dan loopt het zo’n vaart niet.

Maar de ècht prangende kwestie is natuurlijk de voorgestelde oplossing. Is het voor het toekomstige aanpassingsvermogen van onze leerlingen goed om minder vakinhoud en meer leervaardigheden te onderwijzen? Met andere woorden: moeten we op de basisschool taal en rekenen, op de middelbare school natuurkunde en geschiedenis, of in het beroepsonderwijs kook- en programmeerles, vervangen door lessen over creativiteit, leren leren, probleemoplossen en samenwerken? Die vraag verdient een genuanceerd antwoord, dat volgens mij toch begint met: “nou nee” of “nog niet meteen”.

Het probleem met 21st century skills, ontwerpdenken of andere complexe vaardigheden is dat ze niet kunnen bestaan zonder vakinhoud. Kennistransfer – het hergebruiken van kennis die je in één context hebt geleerd in een nieuwe context – blijkt namelijk heel moeilijk te zijn. Creatieve schakers volgen bij het koken vaak simpele, vaste recepten, terwijl sterrenkoks nog geen toren van een pion kunnen onderscheiden. Het is alsof er verschillende ruimtes zijn in het brein: voor taal en rekenen, voor natuurkunde, en voor frisbee – en dat de taalcreativiteit niet naar het frisbeeveldje durft, of andersom. Je kunt studenten creativiteitsles geven tot je een ons weegt, maar zonder ze materiaal te geven om creatief mee te zijn – of zonder ze onder te dompelen in een vakwereld waarin hun creativiteit een plekje kunnen geven – heeft dat geen enkele zin.

Gelukkig is er een middenweg. We hoeven niet per se te kiezen tussen vak- of vaardighedenles. We kunnen die twee hand in hand laten gaan. Het is goed mogelijk om vakinhoud zò te onderwijzen dat studenten die flexibeler kunnen inzetten. 21st century content dus. Die middenweg wordt onderzocht door onderwijskundigen die zich richten op adaptieve expertise.

Het idee van adaptieve expertise start met een interessante asymmetrie. Terwijl het bijna altijd zo is dat mensen die creatief zijn, goed kunnen samenwerken en nieuwe problemen aan kunnen pakken óók experts zijn in hun vak – is het niet altijd zo dat experts in een vak ook die vaardigheden voor aanpassing hebben. Blijkbaar vloeien die vaardigheden voort uit vakkennis, maar niet altijd. Alsof je op een gekostumeerd bal komt en sommige gasten blijken een maskertje te dragen en anderen niet. Het roept de vraag op hoe die creatieve, of adaptieve, vakmensen zich onderscheiden, en of dat ook te leren is.

Volgens onderzoekers hebben adaptieve experts dezelfde vakkennis als gewone experts, maar is die op een andere manier ‘gerepresenteerd’. Adaptieve experts hebben blijkbaar hun bovenkamer beter op orde. Hun kennis is beter gestructureerd en abstracter dan die van gewone experts. Hierdoor zijn ze beter in staat om in nieuwe situaties opnieuw gebruik te maken van hun vakkennis. Adaptieve experts hebben adaptatie ook al geoefend. Ze hebben vaak meer ervaring met vernieuwende opdrachten en ze hebben de kans gehad hun eigen oplossingsstrategieën te ontwikkelen.

Wat ik interessant vind aan dit lijstje, is dat hier twee ‘kampen’ samenkomen die in de 21st century skills-discussie lijnrecht tegenover elkaar staan. Hoe zorg je dat leerlingen een gestructureerde kennisbasis verwerven en dat ze abstracte kennis opdoen? Dat kan met degelijk onderwijs met veel aandacht voor theorie. Hoe zorg je dat studenten hun kennis in nieuwe situaties kunnen toepassen en hun eigen oplossingsstrategieën kunnen ontwikkelen? Vrij onderwijs waar studenten losgelaten worden, in projecten bijvoorbeeld.

Het is dus én én en niet òf òf.

