Verdinging

Ik denk dat het een acquired taste is: een verworven smaak. Vanaf onze geboorte houden we van zoet, maar andere smaken gaan we later pas waarderen. Kinderen vinden olijven bijvoorbeeld zelden lekker. Die moet je ‘leren eten’, zeggen we dan. Maar als dat eenmaal lukt, zijn ze onweerstaanbaar. Zoiets heb ik meegemaakt met het woord reïficatie.

Ik kwam het begrip voor het eerst tegen in een boek van Bruno Latour, waar hij stelde dat instrumenten, zoals microscopen, gereïficeerde theorie zijn. Ik had geen idee wat het woord betekende en moest het echt even opzoeken. Reïficatie betekent zoveel als iets abstracts – een verlangen, idee of inzicht behandelen alsof het iets heel concreets is. Latour wilde zoveel zeggen als dat een microscoop een gematerialiseerde vorm van optische theorie is.

Erg knuffelbaar is het begrip reïficatie natuurlijk niet. Gelukkig kwam ik laatst in een Nederlands alternatief tegen. Verdingen: ergens een ding van maken; of iets in een ding veranderen. Dat is al schattiger, al schuurt het nog steeds een beetje. Lekker.

Afijn het begrip reïficatie prikkelde me meteen genoeg om mijn interesse te wekken, maar ik was nog niet helemaal om. Dat kwam toen ik de studie van Etienne Wenger las over hoe kennis en praktijk zich hand in hand ontwikkelen in een bedrijf. Daar worden voortdurend modellen, formulieren en procedures. Dit zijn concrete producten die helpen om kennis vast te leggen en toegankelijk te maken voor nieuwe medewerkers. Medewerkers van een bedrijf verdingen als het ware hun ervaringskennis. Als je dat eenmaal ziet: dat het concreet en handzaam maken van kennis in de organisatie alledaags werk is, dan is het ineens overal.

We verdingen de waarden van onze bedrijven door ze vast te leggen in principes of een slogan. We verdingen gesprekken met klanten door ze in gesprekschema’s te gieten. We verdingen veilig weggedrag door snelheidslimieten op te stellen.

Een ‘ding’ maken van abstracte ideeën is een geweldig middel om die ideeën hanteerbaar te maken. Telefoonmedewerkers hoeven niet meer na te denken over hoe het beste gereageerd kan worden op lastige klanten, dat staat in het gespreksschema. Automobilisten hoeven niet meer in te schatten wat een veilige snelheid is, dat zit al in de limiet.

Die toegankelijkheid is natuurlijk ook meteen het nadeel. Het schept een grens tussen de makers en de gebruikers van het verdingde idee. Makers van microscopen hebben grip op optische theorie en kennen de beperkingen; bij gebruikers van microscopen is dit minder het geval. Het gesprekschema levert in 90% van de gevallen een fijn gesprek met de klant op, maar in de overige 10% is het juist frustrerend.

Als de kennis achter het ding niet meer toegankelijk is, is ze ook moeilijk te bevragen, ter discussie te stellen of te verbeteren. Met het ding verdwijnt het weten erachter. En dat kan een probleem zijn. Zodra we gewend zijn aan de dingen die we gebruiken stoppen we met denken. De dingen hebben een vanzelfsprekendheid over zich. Ze worden alledaags – en verstoppen zich in onze cultuur.

Veel van onze dagelijkse praktijken zijn bijvoorbeeld zo sterk geworteld in het kapitalisme, dat mensen zich nauwelijks nog een andere werkelijkheid kunnen voorstellen. Ooit was het kapitalisme een abstract idee. Vandaag de dag is het ondenkbaar dat we ook gelukkig kunnen zijn zonder eigendom, geld, supermarkten en iPhones. We zijn blind voor de nadelen ervan en het lukt ons niet meer om een alternatief te bedenken.

Dat is misschien waarom verdinging vooral als iets negatiefs gezien wordt. Soms is het nodig de weg van de dingen terug te vinden naar de kennis erachter. We hebben antropologen nodig om dat te doen – en misschien kunstenaars en ontwerpers om de alternatieven invoelbaar te maken. Mensen die kunnen ontdingen of herdingen. Want hoeveel ik ook van olijven houdt, het werkt alleen als contrast met andere smaken.

Meer lezen?
Ik schreef over die ideeën van Bruno Latour in Lableven en De Zwarte Dozen van Bruno Latour.

Neutraal

Er is een zinnetje dat je vaak tegenkomt, waar ik me enorm aan erger.

Puntjepuntje is niet neutraal.

Het wordt vaak een beetje bijtend uitgesproken met een nadruk op het woordje is en soms ook op niet. In plaats van puntjepuntje kan je van alles invullen. Technologie, rechtspraak, journalistiek, wetenschap, en nog een handjevol beroepen of instituties die blijkbaar de illusie koesteren neutraal te zijn. Voor het snerende gemak noem ik de mensen die dit roepen even ‘de ontmaskeraars’

Daar zijn er veel van hoor. Als je nu nog steeds denkt dat technologie neutraal is dan heb je blijkbaar de laatste tijd de krant niet gelezen. Hetzelfde geldt trouwens voor de wetenschap en in toenemende mate ook de journalistiek en rechtspraak. Wil je in het debat van vandaag een beetje scoren, dan moet blijkbaar zeker stellen dat puntjepuntjes allemaal waardengedreven praktijken zijn en dat het de puntjepuntje-professionals zou sieren om eindelijk eens kleur te bekennen. D66.

Nu is het mij eigenlijk nooit opgevallen dat engineers beweren dat technologie neutraal is, of wetenschappers dat kennis neutraal is, of zelfs amper dat journalisten zeggen dat hun berichtgeving neutraal is. Volgens mij beweren deze professionals dat ze neutraliteit nastreven. Ze bekennen al kleur door te zeggen dat neutraliteit blijkbaar een kernwaarde, een ideaal voor ze is.

Nu hebben neutraliteit als feit en neutraliteit als ideaal volgens mij een ingewikkelde relatie, dus laat ik dat even uitpakken.

Neutraliteit als feit

Ergens is het een absurd idee dat technologie neutraal kan zijn. Het is immers gemaakt met een bedoeling – en bedoelingen zijn per definitie niet neutraal. We krijgen allemaal de kriebels als we iemand van de National Rifle Association (NRA) horen zeggen dat: “guns don’t kill people, people kill people”.

Toch is het onderscheid dat deze engerds maken relevant. Je kunt immers kijken naar de bedoeling van de techneuten en naar het gebruik van de technologie – en die komen niet altijd overeen. We weten dat mensen vaak andere dingen doen met technologie dan waar deze voor bedoeld is, of dat de technologie een eigen leven gaat leiden. En als dat zo is, wie is er dan verantwoordelijk voor het gebruik van de technologie: de ontwerper of de gebruiker?

Flauw zul je zeggen. Laat het NRA-voorbeeld niet duidelijk zien dat de bedoeling van ontwerpers en de bedoeling van gebruikers per definitie gekoppeld zijn? Dan delen ze toch ook de verantwoordelijkheid voor het eindresultaat? Dat klopt natuurlijk, maar die koppeling is niet voor alle technologie even sterk. Bij geweren is het heel duidelijk, maar hoe zit het met schilmesjes, of computerchips?

Daarmee is de ‘neutraliteit’ van technologie niet een alles-of-niets-ding. Er is technologie die voor heel veel verschillende doeleinden gemaakt is en die is neutraler dan technologie die voor één situatie gemaakt is. Daarnaast kun je niet altijd voorzien hoe technologie ingezet wordt, dus kun je de neutraliteit ervan niet altijd vooraf inschatten.

Het is gewoon een feit: technologie is niet neutraal. De hamvraag is alleen wel: is het ook een nuttig feit? Het is ook een feit dat alle dieren gewicht hebben, maar dat helpt niet zoveel bij het vergelijken van muggen en olifanten. Die hebben zeker allebei gewicht, maar je wil toch een gesprek voeren over hoeveel zwaarder een olifant wel niet is. Zo is het ook met de neutraliteit van technologie. In plaats van te hameren op neutraliteit als een alles-of-niets-ding, zou het beter zijn het als een meer-of-minder-ding te benaderen. Computerchips zijn neutraler dan wapens. Spijkers zijn behoorlijk neutraal. Dat soort uitspraken.

Neutraliteit als ideaal

Dat brengt ons bij neutraliteit als ideaal. Als neutraliteit een meer-of-minder-begrip is, dan kan je proberen zo neutraal mogelijk te zijn. Het duidelijkste voorbeeld hiervan vinden we misschien in de journalistiek. Veel journalisten zien het als hun taak de wereld te beschrijven zoals die is, en niet om daar stelling in te nemen. Ze zijn er zich van bewust dat je op meerdere manieren naar de wereld kan kijken, maar daar willen ze liever geen keuze tussen maken. Ze willen een buitenstaander zijn en belichten liever meerdere kanten van het verhaal door het principe van hoor en wederhoor toe te passen.

Klinkt goed, toch? Misschien is de journalistiek niet perfect in de uitvoering, maar op de keper beschouwd is neutraliteit een prima ideaal.

Nou ja. Er is best kritiek op te geven. Soms schiet de praktijk zijn doel voorbij. Zo heeft de journalistiek lang onevenredig veel aandacht gehad voor klimaatsceptici. Er was brede wetenschappelijke consensus over klimaatverandering, maar journalisten vonden het hun taak om ook het perspectief van de kriticasters in beeld te brengen. Daardoor ontstond bij lezers het idee dat die klimaatverandering hoogst discutabel was. Inmiddels kiezen de meeste journalisten in dit dossier vaker partij voor de wetenschap.

Er zijn dus voorbeelden te geven waar neutraliteit, of tenminste een bepaalde invulling ervan, onethisch kan zijn. Maar critici van neutrale journalistiek hebben nog een pijl op hun boog. Namelijk dat journalisten ondanks hun poging tot neutraliteit wel degelijk stelling nemen in een debat omdat ze hun stukken nu eenmaal vanuit een bepaald standpunt en bevoorrechte positie schrijven. De kritiek is dat ze door de pretentie van neutraliteit verantwoordelijkheid ontlopen.

Want als journalisten neutraal doen terwijl ze het niet zijn, hoe moeten we ze dan nog op hun standpunt aanspreken? Neem een nieuwsbericht over criminaliteit onder immigranten. Misschien is die de laatste tijd toegenomen. Een journalist kan zich beroepen op zijn neutraliteit en bijvoorbeeld zeggen dat hij alleen maar de feiten in kaart gebracht heeft. De criticus kan zeggen dat deze neutraliteit niet zoveel waard is, zolang de journalist niet ook over criminaliteit onder geboren Nederlanders schrijft. Binnen het artikel kan een journalist alles gedaan hebben wat nodig is, maar wat hier niet neutraal is, is de keuze voor het onderwerp zelf.

