Informatieverwerker

Hebben we het brein altijd al gezien als een ‘soort computer’? Niet bepaald.

Tijdens de industriële revolutie probeerden we het brein vooral te begrijpen als een machine, met begrippen als krachten, elektriciteit en scheiding van functies. Pas in het begin van de 20e eeuw werd ‘informatie’ het dominante begrip.

Met de introductie van de meet- en regeltechniek, en later de computer, ontstond een generatie machines die misschien beter geschikt was om als model voor het brein te dienen dan de stoommachine en haar opvolgers. Dit blogje gaat in op de omslag in ons denken over het brein die door deze ontwikkeling is veroorzaakt.

Inhibitie (19e eeuw)
Misschien was het een wetenschappelijke ontdekking uit de late negentiende eeuw die ons voor het eerst op het informatiespoor zette: inhibitie. Inhibitie is het effect dat sommige zenuwen lichaamsfuncties remmen in plaats van stimuleren

In 1845 lieten Ernst en Eduard Weber zien dat elektrische stimulatie van bepaalde zenuwen de hartsnelheid kon verlagen in plaats van verhogen. Natuurlijk, dit idee van het lichaam als regelsysteem paste wel in de mechanische (pneumatische) metaforen die in die tijd voor het zenuwstelsel opgang maakten. Alleen was het niet makkelijk te onderzoeken en het was onduidelijk hoe het voor het brein werkte.

De vragen die inhibitie opriepen werden nog versterkt door de ideeën van Hermann von Helmholtz die liet zien dat perceptie geen passief proces was. Het oude idee was dat de wereld een indruk op ons brein achterlaat, maar Helmholtz had redenen om een actief proces te veronderstellen. Het argument was dat het brein een 3D wereldbeeld construeert uit twee 2D beelden die door beide ogen worden waargenomen. Dit gebeurt onbewust, maar het betekent wel dat de beelden waar we ons bewust van worden moeten worden gezien als een soort conclusie die aan het bewustzijn gevoerd wordt, eerder dan een directe afdruk van de buitenwereld.

Helmholtz’ idee werd ondersteund door de filosofie van Emanuel Kant die stelde dat perceptie ontstaat doordat het brein haar kenvermogen op de werkelijkheid projecteert. Beide ontdekkingen gaven aanleiding om het brein als een proactief orgaan te zien, eerder dan een passieve waarnemer van de werkelijkheid. De vraag bleef alleen: hoe dan?

Neuronen (19e en 20e eeuw)
Vandaag de dag zouden we ongetwijfeld neuronen bij ons antwoord betrekken. Neuronen zijn de cellen waaruit ons zenuwstelsel is opgebouwd, maar het duurde lang voordat zelfs maar kon worden vastgesteld dat het cellen waren.

Neuronen zijn met elkaar verbonden via fijne vertakkingen die moeilijk waarneembaar zijn. Daardoor kon men niet vaststellen of het zenuwstelsel uit losse cellen bestond of een weefsel vormde dat tussen andere cellen lag. Dit veranderde toen Camillo Golgi bij toeval een techniek ontdekte waarmee zenuwcellen bij het afdrukken een andere kleur kregen dan omliggende cellen. Nu konden zenuwcellen zichtbaar gemaakt worden.

De techniek werd verbeterd door een andere wetenschapper: Ramón y Cajal. Maar beide wetenschappers verschilden van mening over wat de prints met zenuwcellen eigenlijk lieten zien: een weefsel of losse cellen. Toen Golgi en Cajal samen de Nobelprijs kregen, waren ze het nog altijd oneens. Uiteindelijk werd aangetoond dat zenuwcellen inderdaad als cellen gezien moeten worden en niet als een weefsel.

Dit inzicht bracht de wetenschap een stap verder. Met een bouwsteen in handen: de cel, het neuron, kon het zenuwstelsel veel beter onderzocht worden. Langzaam werd duidelijk dat zenuwcellen verschillen in vorm. Op verschillende locaties zijn er verschillende cellen – hetgeen op specialisatie duidt. Verder hebben de cellen vertakkingen als ingangen (dendrieten) en uitgangen (axonen). De overgang tussen twee zenuwcellen (de synaps) speelt een belangrijke rol in het functioneren ervan.

Ook werd duidelijk dat stroom maar in één richting door de hersencel kan. En dat de cellen er in slagen spieren te activeren via een chemisch proces bij de overgang tussen twee cellen. Deze laatste bevinding was de uitkomst van een lang wetenschappelijk dispuut waarin voorstanders van een chemische theorie (soups) lijnrecht tegenover die van een elektrische theorie (sparks) stonden.

Hoe meer we door deze lijn van onderzoek ontdekten, hoe meer het misschien begon te dagen dat we nog weinig wisten. De telefooncentrale was lang een metafoor geweest om het brein mee te begrijpen, maar het was duidelijk dat als de neuronen al als schakelaars gezien moesten worden, ze heel anders werkten dan de schakelingen in deze centrales.

Machines (20e eeuw)
Het gebruik van ideeën uit de techniek om het lichaam te begrijpen is vermoedelijk zo oud als het denken zelf. In de geschiedenis van het denken over het brein zijn we dit idee al verschillende malen tegengekomen. Maar in de 20e eeuw draaiden onderzoekers de richting om. Ze gingen pogingen doen om het brein in technische zin na te maken: ze ontwikkelden robots.

De meet- en regeltechniek kwam op – en machines die bijvoorbeeld een koers vast konden houden, werden daardoor mogelijk. Thomas Ross bouwde een robot die via trial en error zijn weg door een doolhof kon vinden en dit daarna kon herhalen; de meest eenvoudige manier om een leerproces weer te geven. Maar in veel opzichten was Ross’ machine niet meer dan een gimmick. Een wijziging in het doolhof maakte al dat de robot zijn weg niet meer kon vinden.

Het onderzoek naar inhibitie had al aangetoond dat neuronen ook deel uitmaken van een meet- en regelsysteem. We wisten alleen nog niet hoe. Onderzoek naar de elektrische werking van neuronen gaf antwoorden – en nieuwe vragen.

Elektriciteit gaat heel anders door een neuron dan door een metaaldraad en ook veel langzamer. De eerste biochemische modellen werden voorgesteld om dit te kunnen verklaren. Ook werd ontdekt dat zenuwen alles-of-niets-gedrag vertonen. Ze zijn in essentie digitaal. Ze kunnen pulsen sneller of langzamer afgeven, maar elke puls is even sterk.

In de eerste Eerste Wereldoorlog werden radioversterkers ontwikkelt. Edgar Adrian en Yngve Zotterman gebruikten dit om aan te tonen dat: (1) neuronen digitaal van karakter zijn, (2) ze stoppen met vuren als ze te veel gestimuleerd worden en (3) de intensiteit uitgedrukt wordt in pulsfrequentie en niet in puls-sterkte. Later paste Adrian deze versterkingstechniek ook op het brein als geheel toe en ontdekte dat het brein in rust in een bepaalde frequentie actief is (we noemen dat nu alfagolven).

Deze ontdekkingen lieten misschien eerder de ‘vreemdheid’ van het zenuwstelsel zien dan dat ze antwoorden gaven over de werking ervan. Maar ze introduceerden, samen met de robotexperimenten, wel nieuwe begrippen in het denken over het brein. Begrippen die later heel centraal zouden worden: informatie, code en boodschap.

Controle (20e eeuw).
En toen werd de computer uitgevonden: eerst op papier door Alan Turing en John von Neumann, in de jaren 40. Al snel, in de jaren 50, werden ze ook echt gebouwd. Turing bewees dat de ‘Turingmachine’, een vrij eenvoudig denkbeeldig apparaat, werkelijk elke denkbare berekening kon uitvoeren. Zou het brein niet op dezelfde manier kunnen werken?

In de vroege ontwikkeling van de computer was er veel enthousiasme over deze ideeën. Het vakgebied van de cybernetica kwam eruit voort. Hier stond de symbolische verwerking van signalen en communicatie centraal. Maar de droom dat het op korte termijn mogelijk zou zijn een computer te maken die het menselijk brein zou simuleren spatte al snel uiteen.

De eerste intelligente robots waren ook niet erg intelligent, maar wat erger was, de binaire werking van de computer leek niet op de werking van neuronen. Die zijn in principe ook binair, maar ze verwerken signalen op een analoge manier. Signaalsterkte wordt uitgedrukt in vuurfrequentie. De logische schakelingen in de computer met EN-poorten en OF-poorten kunnen helemaal niet met een dergelijk signaal omgaan.

Het idee dat het brein een machine is die symbolen verwerkt is blijven hangen, maar we moesten wachten op een theorie van hoe de biologie die verwerking aanpakt.

Tot slot
Het zenuwstelsel is te zien als een regelsysteem en als een informatieverwerker. In veel opzichten denken we er nog altijd zo over. En toch hebben de meet- en regeltechniek en computerwetenschappen de belofte dat ze ons zouden helpen om het brein te begrijpen maar zeer gedeeltelijk ingelost.

Op sommige niveaus lijkt ons zenuwstelsel op een regelsysteem, maar de soorten signalen die het gebruikt zijn heel anders dan die we uit de techniek kennen. Steeds moesten we concluderen dat het brein toch echt anders werkt dan de techniek die we als model gebruikten.

En dan is er nog de vraag hoe het allemaal schaalt. Hoe ontstaan uit al deze signaalverwerking intelligentie en bewustzijn? Het is nog altijd een vraagstuk waar we slecht raad mee weten. Daarom zijn we, zoals ik in mijn volgende blogje laat zien, computers maar gaan inzetten om het brein beter door te meten en te modelleren, in plaats van zelf als een model voor het brein te dienen.

Meer lezen?
Dit blogje is in zijn geheel gebaseerd op ‘The Idea of the Brain’ van Matthew Cobb. Het maakt het derde deel uit van een quintologie, die begon met de post ‘brein quintologie’, verder ging met ‘op zoek naar het brein’ en nog verder gaat met ‘gedachtenmeting‘ en ‘het onbegrijpelijke brein‘.

Ik schreef al eerder over de wisselwerking tussen informatiewetenschappen en technologie en in ‘reading James Gleick’s the information’ en over de ideeën van Emanuel Kant in ‘kenvermogen

Deze blogjes zijn natuurlijk vooral bedoeld om jullie lekker te maken om The Idea of the Brain zelf te lezen.

Op zoek naar het brein

Hoe zijn we erachter gekomen dat al onze zielenroerselen – ons denken over de meest alledaagse dingen tot de diepste vragen over onszelf en het bestaan, voortgebracht worden door een paar kilo weefsel ergens in ons hoofd?

Tot de negentiende eeuw was de vraag waar het denken plaatsvindt al even urgent als de vraag hoe het denken werkt. Omdat we nog weinig wisten van de natuurkunde en de biologie, en omdat we geen apparatuur hadden om eens goed te kijken wat er gebeurde in het lichaam. De breinwetenschap moest het tot de negentiende eeuw nog doen met veel gis- en conceptueel denkwerk. Iets waar we in de huidige, sterk experimentele wetenschap misschien juist wat meer behoefte aan hebben.

In ‘The Idea of the Brain’ laat Matthew Cobb zien dat het denken over het brein altijd sterk is beïnvloed door heersende theorieën buiten de breinwetenschap. Dat dit ideeën heeft opgeleverd waar we nog steeds op bouwen, mag haast niet verbazen.

Hart (tot 17e eeuw)
De eerste vraag die beantwoord moet worden is natuurlijk waar het brein zich bevindt, of preciezer: waar gedachten en gevoelens eigenlijk vandaan komen. Lang was het meest gegeven antwoord daarop het hart. Dat is ook niet zo vreemd als je bedenkt dat je hartslag verandert als je emotioneel wordt. Het hart is ook een actief orgaan, net zoals de gedachten actief zijn. Zonder biologielessen op de lagere school had je er waarschijnlijk net zo over gedacht.

Het is dan ook niet verrassend dat dit idee van het hart als denkorgaan lang dominant is geweest in de wetenschap. Aristoteles dacht al dat het denken in het hart zat – en tot in de middeleeuwen dacht bijna iedereen dat Aristoteles overal gelijk over had.