Kan 21st century-onderwijs je leerlingen flexibeler maken? Ik denk dat het er nogal van afhangt hoe je onderwijs er nu al uitziet. Geef je nu alleen klassiek onderwijs waarin vakkennis centraal staat, dan is het misschien raadzaam iets meer ruimte te maken voor leervaardigheden en het ontwikkelen van eigen oplossingsstrategieën. Maar, als je nu al veel met projecten werkt, loop je met nóg meer vaardighedenonderwijs het risico de vakkennis – die juist de basis vormt voor adaptieve expertise – uit te hollen. Volgens de adaptieve-expertisetheorie moet je feitelijk een middenweg zien te vinden.

Misschien denk je nu: “Maar dat deden we toch allang?” Dan sta je vast niet alleen. Verandering is relatief. Als je als docent of school de afgelopen 25 jaar met geen enkele mode bent meegegaan, wordt het hoog tijd voor een nieuwe garderobe. Maar als je steeds de mode hebt bijgehouden, kun je echt nog wel een jaartje toe met dat leuke jasje. Hét onderwijs hoeft niet helemaal anders. Heel erg ouderwets onderwijs moet (misschien) wél helemaal anders.

 Want zeg nou zelf: meer nog dan of het wel zinvol is, vraag je je bij onderwijsvernieuwing vaak af welk onderwijs de onderwijsvernieuwers zélf eigenlijk genoten hebben.

Meer Lezen?

Ik sprak al over kennistransfer toen ik me hier afvroeg wat echt basiskennis is. Ik sprak over de uitdagingen van het onderwijzen van nieuwe ontwikkelingen in mijn blog opkijken naar nieuwe kennis en ik schreef ik al eens een beschouwing over het vak geschiedenis.

Aan het denken over de toekomst en veranderingen besteedde ik aandacht in de blogjes vooruitgang en in opdracht van de tijd.

Voor dit artikel heb ik gebruik gemaakt van een systematische literatuurstudie over adaptieve expertise van de universiteit van Maastricht. Deze is helaas nog niet open access beschikbaar.

Poetsvissen

Poetsvissen hebben zelfbewustzijn! Althans… er is een poetslipvis geslaagd voor een test die vaak gebruikt wordt om dat te meten. De krant maakte er maar tussen neus en lippen melding van, maar het zou wel eens een heel belangrijke – zo niet ontwrichtende – bevinding kunnen blijken.

Goed, misschien wordt het maar één keer gevonden natuurlijk. Het zou kunnen dat die wetenschappers toevallig naar de Einstein onder de poetsvissen hebben zitten kijken. Of ze hebben het gedrag van die poetsvissen verkeerd geïnterpreteerd. Dan waait het wel weer over.

Maar, als dat niet zo is?.. Ik bedoel: het zou ook zomaar zo kunnen zijn dat dit experiment herhaald wordt. En dat dan heel veel poetsvissen het blijken te kunnen. En misschien ook nog wel andere vissen. Dat gaat veel discussie geven. Òf het experiment wordt afgeschreven òf we gaan accepteren dat poetsvissen echt zelfbewustzijn hebben. In beide gevallen vindt er een landverschuiving plaats in ons denken. Welke van deze twee opties het wordt zegt misschien wel meer over ons dan over die schattige beestjes.

Goed, waar hebben we het over? Poetslipvisjes zijn visjes van zo’n vier centimeter groot. Ze zijn langwerpig, hebben gekleurde en zwarte strepen en zijn meestal in de buurt van andere vissen te vinden. Ze eten namelijk parasieten en dood weefsel van andere vissen. Vandaar die naam. Maar weten poetsvissen wie ze zijn? Hebben ze een ego – een ik? Kunnen ze als het ware over zichzelf nadenken, zoals wij dat de godganse dag aan het doen zijn? Dat is eigenlijk de vraag die in dit experiment centraal staat.

We weten bijzonder weinig over wat dieren bewust meemaken. We zijn ons wel bewust van sommige van onze eigen ervaringen, maar we kunnen niet inschatten of dieren iets soortgelijks beleven. Het probleem is dat beleving altijd subjectief is. We kunnen zelfs niet met zekerheid zeggen of andere mensen écht ervaren wat wij ervaren.