Een oplossing is reflexieve journalistiek, waar de journalist geen neutraliteit veinst, maar eerder de lezer meegeeft over waar hij zelf staat. Dit maakt kritiek mogelijk, en vanuit die kritiek ook een lerende journalistiek, maar het heeft ook nadelen. Reflexieve journalisten geven de missie op om hoeders te zijn van een gedeelde werkelijkheid. Ik vind dat jammer. Er is echt wat te zeggen voor een vrij strikte scheiding van feit en opinie.

De grote spraakverwarring

Ik geef het je op een briefje. Negen van de tien keer dat iemand beweert dat puntjepuntje ‘niet neutraal is’, bedoelen ze niet dat puntjepuntje niet neutraal is, maar dat de professionals achter het puntjepuntje te weinig rekenschap geven van de keuzes die ze maken. Waarom zijn bepaalde feiten geselecteerd? Welke bedoelingen heeft de technologie? Welke principes liggen ten grondslag aan een uitspraak? Dat soort werk. Dat vind ik legitieme vragen en het zou goed zijn als de ontmaskeraars die discussie zouden aanzwengelen.

Maar dat doen ze meestal niet. Ik ken eigenlijk weinig grotere dooddoeners dan het puntjepuntje-is-niet-neutraal-zinnetje. Wat er meestal gebeurt is dat de ontmaskeraars hun puntjepuntje-bezwering uitspreken en dan lekker achterover leunen met de rust van een debater die de feiten aan zijn kant heeft.

En daarna gebeurt er helemaal niets. De ontmaskeraars stellen namelijk geen vragen die de puntjepuntje-professionals uitnodigen om dieper na te denken over hun positie en die beter toe te lichten. Ze vragen niet: “hee op welke manieren kan deze technologie nog meer gebruikt worden en voel je je daar verantwoordelijk voor?” of “hee dit verhaal belicht keurig beide kanten, maar is er nog niet een derde perspectief dat aandacht verdient?”.

Ik vind het niet zo vreemd dat de puntjepuntje-professional dan niet denkt: oh laat ik eens flink zelfonderzoek doen naar mijn blinde vlekken en privileges en die voortaan beter meenemen in mijn werk. Die denkt: ‘Hee, natuurlijk zijn puntjepuntjes niet neutraal, maar ik heb mijn best gedaan om zo neutraal mogelijk te zijn. Daar is behoefte aan! Een beetje meer respect graag.

En ik geef de puntjepuntje-professionals dus groot gelijk.

Lieve ontmaskeraars: aan  sommige feiten moet je gehecht zijn. Dat het leven zuurstof nodig heeft. Dat groenten gezonder zijn dan snoepjes. Dat de gelegenheid de dief maakt. Dat soort feiten.

Maar het zou ons allemaal helpen ons een beetje te onthechten van het puntjepuntje-neutraal-feit. Goed. Neutraliteit bestaat misschien niet. Puntjepuntjes zijn nooit honderd procent neutraal. Maar vanwaar het gepest en gedram? In het kippenhok van de moderne wereld, snakken we soms naar een beetje neutraliteit. En daar komt bij dat neutraliteit geen alles-of-niets-ding is en rekenschap trouwens ook niet. Als we nu erkennen dat neutrale puntjepuntjes soms meer dan welkom zijn én dat het knap lastig kan zijn om ze te maken, dan kunnen we daarna met elkaar in gesprek. En volgt rekenschap vanzelf.

Meer lezen?

Ik schreef al eens over het verschil tussen feiten en idealen in doelkennis en waar. Ik schreef al eerder over het moderne medialandschap in bubbel en media.

Indicatorisme

Mijn moeder maakte er nogal een punt van dat je appels niet met peren kunt vergelijken. Nu is het lastig om een gezegde te bedenken dat ze niet regelmatig aanhaalt, maar serieus: appels en peren? Appels komen eerder in het alfabet dan peren, ze hebben een rondere vorm en ze zijn vaak zuurder. Hoppa, drie vergelijkingen in één zin.

Tja.., zul je zeggen. Het was misschien niet direct haar bedoeling om duidelijk te maken dat het niet kán,maar meer dat het niet altijd zinvol is. Als dat zo is, heeft ze wel een punt. Misschien kunnen we daar in de samenleving iets van leren. Toon me één manager die bij de presentatie van een nieuw dashboard met managementinformatie roept dat hij het overzicht niet wil – omdat hij, nog zo’n gezegde, niet iedereen over één kam wil scheren.

Waarom zouden we eigenlijk gezegden hebben die ons waarschuwen tegen het al te makkelijk vergelijken van -nou ja- onvergelijkbare grootheden? Was er ergens in het verleden een eerdere golf van neoliberalisme waarin alles wat meetbaar was waarde had – en al het andere niet? Zijn deze gezegden misschien een antwoord op een soort middeleeuwse toeslagenaffaire?

Jammer genoeg geeft Berend van der Kolk daar geen antwoord op in: De meetmaatschappij, waarom we alles meten en wat dat met ons doet. Hij lijkt al dat meten en vergelijken als iets moderns te zien dat misschien met Margaret Thatcher is begonnen, maar niet meteen iets wat – min of meer – intrinsiek is aan onze menselijke natuur, of als geworteld in oude menselijke culturen.

Goed, het is de laatste tijd ook wel een beetje doorgeslagen, al dat gemeet. Van der Kolk vond er het woord ‘indicatorisme’ voor uit. Hij stelt dat we tegenwoordig alles – van de stand van de economie tot de kleur van het truitje van de buurvrouw – proberen te vangen in meetbare indicatoren. Het probleem is dat we daardoor alleen maar naar de scores van die indicatoren kijken, en niet meer naar hoe de dingen werkelijk zijn

Van der Kolk, wiens boekje goed te vergelijken is met: Het best verkochte boek ooit, met deze titel van Sanne Blauw, bekritiseert deze neiging om alles meetbaar te willen maken. Niet alleen omdat cijfers niet ‘objectief’ zijn, maar vooral omdat ze ons gedrag negatief beïnvloeden.

Volgens Van der Kolk zijn er vijf dingen die we met cijfers doen die niet deugen. Allemaal komen ze er op neer dat voor mensen die cijfers als basis van hun beoordeling – van zichzelf of van anderen – gebruiken, de cijfers al snel een doel op zich worden.

Volgens Van der Kolk begaan werknemers die onder een sterk indicatorregime werken vijf vergissingen:

  1. Focus op eenvoudig te verbeteren indicatoren: Ze richten zich op taken die snel en gemakkelijk de cijfers verbeteren, zoals het uitvoeren van routinematige taken die weinig tijd kosten.
  2. Vermijden van moeilijke taken: Ze mijden taken die slecht scoren op de indicatoren, zoals het helpen van klanten met complexe of tijdrovende problemen.
  3. Korte-termijngerichtheid: Ze richten zich op directe resultaten die snel een indicator verbeteren, ten koste van langetermijndoelen.
  4. Negeren van niet-gemeten aspecten: Ze negeren taken die niet in een indicator zijn opgenomen, zoals het helpen van klanten met problemen die niet gemeten worden door het management.
  5. Manipulatie of fraude: Ze passen hun rapportages aan om de indicatoren te verbeteren, zelfs als dit niet overeenkomt met de werkelijke situatie.

Nou… Als we er echt zulke slechte mensen van worden, is het toch urgent om de vraag waarom we in de moderne samenleving eigenlijk zoveel met indicatoren werken, te beantwoorden. In de basis is dat niet moeilijk. Indicatoren worden gebruikt om op kwaliteit te sturen. Daar maken we vaak dankbaar gebruik van. Misschien worden we slechten mensen van al dat werken met indicatoren, maar ik ben ook wel blij dat elke stekker in elk stopcontact past, dat rot fruit niet in de winkel ligt en dat de NS een boete krijgt als er te weinig treinen op tijd rijden.

Het probleem is misschien niet zozeer het gebruik van indicatoren, maar het doorgeslagen gebruik ervan. Je zou hopen dat Van der Kolk daar iets over zegt. Wanneer is het te weinig, wanneer is het goed genoeg, vanaf wanneer slaat het door? Jammer genoeg gaat het daar in De Meetmaatschappij nauwelijks over. Hoewel Van der Kolk nuttige tips geeft voor verstandig omgaan met indicatoren—zoals het ‘met mate’ meten, het gezamenlijk opstellen van indicatoren en het rekening houden met de context – mis ik scherpte op de vraag hoe we kunnen herkennen dat indicatoren hun doel voorbij schieten.

Zou het niet geweldig zijn als we kunnen herkennen wanneer gebruik van indicatoren nog tot verbetering leidt en wanneer het teveel schade geeft? Als mensen zelf een sterk gevoel van kwaliteit hebben en geen blinde vlekken vertonen, zijn indicatoren misschien niet nodig; als er een hoge mate van standaardisering vereist is, kunnen ze juist wel waardevol zijn. Wat mij betreft komt Van der Kolk binnenkort met een vervolg waarin hij deze tienduizend euro vraag ook beantwoord!


Meer lezen?
Over de grootste twee excessen van de meetmaatschappij schreef ik al eens blogjes. In IQ bespreek ik hoe we onze hele samenleving inrichten rondom een meting van iets dat niet te meten is: intelligentie. In Peilingen ga ik in op onze worsteling om peilingen te zien voor wat ze zijn: matige voorspellingen van de verkiezingsuitslag. In Significantie bespreek ik de kritiek op de wetenschappelijke norm van statistische significantie.

De meetmaatschappij wordt ook steeds meer geautomatiseerd. Waarom ik daar geen voorstander van ben beschrijf ik in Computerbesluit.

Denksoorten

Zouden wijnkenners geen brood zien in een serie workshops over vinologiedenken? Dat bepaalde denkwijzen die in de bestudering van wijn van enorm belang zijn, ook waardevol zijn voor allerlei andere vakgebieden zoals beleid maken of bankieren?

Vast wel. Iedereen die een specialistische opleiding heeft gedaan, heeft daar een nieuwe manier van kijken en redeneren geleerd. En iedereen kent de ervaring dat die kijk- en denkwijze ineens toepasbaar bleek op andere problemen buiten het eigen vakgebied – vaak met verrassende resultaten.

Soms leidt dat tot een ware emancipatiebeweging. Ontwerpers zijn hun vak gaan verkopen aan andere disciplines onder de noemer ‘Design Thinking’; wiskundigen en informatici onder de noemer ‘Computational Thinking’; een bont gezelschap van disciplines hangt ‘Systems Thinking’ aan. Dit zijn op dit moment de grote drie, maar er zijn ook anderen: Entrepreneurial Thinking, Historical Thinking, Anthropological Thinking, Evolutionary Thinking, of zelfs Policy Thinking.

Ik kan er grappen over maken, zoals met de vinologen of met politieagenten – die zijn immers experts in wetshandhavingsdenken -, maar misschien is dat niet zo aardig. Misschien zit er genoeg in dit, ja sorry, ‘ambassadeursdenken’, om het eens serieus te bekijken. Dat is precies wat Nathan Crilly dus doet in zijn boekje Design Thinking & Other Approaches.

