De wetenschappelijke revoluties van Thomas Kuhn

Thomas Kuhn is vermoedelijk de bekendste wetenschapsfilosoof na Karl Popper. Of misschien zelfs wel bekender, want hij schonk ons het woord paradigma. En probeer vandaag de dag nog maar eens een multidisciplinair overleg door te komen zonder dat dat woord een keer valt.

Toen ik The Structure of Scientific Revolutions voor het eerst las, was ik meteen fan. Het boek is een genuanceerde en dappere poging om de wetenschapsfilosofie dichter bij de wetenschapsgeschiedenis te brengen. Van het oorspronkelijke betoog van Kuhn is in het dagelijks gebruik van het woord paradigma jammer genoeg nog maar weinig overgebleven. Daarom leek het me de moeite waard om nog eens uiteen te zetten wat Kuhn nu eigenlijk probeerde te zeggen.

Het  vertrekpunt

Kuhn was een natuurkundige die zich voor wetenschapsgeschiedenis ging interesseren doordat hij er achter kwam de de manier waarop natuurkundige tekstboeken omgaan met de geschiedenis, niet erg waarheidsgetrouw is. Door zich te verdiepen in de werkelijke geschiedenis van de natuurwetenschappen ontwikkelde hij een theorie over de vooruitgang ervan. 

Die theorie was behoorlijk revolutionair en interessant genoeg vloeide zij eigenlijk direct voort uit de ervaring die Kuhn naar de wetenschapsgeschiedenis had getrokken. Hij merkte op dat wetenschappelijke tekstboeken het verleden meestal presenteren alsof de huidige theorie altijd al in het verschiet lag. 

Dat is een rare en onzorgvuldige vorm van geschiedschrijving, maar het heeft ook nuttige kanten. Het zet nieuwe generaties wetenschappers meteen op het goede spoor, wat van het onderzoeksprogramma als geheel een gerichte en gedisciplineerde onderneming maakt. Het nadeel ervan is tunnelvisie, jonge wetenschappers worden niet getraind om nog fundamenteel anders te denken. En dat laatste zorgt er volgens Kuhn voor dat wetenschap zich op een schoksgewijze manier ontwikkelt in plaats van lineair.

Het idee van een paradigma

Kuhn definieert een paradigma als “universally recognised scientific achievements that for a time provide model problems and solutions to a community of practitioners” (p. x). Een paradigma is dus in de eerste plaats een voorbeeldige wetenschappelijke prestatie. Dat bedoeld Kuhn vrij letterlijk: een concrete prestatie die een tijd lang als voorbeeld dient voor nieuw onderzoek. 

De evolutietheorie is een mooi voorbeeld. Darwin liet zien hoe soorten zich via variatie en natuurlijke selectie aanpassen aan hun omgeving. Daarmee bood hij niet alleen een krachtige verklaring voor de diversiteit van soorten, maar ook een succesvol model voor nieuw onderzoek. Problemen die om een evolutionaire verklaring vroegen kwamen hierdoor beter in beeld en onderzoekers kregen een duidelijk idee van wat als een bevredigende oplossing gold. Door voor te leven hoe je antwoorden kon vinden, liet de theorie zien welke problemen en welke antwoorden de moeite waard waren.

De diciplinaire matrix

Door het navolgen van een concrete wetenschappelijke oplossing kan volgens Kuhn een hele onderzoekspraktijk ontstaan. Dit is een element van Kuhns theorie die veel verwarring geeft, dus laat ik dat even afpellen.

De kern is volgens Kuhn de voorbeeldige oplossing zelf. In het bovenstaande voorbeeld: de evolutionaire verklaring. Dit concrete voorbeeld is wat Kuhn het paradigma heeft genoemd. Daaromheen kan zich een groter web spinnen van gedeelde theorieën, begrippen, methoden, instrumenten en waarden die de basis vormen van een onderzoeksprogramma. Kuhn noemt dit de disciplinaire matrix. Soms wordt dat ook het paradigma genoemd, maar strikt genomen is dit niet correct. Een disciplinaire matrix kan op haar beurt niet bestaan zonder dat ze gedragen wordt door een wetenschappelijke gemeenschap.

Wacht, ik zet het even op een rijtje!

NiveauCentrale vraagInhoudVoorbeeld
1. Paradigma (de voorbeeldige prestatie)Welk voorbeeld volgen onderzoekers?Een concrete wetenschappelijke prestatie die model staat voor nieuw onderzoek. Ze laat zien welke problemen interessant zijn en hoe je ze oplost.Newtons Principia, Darwins evolutietheorie, Lavoisiers chemie
2. Disciplinaire matrixWat delen onderzoekers?Het geheel van gedeelde theorieën, begrippen, methoden, instrumenten, waarden én exemplars dat een onderzoekspraktijk mogelijk maakt.De Newtoniaanse mechanica, de Darwiniaanse biologie
3. Wetenschappelijke gemeenschapWie draagt het paradigma?De gemeenschap die de disciplinaire matrix deelt, nieuwe onderzoekers opleidt en bepaalt wat als goede wetenschap geldt.De negentiende-eeuwse natuurkundigen, de evolutionair biolog

De ontwikkeling van ‘normal science’

Het grootste deel van The Structure of Scientific Revolutions gaat vervolgens niet meer over paradigma’s zelf, maar over wat ze teweegbrengen: hoe ze een onderzoekspraktijk organiseren, een gemeenschap van onderzoekers vormen, een tijd lang uitzonderlijk productief zijn en uiteindelijk de voorwaarden scheppen voor hun eigen ondergang. 

Dat begint me wat Kuhn een pre-paradigmatische fase noemt. Er bestaan dan verschillende scholen naast elkaar die het fundamenteel oneens zijn over de belangrijkste vragen, de juiste methoden en zelfs over wat als een bevredigende verklaring geldt in het vakgebied. Onderzoekers zijn daardoor voortdurend met de grondslagen van hun vak bezig. Het vakgebied als geheel boekt juist weinig vooruitgang, omdat iedere onderzoeksschool haar eigen problemen en oplossingen ontwikkelt.

Dat verandert als een wetenschappelijke prestatie, het paradigma, zoveel succes heeft dat steeds meer onderzoekers haar gaan navolgen. Niet persé omdat alle concurrenten overtuigend zijn weerlegd, maar omdat één manier van werken duidelijk vruchtbaarder blijkt dan de rest. Rond het paradigma ontstaat een gedeelde onderzoekspraktijk. Daamee begint wat Kuhn normal science noemt.