Het idee dat het centrum van het denken in ons hoofd zit en ideeën over de functie van de zenuwen ontstonden door experimenten op mensen en dieren. Leerlingen van Aristoteles viel het bijvoorbeeld al op dat mensenhersenen een complexere vorm hadden dan hersenen van dieren, terwijl mensen ook intelligenter leken dan dieren.

Na de Romeinse tijd lag het centrum van de wetenschap in de Arabische wereld, waar ideeën over het hart en het brein als oorsprong van ons mentale leven gebroederlijk naast elkaar bestonden. Het brein bestond misschien uit kamers met verschillende functies zoals waarnemen en inbeelden, redeneren en onthouden. Al die functies konden een eigen plek hebben in het brein. Misschien werden ze bewoond door geesten die weer hun oorsprong in het hart hadden. Al in de Romeinse tijd werd deze kamerhypothese weerlegd door anatomisch onderzoek. Er was in de anatomie van het brein niets te zien wat die functies kon verklaren.

Krachten (17e tot 18e eeuw)
In de wetenschappelijke revolutie mechaniseerde ons wereldbeeld. Wetenschap en techniek gingen hand in hand om oplossingen te vinden waarmee arbeid geautomatiseerd kon worden. Deze mechanische techniek werd vervolgens gebruikt als metafoor om mensen en dieren te begrijpen. Beroemd zijn plaatjes uit die tijd waar dieren voor het eerst als robots worden afgebeeld.

Zo verging het ook het brein. René Descartes dacht dat de geest iets fundamenteel anders was dan het lichaam en dat de geest het lichaam wist te besturen via de pijnappelklier. Het kernprobleem was hoe het brein er in kon slagen om invloed uit te oefenen op het lichaam. Dat de zenuwen een rol speelden werd algemeen aangenomen, maar hoe dat precies werkte bleef een groot raadsel. Oudere ideeën suggereerden dat die invloed het gevolg was van een bepaalde zenuwlucht (pneuma) of dat deze hydraulisch via een vloeistof werd overgebracht.

Gelukkig was de microscoop net uitgevonden. Die toonde aan dat er in de zenuwen geen ruimte was voor vloeistoffen of gassen. De filosoof John Locke stelde daarom voor dat het brein moest bestaan uit ‘denkende materie’. Dit werd als godlasterend gezien omdat de ziel dan niet onsterfelijk kon zijn. Daarnaast betekende het dat dieren, maar ook levenloze objecten, zouden kunnen denken – een idee dat iedereen absurd vond.

Elektriciteit (18e en 19e eeuw)
De opvolger van het krachtenidee was het idee van elektriciteit dat in de 18e eeuw populair werd. Hoewel dat nu een ‘correct’ idee lijkt, laat de geschiedenis vooral zien hoe weinig vooruitgang ermee geboekt werd.

Dat komt niet in de laatste plaats omdat elektriciteit zelf nog nauwelijks begrepen werd. Eerst was het nog vooral iets van circussen, waar elektriciteit als rariteit getoond werd. Later kreeg men iets meer controle met de uitvinding van de condensator en de batterij. Hoewel er bewijs was dat elektriciteit beweging kon stimuleren in kikkerbenen en in andere dieren, en dat men bepaalde sensaties elektrisch konden worden opgewekt, was geenszins duidelijk hoe dit precies samenhing met de werking van de hersenen.

Één probleem was dat zenuwsignalen veel langzamer waren dan elektriciteit in geleidende draden. Hermann von Helmholtz toonde aan dat zenuwsignalen ongeveer 30 m per seconde gingen. Dat is vrij traag. De waarneming zou dan altijd achterlopen. En ook voor het denken lijkt snelheid belangrijk. Een ander probleem was dat het niet logisch leek dat verschillende sensaties zoals zicht en gehoor dezelfde oorzaak zouden hebben. Ondanks dit gebrek aan bewijs was het idee van het elektrische brein populair. Het bekendste voorbeeld is Mary Shelley’s roman Frankenstein.

Functie (19e eeuw)
In de achttiende en negentiende eeuw ontstond ook het idee van functie en functielokalisatie. Dit past in het idee van het brein als een machine.

Het idee is dat bepaalde delen van het brein bepaalde functies vervullen. De schedelmetrie was op dit idee gebaseerd. Aan de hand van bulten in de schedel zou je iets kunnen vaststellen over iemands karakter. Schedelmetrie was altijd al controversieel en raakte uit de mode door gebrek aan bewijs.

Toch is lokalisatie geen vreemd idee. Er was bewijs doordat mensen met gedeeltelijk hersenletsel ook delen van hun vermogens kwijtraakten. Bij dieren kon je dit ook experimenteel aantonen. Door specifieke hersenbeschadigingen aan te brengen, kon worden aangetoond dat hun gedrag samenhing met de schade. En het toedienen van elektrische stoom in bepaalde delen van het brein had een vergelijkbaar effect.

Dergelijke experimenten konden natuurlijk niet bij mensen gedaan worden, hoewel sommige artsen hun kans grepen als ze konden. Berucht is het experiment op Mary Rafferty, door Roberts Bartholow. Mary’s brein lag bloot vanwege een scheur in haar schedel. Bartholow zette deze, naar eigen zeggen met goedkeuring van de patiënt, op verschillende plekken onder stroom hetgeen tot verschillende onwillekeurige reacties van de patiënt leidde.

Het experiment werd met interesse én afschuw bekeken. Het gaf steun aan het idee dat het brein gespecialiseerde gebieden kent, maar het werd ook als hoogst onethisch gezien. Naast ethische vragen was er iets anders waardoor het spoor doodliep. De experimenten met zwakstroom of via hersenbeschadiging waren zó grofmazig dat er te weinig echt nieuwe ontdekkingen mee gedaan konden worden.

Evolutie (19e eeuw)
De evolutietheorie wierp een nieuw licht op alle biologie, en dus ook op het brein. Op dit moment is het lastig een theorie te bedenken over het lichaam als het niet te verklaren is hoe een en ander geëvolueerd is, maar in de tijd van Charles Darwin moest de evolutietheorie bewijzen dat het oplossingen bood voor problemen van andere theorieën.

Om eerlijk te zijn lukte dat voor het brein aanvankelijk maar matig. Darwin was heel terughoudend met zijn ideeën over de evolutie van het brein en kwam pas geruime tijd na de ‘Origin of Species’ met het boek ‘The Descent of Man’ waarin hij zijn theorie over de evolutie van intelligentie ontvouwde.

In dit boek richt Darwin zich op de evolutie van gedrag. Hij somt gelijkenissen tussen mensen en dieren op. Insecten hebben sociale vermogens. Er zijn gelijkenissen tussen het gedrag van mensen en andere dieren. Huisdieren en primaten lijken emoties te hebben. Het past mooi in het gradualistische karakter van Darwins denken. Mensen hebben een combinatie van eigenschappen die we overal in de natuur terugvinden en die ontstaan zijn in een lange evolutionaire geschiedenis – bepaalde aspecten van de menselijke intelligentie zijn misschien verder ontwikkeld dan bij andere dieren, maar ze zijn niet essentieel verschillend.

Het was, en het is eerlijk gezegd nog steeds, zó moeilijk voor mensen om hun uitzonderingspositie in de natuur op te geven dat Darwins ideeën tot op de millimeter bevochten werden. Nog steeds heeft een wetenschapper als Frans de Waal moeite om de wetenschappelijke gemeenschap te overtuigen van het feit dat dieren empathie kunnen tonen. En het idee dat andere dieren dan mensen bewustzijn kunnen hebben wordt nog altijd bevochten.

Een belangrijk conceptueel probleem voor de evolutietheorie is dat het geen licht werpt op de relatie tussen het brein en ons bewustzijn. Hoe produceert het brein gedachten? De evolutietheorie heeft geen antwoorden. Snel na Darwins dood werd het idee van George Romanes populair dat alle materie bewustzijn heeft. Er zou een alles doordringende telepathische substantie bestaan, die los stond van de materie, maar die er wel mee kon interacteren. In de maalstroom van speculaties over het brein verdween het idee van evolutie naar de achtergrond, omdat het nog onvoldoende overtuigingskracht had.

Tot slot
Veel ingrediënten van het moderne denken over het brein hebben wortels in de vroege wetenschap: elektriciteit, lokalisatie van functie en evolutie. Maar deze jaren laten ook zien hoe een gebrek aan sterke ideeën over natuurkunde, biologie en informatiekunde de breinwetenschap bemoeilijkten.

Er was te weinig experimenteel bewijs om wetenschappers te dwingen antwoord te geven op specifieke vragen over het brein. Wetenschappers konden alleen speculeren over hoe het brein werkt. Het was daarom wachten op de twintigste eeuw waarin in de vorm van informatietechnologie, nieuwe modellen voor het begrijpen van het brein ontstonden én waar nieuwe manieren om het gedrag van het brein te leren kennen opgang deden.

Meer lezen?
Dit blogje is in zijn geheel gebaseerd op ‘The Idea of the Brain’ van Matthew Cobb. Het maakt het tweede deel uit van een serie die begin met de post ‘brein quintologie’ en verder gaat met ‘informatiewerker’, ‘gedachtenmeting‘ en ‘het onbegrijpelijke brein‘.

Over de evolutietheorie schreef ik als eens eerder in ‘evolutiesnelheid‘ over het idee dat materie bewustzijn kan hebben schrijf ik in panpsychisme.

Deze blogjes zijn natuurlijk vooral bedoeld om jullie lekker te maken om The Idea of the Brain zelf te lezen.

Brein quintologie

Hoe denken wij mensen eigenlijk over onze eigen intelligentie? Matthew Cobb probeert in ‘The Idea of the Brain’ uiteen te zetten hoe het denken over het brein zich door de tijd heen heeft ontwikkeld. Dat is snoepen natuurlijk. Wetenschapsgeschiedenis is altijd al boeiend omdat het ons iets leert over hoe we, met vallen en opstaan, aan kennis komen. Maar als het onderwerp van die geschiedenis dan ook nog het orgaan is waar we die kennis mee opdoen, dan kan een beetje kentheoreticus zijn geluk niet op. Maar Cobb maakt het ons tegelijkertijd helemaal niet makkelijk. 

Cobb laat zeker zien hoeveel we meer te weten gekomen zijn over het brein in de loop van de tijd, maar ook hoeveel vragen nog open liggen – en hoe het maar de vraag is of we met de huidige wetenschappelijke aanpak antwoorden kunnen krijgen op die vragen. ‘The Idea of the Brain’ is het verslag van een onvoltooide reis. Als die reis je interesseert, dan moet je het boek zeker bestellen en lezen, maar als je meer geïnteresseerd bent in de bestemming dan is het misschien verstandig om tenminste nog een paar decennia te wachten.

Afijn. Zelf vind ik dat het de reis is die telt en daarom neem ik ook wat meer ruimte dan gebruikelijk om Cobb’s ideeën te bespreken. Ik deel dit blogje op in vijf delen. Na deze overzichtspost ga ik in het tweede blogje in op de oude geschiedenis van het denken over het brein. In de oude geschiedenis moesten we leren dat onze intelligentie geproduceerd wordt door een orgaan. We moesten leren dat het zenuwstelsel en de hersenen dat orgaan vormen. En we kwamen er achter dat het brein geen radartjes met specifieke functies heeft.  

In het derde blogje over dit onderwerp ga ik in op het brein als ‘informatieverwerkende machine’. In de vroege 20e eeuw begonnen we het brein te begrijpen als een orgaan dat signalen verwerkt, en omdat we in dezelfde tijd machines gingen bouwen die dat ook deden, zoals de telegraaf -en later de computer, dachten we dat we een aardig eind waren met het begrijpen ervan. We moesten er nog achter komen dat het brein in een aantal opzichten fundamenteel anders in elkaar zit dan die machines.

In het vierde blogje ga ik in op hoe moderne wetenschappers het brein proberen te begrijpen door detailstudie van de processen die daar plaatsvinden. Ze bestuderen hersenactiviteit in zoveel detail als mogelijk; ze proberen het brein te besturen met implantaten; en ze proberen hersenprocessen na te bootsen in computers. Al die pogingen zijn op zichzelf erg indrukwekkend, maar Cobb roept wel de vraag op of we met al dat computergestuurd wetenschapsgeweld wel dichter bij het begrijpen van het brein gekomen zijn.