Ik vond het boekje een verademing, want mensen uit de Design Thinking hoek, zijn altijd bezig hun benadering te verkopen als enorm uniek en belangrijk voor iedereen. Dat is precies wat Computational Thinkers doen. En… Nou ja. Het zijn allemaal ambassadeurs voor de waarde van hun vak in andere disciplines, maar ze houden zich weinig bezig met wat ambassadeurs van andere disciplines te zeggen hebben.

Heel weinig. In één procent van de Computational Thinking papers beginnen auteurs ook over Design Thinking. En zo voor elke combinatie van denksoorten waar veel over geschreven wordt. 1%.

Daardoor is het moeilijk te vergelijken: is Design Thinking wezenlijk anders dan Systems Thinking of Computational Thinking? Ze verwijzen niet naar elkaar of naar een gedeelde taxonomie van denksoorten. Dus wat moeten we dan denken over een claim als ‘ontwerpers hebben een hele unieke manier van denken waar ze problemen mee oplossen’? Als je Design Thinking niet tenminste vergelijkt met andere denkwijzen, hoe kun je dan zeggen dat het uniek en belangrijk is?

En dan zijn er nog twee andere problemen, die beide samenhangen met het ambassadeurschap. Een eerste vraag is of die manier van denken echt uniek is voor een discipline. Denken ontwerpers echt anders dan ondernemers? En zijn de verschillen tussen disciplines dan groter dan de verschillen tussen professionals binnen een discipline?
Misschien zul je zoiets antwoorden als: ja luister, mijn broer is psycholoog en die denkt echt anders dan ik. Maar om te bewijzen dat psychologiedenken een aparte denksoort is, moeten we laten zien dat die denksoort ook bruikbaar is als het niet over gedrag of hersenen gaat. Dus los van het onderwerp.

Misschien denken psychologen over diepere oorzaken na van complex gedrag, maar dat doen sociologen, biologen, en natuurkundigen ook. Zijn dat allemaal psychologiedenkers? Ontwerpers lossen problemen op, net als ingenieurs, natuurkundigen, ondernemers en, wie weet, vinologen. Er blijkt eigenlijk nergens een denkelement te zijn dat echt uniek is voor een specifieke denksoort.

Dat wil niet zeggen dat er geen verschillen tussen disciplines zijn, maar het maakt de bewering dat de manier van denken van een discipline nuttig kan zijn in een andere discipline wel ingewikkelder. Wat ons bij het tweede probleem brengt: namelijk de gedachte dat mensen uit een andere discipline die denkwijze kunnen aanleren zonder ook de inhoud van de discipline mee te nemen. Kortweg: helpt een cursus Design Thinking om een ontwerpende wetshandhaver te worden?

Crilly’s antwoord hierop is vergelijkbaar met wat ik eerder schreef over 21st century skills. Volgens Crilly zijn de elementen die geclaimd worden voor een bepaalde denksoort meestal ‘hogere denkvaardigheden’ zoals kritisch denken, oorzakelijk denken of creativiteit. Voor die vaardigheden is overtuigend bewijs dat ze niet los van vakinhoud aangeleerd en uitgeoefend kunnen worden. Mensen kunnen kritisch denken in het vak waar ze in opgeleid zijn, maar er blijft heel weinig van over in andere vakgebieden.

Crilly zegt dat het voor disciplinedenksoorten zoals Design Thinking ook zo werkt. Industrieel ontwerpers kunnen prima inventieve oplossingen voor producten bedenken, maar slechts matig voor wetswijzigingen. Als dat zo is, is er ook weinig hoop voor de wetshandhaver met interesse in ontwerp: hij zal een uitgebreide opleiding moeten doen met kennis en opdrachten over wetshandavingsontwerp. Als ik wil leren schrijven als een vinoloog, zal ik moeten leren hoe wijn werkt.

Natuurlijk is Nathan Crilly veel genuanceerder dan ik, maar hij rolt flink wat beren op de weg voor beweringen van de aanhangers van verschillende denksoorten. Meer dan er met een beetje Design-, Systems- of Computational Thinking weer af te krijgen zijn.

Zijn oproep is niet om te stoppen met het bestuderen van wat er bijzonder is aan de manier waarop ontwerpers, informatici of wetshandhavers hun problemen oplossen. Zijn betoog is eerder om dat in vergelijking met andere disciplines, en met meer wetenschappelijke grondigheid te doen dan nu gebruikelijk is. Die oproep kan ik van harte steunen.


Meer lezen?
Ik schreef aardig wat over ontwerpdenken. In Ontwerpkennis ging ik in op verschillende soorten kennis die nodig zijn om tot een ontwerp te komen. In doelkennis besprak ik dat kennis van alternatieven, doelen en idealen daar in ieder geval bij horen. In ontwerperig ging ik in op het idee dat ontwerpdenken zo verschilt van de mens- en natuurwetenschappen dat het meer status zou moeten krijgen in het basisonderwijs.

In kencultuur ging ik in op het verschil in onderzoekscultuur tussen verschillende wetenschapsdisciplines. In adaptief de 21e eeuw in besprak ik hoe hogere orde denkvermogens gebonden zijn aan disciplines.

Het boekje van Nathan Crilly is zeer de moeite waard, hoewel het kort is en meer een kritiek geeft op de moeilijkheid van denksoorten in plaats van een concrete vergelijking van denksoorten.

Kencultuur

Veel onderzoekers waar ik mee werk verwonderen zich over hoe ingewikkeld het is om samen te werken. Nu is samenwerken in het algemeen lastig, maar het blijkt extra lastig als jij en je collega’s andere studies gevolgd hebben en nòg lastiger als je dan ook nog samen iets nieuws wilt ontdekken. Dat kan namelijk op verschillende manieren en als je niet begrijpt waarom de ander een andere aanpak wil volgen en wat de waarde daarvan is, dan wil het nog wel eens ingewikkeld worden.

In samenwerkingen tussen onderzoekers uit verschillende disciplines spelen epistemische culturen een rol. Althans dat is wat Karin Knorr Cetina beweert in haar boek met deze titel. K.K. – zoals ze het zelf afkort – is een sociologe die de totstandkoming van wetenschappelijke kennis bestudeert. Ze heeft maandenlang in een laboratorium observaties gedaan en mensen gesproken, en daar conclusies uit geprobeerd te trekken over hoe die wetenschappers te werk gingen bij het doen van Heel Belangrijke Ontdekkingen.

Om precies te zijn vergelijkt K.K. in haar boek twee verschillende laboratoria. De deeltjesversneller in CERN, waar kernfysici kleine deeltjes met hoge energie op elkaar laten botsen in de hoop beter te begrijpen hoe subatomaire deeltjes zich gedragen. En een microbiologie-lab waar wetenschappers zich bezighouden met genetica, genetische modificatie en klonen, en waar proeven doorgaans gedaan worden door proefdieren te opereren.

Die keuze is van belang. Stel dat K.K. de praktijken van taalwetenschappers en natuurkundigen vergeleken had – en daarna tot de conclusie gekomen dat die heel anders werken – dan was niemand heel verbaasd geweest. Maar kernfysica en microbiologie zijn allebei harde bètawetenschappen, dus je zou misschien kunnen verwachten dat ze ongeveer hetzelfde werken.

Niet dus. Het CERN is een hoogtechnologische omgeving met apparaten die zo ingewikkeld zijn dat de meeste onderzoekers ze amper begrijpen. Elke botsing levert een ton aan data op. Er gaat heel veel werk zitten in het interpreteren van die data en uitsluiten dat de metingen op toeval berusten. Dat kan alleen collectief. Het CERN is een wereld van apparaten, symbolen en berekeningen; het Higgs-boson vinden teamwerk.

Het microbiologielab is heel anders. Onderzoekers moeten hun handen vuil maken, ze moeten met reageerbuisjes, microscopen, preparaten kunnen werken. Ze moeten muizen kunnen opereren met mini-scalpeltjes. In de microbiologie telt de directe waarneming en de fysieke vaardigheid van de onderzoeker. Het is een veel individuelere discipline waar onderzoekers parallel aan elkaar aan hun eigen onderzoek werken in plaats van samen op zoek te gaan naar een deeltje dat alleen nog in theorie bestaat.

Door deze vergelijking te trekken laat K.K. zien dat er verschillen zijn tussen de manieren waarop verschillende wetenschappen aan kennis komen en verschillen in hoe ze toetsen of die kennis ook boven elke twijfel verheven is; en dat die verschillen zich weer vertalen in de technische omgeving waarin wetenschappers werken, de werkpraktijken die ze onderhouden, en de sociale structuren die daar uit voortvloeien. Samen noemt ze dit ‘epistemische culturen’, wat ik voor dit blogje even in ‘kencultuur’ vertaald heb.

Het zou natuurlijk kunnen dat je nog altijd niet verrast bent. Dat je wel wist dat wetenschap veelvormig is. En dat je het vanzelfsprekend vindt dat de praktijken die je kiest voortvloeien uit datgene wat je probeert te leren kennen. Ik moet zeggen dat ik dat zelf ook had. Ik vond K.K. niet superscherp op het verschil tussen ‘culturen’ en ‘aanpakken’, ik was weinig verrast door de verschillen in de twee labs die ze bezocht en ik vond de schets daarvan wel wat karikaturaal.

Toch is de analyse van K.K. een belangrijke reality-check. In de eerste plaats voor die wetenschapsfilosofen die wetenschap wèl als uniform benaderen of die vooral uitgaan van de discipline die ze het beste kennen. Het zou natuurlijk kunnen dat er op een bepaald niveau van abstractie wel principes zijn te formuleren die voor alle wetenschappen gelden. Ik moet bijvoorbeeld denken aan het falsificatie-idee van Karl Popper. Maar als je aan dat soort principes vasthoudt, weet je meteen dat ze zo abstract zijn dat ze weinig met de alledaagse praktijk van wetenschappers te maken hebben.

En in de tweede plaats voor wetenschappers die de grenzen van hun discipline willen overstijgen. Daar begon ik dit blogje mee. Vanuit de cultuur waarin je bent opgegroeid krijg je natuurlijk waarden en normen mee. Je hebt ideeën over wat werkt en wat nodig en goed is. Het is al een ding te herkennen dat anderen het anders doen, laat staan om te erkennen dat die cultuur misschien beter past bij het soort problemen waar zij aan werken. Sociaal psychologen zijn misschien niet gebaat bij een ‘natuurkundige manier van denken’, hoeveel moeilijke problemen die laatsten er wel mee opgelost hebben. Taalkundigen zijn misschien niet, of maar zeer ten dele, gebaat bij kwantitatief onderzoek. En zo kunnen we wel even doorgaan. Het overstijgen van je eigen discipline vraagt om bescheidenheid en een culturele sensitiviteit die niet iedereen gegeven is.