Normal science is een bijzonder productieve periode in de wetenschap. Wetenschappers richten zich dan niet meer op de grondslagen van hun vak, maar alleen nog op het uitwerken van het paradigma. Daar zijn volgens Kuhn drie manieren voor: het vaststellen van nieuwe feiten, het in overeenstemming brengen van de theorie en de feiten, en het verder uitwerken van de theorie. In de evolutiebiologie betekent dat bijvoorbeeld het beschrijven van nieuwe soorten, het verklaren van bijzondere eigenschappen of het uitwerken van de theorie aan de hand van genetische gegevens.   

Juist deze beperking maakt normal science zo productief. Onderzoekers hoeven niet meer wekelijks te vergaderen over de vraag of evolutie eigenlijk wel bestaat. Doordat ze het grotendeels eens zijn geworden over de uitgangspunten van hun vak, kunnen zij zich richten op steeds ingewikkeldere puzzels binnen de disciplinaire matrix.

Een steentje in de schoen: de anomalie.

Juist doordat onderzoekers steeds preciezer meten en steeds ambitieuzere vragen stellen, stuiten ze af en toe op verschijnselen die zich niet netjes laten inpassen. Kuhn noemt dat anomalieën. En die irriteren.

Sommige anomalieën worden een tijdje genegeerd, maar vaak proberen de wetenschappers om de anomalie in te passen in de disciplinaire matrix. Misschien deugt de meting niet. Misschien ontbreekt er een hulpveronderstelling. Misschien moet de theorie verder worden uitgewerkt. Wetenschappers proberen dus eerst het bestaande paradigma te redden voordat zij het opgeven.

Soms biedt zo’n anomalie ook ruimte voor een wetenschappelijke ontdekking. Het ongemak van de anomalie dwingt onderzoekers nieuwe wegen te verkennen. Er is blijkbaar iets aan de hand, maar niemand weet nog precies wat. Er volgt een periode van vallen en opstaan waarin tegelijk een nieuwe oplossing én een nieuw begrip van het probleem ontstaan. Een ontdekking bestaat volgens Kuhn twee stappen: het herkennen dát er iets is en het begrijpen wát het is.

In de evolutietheorie vormde de erfelijkheid lange tijd zo’n schurend probleem. Darwin kon overtuigend uitleggen hoe natuurlijke selectie werkt, maar niet hoe eigenschappen worden doorgegeven. Pas met de herontdekking van Mendels werk ontstond een nieuwe oplossingsruimte. Erfelijkheid bleek geen ongrijpbaar verschijnsel, maar iets dat onderzocht en begrepen kon worden. Het probleem kreeg daarmee tegelijk een oplossing én een nieuwe betekenis.

Kuhns punt is dus dat anomalieën geen uitzonderingen zijn, maar een natuurlijk product van normal science. Meestal leiden ze tot verdere verfijning van de disciplinaire matrix. Soms groeien ze uit tot een wetenschappelijke ontdekking, die na een lange periode van zoeken zowel een nieuwe oplossing als een nieuw begrip van het probleem oplevert. En heel af en toe vormt zo’n ontdekking de kiem van een nieuw paradigma.

Revoluties

Wanneer wetenschappers een aantal hardnekkige anomalieën niet meer opgelost krijgen en iemand met een andere oplossingsrichting komt – een die buiten het normale denken van de discipline valt – kan zich een wetenschappelijke revolutie voltrekken. Vanaf dat moment concurreren verschillende paradigma’s met elkaar.

Daarbij staat meer op het spel dan alleen een betere oplossing voor een hardnekkig probleem. Een nieuw paradigma kan ook uitgaan van heel andere ideeën over hoe de werkelijkheid in elkaar zit. Het meest controversiële aan Darwins evolutietheorie was volgens Kuhn niet eens dat soorten veranderen of dat mens en aap een gemeenschappelijke voorouder hebben. Veel fundamenteler was dat Darwin de levende natuur beschreef zonder doelgerichtheid. Begrippen als ontwerpfunctie en aanpassing kregen daardoor een andere betekenis. Niet alleen de antwoorden veranderden, maar ook de taal waarin biologen hun vragen stelden.

Daarnaast wordt tijdens een wetenschappelijke revolutie ook de wetenschappelijke werkwijze zelf onderwerp van discussie. Omdat een paradigma ook bepaalt wat als goede wetenschap geldt, verschillen concurrerende paradigma’s niet alleen van mening over de juiste antwoorden, maar ook over de maatstaven waarmee die antwoorden worden beoordeeld. Daardoor zijn discussies tussen paradigma’s vaak moeilijk te beslechten: ieder paradigma beroept zich op zijn eigen normen.

Het is dan ook niet zo raar dat een paradigmawisseling niet zonder slag of stoot verloopt. Er staat veel op het spel: de productiviteit van het bestaande onderzoeksprogramma, de manier waarop wetenschap wordt bedreven, de vragen die belangrijk worden gevonden, de ideeën over hoe de werkelijkheid begrepen kan worden én de reputaties van onderzoekers die binnen het oude paradigma succesvol waren.

Wetenschappelijke vooruitgang

Als alles wat hiervoor geschetst is wat onbevredigend op je overkomt, dan ben je niet de enige. Kuhn heeft namelijk geen duidelijke, maatstaf ingebouwd waaraan je wetenschappelijke vooruitgang kunt afmeten. Binnen periodes van normal science is vooruitgang duidelijk genoeg: onderzoekers lossen steeds meer puzzels op en werken het paradigma verder uit. Maar tijdens een wetenschappelijke revolutie veranderen de regels van het spel zodanig dat het moeilijk wordt om nog vast te stellen of de wetenschap als geheel vooruitgegaan is. De definitie van vooruitgang is zelf veranderd. Dat betekent volgens Kuhn dat je niet zoiets kan zeggen als: de wetenschap komt steeds dichter bij de waarheid. 

Paradoxaal genoeg denkt Kuhn wel degelijk dat er zoiets bestaat als wetenschappelijke vooruitgang, ook over revoluties heen. Hij wijst erop dat wetenschappers niet zomaar van koers veranderen. Daar zijn goede redenen voor: er zijn hardnekkige anomalieën ontstaan die binnen het oude paradigma niet opgelost kunnen worden, maar binnen het nieuwe wel. Bovendien ontstaat rond dat nieuwe paradigma opnieuw een bijzonder productieve onderzoekspraktijk. Ook tijdens een wetenschappelijke revolutie wordt er dus vooruitgang geboekt. Alleen wil Kuhn niet precies zeggen wat er dan vooruitgaat. Dan zou hij vooraf regels vastleggen die in een revolutie weer kunnen veranderen.