Tot slot ga ik in het vijfde blogje in op de overkoepelende lessen die we uit het werk van Cobb kunnen trekken: over het brein en over de hersenwetenschap. Over wat we weten, wat we nog moeten ontdekken en over de vraag of al dat gepuzzel wel zin heeft. Tot dan!

Meer lezen?

Dit is het eerste blogje van een serie over ‘The Idea of the Brain’ van Mathew Cobb. In het volgende blogje: op zoek naar het brein ga ik in op de oude breinwetenschappen; in informatieverwerker op de toepassing van het idee van informatie en communicatie op het brein; in gedachtenmeting op de moderne breinwetenschap; en in het ‘onbegrijpelijke brein‘ op de lessen die uit deze wetenschapsgeschiedenis getrokken kunnen worden.

Ik schreef al eens over het bewustzijn in ‘wil‘ en over de werking van het geheugen in ‘geheugenmachine

Ik schreef ook al eerder over wetenschapsgeschiedenis. Bijvoorbeeld in de wetenschapsgeschiedenis van Rens Bod en over de wisselwerking tussen informatiewetenschappen en technologie en in ‘reading James Gleick’s the information’.

Deze blogjes zijn natuurlijk vooral bedoeld om jullie lekker te maken om The Idea of the Brain zelf te lezen.

Wil

Het zou natuurlijk zo kunnen zijn dat ik dit blogje niet schrijf omdat me dat leuk leek en ik ertoe besloten heb, maar dat dat besluit op de een of andere manier voor me genomen is – en dat mijn bewustzijn mij om een nog onbekende reden wijsmaakt dat ik dat besluit genomen heb. Of kortweg, dat het idee dat mensen bewuste besluiten nemen een illusie is. 

Dit lijkt een vreselijk omslachtige theorie, maar ze heeft fervente aanhangers, vooral onder neurowetenschappers. Wat bezielt hen toch? Waarom staat het idee dat we bewuste besluiten kunnen nemen hen zo tegen? 

Het is vast een heel ingewikkelde kwestie, maar twee boosdoeners zijn overduidelijk. De eerste is René Descartes, de Franse filosoof die dacht dat ons denken het bewijs van ons bestaan is. De tweede is  Benjamin Libet die in de jaren 80 een experiment uitvoerde waar we nog steeds van in de war zijn.

Het verhaal van Descartes zal bekend zijn. Hij probeerde aan alles te twijfelen en kwam toen tot de conclusie dat men het lichaam wel, maar de geest niet kan betwijfelen. Dit leidde tot het dualisme. Voor Descartes waren lichaam en geest fundamenteel verschillende dingen met een andere ‘substantie’. Het lichaam was beperkt, stoffelijk en tijdelijk en de geest was vrij, onstoffelijk en eeuwig. Hoe lichaam en geest elkaar beïnvloedden, wist Descartes niet, maar het idee dat de geest voortkomt uit het lichaam ging er bij hem zeker niet in. De geest was leidend, het lichaam hooguit een tijdelijk vehikel of een zielloze machine. Het dualisme is alweer uit, maar de vraag hoe de subjectieve beleving van het denken, het bewustzijn, samenhangt met de biologische basis ervan, het brein, is nog springlevend. 

In de jaren 80 voerde Benjamin Libet daarom een ingenieus psychologisch experiment uit dat die discussie behoorlijk op scherp zette. Libet vroeg proefpersonen om hun vingers vrijwillig te bewegen en om te rapporteren wanneer ze de aandrang voelden om die beweging uit te voeren, terwijl Libet hun hersenactiviteit mat. Het bleek dat de bijbehorende hersenactiviteit voor die beweging al ruim 200 milliseconden voordat mensen een aandrang voelden om hun vingers te bewegen in de hersenen te zien was. Mensen zetten de beweging al in voordat ze zich er bewust van zijn dat ze dat willen.

Dat is tegenintuïtief. Ons boerenverstand zegt: je moet eerst een besluit nemen voordat je er naar kan handelen. Dus moet je je eerst bewust worden dat je je hand wilt bewegen en dan pas de beweging inzetten, niet andersom. Maar die omgekeerde volgorde is wel hetgeen Libets data lieten zien.

Zou het zo kunnen zijn dat het bewustzijn niet aan de knoppen van ons handelen zit, maar dat het zo’n beetje met de rest van de hersenen mee hobbelt – en dat het hooguit achteraf gevoel van controle voor ons fabriceert? Het bewustzijn is dan niet een stuur waarmee we richting kunnen geven aan het leven, maar een praatdoos die datgene wat we toch al doen voor ons goedpraat.

Het is deze naïeve interpretatie van het Libetexperiment die zo populair is onder neurowetenschappers. Dat heeft iets te maken met hun opvattingen over onderzoek. Neurowetenschappers proberen het brein te begrijpen vanuit de harde data die erover verzameld kan worden in EEG’s en fMRI-scans. Ze zijn wars van theoretische speculaties over het bewustzijn. Filosofen, die net als Descartes destijds, met gedachtenexperimenten vast proberen te stellen wat het bewustzijn is nemen ze niet serieus. We hoeven immers alleen naar Descartes te kijken om te zien wat voor absurde theorieën daaruit voortkomen.

Daarom kunnen we volgens hen het bewustzijn beter experimenteel bestuderen. Met moderne apparatuur kan je immers de werkelijkheid zelf laten spreken. Voor neurowetenschappers is psychologie in essentie een natuurwetenschap en ze vinden dat deze ook zo bedreven moeten worden. Dat is zo mooi aan het Libet experiment: het laat met harde data zien dat het bewustzijn niet bestaat.

Het probleem is alleen dat het Libet experiment dat helemaal niet laat zien. Het ironische van de naïeve interpretatie van het Libet-experiment is dat deze in essentie Cartesiaans is. De gedachte is dat er twee verschillende dingen zijn: (1) het bewustzijn en (2) het brein, dat je van elk van die dingen onafhankelijk kan meten wanneer ze actief worden en dat je oorzaak en gevolg kan vastellen door te kijken wie het eerst in beweging komt. Diegene die het laatste komt kan niet de veroorzaker kan zijn van wat de ander doet. 

Dat lijkt een sluitende redenering, maar er klopt iets niet. Want wat hadden we eigenlijk verwacht te zien? Dat mensen zich eerst bewust worden van een besluit en dat er daarna pas hersenactiviteit ontstaat? Waar komt dat bewuste besluit dan vandaan, als het niet uit de hersenen komt? Is het idee echt dat er geen hersenactiviteit nodig is voordat we een besluit nemen en dat onze grijze cellen daarna gaan rennen en vliegen omdat het besluit nu eenmaal moet worden uitgevoerd? 

Het ligt toch veel meer voor de hand dat we in het Libet-experiment verschillende aspecten meten van één proces waarin we een bewust besluit nemen en tot actie over gaan. We kijken niet naar twee dingen maar naar één ding: het nemen van een besluit tot actie. Een bewust besluit gaat natuurlijk gepaard met hersenactiviteit en die heeft tijd nodig om gang te komen. Als je dat op verschillende manieren meet is het niet vreemd dat het ene meetinstrument eerder opmerkt dat er iets gaande is dan het andere instrument. De EEG van Libet was gevoeliger voor de hersenactiviteit die bij het besluit hoorde dan de subjectieve beleving van de proefpersonen. Daarom sloeg ze eerder uit. 

Dat is een weinig opzienbarende uitkomst. Ik ben niet verbaasd dat het nemen van een besluit tijd kost. Ik ben niet verbaasd dat daar allerlei hersenprocessen bij betrokken zijn. Ik ben niet verbaasd dat sommige van die processen bewust zijn en andere niet. We moeten het brein, het bewustzijn en zeker de vrije wil niet los van elkaar zien.

Het is niet dat het bewustzijn besluiten neemt die het brein vervolgens uitvoert, het brein neemt besluiten en wij zijn ons daarvan bewust. Of misschien nog iets proactiever: het bewustzijn neemt deel aan onze besluitvorming. De rol van het bewustzijn is misschien bescheidener dan Descartes voor ogen had en wat we denken te denken heeft misschien minder invloed op ons handelen dan we denken. Maar het Libet-experiment laat op geen enkele manier zien dat het bewustzijn een illusie is of dat de vrije wil niet bestaat. 

Wat het experiment wel laat zien is dat je om nauwkeurige metingen te kunnen doen en die goed te kunnen interpreteren, een goede theorie nodig hebt. Er is te weinig bekend over de werking van het brein om te kunnen weten wat Libet nu precies mat en daardoor kunnen we er ook geen conclusies aan verbinden. Ik heb me er niet genoeg in verdiept, maar dezelfde beperking zou wel eens kunnen gelden voor veel moderner hersenonderzoek waar het idee van het bewustzijn als illusie mee onderbouwd wordt. 

Misschien ergeren de neurowetenschappers zich aan theorieën zoals die van Descartes. Tegelijk hebben onderzoekers die de data laten spreken, terwijl ze de theorie verwaarlozen, ons uiteindelijk even weinig te vertellen als de filosofen die denken dat twijfel afdoende is om de absolute waarheid te achterhalen. 

Meer lezen?
Ik schreef over het gedachtenexperiment van Descartes in Brein in een vat en over zelfbewustzijn in Poetsvissen, ik schreef ook al eens eerder over Gedachtenexperimenten in het algemeen en over de werking van het brein.

Dit blogje is natuurlijk een heel sterke vereenvoudiging van een complex debat. Een goede beschouwing van het Libet experiment vind je in dit artikel van Jan Verplaetse. Een niet onbelangrijk detail is dat Libet niet hersenactiviteit in het algemeen mat, maar een specifieke hersengolf die het ‘readiness potential’ wordt genoemd. In dit stuk wordt goed uitgelegd wat dat is en wat het naar moderne inzichten wel en niet zou kunnen zeggen over het debat over bewustzijn en vrije wil.

De wetenschapsgeschiedenis van Rens Bod

In zijn boek “Een wereld vol patronen” doet Rens Bod een poging om een totaaloverzicht van de geschiedenis van menselijke kennis te geven. Alle kennis. Niet alleen die sinds de wetenschappelijke revolutie, maar ook van voor de uitvinding van de landbouw. Niet alleen westerse kennis – maar ook die in India, de Arabische wereld en China. Niet alleen de natuur-, maar ook de geesteswetenschappen. Ik weet niet zo snel hoe je een ambitieuzer project kan bedenken.

Ik begon aan “Een wereld vol patronen” omdat ik de voorganger “De verborgen wetenschappen” prachtig vond. Dat boek verbreedde mijn kennis van de wetenschapsgeschiedenis enorm, omdat ik net zoals de meeste andere bèta’s vooral geschoold was in de westerse wis- en natuurkunde, sinds de Grieken. Ik had nooit van zoiets als filologie gehoord en het was boeiend om op deze manier ingewijd te worden in de problemen die schriftgeleerden moesten oplossen, de oplossingen die ze vonden en de impact die dat denken vervolgens had op de wetenschappen die ik beter kende.

Ik heb “Een wereld vol patronen” met plezier gelezen, maar het kon me minder bekoren dan “De verborgen wetenschappen”. Dat komt voor een belangrijk deel omdat ik dat boek al gelezen had en de nieuwe verbredingen me minder raakten. Ik zou graag meer weten over hoe kennis in de prehistorie zich ontwikkelde, maar omdat we het met grottekeningen en ingekerfde werktuigen moeten doen, valt er per saldo niet zoveel over te zeggen. Het is een groot goed dat Bod de kennis van Arabische, Indiase, Chinese en oude Amerikaanse beschavingen een podium geeft, maar die brede blik zorgt ook dat de afzonderlijke verhalen nog weinig uit de verf komen.

Normatief werkt de brede blik uit het boek prima: dit zijn allemaal dingen die een wetenschapshistoricus in beschouwing zou moeten nemen. Maar de uitwerking van al die onderdelen pakt nogal schetsmatig uit, hoe grondig het onderliggende onderzoek ook is. Daar komt nog bij dat Bod, de medische wetenschap uitgezonderd, de engineering disciplines niet meeneemt in zijn overzicht. Dat is een opmerkelijke omissie. Als gebouwen, werktuigen, scheepvaart, aquaducten en stoommachines geen weerslag zijn van systematische kennis, wat dan wel?  Bod slaagt erin de ambitie van een totaalgeschiedenis van menselijke kennis stevig op de kaart te zetten, maar het resultaat blijft sterk gekleurd door zijn eigen wetenschappelijke achtergrond.