Meer lezen?
Ik schreef eerder over de sociologie van de wetenschap in Lableven en De zwarte dozen van Latour. Een voorbeeld van een wetenschapsfilosofie die discipline overstijgend bedoeld is vind je in Het probleemoplossend vermogen van Larry Laudan.

Een uitgebreide bloemlezing van kenculturen schreef ik niet, maar ‘ontwerpen’ als discipline kreeg wel bijzondere aandacht in ontwerpkennis, doelkennis en ontwerperig.

Het boek van Karin Knorr Cetina is nog altijd te verkrijgen bij Harvard University Press

Peilingen

We zijn de afgelopen verkiezingen niet alleen doodgegooid met peilingen, maar ook met dat éne bezwerende zinnetje: “een peiling is geen voorspelling van de uitslag”. Nou…, ik wil de feestvreugde niet vergallen, maar peilingen zijn wèl een voorspelling van de uitslag – en dat weten journalisten best.

Ik snap het wel hoor. Op verkiezingsdag blijkt vaak dat de mensen anders gestemd hebben dan de peilingen aangaven. Als je dan drie weken voor de verkiezingen met een nieuwe peiling komt, kan het geen kwaad om je als peiler of TV-programma een beetje in te dekken: “We vertellen je wat we denken dat de uitslag zou zijn als de verkiezingen vandaag waren, maar we weten heus wel dat de toekomst onvoorspelbaar is, dus, beste kiezer, je moet wel begrijpen dat peilingen de huidige stand van zaken peilen en niet die op verkiezingsdag; het zou een grote fout zijn om deze peiling als een voorspelling van de uitslag te zien”.

Wat een -langdradige- onzin!

Het gezegde luidt dat als het kwaakt als een eend en als het waggelt als een eend, dat het dan vast een eend is. Met peilingen is het niet anders. Als Jan en alleman peilingen gebruiken als voorspellingen en peilbureaus doen hun stinkende best om de verkiezingsuitslag zo nauwkeurig mogelijk te voorspellen, dan zijn het vast voorspellingen.

Ik weet niet of je er het geduld voor kan opbrengen, maar ik wil nu de praktijk van het maken en gebruiken van peilingen eens heel precies bekijken en dan een keer of vier de conclusie trekken dat het er toch echt heel erg op lijkt dat peilingen voorspellingen zijn. Met die munitie op zak kunnen we beter begrijpen waarom de media maar niet kunnen wennen aan het idee dat peilingen voorspellingen zijn en kan ik vast wat tips geven over hoe het publiek wél goed voorgelicht kan worden over peilingen.

Afijn: eerst het hoe maar even. Peilingbureaus doen steekproeven. Ze vragen een kleine groep kiezers wat ze denken te gaan stemmen en rekenen op basis daarvan uit wat heel Nederland zal gaan doen bij de verkiezingen. Dat is een ingewikkelde rekensom, want niet iedereen die gaat stemmen zit ook in de steekproef, zelfs niet verhoudingsgewijs. Mensen die op bepaalde partijen gaan stemmen doen bijvoorbeeld vaker mee met peilingen of mensen zeggen op andere partijen te gaan stemmen, dan ze daadwerkelijk doen – en zo zijn er nog meer redenen waarom de steekproef kan afwijken van de uitslag.

Elke verkiezing wordt de voorspelling daarom vergeleken met de uitslag om het proces en de rekensom aan te passen. Peilers doen hun best mensen die ze ‘gemist’ lijken te hebben in hun steekproeven te betrekken, ze sleutelen aan hun vraagstelling, ze passen de weegfactoren in de som aan. Dat hele proces is er op gericht een zo goed mogelijke voorspelling te geven van de verkiezingsuitslag, dat is klip en klaar.

Maar, denkt de kritische lezer, waarom wordt me dan de vraag gesteld wat ik zou stemmen als er vandaag verkiezingen zou zijn en niet wat ik van plan ben om te stemmen bij de volgende verkiezingen? Die laatste vraag zou toch veel logischer zijn als je de verkiezingsuitslag wil voorspellen?

Dat is een terechte vraag en het antwoord is dat de ‘vandaagvraag’ een nauwkeurigere voorspelling oplevert van de uitslag van de verkiezingen. Er zijn nauwelijks mensen die een andere partij opgeven bij de ‘vandaagvraag’ dan bij de ‘wanneer-er-verkiezingen-zijn-vraag’, maar bij die laatste vraag vullen meer mensen in dat ze het niet weten. En dat maakt het verschil tussen de steekproef en de uitslag weer wat groter, waardoor peilers weer extra moeten compenseren in de omrekensom – en dat doen ze liever niet. Peilingbureaus vragen je dus, vreemd genoeg, wat je vandaag zou doen omdat ze dan beter kunnen uitrekenen wat de mensen in de toekomst gaan doen.

Al met al doen peilbureaus hun stinkende best om een zo goed mogelijke voorspelling van de uitslag te geven. Als peilingen eenden waren waggelden ze als eenden.

Maar, kwaakten ze ook als eenden? Daarvoor moeten we het waarom analyseren. Wie gebruiken peilingen eigenlijk en voor welke doelen? Dat is een superbelangrijke vraag. We kunnen alleen begrijpen waarom peilbureaus zoveel moeite steken in het voorspellen van de verkiezingsuitslag als mensen ze ook willen gebruiken als voorspelling.

Nu worden peilingen door verschillende mensen op verschillende manieren gebruikt. Ik noem er drie. Allerlei mensen gebruiken peilingen om hun nieuwsgierigheid te stillen; ik denk dat politieke partijen peilingen gebruiken om hun campagnestrategie te herzien; en ik denk dat kiezers peilingen gebruiken om strategisch te stemmen. In alle drie de gevallen is het vreselijk belangrijk dat peilingen een zo goed mogelijke voorspelling geven van de uitslag, dus laat ik ze alle drie maar even nalopen.

Eerst de nieuwsgierige mens maar even. Waar zit mijn nieuwsgierigheid als ik het NOS Journaal aanzet en de nieuwste peiling over de aankomende verkiezingen bekijk? Nou: ik wil dan weten hoe de verkiezingen gaan verlopen.

Als ik zou willen weten hoe Nederland vandaag de dag denkt over een onderwerp als migratie of het klimaat, zoek ik wel een peiling over dat onderwerp en niet over zoiets cryptisch als de samenstelling van de Tweede Kamer. Ik kijk naar een peiling over de samenstelling van de Tweede Kamer omdat ik wil weten hoe die er na de verkiezingen uit gaat zien. Het gaat me om de race naar de macht: wie wint, wie kan met wie, doet ‘mijn’ partij het goed? De enige reden om halverwege de race te kijken naar wie er voorop ligt, is omdat ik hoop of vrees dat diegene die voorsprong behoudt tot aan de finish. Ik ben niet geïnteresseerd in een hypothetische verkiezing die vandaag gehouden zou zijn -naar wat er zou gebeuren als de 400 meter plotseling na 200 meter werd stilgelegd -, ik zit in spanning over hoe de echte verkiezing over drie weken gaat verlopen. Kwak.

Dan de politiek strateeg. Zijn partij is net drie zetels gezakt in de peiling. De partijleider heeft iets doms geroepen of snijdt de verkeerde thema’s aan of wat dan ook. Daarom stelt de strateeg een andere strategie voor. Natuurlijk is de bedoeling dat Nederlanders vandaag positiever gaan denken over de partij, maar nog veel belangrijker is dat ze over drie weken bij de echte verkiezingen anders gaan stemmen.

Het type voorspelling waar de politiek strateeg in geïnteresseerd is, wordt ook wel een raming genoemd. Een raming is voorspelling van hoe dingen gaan lopen als er niets verandert. Op basis van het voorspellende karakter van de raming kun je koers wijzigen. Ze worden door managers ingezet om prioriteiten te stellen, om voorraad te beheren, productielijnen in te regelen of om andere keuzes te maken in de bedrijfsvoering. Hoewel ramingen er dus van uit gaan dat dingen kunnen veranderen, hebben managers of politiek strategen er wel heel veel baat bij dat de voorspelling hoe dingen zullen gaan als er niets verandert in eerste instantie klopt. Kwak.

De strategische stemmer gebruikt peilingen eigenlijk op dezelfde manier als de politiek strateeg: als raming. Strategische stemmers vinden het belangrijk wie er minister-president wordt, dat een bepaald soort partij aan de macht komt, of dat een coalitie van hun voorkeur waarschijnlijker wordt. Ze bekijken daartoe de voorspelling van de verkiezingsuitslag en brengen hun stem uit op de partij die volgens hen nog een duwtje nodig heeft. Die voorspellingen zijn ruimschoots beschikbaar – en ze worden ook wel peilingen genoemd. Kwak.

Goed. Nu we het er hopelijk over eens zijn dat peilingen de verkiezingsuitslag proberen te voorspellen, blijft nog wel de vraag over waarom dit keer op keer ontkend wordt. Zijn de peilingen zulke slechte voorspellingen dat journalisten en peilers er niet eens meer voor uit durven te komen dat het voorspellingen zijn?

Het antwoord is dat het om iets anders gaat. Peilingen zitten er in de eerste plaats namelijk helemaal niet zo vaak naast. Ze geven meestal een heel behoorlijke voorspelling van de uitslag, maar het zijn de afwijkingen die het meeste aandacht trekken. Een partij die precies scoort wat de peiling voorspelde is geen nieuws, maar een partij die het veel beter doet, dat is het verhaal van de dag. Zeker als die partij daardoor de verkiezingen wint.

De ironie druipt er vanaf. Het is ironisch dat de media zo een vertekend beeld geven van de betrouwbaarheid van peilingen, dat ze die zelf niet meer vertrouwen én het is ironisch dat het de meest intensieve gebruikers, strategische kiezers, zijn die de betrouwbaarheid van de peiling ondermijnen.

De verschillen tussen de peilingen en de uitslag die het meeste aandacht trekken worden namelijk vooral door strategische kiezers bepaald. Peilingen kunnen gaan werken als een self-fulfilling prophecy. Een self-fulfilling prophecy is een voorspelling die gedrag uitlokt waardoor de voorspelling ook uitkomt. Partijen die aan kop gaan in de peilingen trekken vaak veel strategische stemmers die affiniteit hebben met die partij. Daardoor boeken die partijen een betere uitslag. De voorspelling dat ze gaan winnen zorgt ervoor dat ze winnen – en vaak nog veel meer dan de peiling voorspeld had. Strategische kiezers worden ook nog eens ruimschoots beloond met aandacht voor dit verschil: aandacht eigenlijk voor hoe ze de peilingen hebben weten te gebruiken om de peilingen te verslaan.

Je zou natuurlijk kunnen proberen ook dit effect mee te nemen in de peiling. Net zoals dat peilers compenseren voor groepen stemmers die over- of ondervertegenwoordigd zijn in de steekproef, zouden ze kunnen compenseren voor een bepaald percentage strategische stemmers. Het gemene is wel, dat je dan moet voorspellen hoe je voorspelling de uitslag beïnvloedt en dat je dat weer mee moet nemen in je voorspelling zelf. Dat is niet onmogelijk maar je begeeft je dan als voorspeller wel op heel glad ijs. Voor zover ik weet doen de grote peilers in Nederland dat op dit moment niet.