Slot

Kuhn heeft zonder meer ons denken over hoe wetenschap werkt en vooruitgaat voorgoed veranderd.

Er zitten best zwakke punten in zijn werk. Zo is zijn historische analyse sterk verankerd in de natuurwetenschappen en kun je je afvragen of andere disciplines dezelfde patronen vertonen. Gaan de geesteswetenschappen bijvoorbeeld ook schoksgewijs vooruit? En idealiseert Kuhn het proces van de wetenschappelijke revolutie niet een beetje? Waar eerdere historici juist weinig oog hadden voor revolutionaire breuken, lijkt Kuhn ze soms overal te zien. De geschiedenis is waarschijnlijk rommeliger dan één filosofisch model kan vatten, zelfs dat van een denker van zijn kaliber.

En dan is er nog dat multidisciplinaire onderzoek. Opmerkelijk genoeg is de plek waar het woord paradigma tegenwoordig het vaakst valt misschien wel de plek waar het begrip het minst van toepassing is. Een multidisciplinair overleg begint juist waar een paradigma ophoudt. Er is geen voorbeeldige oplossing die als model kan dienen, geen gedeelde disciplinaire matrix en vaak zelfs geen overeenstemming over wat een goede oplossing eigenlijk is. Toch zitten onderzoekers daar niet om een revolutionaire strijd uit te vechten, maar vanuit de overtuiging dat hun verschillen overbrugbaar zijn. Ze proberen begrippen te vertalen, methoden te combineren en gezamenlijk een nieuwe oplossingsruimte te creëren. Misschien is de disciplinaire matrix dus veel flexibeler dan Kuhn voorstelt. Dan is het multidisciplinaire overleg de anomalie waar Kuhns wetenschapsfilosofie tegen zijn grenzen loopt.

Meer lezen?

Het betoog van Kuhn heeft een filosofische, geschiedkundige en een sociologische dimensie.

Over de wetenschapsfilosofische kant schreef ik in: Het probleemoplossend vermogen van Larry Laudan en Groeit kennis? (over Karl Popper).

Over wetenschapsgeschiedenis schreef ik in: De wetenschapsstijlen van Chunglin Kwa, De mechanisering van het wereldbeeld van Eduard J Dijksterhuis, De wetenschapsgeschiedenis van Rens Bod en Little Science, Big Science.

De sociologische kant besprak aan de hand van het werk van Bruno Latour in: Lableven en De zwarte dozen van Bruno Latour

Dit blogje is gebaseerd op een herlezing van The Structure of Scientific Revolutions, iets wat ik iedereen aanraad.

De wetenschapsgeschiedenis van Rens Bod

In zijn boek “Een wereld vol patronen” doet Rens Bod een poging om een totaaloverzicht van de geschiedenis van menselijke kennis te geven. Alle kennis. Niet alleen die sinds de wetenschappelijke revolutie, maar ook van voor de uitvinding van de landbouw. Niet alleen westerse kennis – maar ook die in India, de Arabische wereld en China. Niet alleen de natuur-, maar ook de geesteswetenschappen. Ik weet niet zo snel hoe je een ambitieuzer project kan bedenken.

Ik begon aan “Een wereld vol patronen” omdat ik de voorganger “De verborgen wetenschappen” prachtig vond. Dat boek verbreedde mijn kennis van de wetenschapsgeschiedenis enorm, omdat ik net zoals de meeste andere bèta’s vooral geschoold was in de westerse wis- en natuurkunde, sinds de Grieken. Ik had nooit van zoiets als filologie gehoord en het was boeiend om op deze manier ingewijd te worden in de problemen die schriftgeleerden moesten oplossen, de oplossingen die ze vonden en de impact die dat denken vervolgens had op de wetenschappen die ik beter kende.

Ik heb “Een wereld vol patronen” met plezier gelezen, maar het kon me minder bekoren dan “De verborgen wetenschappen”. Dat komt voor een belangrijk deel omdat ik dat boek al gelezen had en de nieuwe verbredingen me minder raakten. Ik zou graag meer weten over hoe kennis in de prehistorie zich ontwikkelde, maar omdat we het met grottekeningen en ingekerfde werktuigen moeten doen, valt er per saldo niet zoveel over te zeggen. Het is een groot goed dat Bod de kennis van Arabische, Indiase, Chinese en oude Amerikaanse beschavingen een podium geeft, maar die brede blik zorgt ook dat de afzonderlijke verhalen nog weinig uit de verf komen.

Normatief werkt de brede blik uit het boek prima: dit zijn allemaal dingen die een wetenschapshistoricus in beschouwing zou moeten nemen. Maar de uitwerking van al die onderdelen pakt nogal schetsmatig uit, hoe grondig het onderliggende onderzoek ook is. Daar komt nog bij dat Bod, de medische wetenschap uitgezonderd, de engineering disciplines niet meeneemt in zijn overzicht. Dat is een opmerkelijke omissie. Als gebouwen, werktuigen, scheepvaart, aquaducten en stoommachines geen weerslag zijn van systematische kennis, wat dan wel?  Bod slaagt erin de ambitie van een totaalgeschiedenis van menselijke kennis stevig op de kaart te zetten, maar het resultaat blijft sterk gekleurd door zijn eigen wetenschappelijke achtergrond.

Uiteraard probeert Bod ook duiding te geven aan de ontwikkeling van de menselijke kennis. Om kort te gaan, werd de mens zich eerst bewust van patronen: regelmatigheden waarmee losse feiten in verband worden gebracht, zoals de maanstanden, de tonen in gespannen snaren, of de overeenkomsten tussen verschillende bronnen. Later, vanaf de vroege oudheid, zijn mensen daar onderliggende principes bij gaan zoeken: vuistregels, wiskundige begrippen of andersoortige theorieën. De volgende stap was het vinden van herleidingen: regels waarmee principes en patronen met elkaar in verband gebracht kunnen worden, zoals de logica. Daarna verschoof de focus naar het terugbrengen van het aantal principes en gingen herleidingen een belangrijkere rol spelen. Dit mondde uit in de wetenschappelijke revolutie en in de empirische cyclus: in Bods visie een voorbeeld van een patroon in herleidingen.