Hoe weet je wat anderen ervaren? Daar is geen direct bewijs voor. Wat je kan doen is het afleiden uit gedrag. Als je samen met een vriend in een achtbaan zit en hij begint heel hard te gillen, terwijl je zelf de adrenaline door je aderen voelt stromen en je maag voelt draaien, is het niet zo’n grote stap om te denken dat je vriend ongeveer hetzelfde ervaart als jij. De omstandigheden en het gedrag van je vriend zijn ongeveer hetzelfde als de jouwe, dus dan zal je ook wel ongeveer hetzelfde ervaren.

Bij dieren is dat lastiger natuurlijk. De verschillen in omstandigheden en gedrag zijn nu eenmaal groter. Maar wat dieren ervaren is wel een heel belangrijke vraag omdat het iets zegt over hoe we ons tegenover andere dieren mogen gedragen.

Veel mensen gaan ervan uit dat dieren geen bewustzijn hebben, zeker niet de dieren die we op willen eten. Insecten kun je zonder problemen doodslaan en ook vissen kunnen volgens sommige mensen geen pijn voelen. Varkens gillen wel als ze onverdoofd gecastreerd worden, maar dat is aanstellerij. Honden hebben weer bovennatuurlijk bewustzijn, die voelen het al aan als er iets ergs gebeurt met de baas, voordat ie het huis binnenkomt. Nou ja. Je weet wel hoe er zoal over gepraat wordt. Feitenvrij.

Dus. Hoe kan je wel op een betrouwbare manier zicht krijgen op het bewustzijn van dieren? Hoe zou je kunnen bewijzen dat dieren zelfbewustzijn hebben, bijvoorbeeld? Daar komt het spiegelexperiment om de hoek kijken. De psycholoog Gordon Gallup bedacht het in de jaren 70. Het spiegelexperiment was een manier om te onderzoeken of apen – primaten bijvoorbeeld – misschien ook zelfbewust waren, net als mensen.

De meeste dieren worden agressief als ze in de spiegel kijken, maar op een gegeven moment wennen ze eraan. Gallup liet apen wennen aan de spiegel. Vervolgens bracht hij iets op het lijf aan, zoals een vlek of een sticker, die de dieren alleen via de spiegel konden zien. Sommige apen gingen die vlek vervolgens inspecteren. De conclusie moest wel zijn dat de dieren zichzelf in de spiegel konden herkennen.

Een van de interessante dingen aan de spiegeltest is dat niet alle dieren ervoor slagen. Het lijstje bestaat eigenlijk alleen uit dieren die ook ander intelligent gedrag vertonen: bonobo’s, dolfijnen, orca’s, olifanten en eksters. Er zijn ook veel dieren die we als bijzonder intelligent beschouwen zoals honden, katten, – en ook allerlei apen – die zakken voor die test. Zelfbewustzijn is niet ieder dier gegeven.

En nu blijken poetsvissen dus ook door de test te komen. Poetsvissen gaan een vlekje van zichzelf proberen te verwijderen, nadat ze die in de spiegel gezien hebben. Dat is een tikje onverwacht en – om heel eerlijk te zijn – best wel ongemakkelijk.

De bevinding morrelt namelijk aan ons wereldbeeld. Wij zien onszelf heel graag als een uitzondering in de natuur. Dat wordt met twee dure woorden ‘exceptionalistisch antropocentrisme’ genoemd. De gedachte is dat mensen zijn geen ‘gewone’ dieren zijn, maar dat ze zich op de een of andere manier onderscheiden. Ze zijn door taal, cultuur, intelligentie of technologie ver boven andere diersoorten verheven. Als zodanig hebben mensen ook andere rechten en plichten in de natuur.

De uitzonderingspositie voor de mens in de natuur zie je terug in allerlei oude teksten, zoals de Bijbel; en we denken nog steeds vaak dat we heel anders zijn dan andere dieren. Dat is ook niet zo vreemd. Zolang andere dieren niet in steden wonen, autorijden en Netflix kijken – is het toch moeilijk om ze als volledig gelijkwaardig te zien.