Er is dus wel iets bijzonders aan de hand met peilingen. Het zijn voorspellingen die onderdeel zijn van het spel. De sportverslaggever die roept dat een atleet die vooroploopt op weg is naar de overwinning, kan dat doen zonder de uitslag te beïnvloeden. Maar peilers hebben die neutraliteit niet, die geven de winnende atleet vaak een steuntje in de rug. Daar komt het ongemak over peilingen vast vandaan. Bij de peilers zelf, die oprecht proberen zo goed mogelijk te voorspellen, maar ook bij de media die zichzelf liever zien als neutrale verslaggevers van de wereld dan als medespeler in de wereld.

Dat de media moeite hebben met hun rol als politieke speler is natuurlijk nog geen reden om verwarring te zaaien over de bedoeling van peilingen onder kiezers. Dat lijkt me nogal een schending van de journalistieke codes. En het kan ook anders. In plaats van in een of andere ontkenningskramp te schieten over de aard van peilingen zouden journalisten er ook gewoon ronduit voor uit kunnen komen dat peilingen – en de manier waarop zij die bespreken – invloed hebben op de uitslag. Weet je wat, ik doe meteen een suggestie:

“Beste kiezer, dit is de beste voorspelling van de verkiezingsuitslag die we nu kunnen geven, maar we weten dat veel kiezers deze gebruiken om de uitslag te verbeteren: dus als u het er niet mee eens bent, weet u wat u te doen staat op verkiezingsdag”.

Meer lezen?

Voorspellen is een van de zes kennisfuncties die ik in doelkennis besprak. Ik ben van plan over alle andere kennisfuncties nog blogjes te schrijven. Ik schreef eerder over de sturende rol van voorspellingen bij ‘predictive policing’ in Glazen bol, bij de opvoeding in IQ, en in maatschappelijke omwentelingen in In opdracht van de tijd.

Waar

Ik wilde dit blog eigenlijk beginnen met de opmerking dat ik niet zoveel heb met de waarheid, maar ik bedacht me bijna meteen. Als ik niets heb met de waarheid, waarom zit ik dan op deze blog het een na het ander te betogen met doorwrochte argumenten, volzinnen en uitsmijters? Op zijn minst wil ik mezelf overtuigen van dat wat ik hier neerpen een kern van waarheid bevat -het liefst een diepe, harde kern van waarheid- , en nog beter is het als jullie dat ook denken. Ik geef dus wel degelijk om de waarheid, maar ik ben opgevoed met het idee dat die onbereikbaar is, persoonlijk en subjectief, waardoor ik me er een beetje voor schaam dat ik het nog steeds najaag – en zeker niet durf te claimen in allerlei blogjes. 

Hoe dat zit legt Rob Wijnberg uit in zijn boekje ‘Voor ieder wat waars: hoe de waarheid ons verdeelt en ons weer samen kan brengen‘. Daarin vertelt hij in het kort hoe het begrip ‘waarheid’ door de jaren heen van betekenis veranderd is.  

Hoe de waarheid zich ontwikkelde…

In een notendop stelt hij dat waarheid in de geschiedenis drie gedaanteverwisselingen heeft ondergaan. In de tijd voor de wetenschappelijke revolutie kwam de waarheid van buitenaf: je kwam achter de waarheid door openbaring en geloof in de waarheid ging samen met macht – je geloofde wat de vorst geloofde: goedschiks of kwaadschiks. Het christendom, de islam en het platonisme beroepen zich op dit waarheidsbegrip. 

Daarna kwam de moderne tijd waarin wetenschap de waarheid toe-eigende en stelde dat waarheid gevonden kon worden in de natuur, door het uitvoeren van vernuftige experimenten. Je geloofde dat waarin de natuur bewijs voor was. Religie moest plaatsmaken voor de wetenschap, voor rationalisme, empirisme en (klassiek) liberalisme. 

Vervolgens kwam het post-modernisme op waarin de natuur als scheidsrechter weer betwist werd, en waar waarheid niet langer als iets objectiefs werd gezien, maar als een sociale constructie. Waarheid werd iets dat door mensen uitgevonden is, meervoudig – er zijn meerdere waarheden- en daarmee ook altijd bediscussieerbaar. De hoop op een definitief antwoord was vervlogen. ‘Waar’, was datgene waartoe je overtuigd werd door anderen. Volgens Rob Wijnberg gaf dit voeding aan het existentialisme, het individualisme en het relativisme. 

Ik ben een kind van de laatste twee stromingen. Als wetenschappelijk geschoolde kan ik het rationalisme niet loslaten en blijf maar geloven dat er voor standpunten hard bewijs moet zijn; of tenminste dat voor standpunten waarvoor bewijs is meer te zeggen valt, dan voor standpunten waar dat ontbreekt. Maar als kind van de jaren 70 ben ik geworven voor het idee dat er altijd meerdere zienswijzen zijn en dat wat je gelooft zo sterk samenhangt met je perspectief. Dat ‘waarheid’ – als iets dat je persoonlijke perspectief overstijgt – ‘niet bestaat’, en dus misschien ook niet nastrevenswaardig is: er is niet één waarheid. 

Daarom vind ik het zo lastig een blogje over de waarheid te schrijven. Voor je het weet moet ik tussen mijn identiteiten als wetenschapper of als kind van het postmoderne tijdperk kiezen en ik weet – 48 jaar oud, inmiddels – niet of ik daar al aan toe ben.  

Het is een worsteling die ik veel om me heen zie: we willen de methoden, manieren, activiteiten, standaarden en houdingen aanmeten die ons kunnen helpen om de waarheid aan onze kant te krijgen, maar we willen ook respect blijven hebben voor degenen die denken dat daar andere ‘dingen’ voor nodig zijn. We willen de waarheid wel, maar we willen er geen bloed over vergieten. En we willen wel respect hebben voor alle visies, maar we vinden er het onze van.

Waar het met de waarheid heen moet…

En het is ook een worsteling die ik in Wijnbergs betoog terugzie. Na het postmodernisme volgt volgens Wijnberg nog de postmoderne consumptietijd. Hierin is de samenleving – en dus ook de waarheid – volledig overgeleverd aan de markt en het hyperindividualisme, hetgeen onze samenleving ontwricht. 

Het geeft Wijnberg een podium om zijn mediakritiek nog eens te ontvouwen. Media, met name nieuwsmedia, richten zich op de negatieve uitzonderingen en niet op de positieve ontwikkelingen en de onderliggende structuren. Hierdoor storten we onszelf als samenleving, vaak ten onrechte, in pessimisme over de wereld en raken we het zicht kwijt op wat er echt toe doet. Waarheid is een product geworden. Mediabedrijven bedienen nu doelgroepen met waarheden de consumenten goed uitkomen.

We hebben volgens Wijnberg een ander soort waarheid nodig, niet een waarheid die ons verdeeld, maar een die ons verbind. We moeten gaan zien hoe sterk mensen onderling verbonden zijn en hoe alles met alles verbonden is in de natuur. Met die waarheid in de hand kunnen we als mensheid samenwerken om een supranationale, vreedzame, eco-centrische, harmonieuze, netwerksamenleving bereiken. We hebben, kortom, een nieuw vooruitgangsideaal nodig.

#hoedan?

Allebei deze stappen (of tijdperken) doen mij wat geforceerd aan. Er is in de ruim 30 jaar dat het World Wide Web bestaat zoveel tegenstrijdigs over geroepen – en dan vooral over hoe het onze samenleving beïnvloed -, dat ik elke visie die al te veel leunt op deze jaren ben gaan wantrouwen. Zeker in een ‘grote lijnen-analyse’ die in de oudheid begint. 

Als je met zevenmijlslaarzen van nul tot nu door de geschiedenis gaat, lijkt het me wat haastig om aan de laatste paar decennia een nieuw tijdperk toe te kennen. Om de grote vraag hoe onze samenleving met de waarheid omgaat te kunnen beantwoorden, hebben we meer historische afstand nodig.

En dan is er nog de toekomstvisie die aanlokkelijk is, maar die natuurlijk niet vanzelf waarheid wordt. Misschien hoeft dat ook niet, en moeten we eerst schetsen hoe we het zouden willen voordat we het waarmaken, maar Wijnbergs visie is op zoveel punten precies het tegengestelde van de postmoderne consumptiemaatschappij, dat het wel wat meer voeten in de aarde zal hebben dan de wil om samen de schouders onder de klimaatcrisis te zetten.

De waarheid als essentie of als ideaal?

Mijn ongemak met “Voor ieder wat waars” zit hem misschien niet eens zozeer in hoe het betoog is opgebouwd, maar meer in hoe Wijnberg het begrip waarheid zelf hanteert. Wijnberg past een denktrant op de toekomst toe die meer geschikt is voor een historische analyse.

Wat Wijnberg in het eerste deel van het betoog steeds doet, is de samenleving of de cultuur terug te brengen tot een bepaald waarheidsbegrip, maar in het laatste deel draait hij het om. Hier presenteert hij een waarheidsbegrip als een vormend ideaal voor een alternatieve samenleving. Die andere manier om met het waarheidsbegrip om te gaan vraagt misschien om een ander soort betoog.

Laten we de manier waarop Wijnberg het begrip waarheid definieert er eens bij pakken. Op bladzijde 9 stelt hij: “wat liefde is voor de mens, is waarheid voor de mensheid”. Waarheid is een verlangen van een samenleving. Een verlangen dat activerend werkt, dat grootse daden inspireert, maar dat mensen ook uit elkaar kan spelen. In het verleden hebben culturen verschillende betekenissen aan waarheid toegedicht. Maar waarheid gaat diep: het is de bril waardoor een samenleving naar de wereld kijkt. 

Als we het hele betoog terugbrengen tot het benoemen van ‘het verlangen van de samenleving’ in een bepaalde periode krijgen we: vroeger verlangde de samenleving naar verlossing, toen naar vooruitgang, daarna eerst naar bevrijding en toen naar behoeftenbevrediging; en in de toekomst is het nodig dat we naar collectieve vooruitgang streven.

Je voelt de omdraaiing meteen als het naar de toekomst toe gaat. Het dominante waarheidsbegrip wordt eerst als een gevolg van de verhoudingen in de samenleving gepresenteerd en daarna als iets anders.

Waarheid als verlossing is een gevolg van de hiërarchische verhoudingen in de oudheid en middeleeuwen, waarheid als vooruitgang is het gevolg van het succes van de wetenschap, waarheid als bevrijding is een reactie op de twee wereldoorlogen, waarna waarheid als behoeftenbevrediging een gevolg is van de opkomst van de moderne consumptiemaatschappij. 