Om eerlijk te zijn, vind ik deze theorie over de ontwikkeling van kennis zonde van het boek. Bod schrijft het volgende over de Indische wetenschapper Panini, die beweerde dat alle taal recursief was:

De Grieken lijken Panini’s werk niet te hebben gekend […] ze zouden Panini zeker hebben gewaardeerd met hun hang naar het ene in het vele. (P98)

Ik vermoed dat de Grieken Bods reductie van al het systematische denkwerk uit de gehele mensheid naar een dans van twee soorten begrippen -patronen en principes- om dezelfde reden hadden kunnen waarderen. Hoe krachtig is het als je al die diversiteit, al die denkwijzen, als die subtiele manieren waarop de verschillende wetenschappen elkaar gevoed en beïnvloed hebben terug kunt brengen tot een of twee makkelijk te begrijpen begrippen?

Niet zo krachtig, als je het mij vraagt. Veel mensen zullen het wel zo zien, maar ik blijk niet erg “Grieks”. Want die twee begrippen zijn maar begrippen. Ik voel me niet verlicht door het idee dat je de grammatica en de afwisseling van dag en nacht allebei als ‘patronen’ kan zien die je vanuit ‘principes’ kunt begrijpen. Dat is zó hoog over dat het afleidt van die dingen die echt boeien. Het kan toch niet zo zijn dat dit de beste manier is om een zorgvuldige vergelijking te maken tussen bijvoorbeeld de ontwikkeling van het recht en de ontwikkeling van de natuurwetenschappen in de middeleeuwen? Dat ze zich beide met principes en patronen bezighielden is misschien wel waar, maar ook nogal een lege constatering. En dat terwijl Bod juist zo zorgvuldig werk verricht heeft om al die verschillende kennis in kaart te brengen.

De theorie lijkt een poging te zijn om te laten zien dat het menselijke denken een ontwikkeling heeft doorgemaakt en mogelijk is verwetenschappelijkt. Daarmee gaat hij verder dan wetenschapsfilosofen als Popper en Laudan. Die beweren wel dat ze mechanismen voor de groei van kennis kunnen identificeren, maar passen die vervolgens eigenlijk niet toe op de geschiedenis zelf.  Laat staan dat ze er een ontwikkeling in ontwaren. Toch vind ik Bod ook op dit aspect overtuigingskracht missen: er komen veel uitzonderingen voor in het boek en Bod laat het bij beschrijvingen. Een verklaring waarom het denken door de tijd veranderd zou zijn ontbreekt. Interacties tussen de kennis en de context waarin die tot stand komt blijven onderbelicht. Daardoor blijft ook dit ontwikkelingsaspect te veel in het luchtledige hangen.

Kritische noten genoeg dus, maar dit zijn nauwelijks redenen om het boek in de boekhandel te laten liggen. De kracht van het boek zit niet in de duiding, het is juist de bloemlezing. Het is de diversiteit die Bod in deze eenvoud probeert te vangen, die het boek de moeite waard maken. Ik had het liefst gezien dat Bod die diversiteit gewoon lekker vrij had gelaten, maar zo knellend is het patroon-principe-keurslijf nu ook weer niet. Je kunt er gewoon doorheen lezen en genieten van het denken van al die denkers waar je nog nooit van gehoord had, die er achster tevoorschijn komt. 

Meer lezen?

Ik schreef over de groei van kennis in Het probleemoplossend vermogen van Larry Laudan, en Groeit kennis? In Anachronismen ging ik in op de moeilijkheid van het achteraf duiden van oude kennisstandaarden. Ik schreef ook al eens over het nut van Geschiedenis in het algemeen.

Er zijn weinig wetenschapshistorici die veel aandacht hebben voor de wisselwerking van de ontwikkeling van kennis en haar toepassing, maar uitzonderingen vormen wel Bruno Latour en ook The Information van James Gleick.

Zowel “De vergeten wetenschappen” en “Een wereld vol patronen” zijn het lezen waard.

Anachronismen

Imre Lakatos, de wetenschapsfilosoof, schijnt gezegd te hebben dat de wetenschapsfilosofie leeg is zonder de wetenschapsgeschiedenis en dat de wetenschapsgeschiedenis blind is zonder de wetenschapsfilosofie

Prachtig. Het zou inderdaad vreemd zijn als filosofen, die theorieën over de wetenschap opstellen, zich niet zouden interesseren voor hoe die wetenschap zich daadwerkelijk voltrokken heeft. Nou ja. Zulke filosofen bestaan wel natuurlijk: Lakatos begon er niet voor niets over. Het is ook lastig om geschiedenis te schrijven als je dat niet vanuit een theoretisch kader doet. Er is veel wetenschapsgeschiedenis. Als je niet specifiek naar iets op zoek bent wordt het lastig het allemaal te overzien. Hoewel ik me dan weer wel afvraag of de wetenschapshistorici uit de tijd van Lakatos blij waren met de avances van de filosoof. Heel gelukkig is dat huwelijk tussen de filosofie en de geschiedenis toch nooit echt geweest.

Daar zijn goede redenen voor, maar de spelbreker die ik het boeiendst vind, is het probleem van de anachronistische kennisstandaarden.

Een anachronisme is iets dat niet in de tijd past. In de middeleeuwen keken mensen niet op hun horloge. In de jaren 90 waren er geen smartphones. In films kan het gebruik van anachronismen heel humoristisch werken. In de films van Monty Python verspreiden historische figuren zoals Koning Arthur en Jezus steeds opvallend moderne denkbeelden. 

Wetenschapsfilosofen die iets willen zeggen over wat kwalitatief hoogstaande kennis is, of die echte wetenschap van valse wetenschap willen onderscheiden, lopen het risico net zo’n raar figuur te slaan als deze hoofdpersonen. Ze dringen zich niet alleen op aan de historici, maar ook aan de geschiedenis zelf. Er is geen enkel bewijs dat Aristoteles ooit gerandomiseerde dubbelblinde experimenten deed. Maakt dat hem een slechte wetenschapper?

Goed, dat was een flauwe retorische vraag, maar het punt zal duidelijk zijn: in de loop der tijd zijn de standaarden voor wat goede kennis is en voor hoe de wetenschap vooruitgang boekt veranderd. Daarmee is het anachronisme bijna onontkoombaar voor iedereen die iets verstandigs wil zeggen over de wetenschap. Hedendaagse ideeën over wetenschappelijke rationaliteit zeggen weinig over de wetenschap van vroeger en oude ideeën hebben inmiddels hun geldigheid verloren.