Uiteraard probeert Bod ook duiding te geven aan de ontwikkeling van de menselijke kennis. Om kort te gaan, werd de mens zich eerst bewust van patronen: regelmatigheden waarmee losse feiten in verband worden gebracht, zoals de maanstanden, de tonen in gespannen snaren, of de overeenkomsten tussen verschillende bronnen. Later, vanaf de vroege oudheid, zijn mensen daar onderliggende principes bij gaan zoeken: vuistregels, wiskundige begrippen of andersoortige theorieën. De volgende stap was het vinden van herleidingen: regels waarmee principes en patronen met elkaar in verband gebracht kunnen worden, zoals de logica. Daarna verschoof de focus naar het terugbrengen van het aantal principes en gingen herleidingen een belangrijkere rol spelen. Dit mondde uit in de wetenschappelijke revolutie en in de empirische cyclus: in Bods visie een voorbeeld van een patroon in herleidingen.

Om eerlijk te zijn, vind ik deze theorie over de ontwikkeling van kennis zonde van het boek. Bod schrijft het volgende over de Indische wetenschapper Panini, die beweerde dat alle taal recursief was:

De Grieken lijken Panini’s werk niet te hebben gekend […] ze zouden Panini zeker hebben gewaardeerd met hun hang naar het ene in het vele. (P98)

Ik vermoed dat de Grieken Bods reductie van al het systematische denkwerk uit de gehele mensheid naar een dans van twee soorten begrippen -patronen en principes- om dezelfde reden hadden kunnen waarderen. Hoe krachtig is het als je al die diversiteit, al die denkwijzen, als die subtiele manieren waarop de verschillende wetenschappen elkaar gevoed en beïnvloed hebben terug kunt brengen tot een of twee makkelijk te begrijpen begrippen?

Niet zo krachtig, als je het mij vraagt. Veel mensen zullen het wel zo zien, maar ik blijk niet erg “Grieks”. Want die twee begrippen zijn maar begrippen. Ik voel me niet verlicht door het idee dat je de grammatica en de afwisseling van dag en nacht allebei als ‘patronen’ kan zien die je vanuit ‘principes’ kunt begrijpen. Dat is zó hoog over dat het afleidt van die dingen die echt boeien. Het kan toch niet zo zijn dat dit de beste manier is om een zorgvuldige vergelijking te maken tussen bijvoorbeeld de ontwikkeling van het recht en de ontwikkeling van de natuurwetenschappen in de middeleeuwen? Dat ze zich beide met principes en patronen bezighielden is misschien wel waar, maar ook nogal een lege constatering. En dat terwijl Bod juist zo zorgvuldig werk verricht heeft om al die verschillende kennis in kaart te brengen.

De theorie lijkt een poging te zijn om te laten zien dat het menselijke denken een ontwikkeling heeft doorgemaakt en mogelijk is verwetenschappelijkt. Daarmee gaat hij verder dan wetenschapsfilosofen als Popper en Laudan. Die beweren wel dat ze mechanismen voor de groei van kennis kunnen identificeren, maar passen die vervolgens eigenlijk niet toe op de geschiedenis zelf.  Laat staan dat ze er een ontwikkeling in ontwaren. Toch vind ik Bod ook op dit aspect overtuigingskracht missen: er komen veel uitzonderingen voor in het boek en Bod laat het bij beschrijvingen. Een verklaring waarom het denken door de tijd veranderd zou zijn ontbreekt. Interacties tussen de kennis en de context waarin die tot stand komt blijven onderbelicht. Daardoor blijft ook dit ontwikkelingsaspect te veel in het luchtledige hangen.

Kritische noten genoeg dus, maar dit zijn nauwelijks redenen om het boek in de boekhandel te laten liggen. De kracht van het boek zit niet in de duiding, het is juist de bloemlezing. Het is de diversiteit die Bod in deze eenvoud probeert te vangen, die het boek de moeite waard maken. Ik had het liefst gezien dat Bod die diversiteit gewoon lekker vrij had gelaten, maar zo knellend is het patroon-principe-keurslijf nu ook weer niet. Je kunt er gewoon doorheen lezen en genieten van het denken van al die denkers waar je nog nooit van gehoord had, die er achster tevoorschijn komt. 

Meer lezen?

Ik schreef over de groei van kennis in Het probleemoplossend vermogen van Larry Laudan, en Groeit kennis? In Anachronismen ging ik in op de moeilijkheid van het achteraf duiden van oude kennisstandaarden. Ik schreef ook al eens over het nut van Geschiedenis in het algemeen.

Er zijn weinig wetenschapshistorici die veel aandacht hebben voor de wisselwerking van de ontwikkeling van kennis en haar toepassing, maar uitzonderingen vormen wel Bruno Latour en ook The Information van James Gleick.

Zowel “De vergeten wetenschappen” en “Een wereld vol patronen” zijn het lezen waard.

Anachronismen

Imre Lakatos, de wetenschapsfilosoof, schijnt gezegd te hebben dat de wetenschapsfilosofie leeg is zonder de wetenschapsgeschiedenis en dat de wetenschapsgeschiedenis blind is zonder de wetenschapsfilosofie

Prachtig. Het zou inderdaad vreemd zijn als filosofen, die theorieën over de wetenschap opstellen, zich niet zouden interesseren voor hoe die wetenschap zich daadwerkelijk voltrokken heeft. Nou ja. Zulke filosofen bestaan wel natuurlijk: Lakatos begon er niet voor niets over. Het is ook lastig om geschiedenis te schrijven als je dat niet vanuit een theoretisch kader doet. Er is veel wetenschapsgeschiedenis. Als je niet specifiek naar iets op zoek bent wordt het lastig het allemaal te overzien. Hoewel ik me dan weer wel afvraag of de wetenschapshistorici uit de tijd van Lakatos blij waren met de avances van de filosoof. Heel gelukkig is dat huwelijk tussen de filosofie en de geschiedenis toch nooit echt geweest.

Daar zijn goede redenen voor, maar de spelbreker die ik het boeiendst vind, is het probleem van de anachronistische kennisstandaarden.

Een anachronisme is iets dat niet in de tijd past. In de middeleeuwen keken mensen niet op hun horloge. In de jaren 90 waren er geen smartphones. In films kan het gebruik van anachronismen heel humoristisch werken. In de films van Monty Python verspreiden historische figuren zoals Koning Arthur en Jezus steeds opvallend moderne denkbeelden. 

Wetenschapsfilosofen die iets willen zeggen over wat kwalitatief hoogstaande kennis is, of die echte wetenschap van valse wetenschap willen onderscheiden, lopen het risico net zo’n raar figuur te slaan als deze hoofdpersonen. Ze dringen zich niet alleen op aan de historici, maar ook aan de geschiedenis zelf. Er is geen enkel bewijs dat Aristoteles ooit gerandomiseerde dubbelblinde experimenten deed. Maakt dat hem een slechte wetenschapper?

Goed, dat was een flauwe retorische vraag, maar het punt zal duidelijk zijn: in de loop der tijd zijn de standaarden voor wat goede kennis is en voor hoe de wetenschap vooruitgang boekt veranderd. Daarmee is het anachronisme bijna onontkoombaar voor iedereen die iets verstandigs wil zeggen over de wetenschap. Hedendaagse ideeën over wetenschappelijke rationaliteit zeggen weinig over de wetenschap van vroeger en oude ideeën hebben inmiddels hun geldigheid verloren.

Het is ook een waar dilemma, want er zijn niet veel uitwegen te bedenken. Er is de olifant-in-de-porseleinkast-benadering van Karl Popper, die beweerde dat de wetenschapsfilosofie normatief is en dat het dus niet gaat over hoe wetenschap is, maar over hoe ze moet zijn. Dat zet de wetenschapsgeschiedenis buitenspel. Popper schoffeert met terugwerkende kracht alle wetenschappers die nog niet van zijn gouden standaarden op de hoogte waren en zich er niet aan konden houden.

Er is ook de olifant-in-de-porseleinkast benadering van Paul Feyerabend, die beweerde dat de wetenschapsgeschiedenis zo grillig is, dat er in het geheel niets te zeggen valt over welke benadering van de wetenschappen werkt en welke niet: anything goes. Daarmee zette hij de wetenschapsfilosofie buitenspel en reduceerde wetenschappers, goed en slecht, tot prutsers die maar wat aanklooien.

De gulden middenweg wordt bewandeld door iemand als Larry Laudan, die beweert dat er algemene principes zijn te geven voor de groei van wetenschap als geheel en tijdspecifieke invullingen van die principes die aan verandering onderhevig zijn. Volgens Laudan hebben wetenschappers altijd gewerkt aan het vergroten van het probleemoplossend vermogen van hun vak, maar verschillende ideeën gehad over hoe dat in te vullen is.

Dat klinkt een stuk eleganter dan de bruuske benadering van Popper en Feyerabend, maar je kunt je afvragen of het echt een uitweg biedt. Is het echt zoveel vriendelijker om van tijdspecifieke invullingen van kwaliteit te spreken dan om te zeggen dat alles geoorloofd is? En loopt het algemene principe niet ook het risico anachronistisch te zijn? Probleemoplossend vermogen klinkt alvast heel erg als iets van nu – en niet van alle tijden.

Wat zou het mooi zijn als de filosofen van nu met de wetenschappers van toen in gesprek konden. Ik zou er heel wat voor over hebben om in te kunnen loggen op een Zoom-call om een gesprek tussen Laudan en Aristoteles over probleemoplossend vermogen bij te wonen of met Popper over falsificatie. Of nee, als ik dan toch mag dromen: Aristoteles spreekt met Laudan over het probleem van anachronismen in de wetenschapsfilosofie.


Meer lezen?

Ik schreef over de ideeën van Larry Laudan in “Het probleemoplossend vermogen van Larry Laudan” en hij wees me in zijn boekje Progress and its Problems ook opmeet probleem van anachronismen. De ideeën van Karl Popper behandelde ik in “Groeit Kennis?” en “De drie werelden van Popper”.

De andere filosofen die ik hier noem trakteerde ik nog niet op zo’n uitgebreide bespreking. Maar het is interessant om de ideeën van Popper en Laudan eens te vergelijken met de uitkomsten van de empirische studies van de werking van wetenschap zoals ik die in “Lableven”, “De zwarte dozen van Latour” en “Big Science, Little Science” besprak.

Computerbesluit

Is het wel slim om computers overal over mee te laten denken? 

Ik stel de vraag natuurlijk omdat artificiële intelligentie (A.I.) een enorme hype is. Meestal gaan hypes ongemerkt weer voorbij, maar met A.I. zou dat wel eens anders kunnen zijn. We delegeren steeds meer beslissingen aan computers: A.I. helpt doctoren met het stellen van diagnoses, rechters met het vaststellen van de strafmaat, banken met het maken van beslissingen over leningen en verzekeringen. Bedrijfsconsultants zullen die denkondersteuning geweldig vinden: we gebruiken slimme technologie om een kwaliteitsimpuls te geven en een efficiëntieslag te maken – en meer van dat soort dingen. Ik geloof ook wel dat dat werkt. Vaak zal het lukken om beslissingen met A.I. gemakkelijker te maken.

De vraag is alleen hoe dit alles bij elkaar opgeteld uitpakt. In een samenleving zijn beslissingen nogal belangrijke dingen. Ons bestaan hangt van beslissingen aan elkaar. Is het verstandig om die vervolgens één voor één, met de beste intenties, uit te besteden aan een computer? 

We hebben natuurlijk wel eerder technologie ontworpen om ons denken te ondersteunen. Als we even met zevenmijlslaarzen door de porseleinkast van de geschiedenis stampen, dan speelde de vraag of het verstandig was om het denken aan technologie uit te besteden al wel vaker. We vroegen het ons ook al af bij de uitvinding van de getallen, het schrift, de rekenliniaal, telecommunicatie, de rekenmachine, de computer en het internet. Al deze technologieën hebben de samenleving ingrijpend veranderd, maar maar weinig mensen zullen zeggen dat het achteraf gezien onverstandig was om ze in gebruik te nemen. Er is dus op zichzelf niets tegen breinondersteunende technologie. Waarom zou het voor A.I. anders zijn?