Hoe zit het dan met waarheid als collectieve vooruitgang? Is Wijnbergs betoog: we moeten waarheid gaan zien als collectieve vooruitgang en dan volgt een duurzame transitie? Of is zijn betoog eerder: om een duurzame transitie in te gaan moeten we waarheid wel gaan zien als collectieve vooruitgang? Of zegt hij: we gaan een duurzame transitie in en daarom zullen we ander waarheidsbegrip gaan hanteren? 

Ook Wijnberg lijkt te schakelen tussen de rationalist in hem, die objectief wil vaststellen welk waarheidsbegrip in verschillende culturen wordt gehanteerd, en de postmodernist in hem die denkt dat hij kan kiezen welk waarheidsbegrip hem het beste uitkomt. Die switch zit me dwars, niet in de laatste plaats omdat ik er zelf ook vaak last van heb. Ik denk dat we allemaal snakken naar het optimisme dat uit het toekomstbeeld van Wijnberg spreekt, maar het helpt niet om het als een logisch vervolg van de geschiedenis te presenteren. Dat is me net iets te vrijblijvend.

Meer lezen?

Ik had “Voor ieder wat waars” zeker niet zo kritisch besproken als ik het niet heel erg de moeite van het lezen waard vond. Het is een fijn en prikkelend betoog, waar je een stuk meer uit kan halen dan ik in dit blogje recht kon doen.

Ik duid de switch in het boek tussen een analyse van het verleden en het dromen van een toekomst als het verschil tussen diagnose- en doelkennis, waar mijn laatste blog over ging. Eerder schreef ik al over deze “denkfout” in in opdracht van de tijd

Ik schreef al eerder over hoe ik me tot hedendaagse mediakritiek verhoud in bubbel en media

Doelkennis

Arbeiders, sporters, coaches, uitvinders, ontwerpers, ingenieurs, beleidsmakers,  nou ja – eigenlijk allerlei mensen- veranderen de wereld met een bepaalde bedoeling. Ze willen iets bereiken, ze hebben een idee van wat er kan en ze gaan er dan voor, of ze roepen dat anderen dat zouden moeten doen. Ik hoop eigenlijk niet dat ik je iets nieuws vertel, zelfs niet als ik eraan toevoeg dat ze dat met kennis van zaken doen. De vraag die in dit blogje centraal staat, is over wat voor kennis we het dan hebben. 

Dat dat niet, of in ieder geval niet alleen, om feitenkennis kan gaan, besprak ik al in mijn vorige blogje. Edison had een boel uit te dokteren om een gloeilamp te kunnen maken, en veel daarvan blijkt slecht terug te voeren te zijn op feitenkennis. Het idee dat het slim was om aan een gloeilamp te werken was geen feit, en veel dingen die Edison moest achterhalen om de gloeilamp te maken ook niet. Niet alleen omdat het ging om dingen die nog niet bekend waren, maar ook omdat ze, zelfs met de kennis van nu, geen feitelijk karakter hebben. Doelen, functies, wensen en kansen; ze zijn enorm belangrijk en we hebben er kennis van, maar die kennis zit anders in elkaar dan die van feiten en natuurwetten.

Een pragmatische benadering

Nu denk ik dat er een slimmere manier is om naar dit probleem te kijken dan door een onderscheid te maken tussen feiten en ‘de rest van de kennis die mensen hebben’. Van feiten hebben we inmiddels aardig in kaart gebracht hoe ze tot stand kunnen komen, maar voor ‘de rest van de kennis’ niet. Het gaat om kennis, dus, die mensen gebruiken, maar die niet feitelijk van karakter is. We hebben daar niet eens een goede indeling van. Laat staan dat we begrijpen hoe je eraan kan komen. Toch hoeven we niet te wanhopen over de kans om daar meer over te leren. Volgens mij kunnen we een aanpak lenen van de pragmatische taalkunde. 

De taalkunde is grofweg verdeeld in de formalistische school en de pragmatische school. De formalistische school bestudeert de eigenschappen van talen alsof taal een natuurlijk verschijnsel is. Ze proberen de structuur van taal in kaart te brengen en de onderliggende regels (wetten) te achterhalen, zonder al te veel om te kijken naar de mensen die die talen gebruiken en hun bedoelingen. Taal komt voort uit de natuur – en dient dus bestudeerd te worden als iets natuurlijks. Daar staat de pragmatische school tegenover, die taal vooral als een sociaal verschijnsel ziet. Ze probeert te onderzoeken hoe mensen taal gebruiken om dingen van anderen gedaan te krijgen. Een pragmatische taalwetenschapper kijkt ook naar de techniek en structuur van taal, maar altijd op basis van wat mensen ermee willen bereiken. Voor een formalist is de frase ‘dag schoonheid’ een constructie waarin een zelfstandig naamwoord wordt ingezet om iemand te identificeren; voor een pragmatist is het een versierpoging.

Nou ja, de vraag is dus: kunnen we de pragmatische denktrant ook op kennis loslaten? Kunnen we kennis begrijpen door te kijken naar de sociale doelen die mensen ermee nastreven? Ik denk van wel. Wat we volgens mij kunnen doen, is eerst kijken naar waar mensen kennis voor gebruiken – dus wat ze doen met kennis – en dan terug redeneren naar wat voor kennis daarvoor nodig is. We stellen ons eerst de vraag welke kennis mensen gebruiken voor activiteit x of y, en als we daar antwoord op hebben, vragen we ons af wat de eigenschappen van die kennis moeten zijn om gebruikt te kunnen worden voor x of y. We redeneren dus van het nut van de kennis terug naar het karakter van de kennis. Als we dat karakter eenmaal kennen, kunnen we misschien ook iets zeggen over hoe we aan dat soort kennis kunnen komen – maar dat is voor een later blogje.

Een pragmatische blik op ontwerpkennis

De spannende vraag is natuurlijk wel wat we kiezen voor x en y. Als we voor (x) handballen nemen, dan kunnen we over het karakter van de kennis zeggen dat handbalkennis voor een belangrijk deel in het lijf zit (balgevoel), en dat het meteen tot actie moet leiden (spelinzicht), en niet via ingewikkelde redeneringen moet verlopen. Dat is heel anders dan de kennis die nodig is om (y), een boek te lezen, want dan gaat het om kennis in het hoofd (taal) en kennis die helpt om het verhaal te volgen en te begrijpen. Dan is er veel meer tijd om die kennis te activeren. Althans, als je zo langzaam leest als ik. 

Er is duidelijk andersoortige kennis nodig voor handballen en lezen, maar voor een theorie over kennissoorten is het misschien niet zo handig om zulke concrete voorbeelden te nemen. Met zulke voorbeelden richt je je aandacht op de inhoud van de kennis (handballers hebben balgevoel nodig) en minder op het karakter van de kennis (snelle kennis versus langzame kennis). Daarbij komt nog de vraag hoe je het kan generaliseren. Voor je het weet, heb je meer soorten kennis geïdentificeerd dan er letters in het alfabet zijn; en wat moet je dan?

Kennisintensieve taken in het ontwerp

Het is dus zoeken naar een kernachtige manier om verschillende dingen die mensen kunnen doen samen te vatten, zodat we het bos door de bomen blijven zien. Als we het over ontwerpen hebben, dan kan het ontwerpproces misschien een goede basis zijn. Ontwerpprocessen geven weer welke activiteiten ontwerpers uitvoeren om tot een oplossing te komen. Misschien kunnen we daar karakteristieken van de onderliggende kennis uit afleiden. 

Nu zijn er heel veel beschrijvingen van het ontwerpproces – en sommige hebben wel meer dan 26 activiteiten, helaas -, maar de meest grofmazige samenvattingen van ontwerpen beperken zich tot drie fasen, of taken. Ten eerste  (1) analyseren ontwerpers de huidige situatie om te ontdekken wat er beter kan. Ten tweede (2) beelden ontwerpers zich in hoe het beter kan; en ten derde (3) vertalen ontwerpers die ideeën in oplossingen die in de praktijk gerealiseerd kunnen worden. Ik noem die taken vaak |is|, |kan| en |zal|, maar je zou ook van diagnosedoel en resultaat kunnen spreken.

Ok. Drie activiteiten, drie soorten kennis,  met elk andere karakteristieken… komen we daar uit? Ons plan was om vanuit het nut van kennis terug te redeneren naar het karakter van de kennis. Om, eens en voor altijd, vast te stellen wat voor soort dingen je nodig hebt om tot ‘|is|, |kan| en |zal|’ of ‘diagnose, doel en resultaat’ te komen in het ontwerp. Zal ik het enige goede antwoord meteen maar geven? Ik heb het tenslotte zelf bedacht…

Kennisfuncties in het ontwerp

Om de huidige situatie te kunnen analyseren, moeten we hem kunnen beschrijven en verklaren. Het beschrijven helpt om te ontdekken wat er speelt en het verklaren om te achterhalen waarom het gaat zoals het gaat. Bij het herontwerpen van een park stellen ontwerpers bijvoorbeeld vast dat mensen zich er nu onveilig voelen (wat) omdat er veel ongure donkere plekken zijn (waarom).

Om te kunnen bedenken hoe het anders kan, moet je je alternatieven moeten kunnen inbeelden, en zul je die alternatieven moeten kunnen waarderen (op waarde kunnen schatten). Bij het inbeelden bedenk je wat je zou kunnen veranderen, en bij het waarderen waarom dat een goed idee zou zijn. Bij het herontwerpen van een park, kijk je bijvoorbeeld naar verschillende manieren om het park lichter te maken. Dat kan bijvoorbeeld door beplanting weg te laten, zodat er minder donkere hoekjes zijn of door meer straatverlichting te plaatsen (wat). Beplanting weghalen verdient de voorkeur, omdat het gevoel van ruimte vermoedelijk bijdraagt aan gevoelens van veiligheid (waarom).

Om een oplossing te bedenken die in de praktijk kan werken, moet je voorspellen hoe dingen kunnen uitpakken en die moeten vertalen in voorschriften over wat er nodig is in de situatie waar je voor ontwerpt. Voorspellingen richten zich op waarom dingen gaan zoals ze gaan, en voorschriften op wat er nodig is om die dingen ook waar te maken. Er is bijvoorbeeld een vuistregel die stelt dat, om een veilig gevoel te hebben, je altijd zicht moet hebben op een rand van het park (waarom). Daarom mag maximaal een derde van het grondoppervlak bedekt zijn met struiken en bomen (wat).

De structuur van verschillende soorten kennis…

We hebben dus drie soorten kennis, en zes gewichtige zaken waarvoor die soorten kennis nuttig zijn. Prachtig! Je zou bijna zeggen: knal het even in een plaatje.

Mooi hè. Het plaatje vat keurig samen waar we tot nu toe waren: er zijn 3 taken in het ontwerp, die om hun eigen soort kennis vragen diagnosekennis (|is|), doelkennis (|kan|), en resultaatkennis (|zal|). Diagnosekennis helpt met beschrijven en verklaren, Doelkennis met inbeelden en waarderen (|kan|) en Resultaatkennis met voorspellen en voorschrijven (|zal|). Dat is allemaal mooi maar het zegt nog steeds weinig over het verschil in karakter tussen die verschillende vormen van kennis.