Maar het exceptionalisme gaat wél tegen de ideeën van Charles Darwin in. Darwin was een gradualist. Hij erkende dat dieren van elkaar verschilden, maar die verschillen waren in zijn ogen altijd klein. Soorten evolueerden stukje bij beetje naar andere soorten. Als je de mens wilde bestuderen kon je beter kijken naar wat we allemaal gemeen hebben met andere dieren, dan naar wat de verschillen zijn. Zo kon men zien waar onze bijzondere eigenschappen vandaan kwamen en wat ooit het evolutionaire voordeel ervan was.

De spiegeltest vormt een prettige middenweg tussen het gradualisme en het exceptionalisme. De test laat zien dat andere dieren óók zelfbewustzijn hebben – en dat het dus niet iets unieks menselijks is, maar het plaatst de mens ook in een exclusief gezelschap van hoogst intelligente dieren die (blijkbaar) op de een of andere manier ‘hoger’ zijn dan andere dieren. Bonobo’s, olifanten en walvissen bijvoorbeeld.

De uitzonderingsbevestiging die in het spiegelexperiment omsloten zit komt op losse schroeven te staan als lagere dieren, zoals mieren en poetsvissen er voor gaan slagen. Wat moeten we met een experiment waar honden voor zakken, maar poetsvissen voor slagen?

Je kan daar verschillende kanten mee uit. De eerste weg is om het experiment zelf te bekritiseren. Dat is wat je geneigd bent te doen met experimenten die niet in je wereldbeeld passen. In dat geval hou je dus vast aan het idee van hogere en lagere dieren en van zelfbewustzijn als een eigenschap van hogere dieren – en dan probeer je te laten zien waarom het spiegelexperiment niet noodzakelijk zelfbewustzijn aantoont. Dit is een strategie die veel wetenschappers op dit moment volgen.

Iets radicaler is het om de uitkomsten van het experiment te accepteren. Dan kun je vervolgens vragen stellen over het hiërarchische idee dat in het spiegelexperiment omsloten zit. Je zegt dus: “het is voorlopig de vraag wie voor het spiegelexperiment slagen en wie zakken, dat zouden mieren of meelwormen kunnen zijn, of poetsvissen, of struisvogels – maar alle dieren die slagen hebben zelfbewustzijn en dieren die zakken niet”.

Dit is de radicale variant. Het plaatst zelfbewustzijn buiten de indicatoren van de ‘hoogte’ van een diersoort en het stelt indirect vragen over het hele idee van hogere en lagere diersoorten. Dieren zijn verschillend: niet ‘meer’ of ‘minder’. Dat werk.

Ik heb al een paar keer door laten schemeren dat een keuze voor één van beide vormen uit kan maken voor wat we acceptabel menselijk gedrag vinden. Als er ‘lagere’ dieren bestaan zonder ‘subjectieve ervaringen’, dan kunnen we die met een gerust hart op een industriële manier telen of verbouwen. Wanneer zulke dieren veel meer op ons lijken als dat we nu toe willen geven, dan wordt het moeilijker. Zo zouden de, zichzelf herkennende, poetsvissen zomaar iets kunnen betekenen voor onze – duidelijk veel intelligentere – varkens. Het is me wat!

Meer lezen?

Ik schreef over dierenwaarneming en -bewustzijn in ervaring en omwereld. Ik schreef over het vraagstuk van intelligentie van anderen in Brein in een vat. Ik schreef over de evolutietheorie in Evolutiesnelheid, Memen en Cultuurdragers. Ik schreef eerder over dierexperimenten in Eksters.

Dit blogje is gebaseerd over een berichtje in het NRC over poetslipvissen. Ook de Volkskrant belichte het onderwerp.

Nog voor dat poetslipvissen door de spiegeltest kwamen lukte dat een bepaalde mierensoort. Dit is op de een of andere manier minder controversieel, omdat bij mieren het nog moeilijker is om de hypothese dat ze echt ‘zelfbewustzijn’ hebben overeind te houden dan bij poetslipvissen.