Één belangrijk verschil zit hem in de manier waarop A.I. beslissingen neemt. Zij doet dat door te leren van menselijke beslissingen. Het Amerikaanse bedrijf Amazon gebruikte A.I. om ze te helpen sollicitanten te selecteren. Op basis van gegevens van mensen die eerder bij het bedrijf solliciteerden, berekende een computer hoe kansrijk het was dat een nieuwe sollicitant zou worden aangenomen. Er ontstond een relletje toen dat selectiealgoritme een sterke voorkeur bleek te hebben voor mannelijke kandidaten. Het algoritme had allerlei dingen van menselijke beslissingen overgenomen, inclusief het seksisme dat binnen dit bedrijf gangbaar was.

Het verhaal leert ons dat A.I. conservatieve technologie is. Het is niet toevallig zo dat het Amazon-algoritme het seksisme van de medewerkers reproduceerde, het is in de regel zo dat deze technologie de manier waarop beslissingen in het verleden zij genomen, herhaalt. Dat is het hele idee. A.I. leert van de beslissingen van het verleden om de beslissingen van vandaag te kunnen ondersteunen. Deze verknoping van de technologie aan het menselijk handelen is wezenlijk anders dan andere technologieën in het rijtje erboven. Rekenmachines zijn als technologie veel neutraler. Waar de rekenmachine denkkracht vrij kan maken om nieuwe ideeën te bedenken, bindt A.I. ons impliciet aan het denken van gisteren. 

Het voorbeeld van Amazon laat ook meteen zien waarom er de laatste tijd zoveel over responsible A.I. (verantwoorde A.I.) gesproken wordt. Blijkbaar is een gebrek aan verantwoordelijkheid een probleem bij de inzet van A.I. dat nog opgelost moet worden. Het is ook niet zo vreemd om dit te bedenken. Als mensen besluiten nemen kunnen ze ter verantwoording geroepen worden, maar bij een algoritme kan dat niet. Wie is er verantwoordelijk als een zelfrijdende auto een ongeluk veroorzaakt? De bestuurder deed niets, de fabrikant kon niet weten dat deze situatie zich voor zou doen. Het is een algemeen probleem bij de inzet van A.I. Naarmate beslissingen meer op basis van A.I. genomen worden, wordt het moeilijker verantwoording af te leggen over die beslissingen.

Kortom: hoe meer we het beslissen aan technologie overlaten, hoe meer we denken inruilen voor hoe het nu eenmaal gaat en wat nu eenmaal het beste is. Vaak is dat een goed idee: we winnen er tijd mee die we beter kunnen gebruiken en de kwaliteit van sommige beslissingen die met A.I. genomen zijn, is aantoonbaar hoger dan de menselijke beslissingen die erdoor vervangen worden. Maar die winst kent ook een prijs die we niet altijd zien.  

Eigenlijk kun je zeggen dat het vergemakkelijken van beslissingen het vertrouwen erin ondergraaft. Het automatiseren van besluitvorming holt de verantwoordelijkheid van ons handelen uit. Hoe meer we ons doen en laten verweven in ingewikkelde systemen, hoe lastiger het wordt om de vinger op de zere plek te leggen als het eens misgaat en hoe moeilijker het wordt om iets te veranderen. Je hoeft alleen maar naar het systeemfalen in de toeslagenaffaire te kijken om te zien hoe desastreus dat kan zijn. 

Dus nee, computers moeten niet overal over meebeslissen. We zullen soms een trager, duurder of slechter besluit moeten accepteren, simpelweg om iemand te hebben om mee na te kunnen gaan hoe het ooit genomen is.


Meer lezen?
Ik schreef al eens kritisch over A.I. in de rechtszaal in A Piori en in de criminaliteitsbestrijding in Glazen Bol. De analyse in dit blogje volgt een logica die gangbaar is in de media-ecologie. Dat dit is niet zonder haken en ogen, beschreef ik uitgebreid in media. In De Chinese Kamer ga ik in op de vraag of dit soort algoritmen ook bewustzijn hebben.

Bubbel

Als je een lijstje zou maken met de meest invloedrijke boektitels van de jaren 10 zou “The Filter Bubble” van Eli Pariser (2011) er vrijwel zeker op staan. Althans… Als je afgaat op hoe vaak het woord “bubbel” gebruikt wordt in het alledaagse taalgebruik. Meestal in een waarschuwende zin en licht bezorgd: “Belanden gebruikers dan niet in een bubbel?”; of: “Bubbels zorgen voor polarisatie in de samenleving“; maar ik heb het ook al in een positieve zin gehoord: “Ik heb een fijne bubbel”. Door Pariser zijn we ons er van bewust geworden dat we dagelijks maar een heel klein stukje van het internet bekijken en dat dat – nou ja – een dingetje is, ofzo.

Laat ik er maar gewoon meteen voor uitkomen. Ik denk dat bubbels meer aandacht krijgen dan ze verdienen en dat we het beter over andere aspecten van de inrichting van onze informatiesamenleving zouden kunnen hebben. Maar, voordat ik die conclusie kan trekken, zal ik toch nog even moeten spitten in de ideeën van Pariser zelf.

Een historisch betoog

“The Filter Bubble” opent met het nieuws van Google, in 2009, dat ze de zoekresultaten gaan personaliseren. Dat betekent dat niet iedereen die dezelfde trefwoorden intoetst op Google dezelfde resultaten krijgt. Jij en ik, individuele gebruikers, worden daarmee beter bediend, althans: we krijgen meer van wat we willen lezen. De samenleving is er minder bij gebaat want als burgers kunnen we beter met elkaar in gesprek als we over dezelfde informatie beschikken.

Het is niet toevallig dat Pariser met een historische gebeurtenis begint, want zijn kritiek is deels historisch van aard. Vroeger – toen internet nog een internetje was – was het een anarchistische vrijplaats van informatie die onze wereld groter maakte. We gingen online en kwamen in contact met andersdenkenden en met een overvloed aan vrij toegankelijke informatie, we voelden ons verrijkt en geïnformeerd. Het internet was een verbindende factor in ons leven.

Maar nu zijn er de grote technologiebedrijven die bakken met geld verdienen door ons informatie toe te spelen die zo goed mogelijk op onze persoonlijke voorkeuren is toegesneden. Daardoor is het web niet meer de wonderbaarlijke gemeenschappelijke informatiewereld die we samen gebouwd hebben, maar een cynische informatiemachine die ons allemaal informatieve snoepjes toewerpt om ons zoet te houden. Op je wenken bediend worden: daar word je niet socialer van. Het web dat ons ooit samenbracht, speelt ons nu uit elkaar.

Dat is stevige kritiek, maar het getuigt ook van een nostalgie die je wel meer bij internetcritici ziet. Je kent ze wel: de alles-wordt-minder-types. Erg veel hout snijdt dat vaak niet. Misschien is het internet niet meer wat het geweest is, maar misschien zijn we zelf wel niet meer wie we waren – of kleuren we het verleden mooier in dan het was. Hoe dan ook: we moeten het internet van nu langs de lat van nu leggen. Als het internet voor de jeugd van tegenwoordig ook een vrijplaats is, is er niets aan de hand.

Het probleem dat Pariser aankaart is dat het internet in toenemende mate gepersonaliseerd wordt en daarom ons denken in toenemende mate stuurt en dat het net steeds minder een gedeelde informatieruimte biedt. Laten we die twee argumenten eens bij de hoorns pakken.

Algoritmische hersenspoeling

Is het gebruik van adviesalgoritmen slecht voor ons brein? Uit de psychologie is bekend dat mensen geneigd zijn bevestiging te zoeken voor hun ideeën.  In plaats van alle informatie die er is eerlijk te wegen en een besluit te nemen, besteden we meer aandacht aan informatie die onze ideeën bevestigt en we nemen die bevestigende informatie serieuzer. Met andere woorden: we houden onszelf graag voor de gek.

Als algoritmen eerst van ons leren wat we willen lezen en ons vervolgens meer van dat soort informatie voorschotelen dan wordt die neiging nog verder versterkt. We lezen steeds dingen waar we het mee eens zijn, en we gaan denken dat iedereen er zo over denkt, want waarom zouden we anders zoveel artikelen lezen waar onze mening precies in uitgespeld staat? Nou ja. Door de algoritmes dus. Het is dit zelfversterkende effect waar de filterbubbel zijn naam aan ontleent. Je eigen mening wordt opgeblazen en zo bouw je een beschermlaag op tegen andere meningen.

Dit kan een ware hersenspoeling veroorzaken. Want hoe vormen we onze meningen? Door de informatie die we krijgen. Eerst beschermden we onze meningen door alleen dingen te lezen waar we het mee eens waren. Vervolgens gaan de algoritmen ons daarmee helpen door ons meer van wat we al dachten voor te schotelen. Vervolgens denken we dat iedereen er net zo over denkt als wij, waardoor we sterker in onze mening gaan staan, minder diverse keuzes maken in ons mediadieet en die keuzes worden dan weer versterkt door de algoritmen. We zijn in een echoput beland, een filterbubbel of een fabeltjesfuik en we komen daar nooit meer uit. –snik-

Totdat we de buurvrouw spreken.

Die buurvrouw zit in een andere bubbel, blijkt heel anders over dingen te denken en prikt onze bubbel genadeloos door. En het hoeft niet de buurvrouw te zijn, die bubbel kan ook doorgeprikt worden door informatie die we door andere algoritmen toegespeeld krijgen of door de mainstream media. Als je maar met grote regelmaat met andere ideeën en informatie geconfronteerd wordt, maken bubbels niet zoveel kans. En die ontmoetingen worden ook georganiseerd door dat internet en haar algoritmen.

Het is helemaal geen nieuw fenomeen dat mensen informatie zoeken die hen sterkt in ideeën die ze al hebben. Ze kiezen een bepaalde omroep, gaan naar een bepaalde kerk, steunen een politieke beweging, bezoeken bepaalde voorstellingen. Vroeger werden we geboren in een bubbel, die van het dorp of de politieke voorkeur van je ouders. De bubbels van nu zijn misschien meer gebaseerd op onze interesses en minder op basis van onze woonplaats, maar we blijven allemaal op zoek naar geestverwanten. De vraag is daarom ook niet óf we in bubbels duiken, de vraag is hoe vaak we er weer uitgehaald worden. Hoe vaak komen we andersdenkenden tegen die ons op nieuwe gedachten kunnen brengen.

Er zijn op het internet twee krachten die elkaar in balans houden. Het ontstaan van bubbels door algoritmen en het doorprikken van bubbels doordat we meer in contact komen met andersdenkenden. De vrees van Pariser dat het bubbeleffect het ontmoetingseffect zou gaan overheersen is vooralsnog niet uitgekomen. Uit onderzoek blijkt dat mensen diverse bronnen blijven gebruiken, dat mensen die Spotify gebruiken hun muzieksmaak verbreden en dat mensen goed weten hoe er in andere bubbels over dingen gedacht wordt.

Ironisch gezien verklaart dat effect misschien juist de populariteit van het begrip bubbel. Misschien zijn we zoveel beter genetwerkt, dat we veel meer dan vroeger ook doorhebben dat anderen anders over dingen denken. Dat is misschien niet zo erg.

Een gedeelde informatieruimte

Maar hebben we dan niet een chronisch gebrek aan een gedeelde informatieruimte? Dit is Pariser’s tweede punt. Als samenleving is het belangrijk om een evenwichtig beeld te krijgen ervan wat er speelt, wat de belangrijke gebeurtenissen zijn, hoe er zoal gedacht wordt over allerlei onderwerpen, welke problemen bestaan en welke oplossingen daarvoor worden voorgesteld. Op basis van dit beeld gaan we met elkaar in gesprek.

We hebben de taak om ons daarover te informeren aan een beroepsgroep toevertrouwd: journalisten. Net als veel andere sectoren heeft de journalistiek ongemeen harde klappen gehad met de opkomst van het internet. Enerzijds vrat het internet aan het belangrijkste verdienmodel van de sector: advertenties. Anderzijds zorgde het voor een overvloed aan informatie die concurrerend was voor journalistieke producties.

Het is daarom fair om te zeggen dat onze gedeelde informatieruimte onoverzichtelijker is geworden – en dat ze versnipperd is geraakt. Mensen baseren zich op meer verschillende bronnen dan vroeger, het onderscheid tussen opinie en feiten is vervaagd en de kwaliteit van informatie is niet meer vanzelf gewaarborgd.