Toch zegt het raamwerk daar ook iets over. Het probeert te zeggen hoe kennis in elkaar zit die helpt met beschrijven en verklaren, met inbeelden en waarderen, en met voorspellen en voorschrijven. Het raamwerk probeert vervolgens te benoemen waar een bepaalde soort kennis iets over probeert te zeggen en wat voor soort abstracties daar behulpzaam bij zijn.

Om bij het eerste setje te beginnen: er is altijd iets dat je wilt beschrijven. We noemen dat fenomenen: dingen die ‘zijn’ of die ‘gebeuren’ in de wereld. En er is ook altijd iets wat je daarvan wil ‘vangen’. In het model worden dit de essenties genoemd. Beschrijvingen en verklaringen brengen dingen die in de wereld gebeuren terug tot hun essentie. Ze leggen vast wat er speelt en hoe we dat het beste kunnen begrijpen. Als we daarbij heel zeker van onze zaak zijn spreken we van feiten, anders misschien van interpretaties of zienswijzen. Het karakter van diagnosekennis is dat ze fenomenen terug kan brengen tot hun essentie.

De professionals waar we dit blogje mee begonnen zullen hun werk graag op een bepaalde manier willen benaderen en gebruiken daar de diagnosekennis voor die ze tot hun beschikking hebben. Een verpleegkundige kijkt naar het gedrag van een patiënt (fenomeen) om vast te stellen of deze nog erg vermoeid is (essentie) na een operatie, bijvoorbeeld. Als de patiënt meer slaapt dan gebruikelijk is, is die nog erg vermoeid. Verpleegkundigen brengen patiëntengedrag in kaart om om de essenties die bij een goed herstel horen te kunnen inschatten. 

Voor de meeste mensen is diagnosekennis bekend terrein en dat kun je ook zeggen van resultaatkennis, de laatste kolom in het plaatje. Als je weet hoe dingen werken, kun je voorspellen hoe dingen of mensen zich in bepaalde situaties zullen gedragen. Die zekerheid kun je weer gebruiken om concrete oplossingen voor te stellen die gebaseerd zijn op deze voorspellingen, of wetmatigheden, of – om de taal van het model te blijven volgen – mechanismen. Als je een magneet door een spoeldraad beweegt ontstaat er een elektrische stroom. Dit mechanisme kun je gebruiken om een dynamo te maken, die er voor zorgt dat de beweging van een windmolen omgezet kan worden in elektriciteit.

Resultaatkennis verbind dus (de effectiviteit van) oplossingen met onderliggende (bewezen) mechanismen. Het is maar wat handig als je al weet wat werkt en waarom. Technici gebruiken resultaatkennis om effectieve oplossingen te bedenken, verpleegkundigen om patiënten op een goede manier te behandelen.

De ontdekking van doelkennis

Maar dan is er volgens het model nog een soort kennis. Weliswaar zit ze wat ingeklemd tussen diagnose- en resultaatkennis, maar dat maakt het niet minder een derde soort: doelkennis.  Mensen hebben niet alleen kennis van hoe dingen zijn, of wat werkt, maar ook van wat ze willen en hoe dat zou kunnen.

Doelkennis helpt om alternatieven in te beelden en te waarderen. Waar diagnosekennis fenomenen aan essenties verbindt, en resultaatkennis oplossingen aan mechanismen, verbindt doelkennis alternatieven aan idealen. Je zou, helemaal in lijn met het model, kunnen zeggen dat doelkennis gaat over wat zou kunnen en wat fijn (of.. goed) zou zijn. Doelkennis is wat ons drijft: we willen dingen bereiken in het leven en we zoeken naar mogelijkheden, manieren, om dat voor elkaar te krijgen. Arbeiders willen hun werk gedaan krijgen, sporters willen de beste worden in iets, beleidsmakers willen de wereld in een bepaalde richting duwen; daarvoor hebben ze doelkennis nodig.

Het woord doelkennis is misschien niet zo goed gekozen. De suggestie is een beetje dat doelkennis vooral gaat over wat we willen, maar de belangrijkste waarde van het model hierboven is juist dat het laat zien dat wat we willen niet onafhankelijk is van wat we denken dat mogelijk is. Aan de ene kant heeft het weinig zin dingen na te streven die onmogelijk zijn, dingen waarvan we ons niet eens kunnen voorstellen hoe ze in de praktijk gerealiseerd kunnen worden. Aan de andere kant heeft het weinig zin een idee te presenteren, een alternatief, zonder daarbij in te gaan op wat de doelen en waarden zijn die je met dit alternatief zou willen omarmen. 

Doelkennis is dus ‘af’ als de hele verticale kolom is ingevuld. Er zijn bepaalde idealen, die zich vertalen in bepaalde doelen en waarden. Die kunnen worden gerealiseerd met bepaalde soorten oplossingen (alternatieven) die voldoen aan de geformuleerde idealen. Of andersom: een bepaald alternatief is interessant of kansrijk omdat het voldoet aan bepaalde waarden, die te koppelen zijn aan nastreefbare idealen. Alternatieven en idealen gaan hand in hand. Doelkennis verbindt die verschillende elementen.

Doelkennis is overal!

In haar, zeer voorzichtige, column over activistische wetenschap in NRC stelt  Loïse el Fresco over de klimaatwetenschap: “De (bijna) unanieme wetenschappelijke diagnose – versnelde opwarming van de atmosfeer door de sterke uitstoot van broeikasgassen sinds de industriële revolutie – leidt (nog) niet tot wetenschappelijke consensus over hoe het verder moet. Vervangen van fossiele brandstoffen vraagt om zorgvuldiger discussie over wat, waar en hoe snel.” 

Ze doet eigenlijk een oproep voor doelkennis: welke alternatieven zijn er (?) en aan welke (mix van) doelen voldoen deze (?). Deze doelkennis is volgens haar niet per se wetenschappelijk van karakter. Politici debatteren over doelen en mogelijkheden, terwijl wetenschappers over feiten debatteren. En terwijl we de taken keurig netjes hebben verdeeld brand de natuur de aarde op, op weg naar haar ondergang. 

In haar oproep tot doelkennis is ze lang niet de enige, doelkennis vinden we in de sustainable development goals, een opdracht aan de wereld om bepaalde doelen boven andere te stellen. We vinden het in elke organisatie die missie- en visiedocumenten opstelt. We vinden het bij individuen, jij en ik, die het ene belangrijker vinden om te doen dan het andere. En die opzoek zijn naar manieren om nog gezonder of gelukkiger te worden.

Maar als doelkennis, zo belangrijk is, moet je je afvragen waarom we de wetenschappers er niet bij betrekken. Hoe kan het dat we de politiek verantwoordelijk stellen voor kennis over doelen en de wetenschap voor kennis over feiten. Wat nou, als we de scheiding van verantwoordelijkheden –  die er blijkbaar is  – opheffen (?). Wat nou als we stellen dat kennis over doelen en mogelijkheden wél onderdeel uitmaken van de wetenschap. Als we de wetenschap de taak geven om te verbeelden hoe dingen anders kunnen en wat daarin wenselijk en (on)wenselijk is. Verliezen we dan de wetenschap?

Een andere wetenschap…

Het antwoord is natuurlijk nee. Ten eerste omdat wetenschap nooit waardenvrij geweest is en ten tweede omdat ze nooit waardenvrij zal worden. De objectiviteit van de wetenschap is een streven – of een ideaal -, of als je wat cynischer bent, een masker waarachter ze zich verbergt om haar gezag niet te verliezen. 

Zelfs als je wetenschap uitsluitend ziet als een neutrale zoektocht naar hoe de natuur functioneert, en de natuur ziet als een neutrale scheidsrechter in deze zoektocht, zul je moeten erkennen dat datgene wat we in de natuur zoeken een persoonlijke of maatschappelijk geïnspireerde keuze is. De scheidsrechter is misschien neutraal, maar het spel dat we hem voorleggen is dat niet.

Daarmee is de wetenschap allang een politieke speler. Ze gebruikt haar beroep op de feiten om politici te beïnvloeden, of aan te manen, of te informeren – en geen van deze acties is ongemotiveerd (lees: waardenvrij, neutraal, feitelijk). Beter zou het zijn een wetenschap te ontwikkelen waarin we ons richten op de échte vragen: wat doen we ermee, wat kan, wat willen we? En waarin we de kracht van de wetenschap: haar kritiek, haar twijfel, haar inventiviteit ten volle inzetten om die échte vragen te beantwoorden.

Nu zijn er natuurlijk wetenschappen die dat allang doen. De menswetenschappen, de filosofie en de ethiek, ‘kritische’ theorie in allerlei disciplines en kritisch- en speculatief ontwerp dragen bij aan ons begrip van wat we willen, van wat we zouden moeten willen en hoe dat eventueel zou kunnen. Geen van deze wetenschappen heeft een ‘natuurlijke’ scheidsrechter tot zijn beschikking, maar deze wetenschappen dragen enorm bij aan onze belangrijkste vragen in het leven: waar willen we heen?, waarom?, en hoe kan dat?

De grote wetenschapsfilosofische vraag van vandaag is volgens mij niet óf wetenschap een rol kan spelen in het ontwikkelen van doelkennis, maar meer hoe we de scheidslijn kunnen beslechten tussen die wetenschappen die zichzelf als neutraal zien en die wetenschappen die hun normatieve karakter erkennen. 

Wat is de juiste manier om de kruisverbanden tussen essenties, idealen, en mechanismen en fenomenen, alternatieven en oplossingen in kaart te brengen? Welke verbanden bestaan tussen die drie soorten kennis en welke bewijslast willen we daarvoor zien? Als we die vragen beantwoorden, kunnen we wetenschap een plek geven in het vormen van de wereld. Anders leggen we ons lot in handen van politici.

Meer lezen?

Ik schreef over het verschil tussen ontwerp- en feitenkennis in Ontwerpkennis, het belang van bruikbaarheid van kennis, in Nobel, Stokoude Kennis en Valorisatie.

Het plaatje in dit model komt uit het Handboek Ontwerpgericht Wetenschappelijk Onderzoek dat onlangs bij Boom Uitgeverij verschenen is. Dit is weer gebaseerd op een eerdere Engelstalige publicatie van mijn hand.

Ervaring

Het stond in de krant, dus is het waar:”Papegaaien die leerden videobellen voelen zich minder eenzaam“.

Tja. Onderzoekers vergeleken papegaaien die videobelden met papegaaien die dit niet deden – en kwamen tot de conclusie dat de videobellende papegaaien meer sociaal gedrag vertoonden: poetsen, zingen, samen spelen.

Het onderzoek roept allerlei vragen op, maar voor dit blogje is de belangrijkste: hoe weten we dat de gedragingen van papegaaien die videobelden te herleiden zijn tot ‘gevoelens van eenzaamheid’? Hebben papegaaien ervaringen? Voelen ze dingen?