Het is ook een waar dilemma, want er zijn niet veel uitwegen te bedenken. Er is de olifant-in-de-porseleinkast-benadering van Karl Popper, die beweerde dat de wetenschapsfilosofie normatief is en dat het dus niet gaat over hoe wetenschap is, maar over hoe ze moet zijn. Dat zet de wetenschapsgeschiedenis buitenspel. Popper schoffeert met terugwerkende kracht alle wetenschappers die nog niet van zijn gouden standaarden op de hoogte waren en zich er niet aan konden houden.

Er is ook de olifant-in-de-porseleinkast benadering van Paul Feyerabend, die beweerde dat de wetenschapsgeschiedenis zo grillig is, dat er in het geheel niets te zeggen valt over welke benadering van de wetenschappen werkt en welke niet: anything goes. Daarmee zette hij de wetenschapsfilosofie buitenspel en reduceerde wetenschappers, goed en slecht, tot prutsers die maar wat aanklooien.

De gulden middenweg wordt bewandeld door iemand als Larry Laudan, die beweert dat er algemene principes zijn te geven voor de groei van wetenschap als geheel en tijdspecifieke invullingen van die principes die aan verandering onderhevig zijn. Volgens Laudan hebben wetenschappers altijd gewerkt aan het vergroten van het probleemoplossend vermogen van hun vak, maar verschillende ideeën gehad over hoe dat in te vullen is.

Dat klinkt een stuk eleganter dan de bruuske benadering van Popper en Feyerabend, maar je kunt je afvragen of het echt een uitweg biedt. Is het echt zoveel vriendelijker om van tijdspecifieke invullingen van kwaliteit te spreken dan om te zeggen dat alles geoorloofd is? En loopt het algemene principe niet ook het risico anachronistisch te zijn? Probleemoplossend vermogen klinkt alvast heel erg als iets van nu – en niet van alle tijden.

Wat zou het mooi zijn als de filosofen van nu met de wetenschappers van toen in gesprek konden. Ik zou er heel wat voor over hebben om in te kunnen loggen op een Zoom-call om een gesprek tussen Laudan en Aristoteles over probleemoplossend vermogen bij te wonen of met Popper over falsificatie. Of nee, als ik dan toch mag dromen: Aristoteles spreekt met Laudan over het probleem van anachronismen in de wetenschapsfilosofie.


Meer lezen?

Ik schreef over de ideeën van Larry Laudan in “Het probleemoplossend vermogen van Larry Laudan” en hij wees me in zijn boekje Progress and its Problems ook opmeet probleem van anachronismen. De ideeën van Karl Popper behandelde ik in “Groeit Kennis?” en “De drie werelden van Popper”.

De andere filosofen die ik hier noem trakteerde ik nog niet op zo’n uitgebreide bespreking. Maar het is interessant om de ideeën van Popper en Laudan eens te vergelijken met de uitkomsten van de empirische studies van de werking van wetenschap zoals ik die in “Lableven”, “De zwarte dozen van Latour” en “Big Science, Little Science” besprak.

Het probleemoplossend vermogen van Larry Laudan

In “Progress and its Problems” probeert Larry Laudan iets te doen wat de meeste wetenschapsfilosofen nooit gelukt is: een geschiedsgetrouwe theorie van wetenschappelijke vooruitgang formuleren. Dat is dapper en interessant – want die wetenschapsgeschiedenis is weerbarstig – en het resultaat mag er wezen: Laudans wetenschapsfilosofie is eenvoudig, elegant en genuanceerd.

De vooruitgangskwestie

Wetenschappers zijn graag zeker van hun zaak. Dat wil zeggen dat ze er alles aan doen om te zorgen dat hun uitspraken kloppen en dat ze morgen en overmorgen ook nog kloppen. Tegelijkertijd laat de geschiedenis zien dat wetenschappelijke inzichten in de loop der tijd steeds veranderen. Die twee dingen staan op gespannen voet met elkaar: wetenschappers beweren sinds de wetenschappelijke revolutie dat ze manieren hebben om tot zekere kennis te komen, maar die geschiedenis geeft ze gewoon steeds ongelijk. Er is in de hele wetenschapsgeschiedenis nog nauwelijks een wetenschappelijke uitspraak geweest die later niet herzien moest worden. 

Die spanning tussen de status aparte van wetenschappelijke kennis en de feilbaarheid van de wetenschap verdwijnt als we aannemen dat wetenschap vooruitgaat. Als wetenschappers erin slagen om steeds voort te borduren op bestaande inzichten en deze aan nieuwe tests te onderwerpen, dan kunnen ze beweren dat ze én de beste manier hebben om aan zekere kennis te komen én dat die kennis steeds verandert. Dan hoort het veranderen van kennis bij de aanpak om tot zekere kennis te komen. Het is juist het steeds voortschrijdende inzicht dat wetenschappelijke kennis zijn ‘status aparte’ geeft.

Maar ook hier laat de wetenschapsgeschiedenis ons in de steek. Onderzoek naar de vooruitgang van wetenschappelijke kennis laat zien dat het proces chaotisch is. De criteria die wetenschappers formuleren om vooruitgang vast te stellen – zoals verificatie en falsificatie – blijken niet daadwerkelijk leidend te zijn voor de keuzes die zij maken. Bovendien kunnen sociale processen – zoals de strijd om invloed en middelen – grote impact hebben op het wetenschappelijke bedrijf. Zolang we niet goed begrijpen hoé de wetenschap vooruitgang boekt, kunnen we niet zeker zijn dát de wetenschap vooruitgang boekt.

In een notendop is dit dus het probleem:

1 Als we terug kijken in de geschiedenis, zien we veel achterhaalde inzichten. 

2 Daardoor denken we dat de wetenschap vooruitgaat.

3 Maar we begrijpen eigenlijk niet hoe dat in zijn werk gaat. 

4 Daardoor kunnen we wetenschappelijke vooruitgang niet herkennen. Bij ontwikkelingen in de wetenschap weten we niet of we daadwerkelijk naar vooruitgang of gewoon naar verandering kijken.

5 Dit geeft weer problemen voor de status van wetenschappelijke kennis. De vraag is of de feiten van vandaag het resultaat zijn van een zoektocht die al in de 16e eeuw begon of eerder ‘in de waan van de dag’ ontstaan zijn.