Is dat ook schadelijk? Mwah. Hoewel het al een stevigere stellingname is kan ik er nog nét in meegaan dat je kan zeggen dat ons publieke debat er onrustiger van geworden is, hitseriger misschien. Maar het gaat nóg verder om te zeggen dat dit onze democratie schaadt en ik zie eigenlijk niet in wat er ondemocratisch zou zijn aan een verhit maatschappelijk debat.

Maar voor dit blogje is nog een andere observatie van belang: geen van deze effecten heeft ook maar iets te maken met personalisatie en algoritmen. De versnippering van het publieke debat hangt samen met het aanbod van informatie. Het komt door de verschraling van professioneel geproduceerde informatie en de opkomst van twijfelachtige informatiebronnen; die soms wel journalistiek lijken, maar dat niet zijn. Dat het internet ons in contact brengt met al die bronnen is precies het soort verruiming van onze leefwereld waar het vroege internet voor geprezen werd. Er is misschien veel te veel zooi op het net, maar als we ons daarvan af willen schermen hebben we sterkere filterbubbels nodig, geen zwakkere.

Pariser stelt daar tegenover dat de logica achter personalisatie van nieuwsstromen, gericht op het individu, de selecterende rol van journalisten uitholt. Omdat we algoritmen gebruiken als gids op het eindeloze internet bepalen die algoritmen ook welke informatie we online bekijken. Maar in tegenstelling tot journalisten zijn die algoritmen er niet op uit om ons een gebalanceerd overzicht te bieden van alles in de wereld. Ze richten zich op wat wij willen lezen, niet op welke informatie belangrijk is voor onze samenleving.  

Ook dit argument klinkt plausibel, maar opnieuw is het de vraag of Pariser de algoritmen niet enorm overschat. Hoe berekenen algoritmen wat persoonlijk relevant is voor jou? Een belangrijk ingrediënt in de rankschikking van tijdlijnen zijn sociale filters. Algoritmen kijken naar het lees- en deelgedrag van onze sociale omgeving om te beslissen wat wij belangrijk vinden. In die sociale omgeving gebruiken veel mensen veel verschillende nieuwsmedia. Ze delen wat ze daarin belangrijk vinden en dit bepaalt weer wat anderen zien. Die collectieve selectie van wat belangrijk is, geeft daarmee min of meer hetzelfde beeld van wat er speelt als de selectie die een krant maakt – én deze wordt nog altijd gevoed door de selecties van de media. Journalistische curatie is dus iets meer naar de achtergrond gedrongen, maar ze is niet weg.

De filterbubbel voorbij

Het sterke van Pariser’s betoog is dat hij ons bewust maakt van veranderingen in het krachtenveld dat rondom nieuwsselectie ontstaat en de invloed daarvan op onze democratie. Het zwakke van het betoog is dat “de algoritmen” de schuld krijgen zonder al te veel bewijs dat ze ook de belangrijkste veroorzaker zijn van de problemen of zelfs maar een eenduidige beschrijving van wat de problemen zijn.

Uiteindelijk is de filterbubbel dus zelf een fabeltje. Het is een verhaaltje over wat er zou kunnen gebeuren als het allemaal helemaal misgaat, bedoeld als waarschuwing. In 2011, toen personalisatie op het web nog in de kinderschoenen stond kon Pariser ook nog niet veel anders, maar inmiddels zijn we 10 jaar verder en wordt het tijd die invloed van algoritmen simpelweg eens door te meten en nuchter vast te stellen wat ze voor en tegen ons doen. Die cijfers gaan een heel genuanceerd beeld geven.

Goed, het is 2021 en het zijn politiek roerige tijden. Veel mensen zien de bestorming van het Capitool door complotdenkers als het ultieme bewijs dat het internet wel een schadelijke rol zal spelen. Hoe kunnen mensen anders zulke rare dingen geloven?

Maar de werkelijkheid is dat de wereld altijd al vol was met mensen met vreemde ideeën. De Capitoolbestorming was niet de eerste staatsgreep en gaat niet de laatste zijn. Het ontstaan van sektes en bizarre theorieën is de regel in de menselijke geschiedenis, niet de uitzondering. Als we iets verder dan 20 jaar terugkijken zien we dat de polarisatie waar we ons nu aan storen van alle tijden is en van elke inrichting van het medialandschap.

Vooruit. Andersdenkenden vinden elkaar tegenwoordig makkelijker. Maar totdat alt-right dat uitbuitte vonden we dat collectief de grootste zegening van het internet. Het is ook plausibel dat we door het internet en haar algoritmen meer in contact komen met die vreemde ideeën. Ironisch genoeg vinden we dat geweldig wanneer die ideeën passen bij onze eigen interesses, en vreselijk als het om verwerpelijke of domme ideeën van anderen gaat. We blijven in onze bevestigingsvalkuil trappen: onze eigen ideeën zijn een gevolg van een goede opleiding, weloverwogen informatieverzameling en puik denkwerk; anderen zitten in een filterbubbel.

Natuurlijk kunnen we ons met Pariser zorgen maken over onze gedeelde werkelijkheid, maar in plaats van personalisatie de schuld te geven is het misschien beter om iets te doen aan de bouwstenen van die gedeelde werkelijkheid.  Goede, levensvatbare, journalistiek – al dan niet gesubsidieerd; het inperken van de macht van de meest dominante platformen, vooral waar die een bedreiging vormen voor de verdienmodellen van de poortwachters van onze samenleving; het aanpakken van schimmige verdienmodellen en datahandel; investeren in wetenschap en onafhankelijke onderzoeksinstituten; zorgen voor een betrouwbare en transparante overheid; het aanpakken en weerspreken van propaganda en stemmingmakerij; en natuurlijk in gesprek gaan met anderen ook als daar je eigen bubbel mee op het spel staat.

Met het fabeltje van de filterbubbel maken we het publieke discours het probleem van technologiebedrijven en vergeten we te kijken naar wat we zelf kunnen doen om de kwaliteit van ons publieke gesprek te verhogen. Goed,  sinds 2009 is personalisatie een vast onderdeel van onze informatieruimte, maar laten we niet doen alsof we in het lijstje hierboven geen steken hebben laten vallen.

Meer lezen?

In media beweerde ik dat je eigenlijk niets kan zeggen over de invloed van media op de samenleving. In ziekte bespreek ik waarom het ontwijken van andere ideeën een slecht idee is. Ik schreef op een ander blog over hoe platformen anders ingericht kunnen worden om ons publieke debat te versterken.

Het spotify onderzoek waar ik naar verwijs wordt in dit Universiteit van Nederland praatje toegelicht.

Naar aanleiding van deze post wees iemand me op dit artikel van Axel Bruns, waarin het onderzoek naar de Filterbubbel op een rijtje gezet wordt. Ook hij beweert dat het filter bubbel idee een debat over wat er wél mis gaat in ons publieke debat in de weg zit.

Wappies

Ik probeer me in dit blog niet met de actualiteit bezig te houden en heb daarom nog niet over corona geschreven. Jammer misschien, want gewone mensen zoals jij en ik hadden nog zo nooit direct met de wetenschap te maken – en dat schuurde behoorlijk. We moesten ons aanpassen aan het virus en hoe dat moest werd ons voorgezegd door figuren in een -spreekwoordelijke- witte jas.

Moeilijk. We hadden moeite met de onzekerheid van de wetenschap: wat we allemaal nog niet wisten over het virus viel ons zwaar. We hadden last van de autoriteit die wetenschappers plotseling kregen: alsof zij de enigen waren die ervoor gestudeerd hadden. En we stoorden ons aan de kokervisie die nu eenmaal bij het wetenschappelijke specialiseren hoort: we wilden gedragswetenschappers in plaats van virologen, of misschien toch maar een econoom.

Maar de wetenschappers zelf waren uiteindelijk niet het ergst. Het ergst vonden we de buren: die de wetenschap net iets minder serieus namen dan wijzelf en daarmee iedereen in gevaar brachten. Oh nee. Er was nog één groep erger: de wappies.

De wappies riepen dat het allemaal niet waar was. Dat een plan was – van de regering en van Bill Gates en ook van de media, want in een complot horen minstens drie partijen mee te doen. Ze riepen het op TV, in talkshows en op YouTube bij Lange Frans. Ze liepen in witte pakken door de straten om het te roepen en ze maakten lawaai tijdens de toespraak van Rutte. Jij en ik, weldenkende mensen, vroegen ons af wat hen bezielde. Hoe kun je zó losgeslagen raken van de realiteit?

Ik nam het hier al eerder op voor mensen die er een, nou ja, ander wereldbeeld op nahouden en zal dat nu opnieuw doen, zij het met enige tegenzin. Destijds had ik het over Flat Earthers: mensen die geloven dat de aarde plat is. Die komen in schrikbarende aantallen voor, maar er was een tijd, voor de moderne wetenschap, dat iedereen dacht dat de aarde plat is.

Vreemd is dat niet. Een platte aarde past namelijk prima bij onze alledaagse beleving, dus als je op je eigen zintuigen vertrouwt ben je bevattelijk voor het idee van een platte aarde. Tel daarbij op dat je intensief omgaat met mensen die ook geloven dat de aarde plat is en alle tegenargumenten die je zoal hoort kunnen ontkrachten, en je hebt een stevige basis om flat earther te worden.

We bouwen ons wereldbeeld op uit wat we zelf meemaken en uit alles wat we oppikken van anderen, waarmee we die ervaringen vervolgens betekenis geven. Verreweg het meeste wat we denken te weten hebben we van horen zeggen: van onze ouders, van de schoolmeester, van de buren, van collega’s, uit de krant, van YouTube. Geen wonder dat mensen sociale media de schuld geven van het ongeloof onder medelanders: daar gaan immers zoveel complottheorieën rond dat je wel heel sterk in je schoenen moet staan om niet van de wap te raken. Wappies beroepen zich ook steevast op het “eigen onderzoek” wat ze gedaan hebben.

Maar ik twijfel steeds meer aan die theorieën over een ongezond informatiedieet en hoe dat tot een collectieve psychose zou leiden. Al helemaal als de algoritmen er weer eens bij gehaald worden. Integendeel: ik denk dat de wappies zich onderscheiden van de weldenkende medemens doordat ze zich juist meer dan anderen beroepen op hun eigen ervaring.

En ook dat komt door Corona. Ik was namelijk een week voordat Nederland in lockdown thuis met een verkoudheid. Hier in Noord-Brabant was dat al de regel.  Ik lag op de bank te snotteren en kon nergens heen. In de appgroepen werden bijeenkomsten afgezegd. Het eerste coronageval in mijn omgeving, weliswaar geen directe bekende, werd gemeld. Voor mij voelde die pandemie heel reëel.

Maar voor collega’s in Utrecht, 50 km verderop, was de pandemie nog iets abstracts; iets dat in Brabant en Limburg huishield, en daar mogelijk ook wel kon blijven. De open dag op mijn hogeschool, op vrijdag zou gewoon zijn doorgegaan – superspreading of niet – als Rutte op donderdag het land niet dichtgegooid had. Het verschil in beleving tussen mij en mijn directe collega’s zal me nog lang bijblijven. Hoewel ikzelf waarschijnlijk geen Corona had, was de pandemie voor mij werkelijkheid. Voor hen was het alleen maar nieuws. Dat zijn verschillende planeten.

Lag het aan ons informatiedieet? Nee. Het verschil tussen mij en collega’s was niet dat we andere nieuwsbronnen lazen. Ik had niet rondgeklikt op YouTube. Het nieuws kwam anders binnen. De wereld van mijn collega’s draaide door als altijd, terwijl mijn wereld heel eventjes stil stond.

Dat brengt ons terug bij de wappies. Wat maakten zij mee? Hoeveel van hen zouden zelf een stevig coronageval, niveautje IC, in de familie meegemaakt hebben?  Naast ‘ik doe mijn eigen onderzoek’ hoor je van hen vaak het argument dat het gewoon een griep is en dat ze niemand kennen die er flink last van gehad heeft.