Calimero

Nu we na decennia babbelen over de klimaatverandering eindelijk in actie lijken te komen, breken gouden tijden aan voor argumentatie-antropologen. De na-mij-de-zondvloed-types in ons land willen natuurlijk best een beetje inschikken met hun Hummers, maar niet zonder eerst nog even flink wat verbaal vuurwerk af te steken. Dus rapporteert de Telegraaf in chocoladeletters over “klimaathysterie” en “klimaatindustrie” en buitelen de drogredenen en complottheorieën op sociale media weer als vanouds over elkaar heen. Over het woordenspelletje dat de Telegraaf nu probeert te spelen sprak ik al eens in Betekenisdrift, dus daar hoef ik nu niet zoveel aan toe te voegen, maar er zijn zeker argumenten in deze discussie die een nieuw blogje waard zijn.

Zoals bijvoorbeeld het argument waar ik me het meest over heb verbaasd: het Calimero-argument. Het gaat ongeveer als volgt. (1) Wij zijn maar een heel klein landje. (2) Dus moeten we vooral niet vooroplopen met klimaatmaatregelen. (3) Want wat wij doen helpt bijna niets én (4) misschien doen de anderen wel niet mee.

Zucht. En zij zijn groot en wij zijn klein. Het is een venijnig argument omdat het zo redelijk en lekker veilig klinkt. Eerst maar eens kijken of de grote jongens wel meedoen, dan kunnen wij onze paar centen ook wel inleggen; en tot die tijd is er toch niet veel verloren. Getekend: diverse politieke partijen, waaronder het CDA.

Het deugt natuurlijk niet hè? Het klimaatprobleem is een typisch geval van wat economen de tragedy of the commons noemen. Als er een handvol boeren zijn die hun koeien op hetzelfde gras (de commons) laten grazen zijn de individuele belangen van de boeren niet te rijmen met het gemeenschappelijke belang.

Voor elke boer afzonderlijk is het handig om een paar extra koeien op het gras te laten: dat levert meer melk op. Zolang er genoeg gras is tenminste: dus het is in het gemeenschappelijke belang om juist niet te veel koeien los te laten. Als alle boeren een extra koe nemen is het gras zo verdwenen.

De tragedie is dat er een kale vlakte ontstaat als alle boeren hun individuele belang voorop stellen en alle boeren dan failliet gaan. Slimme boeren denken dus niet alleen aan zichzelf, maar maken afspraken over hoeveel koeien ze laten grazen en houden zich eraan. Zodat alle koeien – ook die van henzelf – altijd genoeg gras hebben.  Ze plaatsen het gemeenschappelijke belang vóór het eigenbelang.

Zo zit het ook met het klimaat. We dragen allemaal bij aan het klimaatprobleem en hebben er allemaal baat bij dat het opgelost wordt. We hebben in Parijs afgesproken minder uit te stoten en het is in ons gemeenschappelijke belang dat ook te doen. Als Calimero alleen maar aan zichzelf denkt is het vast beter om even te wachten met die klimaatmaatregelen, maar dat najagen van het eigenbelang is juist wat het probleem veroorzaakt. Het kan dus niet de oplossing zijn. Tijd om wakker te worden. Er is nauwelijks gras meer. Iedereen, ook Calimero, moet het gemeenschappelijke belang voorop gaat stellen.

Het vingerwijsspelletje dat hier gespeeld wordt is ook alomtegenwoordig. Het maakt helemaal niet uit hoe groot of klein je bent. Burgers wijzen naar de grote bedrijven. Kleine landen wijzen naar grote landen. Grote landen wijzen terug. Arme landen wijzen naar rijke landen. Iedereen wijst naar Amerika.

Maar het gaat niet om wie het meeste gras eet. Het is dit keer juist gèèn wedstrijd. Iedereen eet nu al meer dan haar deel. De meeste Nederlandse burgers eten te veel gras. Het bedrijfsleven eet te veel gras. Andere landen, groot en klein, eten te veel gras. We moeten allemaal minder gras gaan eten en zolang we naar elkaar blijven wijzen verandert er niets. Bovendien ben je pas in een positie om iets te zeggen van wat anderen doen, als jouw eigen gebruik een beetje op orde is. Hoe groot of klein je ook bent.

Dat het moreel onjuist is om klimaatmaatregelen uit te stellen betekent natuurlijk niet dat het ook onhandig is. Misschien is afwachten gewoon goede realpolitik. Het commons-spel wordt nooit helemaal eerlijk gespeeld en wie weet kunnen we ons wel in een betere positie sjoemelen door iets later in te stappen. Daarom intrigeert het woord vooroplopen in het Calimero-argument mij. Wat zou een voormalig gidsland kunnen winnen bij een beetje achterop lopen?