Probleemoplossen

Volgens Laudan kunnen we wetenschappelijke vooruitgang het best begrijpen als we wetenschap zien als een probleemoplossende discipline. De stelling dat wetenschappers aan wetenschappelijke problemen werken, lijkt eigenlijk weinig opzienbarend. Maar andere wetenschapsfilosofen hebben zich vooral gericht op concrete activiteiten binnen dat probleemoplossen, zoals het doen van observaties, het uitvoeren van experimenten of de logische structuur van argumenten. Daardoor ligt de nadruk in die filosofieën sterk op het experimentele handwerk. Laudan kiest voor een bredere blik, een die meer zicht geeft op het proces van vooruitgang in plaats van het formuleren van een gouden standaard voor wetenschappelijke bewijsvoering.

Wat is een wetenschappelijk probleem? Volgens Laudan zijn er twee soorten: empirische problemen en conceptuele problemen.

Een empirisch probleem doet zich voor wanneer de werkelijkheid zich anders gedraagt dan je zou verwachten. In de ochtend vind je vaak waterdruppeltjes op de ruiten. Dit is een empirisch probleem totdat je een er een bevredigende verklaring voor hebt, zoals: “koude lucht kan minder water bevatten dan warme lucht”. Deze verklaring vormt meteen een nieuw empirisch probleem. Waarom kan koude lucht minder water bevatten dan warme lucht? Dat vraagt ook weer om een verklaring. Empirische problemen ontstaan in het samenspel tussen theorie en werkelijkheid.

Een conceptueel probleem doet zich voor wanneer een theorie niet in overeenstemming is met andere theorieën. Zou je het condens op de ruiten verklaren door te stellen dat ruiten zweten als het koud wordt, dan moet je duidelijk maken dat het niet vreemd is om te zeggen dat dingen kunnen zweten en dat kou een reden kan zijn om te gaan zweten. Dit zijn conceptuele problemen. Conceptuele problemen ontstaan in het samenspel tussen verschillende theorieën. 

Elke theorie kan empirische en conceptuele problemen oplossen, maar veroorzaakt meestal ook weer nieuwe conceptuele en empirische problemen. Afhankelijk van hoe belangrijk we de opgeloste problemen vinden, en de nieuwe problemen die zich voordoen, zijn we geneigd een theorie te accepteren – of niet. 

Volgens Laudan kenmerkt wetenschappelijke vooruitgang zich door een groei van het aantal opgeloste problemen en de afname van het aantal onopgeloste problemen. Maar omdat niet elk probleem even zwaar weegt, is het lastiger om de balans op te maken dan je misschien zou denken. Laten we eerst eens naar de empirische problemen kijken.

Status van empirische problemen

Volgens Laudan bestaan er drie soorten empirische problemen.

  1. Opgeloste problemen. Dit zijn empirische problemen waar een adequate verklaring voor is. Dauw op de ruiten, bijvoorbeeld.
  2. Onopgeloste problemen. Dit zijn empirische problemen waar geen enkele bestaande theorie een verklaring voor heeft. Of poetsvissen zelfbewustzijn hebben, bijvoorbeeld.
  3. Anomalieën. Dit zijn empirische problemen die in strijd zijn met een geldige theorie. Als blijkt dat er deeltjes zijn die sneller gaan dan het licht, is dit een anomalie voor de relativiteitstheorie.

Je zou zeggen dat onopgeloste problemen het belangrijkst zijn voor de wetenschap. Daar is immers vooruitgang te boeken. Maar de praktijk leert dat wetenschappers onontgonnen terrein relatief onbelangrijk vinden.

Toen Robert Brown in 1828 door zijn microscoop naar pollen in een bakje water keek, zag hij dat ze schijnbaar willekeurig door elkaar bewogen. Je zou zeggen dat deze ‘Browniaanse beweging’ een opwindende ontdekking was, waar wetenschappers meteen op doken. Maar dat was niet zo. Wetenschappers steggelden over het belang ervan en voor welke theorie het eigenlijk een probleem kon zijn. Keken we naar iets wat biologisch van aard was, elektrisch, optisch? Omdat ze geen theorieën hadden om het probleem te duiden, konden ze ook niet beslissen hoe belangrijk het was – en liet een oplossing op zich wachten. 

Het was uiteindelijk 80 jaar later toen Albert Einstein een van zijn eerste wetenschappelijke ontdekkingen deed door aan te tonen dat de pollen door de beweging van watermoleculen in beweging gebracht worden. Daarmee leverde hij een grote bijdrage aan de warmteleer én aan de status van de Browniaanse beweging. Tot die tijd had Brown een grappig, slecht begrepen experiment beschreven, dat relatief weinig aandacht kreeg. Vanaf dat moment was het een centraal leerstuk in de warmteleer.

Het belang van wetenschappelijke problemen hangt dus af van hun bewijskracht voor een bepaalde theorie. Omdat het voor onopgeloste problemen niet zeker is wat die latere bewijskracht zal zijn, zijn ze voor veel wetenschappers eigenlijk minder relevant.

Daarom zijn anomalieën zo belangrijk voor de wetenschap. Een anomalie is een luis in de pels van de wetenschap. Anomalieën zeuren aan het hoofd van de wetenschapper, ze wijzen erop dat de mooie theorieën waar de onderzoekers zo lang aan gewerkt hebben toch niet kunnen kloppen. Als je erin slaagt om een anomalie in een opgelost probleem om te toveren sta je als wetenschapper supersterk. En het mooie van anomalieën is dat dat al van tevoren bekend is. Je weet welke theorie je een steuntje in de rug kan geven en waarom.

We kunnen concluderen dat voor empirische problemen geldt dat anomalieën het belangrijkst zijn, daarna opgeloste problemen en dan pas onopgeloste problemen. Maar Laudan merkt terecht op dat deze inventarisatie niet afdoende is om de wetenschapsgeschiedenis recht te doen. Al te vaak werden theorieën die empirische problemen prima konden oplossen, terzijde geschoven ten faveure van theorieën die beter in het wereldbeeld van de wetenschappers pasten. Daarom moeten we ook conceptuele problemen beter bekijken.

Conceptuele problemen

De meeste wetenschapsfilosofieën vinden het alleen goed als wetenschappers op basis van experimenten en observaties voor een theorie kiezen. Maar Laudan stelt dat er rationele, niet-empirische gronden kunnen zijn om een theorie aan te hangen. Sterker nog, conceptuele problemen hebben volgens hem een grotere invloed op de vooruitgang van de wetenschap dan empirische problemen.