Dat is een belangrijke opmerking. We denken bij een pandemie al snel aan plaatjes uit geschiedenisboeken over de Pest. Dat soort taferelen zien we nu niet. Wappies zijn misschien best bereid te geloven dat er iets aan de hand is als er een heleboel mensen ziek worden, maar in hun eigen omgeving gebeurt dat gewoonweg niet. Zelfs mensen die het virus krijgen komen er met een paar weken weer bovenop.  Ze kunnen met eigen ogen zien dat er geen pandemie gaande is, maar de media schreeuwen moord en brand en de regering doet het land op slot. Dat moet wel collectieve waanzin zijn.

Het is een irritante, maar wel een sluitende redenering. Als je de media wegdenkt is het bewijs voor de pandemie flinterdun en het bewijs voor collectieve waanzin overduidelijk. De Corona-doden liggen niet op straat, maar de lockdown merken we allemaal op. En dan is er nog een legertje actievelingen opgestaan om aan te tonen dat er wel meer niet klopt van wat de regering ons allemaal voorschotelt én dat soms ook blijkt dat de regering er naast zit, of zelfs zichzelf, of haar eigen wetenschappers, tegenspreekt. Dan is het toch niet onredelijk om er alternatieve theorieën op na te houden? De wappies zijn slecht van vertrouwen en sommigen stellen zich enorm aan, zeker, maar gek zijn ze niet.

Juist in een tijd waarin de wetenschap zo zichtbaar, nodig en aanwezig is blijkt het moeilijk om erin te geloven. Maar zijn het de mensen of is het de wetenschap zelf die losgezongen is van de realiteit?

De wetenschap heeft het virus ontdekt, binnen een week de genetische code ontcijfert, binnen een jaar een werkzaam vaccin ontwikkeld – dat is een fenomenale prestatie. Maar het is diezelfde wetenschap die ons al bijna een jaar binnenhoud. Als we erger willen voorkomen, kunnen we niet veel anders naar de virologen luisteren. .

Ik vind de wappies moeilijk, want ik hou van de wetenschap waar zij tegenaan schoppen. Het zijn olifanten die in hun witte pakken door mijn porseleinkast marcheren. Maar dat er, juist in deze tijd, een voedingsbodem is voor complottheorieën snap ik wel. We vragen de mensen om blind vertrouwen in een hocus pocus van cijfers, codes, abstracties, tests en apparatuur, in een klopjacht op het onzichtbare virus. Dat is misschien ook gewoon wel veel gevraagd.

Meer lezen?

Ik schreef over Flat Earthers in Plat, over de invloed van media op onze samenleving in Media en over het belang van getuigenis voor ons weten in Kennisbronnen.

Het probleemoplossend vermogen van Larry Laudan

In “Progress and its Problems” probeert Larry Laudan iets te doen wat de meeste wetenschapsfilosofen nooit gelukt is: een geschiedsgetrouwe theorie van wetenschappelijke vooruitgang formuleren. Dat is dapper en interessant – want die wetenschapsgeschiedenis is weerbarstig – en het resultaat mag er wezen: Laudans wetenschapsfilosofie is eenvoudig, elegant en genuanceerd.

De vooruitgangskwestie

Wetenschappers zijn graag zeker van hun zaak. Dat wil zeggen dat ze er alles aan doen om te zorgen dat hun uitspraken kloppen en dat ze morgen en overmorgen ook nog kloppen. Tegelijkertijd laat de geschiedenis zien dat wetenschappelijke inzichten in de loop der tijd steeds veranderen. Die twee dingen staan op gespannen voet met elkaar: wetenschappers beweren sinds de wetenschappelijke revolutie dat ze manieren hebben om tot zekere kennis te komen, maar die geschiedenis geeft ze gewoon steeds ongelijk. Er is in de hele wetenschapsgeschiedenis nog nauwelijks een wetenschappelijke uitspraak geweest die later niet herzien moest worden. 

Die spanning tussen de status aparte van wetenschappelijke kennis en de feilbaarheid van de wetenschap verdwijnt als we aannemen dat wetenschap vooruitgaat. Als wetenschappers erin slagen om steeds voort te borduren op bestaande inzichten en deze aan nieuwe tests te onderwerpen, dan kunnen ze beweren dat ze én de beste manier hebben om aan zekere kennis te komen én dat die kennis steeds verandert. Dan hoort het veranderen van kennis bij de aanpak om tot zekere kennis te komen. Het is juist het steeds voortschrijdende inzicht dat wetenschappelijke kennis zijn ‘status aparte’ geeft.

Maar ook hier laat de wetenschapsgeschiedenis ons in de steek. Onderzoek naar de vooruitgang van wetenschappelijke kennis laat zien dat het proces chaotisch is. De criteria die wetenschappers formuleren om vooruitgang vast te stellen – zoals verificatie en falsificatie – blijken niet daadwerkelijk leidend te zijn voor de keuzes die zij maken. Bovendien kunnen sociale processen – zoals de strijd om invloed en middelen – grote impact hebben op het wetenschappelijke bedrijf. Zolang we niet goed begrijpen hoé de wetenschap vooruitgang boekt, kunnen we niet zeker zijn dát de wetenschap vooruitgang boekt.

In een notendop is dit dus het probleem:

1 Als we terug kijken in de geschiedenis, zien we veel achterhaalde inzichten. 

2 Daardoor denken we dat de wetenschap vooruitgaat.

3 Maar we begrijpen eigenlijk niet hoe dat in zijn werk gaat. 

4 Daardoor kunnen we wetenschappelijke vooruitgang niet herkennen. Bij ontwikkelingen in de wetenschap weten we niet of we daadwerkelijk naar vooruitgang of gewoon naar verandering kijken.

5 Dit geeft weer problemen voor de status van wetenschappelijke kennis. De vraag is of de feiten van vandaag het resultaat zijn van een zoektocht die al in de 16e eeuw begon of eerder ‘in de waan van de dag’ ontstaan zijn.

Probleemoplossen

Volgens Laudan kunnen we wetenschappelijke vooruitgang het best begrijpen als we wetenschap zien als een probleemoplossende discipline. De stelling dat wetenschappers aan wetenschappelijke problemen werken, lijkt eigenlijk weinig opzienbarend. Maar andere wetenschapsfilosofen hebben zich vooral gericht op concrete activiteiten binnen dat probleemoplossen, zoals het doen van observaties, het uitvoeren van experimenten of de logische structuur van argumenten. Daardoor ligt de nadruk in die filosofieën sterk op het experimentele handwerk. Laudan kiest voor een bredere blik, een die meer zicht geeft op het proces van vooruitgang in plaats van het formuleren van een gouden standaard voor wetenschappelijke bewijsvoering.

Wat is een wetenschappelijk probleem? Volgens Laudan zijn er twee soorten: empirische problemen en conceptuele problemen.

Een empirisch probleem doet zich voor wanneer de werkelijkheid zich anders gedraagt dan je zou verwachten. In de ochtend vind je vaak waterdruppeltjes op de ruiten. Dit is een empirisch probleem totdat je een er een bevredigende verklaring voor hebt, zoals: “koude lucht kan minder water bevatten dan warme lucht”. Deze verklaring vormt meteen een nieuw empirisch probleem. Waarom kan koude lucht minder water bevatten dan warme lucht? Dat vraagt ook weer om een verklaring. Empirische problemen ontstaan in het samenspel tussen theorie en werkelijkheid.

Een conceptueel probleem doet zich voor wanneer een theorie niet in overeenstemming is met andere theorieën. Zou je het condens op de ruiten verklaren door te stellen dat ruiten zweten als het koud wordt, dan moet je duidelijk maken dat het niet vreemd is om te zeggen dat dingen kunnen zweten en dat kou een reden kan zijn om te gaan zweten. Dit zijn conceptuele problemen. Conceptuele problemen ontstaan in het samenspel tussen verschillende theorieën. 

Elke theorie kan empirische en conceptuele problemen oplossen, maar veroorzaakt meestal ook weer nieuwe conceptuele en empirische problemen. Afhankelijk van hoe belangrijk we de opgeloste problemen vinden, en de nieuwe problemen die zich voordoen, zijn we geneigd een theorie te accepteren – of niet. 

Volgens Laudan kenmerkt wetenschappelijke vooruitgang zich door een groei van het aantal opgeloste problemen en de afname van het aantal onopgeloste problemen. Maar omdat niet elk probleem even zwaar weegt, is het lastiger om de balans op te maken dan je misschien zou denken. Laten we eerst eens naar de empirische problemen kijken.

Status van empirische problemen

Volgens Laudan bestaan er drie soorten empirische problemen.

  1. Opgeloste problemen. Dit zijn empirische problemen waar een adequate verklaring voor is. Dauw op de ruiten, bijvoorbeeld.
  2. Onopgeloste problemen. Dit zijn empirische problemen waar geen enkele bestaande theorie een verklaring voor heeft. Of poetsvissen zelfbewustzijn hebben, bijvoorbeeld.
  3. Anomalieën. Dit zijn empirische problemen die in strijd zijn met een geldige theorie. Als blijkt dat er deeltjes zijn die sneller gaan dan het licht, is dit een anomalie voor de relativiteitstheorie.

Je zou zeggen dat onopgeloste problemen het belangrijkst zijn voor de wetenschap. Daar is immers vooruitgang te boeken. Maar de praktijk leert dat wetenschappers onontgonnen terrein relatief onbelangrijk vinden.

Toen Robert Brown in 1828 door zijn microscoop naar pollen in een bakje water keek, zag hij dat ze schijnbaar willekeurig door elkaar bewogen. Je zou zeggen dat deze ‘Browniaanse beweging’ een opwindende ontdekking was, waar wetenschappers meteen op doken. Maar dat was niet zo. Wetenschappers steggelden over het belang ervan en voor welke theorie het eigenlijk een probleem kon zijn. Keken we naar iets wat biologisch van aard was, elektrisch, optisch? Omdat ze geen theorieën hadden om het probleem te duiden, konden ze ook niet beslissen hoe belangrijk het was – en liet een oplossing op zich wachten. 

Het was uiteindelijk 80 jaar later toen Albert Einstein een van zijn eerste wetenschappelijke ontdekkingen deed door aan te tonen dat de pollen door de beweging van watermoleculen in beweging gebracht worden. Daarmee leverde hij een grote bijdrage aan de warmteleer én aan de status van de Browniaanse beweging. Tot die tijd had Brown een grappig, slecht begrepen experiment beschreven, dat relatief weinig aandacht kreeg. Vanaf dat moment was het een centraal leerstuk in de warmteleer.

Het belang van wetenschappelijke problemen hangt dus af van hun bewijskracht voor een bepaalde theorie. Omdat het voor onopgeloste problemen niet zeker is wat die latere bewijskracht zal zijn, zijn ze voor veel wetenschappers eigenlijk minder relevant.

Daarom zijn anomalieën zo belangrijk voor de wetenschap. Een anomalie is een luis in de pels van de wetenschap. Anomalieën zeuren aan het hoofd van de wetenschapper, ze wijzen erop dat de mooie theorieën waar de onderzoekers zo lang aan gewerkt hebben toch niet kunnen kloppen. Als je erin slaagt om een anomalie in een opgelost probleem om te toveren sta je als wetenschapper supersterk. En het mooie van anomalieën is dat dat al van tevoren bekend is. Je weet welke theorie je een steuntje in de rug kan geven en waarom.

We kunnen concluderen dat voor empirische problemen geldt dat anomalieën het belangrijkst zijn, daarna opgeloste problemen en dan pas onopgeloste problemen. Maar Laudan merkt terecht op dat deze inventarisatie niet afdoende is om de wetenschapsgeschiedenis recht te doen. Al te vaak werden theorieën die empirische problemen prima konden oplossen, terzijde geschoven ten faveure van theorieën die beter in het wereldbeeld van de wetenschappers pasten. Daarom moeten we ook conceptuele problemen beter bekijken.

Conceptuele problemen

De meeste wetenschapsfilosofieën vinden het alleen goed als wetenschappers op basis van experimenten en observaties voor een theorie kiezen. Maar Laudan stelt dat er rationele, niet-empirische gronden kunnen zijn om een theorie aan te hangen. Sterker nog, conceptuele problemen hebben volgens hem een grotere invloed op de vooruitgang van de wetenschap dan empirische problemen.

Conceptuele problemen ontstaan als theorieën in strijd lijken te zijn met andere theorieën. Even aangenomen dat theorieën geen interne problemen hebben, zoals vage concepten of verborgen cirkelredeneringen, dan zijn er volgens Laudan drie bronnen van conceptuele problemen: strijdige theorieën, methodologische problemen of problemen met het wereldbeeld van wetenschappers.