Ik kan wel wat dingen bedenken, maar de belangrijkste is de overloopredenering. Nederland is natuurlijk geen eiland. Als wij strenge klimaatregels gaan hanteren terwijl andere landen er met de pet naar gooien, dan gaan die vervuilende bedrijven, vliegtuigen en personen wel ergens anders heen. De wereld wordt daar niet schoner van en wij verdienen er veel minder door. Erger nog als die bedrijven eenmaal weg zijn komen ze misschien wel nooit meer terug en ondervinden wij blijvend schade aan onze economie, alleen maar omdat we zo nodig de eerste wilden zijn.

Nu lopen sommige dingen wel sneller over dan andere. Mensen die in het Oosten wonen pakken misschien net zo lief in Frankfurt het vliegtuig, maar daarmee zit Schiphol niet ineens zonder reizigers. Veel mensen vinden het sfeertje op Schiphol prettiger en voor veel mensen voelt het dichterbij. Daarom blijven ze naar Schiphol gaan, ook als het wat duurder is. Zo zit het ook met bedrijven. Een bedrijf verplaatsen kost veel geld en moeite dus je gaat je geluk pas in het buitenland beproeven als je daar heel goede redenen voor hebt.

Overlopen is zo makkelijk nog niet. De kosten om je persoonlijke routine te verleggen of om de bedrijfsvoering aan te passen, worden switching costs genoemd. Switching costs vaak een reden om je geluk juist niet elders te beproeven. Tenzij je er vertrouwen in hebt dat het daar blijvend beter gaat zijn. Vaak zijn de switching costs te hoog om een overstap te rechtvaardigen. Daar komt nog bij dat de angst dat bedrijven die overstappen voorgoed weg zijn ook nog eens gebaseerd is op een asymmetrie. Een overstap naar het buitenland is zo gebeurd, maar om terug te komen zijn die switching costs ineens veel te hoog?

Eigenlijk is die overloopredenering dus ìn en ìn pessimistisch. Het doet alsof wij heel onpopulair zijn en niemand bij ons wil horen. Het drukt  ook pessimisme uit over de toekomst en hoe anderen dan met het klimaat zullen omgaan. In een wereld waar iedereen haar klimaatbeleid gaat aanscherpen, nu of in de iets verdere toekomst, heeft overlopen niet zoveel zin. En dan is het voor een klein gidslandje als Nederland ook helemaal niet zo erg om voorop te lopen in de verduurzaming.

Daarmee is het overloopargument gewoon een onderdeel van het wijsspelletje dat toch al onderdeel was van het Calimero-argument. Wij zijn bang dat anderen misschien niet meedoen en daarom doen we nog maar even niets. Waarmee we onszelf blootstellen aan de risico’s die met klimaatverandering gepaard gaan én voorkomen dat we in een positie zijn om er wat van te zeggen als anderen inderdaad niet mee blijken te doen. Dat lijkt me heel onverstandig.

Ik kan wel eens boos en verdrietig worden van hoe we op dit moment aan pessimisme ten onder gaan. Als het niet zo vreselijk was, zou je de mensheid nu zien als een bedreigde diersoort die het aan zichzelf te danken heeft. Panda’s hebben bijna nooit seks en eten met hun dieet van bamboe wel heel eenzijdig. Dat is niet slim als je als soort wil voortbestaan. Mensen wijzen naar elkaar tot ze een ons wegen en stoken ondertussen de planeet zo warm dat die onleefbaar wordt. Natuurlijk red je het dan niet als soort. Het is tragisch, maar ook wel een beetje aandoenlijk.

Meer lezen?

In betekenisdrift ga ik in op de vraag of woordgebruik invloed heeft op de gedachten. De Telegraaf rekent daar wel op, maar geloof er niet zo in.

In in opdracht van de tijd sprak ik ook al eens over hoe verwachtingen over de toekomst ons handelen bepalen. Ik was daar vrij kritisch over het gebruik van voorspellingen over de toekomst als raadgever.