Conceptuele problemen ontstaan als theorieën in strijd lijken te zijn met andere theorieën. Even aangenomen dat theorieën geen interne problemen hebben, zoals vage concepten of verborgen cirkelredeneringen, dan zijn er volgens Laudan drie bronnen van conceptuele problemen: strijdige theorieën, methodologische problemen of problemen met het wereldbeeld van wetenschappers.

Strijdige theorieën hebben aannames die niet met elkaar te rijmen zijn. Ptolemeus dacht dat de aarde in het midden van het heelal staat, terwijl Copernicus dacht dat de zon in het midden staat. Dit is een conceptueel probleem want het kan niet allebei waar zijn. Je zou misschien zeggen dat het een empirisch probleem is. Als je even een ruimteschip naar de zon stuurt dan kun je er namelijk wel achter komen hoe het zit. Maar het was in die tijd niet mogelijk een ruimteschip te sturen en niemand zou ook geweten hebben welk bewijs dat ruimteschip dan moest verzamelen om de kwestie uit de lucht te helpen.  

Dat kon wel op een andere grond. Copernicus’ ideeën waren namelijk in strijd met de natuurkunde in die tijd. Aristoteles had verschillende ideeën over hoe dingen op en buiten de aarde bewogen ontwikkeld. Die moesten heroverwogen worden als wetenschappers het idee van Copernicus zouden overnemen. Daarom had de theorie van Copernicus aanvankelijk meer conceptuele problemen dan die van Ptolemeus – en raakte die niet erg in zwang. Het was uiteindelijk Galilei, die door een alternatief natuurkundig systeem te ontwikkelen de balans in de richting van de theorie van Copernicus deed doorslaan. Nu hadden beide theorieën meerdere conceptuele problemen en waren de theorieën echt aan elkaar gewaagd. Tegen de tijd dat de balans doorsloeg naar Copernicus was deze eigenlijk alweer vervangen door de ideeën van Johannes Kepler.

Een tweede bron van conceptuele problemen kan methodologie zijn. Wetenschappers hebben ideeën over hoe je tot theorieën kan komen en welke bewijsvoering acceptabel is voor een theorie. Als een theorie strijdig is met dat soort overtuigingen, ontstaan ook conceptuele problemen.

Isaac Newton liep bijvoorbeeld tegen een methodologisch probleem aan met zijn theorie over zwaartekracht. Volgens Newton trekken zware voorwerpen elkaar aan en daarom vallen dingen naar de aarde toe. De vraag is alleen wel hoe dat kan. Tijdgenoten wezen erop dat Newton een geheimzinnige ‘werking op afstand’ nodig had voor zijn theorie. De appel die naar de aarde valt raakt de aarde niet, hoe kan de aarde dan de appel trekken? In die tijd was werking op afstand een methodologische doodzonde. Krachten konden alleen verklaard worden door het botsen van deeltjes. Newtons theorie schond dat verklaringsmodel.

Bij methodologische conceptuele problemen moeten wetenschappers zowel de theorie ook de methodologie aanpassen. Omdat ze hun gereedschap belangrijk vinden hebben ze sterke argumenten nodig om die stap te zetten.

Een derde bron van conceptuele problemen is een botsing van een theorie met een wereldbeeld. Elke cultuur heeft ideeën die niet altijd wetenschappelijk van aard zijn, over hoe de wereld werkt. Een wetenschappelijke theorie die dat soort ideeën tegenspreekt, zal het moeilijker hebben dan een theorie die aansluit bij het gangbare wereldbeeld. Een strijdigheid met het gangbare wereldbeeld is dus een conceptueel probleem.

In de meeste voorbeelden speelt God natuurlijk een rol. De strijd van Galilei met de kerk over de plaats van de zon, de moeilijkheden voor God om in te grijpen in een mechanisch universum zoals de volgelingen van Newton voorstelden, hoe moeilijk het is om het Darwinisme met het scheppingsverhaal te verenigen. Maar niet alle wereldbeelden zijn religieus. Darwinisme en marxisme stonden ook op gespannen voet met elkaar en Natuurkundigen zijn nog altijd bezig om de wereldbeelden achter de klassieke mechanica en de quantummechanica te verenigen. 

Al met al zijn er allerlei vragen die rijzen als je een nieuwe theorie in een web van bestaande ideeën probeert in te passen. Dit leidt tot conceptuele problemen die meestal meer gewicht hebben dan empirische problemen. Een theorie heeft volgens Laudan gewoonlijk minder last van een paar anomalieën dan van een flink conceptueel probleem.

De rol van onderzoekstradities.

Tot nu toe hebben we besproken welke verschillende soorten empirische en conceptuele problemen wetenschappers moeten oplossen, maar we hebben nog weinig gezegd over de werking van wetenschappelijke vooruitgang. Volgens Laudan hebben we daar nog een derde bouwsteen voor nodig: onderzoekstradities.

Onderzoekstradities omvatten theorieën. Theorieën staan meestal niet op zichzelf, maar komen voor in families die een wereldbeeld, basisaannames en methoden delen. Die families vormen onderzoekstradities. Laudans idee van onderzoekstradities lijkt op het idee van onderzoeksparadigma’s van Thomas Kuhn of de onderzoeksprogramma’s van Imre Lakatos, maar Laudan denkt dat deze filosofen een aantal historisch onhoudbare beweringen doen. Daarom zijn hun ideeën aan herziening toe. Ik laat de discussie tussen die filosofen even voor wat ze is en richt me alleen op de theorie van Laudan zelf. Volgens Laudan hebben wetenschapstradities drie eigenschappen:

1 Elke onderzoekstraditie bestaat uit een aantal meer specifieke theorieën. De onderzoekstraditie van de quantummechanica bevat onder andere quantumtheorieën voor het atoom, theorieën over quantumzwaartekracht en snaartheorieën. Deze theorieën vormen een illustratie van – en een fundament onder – de traditie.

2 Elke onderzoekstraditie is trouw aan een bepaald wereldbeeld en methodologie. Onderzoekstradities onderscheiden zich door hun ideeën over hoe de wereld in elkaar zit en hoe je er kennis van kan nemen.

3 Tradities zijn historische wezens. Ze worden in de loop der tijd op verschillende manieren gedefinieerd, maar hebben een lange levensduur – in tegenstelling tot theorieën die meestal maar kort leven.