Strijdige theorieën hebben aannames die niet met elkaar te rijmen zijn. Ptolemeus dacht dat de aarde in het midden van het heelal staat, terwijl Copernicus dacht dat de zon in het midden staat. Dit is een conceptueel probleem want het kan niet allebei waar zijn. Je zou misschien zeggen dat het een empirisch probleem is. Als je even een ruimteschip naar de zon stuurt dan kun je er namelijk wel achter komen hoe het zit. Maar het was in die tijd niet mogelijk een ruimteschip te sturen en niemand zou ook geweten hebben welk bewijs dat ruimteschip dan moest verzamelen om de kwestie uit de lucht te helpen.  

Dat kon wel op een andere grond. Copernicus’ ideeën waren namelijk in strijd met de natuurkunde in die tijd. Aristoteles had verschillende ideeën over hoe dingen op en buiten de aarde bewogen ontwikkeld. Die moesten heroverwogen worden als wetenschappers het idee van Copernicus zouden overnemen. Daarom had de theorie van Copernicus aanvankelijk meer conceptuele problemen dan die van Ptolemeus – en raakte die niet erg in zwang. Het was uiteindelijk Galilei, die door een alternatief natuurkundig systeem te ontwikkelen de balans in de richting van de theorie van Copernicus deed doorslaan. Nu hadden beide theorieën meerdere conceptuele problemen en waren de theorieën echt aan elkaar gewaagd. Tegen de tijd dat de balans doorsloeg naar Copernicus was deze eigenlijk alweer vervangen door de ideeën van Johannes Kepler.

Een tweede bron van conceptuele problemen kan methodologie zijn. Wetenschappers hebben ideeën over hoe je tot theorieën kan komen en welke bewijsvoering acceptabel is voor een theorie. Als een theorie strijdig is met dat soort overtuigingen, ontstaan ook conceptuele problemen.

Isaac Newton liep bijvoorbeeld tegen een methodologisch probleem aan met zijn theorie over zwaartekracht. Volgens Newton trekken zware voorwerpen elkaar aan en daarom vallen dingen naar de aarde toe. De vraag is alleen wel hoe dat kan. Tijdgenoten wezen erop dat Newton een geheimzinnige ‘werking op afstand’ nodig had voor zijn theorie. De appel die naar de aarde valt raakt de aarde niet, hoe kan de aarde dan de appel trekken? In die tijd was werking op afstand een methodologische doodzonde. Krachten konden alleen verklaard worden door het botsen van deeltjes. Newtons theorie schond dat verklaringsmodel.

Bij methodologische conceptuele problemen moeten wetenschappers zowel de theorie ook de methodologie aanpassen. Omdat ze hun gereedschap belangrijk vinden hebben ze sterke argumenten nodig om die stap te zetten.

Een derde bron van conceptuele problemen is een botsing van een theorie met een wereldbeeld. Elke cultuur heeft ideeën die niet altijd wetenschappelijk van aard zijn, over hoe de wereld werkt. Een wetenschappelijke theorie die dat soort ideeën tegenspreekt, zal het moeilijker hebben dan een theorie die aansluit bij het gangbare wereldbeeld. Een strijdigheid met het gangbare wereldbeeld is dus een conceptueel probleem.

In de meeste voorbeelden speelt God natuurlijk een rol. De strijd van Galilei met de kerk over de plaats van de zon, de moeilijkheden voor God om in te grijpen in een mechanisch universum zoals de volgelingen van Newton voorstelden, hoe moeilijk het is om het Darwinisme met het scheppingsverhaal te verenigen. Maar niet alle wereldbeelden zijn religieus. Darwinisme en marxisme stonden ook op gespannen voet met elkaar en Natuurkundigen zijn nog altijd bezig om de wereldbeelden achter de klassieke mechanica en de quantummechanica te verenigen. 

Al met al zijn er allerlei vragen die rijzen als je een nieuwe theorie in een web van bestaande ideeën probeert in te passen. Dit leidt tot conceptuele problemen die meestal meer gewicht hebben dan empirische problemen. Een theorie heeft volgens Laudan gewoonlijk minder last van een paar anomalieën dan van een flink conceptueel probleem.

De rol van onderzoekstradities.

Tot nu toe hebben we besproken welke verschillende soorten empirische en conceptuele problemen wetenschappers moeten oplossen, maar we hebben nog weinig gezegd over de werking van wetenschappelijke vooruitgang. Volgens Laudan hebben we daar nog een derde bouwsteen voor nodig: onderzoekstradities.

Onderzoekstradities omvatten theorieën. Theorieën staan meestal niet op zichzelf, maar komen voor in families die een wereldbeeld, basisaannames en methoden delen. Die families vormen onderzoekstradities. Laudans idee van onderzoekstradities lijkt op het idee van onderzoeksparadigma’s van Thomas Kuhn of de onderzoeksprogramma’s van Imre Lakatos, maar Laudan denkt dat deze filosofen een aantal historisch onhoudbare beweringen doen. Daarom zijn hun ideeën aan herziening toe. Ik laat de discussie tussen die filosofen even voor wat ze is en richt me alleen op de theorie van Laudan zelf. Volgens Laudan hebben wetenschapstradities drie eigenschappen:

1 Elke onderzoekstraditie bestaat uit een aantal meer specifieke theorieën. De onderzoekstraditie van de quantummechanica bevat onder andere quantumtheorieën voor het atoom, theorieën over quantumzwaartekracht en snaartheorieën. Deze theorieën vormen een illustratie van – en een fundament onder – de traditie.

2 Elke onderzoekstraditie is trouw aan een bepaald wereldbeeld en methodologie. Onderzoekstradities onderscheiden zich door hun ideeën over hoe de wereld in elkaar zit en hoe je er kennis van kan nemen.

3 Tradities zijn historische wezens. Ze worden in de loop der tijd op verschillende manieren gedefinieerd, maar hebben een lange levensduur – in tegenstelling tot theorieën die meestal maar kort leven.

Onderzoekstradities zijn nuttig. Ze geven wetenschappers het gereedschap om conceptuele en empirische problemen op te lossen.  Ze doen dit op vier manieren:

1 Ze bepalen welke problemen interessant zijn en genereren conceptuele problemen. Binnen de familie van theorieën die een onderzoekstraditie omvat ontstaat gemakkelijk ruzie; figuurlijk gesproken. Een nieuwe theorie zal gangbare opvattingen binnen de traditie ter discussie stellen. Het oplossen van de conceptuele problemen die daardoor ontstaan brengt de traditie als geheel verder.

2 Ze begrenzen disciplines. De breed gedeelde basisideeën binnen tradities vormen een natuurlijke begrenzing voor het type probleem dat opgelost kan worden. Het spreekt niet voor zich dat mechanica, waarin dingen verklaard worden op basis van beweging, krachten en botsingen, iets kan zeggen over de manier waarop mensen met elkaar communiceren. Daarvoor zijn de basisideeën gewoon niet aanwezig.

3 Ze bieden hulp bij het oplossen van problemen. Bij het bedenken van een theorie kunnen onderzoekers gebruik maken van elementen uit andere theorieën in de traditie. Een nieuw soort mechanica kan opnieuw opgebouwd worden met begrippen als kracht en snelheid. Hierdoor kunnen nieuwe theorieën dankbaar gebruik maken van jaren denkwerk.

4 Ze helpen met het rechtvaardigen van theorieën. De andere theorieën uit de familie kunnen immers aangeroepen worden om aannames te onderbouwen.

Een belangrijk aspect aan onderzoekstradities is dat ze zich ontwikkelen. Ze zijn aan verandering onderhevig. De theorieën binnen de familie worden steeds ververst waardoor andere dingen belangrijk gevonden worden. Waar de werking van kracht over afstand voor Newton nog een groot probleem was, ontstonden er later veel Newtoniaanse theorieën waarin ook dit soort werking op afstand was opgenomen. Daardoor werd het minder controversieel om een werking op afstand te veronderstellen. In elke onderzoekstraditie zijn er ideeën die centraler zijn en meer tot de harde kern behoren – en die dus ook lastiger tegen te spreken zijn – maar Laudan stelt dat er door het komen en gaan van specifieke theorieën ook beweging zit in de familie als geheel. Daarin wijkt zijn theorie af van die van andere wetenschapsfilosofen.

Vooruitgang

Dat brengt ons eindelijk bij het idee van wetenschappelijke vooruitgang. Laudan denkt dat die te begrijpen is door de strijd tussen – en ontwikkeling van – verschillende onderzoekstradities. Op zichzelf kun je van een traditie niet zeggen of deze waar of onwaar is, daarvoor zijn de ideeën die de theorieën binnen een traditie delen te abstract,  maar je kan wel vaststellen of er in de traditie problemen opgelost worden; en dit probleemoplossend vermogen kan als kwaliteitsmaat gebruikt worden. In vruchtbare onderzoekstradities kunnen veel problemen opgelost worden.

Een belangrijke toetssteen voor een onderzoekstraditie is of deze adequaat is. Hoe goed kunnen problemen opgelost worden met de theorieën uit de onderzoekstraditie? De klassieke mechanica is voor veel problemen adequaat, waardoor de basisprincipes nog altijd populair zijn. Een andere vraag is of onderzoekstradities vooruit gaan. We kunnen ons afvragen of onderzoekstradities meer problemen oplossen dan vroeger. Dan doet de klassieke mechanica het minder goed: de meeste problemen zijn bekend en opgelost, een reden waarom er op dit moment niet veel wetenschappers zijn die zichzelf nog als een klassiek mechanicus zien.

Er is dus een verschil tussen tradities die wetenschappers  accepteren – voor waar aannemen; en tradities die ze najagen – waar ze aan willen werken. Wetenschappers zijn gewoon om theorieën te accepteren die adequaat zijn, maar ze zijn wel geneigd theorieën na te jagen die zich snel ontwikkelen.

Dit spanningsveld tussen conservatief gedrag: acceptatie van die theorieën die bewezen zijn en progressief gedrag: najagen van  theorieën die veelbelovend zijn verklaart voor een belangrijk deel wetenschappelijke vooruitgang. Als wetenschappers niet een voorkeur zouden hebben voor theorieën die zich snel ontwikkelen, dan zouden nieuwe theorieën nooit een kans krijgen en als theorieën zich niet bewezen zouden moeten hebben voordat ze geaccepteerd worden zou wetenschappers zich overgeven aan willekeur. Laudan laat zien dat met deze twee principes vooruitgang mogelijk is en dat de beslissingen die wetenschappers nemen rationeel zijn en niet, zoals andere wetenschapsfilosofen wel beweerd hebben, alleen maar door sociale processen bepaald worden.

Tot slot

Ik opende dit blogje al door te stellen dat ik Laudans theorie elegant vind. Met name het erkennen van het belang van conceptuele problemen en de samenbundeling van theorieën in onderzoekstradities helpen om de wetenschap beter te begrijpen.

Tegelijkertijd is de boekhouding van problemen met verschillend gewicht die Laudan voorstelt behoorlijk complex. Nergens laat hij echt concreet zien dat je door het tellen van problemen inderdaad kan onderbouwen welke keuzes wetenschappers maken in hun werk. Sterker nog, die keuzes blijken voor verschillende wetenschappers verschillend te zijn. Het gewicht van een probleem is uiteindelijk een persoonlijke keuze.

Daarmee staat Laudan niet enorm sterk als het gaat om het aantonen van de wetenschappelijke vooruitgang. Hij slaagt er goed in om een aantal kwesties die andere wetenschapsfilosofen zoals Thomas Kuhn en Karl Popper hebben laten liggen op te lossen, maar hij geeft uiteindelijk weinig tegengas tegen filosofen die de wetenschap als een puur sociaal proces wensen te zien. Laudan toont aan dat wetenschap vooruit kan gaan, niet dat ze daadwerkelijk vooruitgaat.

Meer lezen?

Ik schreef over de ideeën van Karl Popper in Groeit Kennis? Ik schreef over de houdbaarheid van wetenschappelijke theorieën in Stokoude Kennis, Halfwaardetijd en Tijdmeters.

Progress and its problems is een prettig leesbaar boek dat rijk is aan inzichten over de wetenschap en vooral het denken daarover.