Onderzoekstradities zijn nuttig. Ze geven wetenschappers het gereedschap om conceptuele en empirische problemen op te lossen.  Ze doen dit op vier manieren:

1 Ze bepalen welke problemen interessant zijn en genereren conceptuele problemen. Binnen de familie van theorieën die een onderzoekstraditie omvat ontstaat gemakkelijk ruzie; figuurlijk gesproken. Een nieuwe theorie zal gangbare opvattingen binnen de traditie ter discussie stellen. Het oplossen van de conceptuele problemen die daardoor ontstaan brengt de traditie als geheel verder.

2 Ze begrenzen disciplines. De breed gedeelde basisideeën binnen tradities vormen een natuurlijke begrenzing voor het type probleem dat opgelost kan worden. Het spreekt niet voor zich dat mechanica, waarin dingen verklaard worden op basis van beweging, krachten en botsingen, iets kan zeggen over de manier waarop mensen met elkaar communiceren. Daarvoor zijn de basisideeën gewoon niet aanwezig.

3 Ze bieden hulp bij het oplossen van problemen. Bij het bedenken van een theorie kunnen onderzoekers gebruik maken van elementen uit andere theorieën in de traditie. Een nieuw soort mechanica kan opnieuw opgebouwd worden met begrippen als kracht en snelheid. Hierdoor kunnen nieuwe theorieën dankbaar gebruik maken van jaren denkwerk.

4 Ze helpen met het rechtvaardigen van theorieën. De andere theorieën uit de familie kunnen immers aangeroepen worden om aannames te onderbouwen.

Een belangrijk aspect aan onderzoekstradities is dat ze zich ontwikkelen. Ze zijn aan verandering onderhevig. De theorieën binnen de familie worden steeds ververst waardoor andere dingen belangrijk gevonden worden. Waar de werking van kracht over afstand voor Newton nog een groot probleem was, ontstonden er later veel Newtoniaanse theorieën waarin ook dit soort werking op afstand was opgenomen. Daardoor werd het minder controversieel om een werking op afstand te veronderstellen. In elke onderzoekstraditie zijn er ideeën die centraler zijn en meer tot de harde kern behoren – en die dus ook lastiger tegen te spreken zijn – maar Laudan stelt dat er door het komen en gaan van specifieke theorieën ook beweging zit in de familie als geheel. Daarin wijkt zijn theorie af van die van andere wetenschapsfilosofen.

Vooruitgang

Dat brengt ons eindelijk bij het idee van wetenschappelijke vooruitgang. Laudan denkt dat die te begrijpen is door de strijd tussen – en ontwikkeling van – verschillende onderzoekstradities. Op zichzelf kun je van een traditie niet zeggen of deze waar of onwaar is, daarvoor zijn de ideeën die de theorieën binnen een traditie delen te abstract,  maar je kan wel vaststellen of er in de traditie problemen opgelost worden; en dit probleemoplossend vermogen kan als kwaliteitsmaat gebruikt worden. In vruchtbare onderzoekstradities kunnen veel problemen opgelost worden.

Een belangrijke toetssteen voor een onderzoekstraditie is of deze adequaat is. Hoe goed kunnen problemen opgelost worden met de theorieën uit de onderzoekstraditie? De klassieke mechanica is voor veel problemen adequaat, waardoor de basisprincipes nog altijd populair zijn. Een andere vraag is of onderzoekstradities vooruit gaan. We kunnen ons afvragen of onderzoekstradities meer problemen oplossen dan vroeger. Dan doet de klassieke mechanica het minder goed: de meeste problemen zijn bekend en opgelost, een reden waarom er op dit moment niet veel wetenschappers zijn die zichzelf nog als een klassiek mechanicus zien.

Er is dus een verschil tussen tradities die wetenschappers  accepteren – voor waar aannemen; en tradities die ze najagen – waar ze aan willen werken. Wetenschappers zijn gewoon om theorieën te accepteren die adequaat zijn, maar ze zijn wel geneigd theorieën na te jagen die zich snel ontwikkelen.

Dit spanningsveld tussen conservatief gedrag: acceptatie van die theorieën die bewezen zijn en progressief gedrag: najagen van  theorieën die veelbelovend zijn verklaart voor een belangrijk deel wetenschappelijke vooruitgang. Als wetenschappers niet een voorkeur zouden hebben voor theorieën die zich snel ontwikkelen, dan zouden nieuwe theorieën nooit een kans krijgen en als theorieën zich niet bewezen zouden moeten hebben voordat ze geaccepteerd worden zou wetenschappers zich overgeven aan willekeur. Laudan laat zien dat met deze twee principes vooruitgang mogelijk is en dat de beslissingen die wetenschappers nemen rationeel zijn en niet, zoals andere wetenschapsfilosofen wel beweerd hebben, alleen maar door sociale processen bepaald worden.

Tot slot

Ik opende dit blogje al door te stellen dat ik Laudans theorie elegant vind. Met name het erkennen van het belang van conceptuele problemen en de samenbundeling van theorieën in onderzoekstradities helpen om de wetenschap beter te begrijpen.

Tegelijkertijd is de boekhouding van problemen met verschillend gewicht die Laudan voorstelt behoorlijk complex. Nergens laat hij echt concreet zien dat je door het tellen van problemen inderdaad kan onderbouwen welke keuzes wetenschappers maken in hun werk. Sterker nog, die keuzes blijken voor verschillende wetenschappers verschillend te zijn. Het gewicht van een probleem is uiteindelijk een persoonlijke keuze.

Daarmee staat Laudan niet enorm sterk als het gaat om het aantonen van de wetenschappelijke vooruitgang. Hij slaagt er goed in om een aantal kwesties die andere wetenschapsfilosofen zoals Thomas Kuhn en Karl Popper hebben laten liggen op te lossen, maar hij geeft uiteindelijk weinig tegengas tegen filosofen die de wetenschap als een puur sociaal proces wensen te zien. Laudan toont aan dat wetenschap vooruit kan gaan, niet dat ze daadwerkelijk vooruitgaat.

Meer lezen?

Ik schreef over de ideeën van Karl Popper in Groeit Kennis? Laudan’s theorie kan gezien worden als een verdere uitwerking van die van Thomas Kuhn, waar ik inmiddels ook over scheef. Ik schreef over de houdbaarheid van wetenschappelijke theorieën in Stokoude Kennis, Halfwaardetijd en Tijdmeters.

Progress and its problems is een prettig leesbaar boek dat rijk is aan inzichten over de wetenschap en vooral het denken daarover.