Het is een lastige vraag omdat ervaringen en gevoelens subjectief zijn. Je brengt de hele dag door met je eigen ervaringen. Je ziet het licht in je kamer als je opstaat. Allerlei dingen hebben een kleur. Je luistert en geniet van muziek. Je zit, of misschien word ik nu wel heel persoonlijk, aan het eind van de dag aan je ‘sociale tax’ . Daarom zijn er weinig redenen om te twijfelen aan je eigen ervaringen; maar of anderen ook ervaringen hebben – en of die gelijksoortig zijn – kunnen we eigenlijk niet weten.

Dat roept de vraag op: hoe bijzonder is het eigenlijk? Hebben alle mensen ervaringen? Zijn er dieren die ervaringen hebben? Hebben alle dieren ervaringen? Ook insecten en bacteriën? Hebben planten ervaringen? Algoritmen? Materialen? Moleculen?

De wetenschappelijke wind waait mee in de leesrichting. Vroeger dachten we dat het iets unieks menselijks was, maar inmiddels denken we dat het wijd verbreid is onder dieren, zeker sociale dieren;  sommige wetenschappers geloven in bewuste planten, een enkeling gelooft ook in bewuste technologie of materie.

Maar als planten of materie al bewustzijn hebben zal het toch weinig weghebben van het bewustzijn zoals we dat kennen van onszelf? Het is moeilijk om je voor te stellen dat de ervaring van ijzererts dat tot staal gesmeed wordt, vergelijkbaar is met die van mensen die in zo’n oven geknikkerd worden.

Of neem Octopussen. Octopussen zijn slimme dieren, die reageren op hun omgeving en die met planmatige en inventieve oplossingen komen voor hun problemen. Dat lijkt mij allemaal moeilijk te doen zonder ervaringen en een vrije wil, maar octopussen hebben acht breinen in plaats van één. Zouden ze ook acht bewustzijnen hebben? En zijn die het dan eens? Of neem papegaaien… nou ja.

De filosoof Thomas Nagel vatte de vragen die ik hier noem samen onder de noemer ‘hoe voelt het om een vleermuis te zijn’? We kunnen het vleermuizen helaas niet vragen. En er zijn zelfs filosofen, of eigenlijk vooral Ludwig Wittgenstein, die van mening zijn dat je, zelfs als je het kon vragen, je niet in positie zou zijn om het antwoord te begrijpen. Het subjectieve karakter van ervaringen, maakt het voor ons heel moeilijk om ons te relateren aan ervaringen van anderen en die op waarde te schatten.

Wat ons rest is projectie: we stellen ons voor dat ervaringen van anderen op één of andere manier gelijksoortig zijn aan die van ons. Honden voelen dingen aan, octopussen zijn nieuwsgierig, papegaaien kunnen eenzaam zijn. Het aanvoelen, die nieuwsgierigheid en de eenzaamheid herkennen we in onszelf. We proberen dieren te begrijpen in een menselijk begrippenkader.

Die projectie is wetenschappelijk gezien misschien verdacht, maar er zijn ook goede redenen voor te geven. Frans de Waal, onderzoeker van primaten, zoals  chimpansees en bonobo’s, wijst ons op het gradualisme uit de evolutietheorie van Charles Darwin. Uit de evolutietheorie volgt dat de verschillen tussen verschillende diersoorten kleiner zijn naarmate de evolutionaire nabijheid groter is. Mensapen staan dicht bij ons, en we mogen veronderstellen dat hun gevoelsleven gelijksoortig is als dat van ons. Voor papegaaien en octopussen is dat al een stuk minder. Voor AI of materie is er eigenlijk weinig hoop.

Zo redeneren de onderzoekers van de papegaaien blijkbaar ook. De manier waarop we over het bewustzijn van anderen praten is gebaseerd op hoe we over onze eigen ervaringen praten. Wij zijn verrast, gekwetst, nieuwsgierig; bij die gevoelens hoort gedrag. Beesten hebben soortgelijke ervaringen die herkenbaar zijn aan soortgelijk gedrag. Als je lang met papegaaien omgaat heb je een idee van welk gedrag bij ‘eenzaamheid’ zou kunnen horen. En kun je dus voorzichtig conclusies trekken over hun gevoelsleven.

Heb je dan meer van het bewustzijn van dieren begrepen? Ja en nee. Ik schaar me achter Frans de Waal door te stellen dat het gevoelsleven van dieren die op ons lijken op dat van ons zal lijken. Dat het bewustzijn van primaten, zoogdieren en andere intelligente dieren gelijksoortig is aan dat van ons. Het is alleen moeilijk te zeggen waar die vergelijking ophoud: zijn onze ervaringen vergelijkbaar met die van vogels, reptielen, insecten? Zodra ik daar zicht op krijg meld ik me.

Meer lezen?

Dit is het tweede deel van een serie blogjes over het bewustzijn. In het eerste deel ging ik in op de verschillende vormen van bewustzijn: ervaringen, zelfbewustzijn en vrije wil. In de volgende twee blogjes ga ik achtereenvolgens in op het filosofische en het wetenschappelijke denken over het bewustzijn. Daarna bespreek ik nog of taalmodellen zoals ChatGPT of LaMDA bewustzijn kunnen hebben.

Ik schreef eerder over bewustzijn in bewust, over zelfbewustzijn in poetsvissen, en over de vrije wil in wil. Ook mijn serie blogjes over de hersenwetenschap: breinquintologieop zoek naar het breininformatieverwerkergedachtenmeting en het onbegrijpelijke brein. zijn gerelateerd aan dit onderwerp.

Hier vind je her artikeltje van nu.nl waar ik aan refereer.

Op zoek naar het brein

Hoe zijn we erachter gekomen dat al onze zielenroerselen – ons denken over de meest alledaagse dingen tot de diepste vragen over onszelf en het bestaan, voortgebracht worden door een paar kilo weefsel ergens in ons hoofd?

Tot de negentiende eeuw was de vraag waar het denken plaatsvindt al even urgent als de vraag hoe het denken werkt. Omdat we nog weinig wisten van de natuurkunde en de biologie, en omdat we geen apparatuur hadden om eens goed te kijken wat er gebeurde in het lichaam. De breinwetenschap moest het tot de negentiende eeuw nog doen met veel gis- en conceptueel denkwerk. Iets waar we in de huidige, sterk experimentele wetenschap misschien juist wat meer behoefte aan hebben.

In ‘The Idea of the Brain’ laat Matthew Cobb zien dat het denken over het brein altijd sterk is beïnvloed door heersende theorieën buiten de breinwetenschap. Dat dit ideeën heeft opgeleverd waar we nog steeds op bouwen, mag haast niet verbazen.

Hart (tot 17e eeuw)
De eerste vraag die beantwoord moet worden is natuurlijk waar het brein zich bevindt, of preciezer: waar gedachten en gevoelens eigenlijk vandaan komen. Lang was het meest gegeven antwoord daarop het hart. Dat is ook niet zo vreemd als je bedenkt dat je hartslag verandert als je emotioneel wordt. Het hart is ook een actief orgaan, net zoals de gedachten actief zijn. Zonder biologielessen op de lagere school had je er waarschijnlijk net zo over gedacht.

Het is dan ook niet verrassend dat dit idee van het hart als denkorgaan lang dominant is geweest in de wetenschap. Aristoteles dacht al dat het denken in het hart zat – en tot in de middeleeuwen dacht bijna iedereen dat Aristoteles overal gelijk over had.

Het idee dat het centrum van het denken in ons hoofd zit en ideeën over de functie van de zenuwen ontstonden door experimenten op mensen en dieren. Leerlingen van Aristoteles viel het bijvoorbeeld al op dat mensenhersenen een complexere vorm hadden dan hersenen van dieren, terwijl mensen ook intelligenter leken dan dieren.

Na de Romeinse tijd lag het centrum van de wetenschap in de Arabische wereld, waar ideeën over het hart en het brein als oorsprong van ons mentale leven gebroederlijk naast elkaar bestonden. Het brein bestond misschien uit kamers met verschillende functies zoals waarnemen en inbeelden, redeneren en onthouden. Al die functies konden een eigen plek hebben in het brein. Misschien werden ze bewoond door geesten die weer hun oorsprong in het hart hadden. Al in de Romeinse tijd werd deze kamerhypothese weerlegd door anatomisch onderzoek. Er was in de anatomie van het brein niets te zien wat die functies kon verklaren.

Krachten (17e tot 18e eeuw)
In de wetenschappelijke revolutie mechaniseerde ons wereldbeeld. Wetenschap en techniek gingen hand in hand om oplossingen te vinden waarmee arbeid geautomatiseerd kon worden. Deze mechanische techniek werd vervolgens gebruikt als metafoor om mensen en dieren te begrijpen. Beroemd zijn plaatjes uit die tijd waar dieren voor het eerst als robots worden afgebeeld.

Zo verging het ook het brein. René Descartes dacht dat de geest iets fundamenteel anders was dan het lichaam en dat de geest het lichaam wist te besturen via de pijnappelklier. Het kernprobleem was hoe het brein er in kon slagen om invloed uit te oefenen op het lichaam. Dat de zenuwen een rol speelden werd algemeen aangenomen, maar hoe dat precies werkte bleef een groot raadsel. Oudere ideeën suggereerden dat die invloed het gevolg was van een bepaalde zenuwlucht (pneuma) of dat deze hydraulisch via een vloeistof werd overgebracht.

Gelukkig was de microscoop net uitgevonden. Die toonde aan dat er in de zenuwen geen ruimte was voor vloeistoffen of gassen. De filosoof John Locke stelde daarom voor dat het brein moest bestaan uit ‘denkende materie’. Dit werd als godlasterend gezien omdat de ziel dan niet onsterfelijk kon zijn. Daarnaast betekende het dat dieren, maar ook levenloze objecten, zouden kunnen denken – een idee dat iedereen absurd vond.

Elektriciteit (18e en 19e eeuw)
De opvolger van het krachtenidee was het idee van elektriciteit dat in de 18e eeuw populair werd. Hoewel dat nu een ‘correct’ idee lijkt, laat de geschiedenis vooral zien hoe weinig vooruitgang ermee geboekt werd.

Dat komt niet in de laatste plaats omdat elektriciteit zelf nog nauwelijks begrepen werd. Eerst was het nog vooral iets van circussen, waar elektriciteit als rariteit getoond werd. Later kreeg men iets meer controle met de uitvinding van de condensator en de batterij. Hoewel er bewijs was dat elektriciteit beweging kon stimuleren in kikkerbenen en in andere dieren, en dat men bepaalde sensaties elektrisch konden worden opgewekt, was geenszins duidelijk hoe dit precies samenhing met de werking van de hersenen.

Één probleem was dat zenuwsignalen veel langzamer waren dan elektriciteit in geleidende draden. Hermann von Helmholtz toonde aan dat zenuwsignalen ongeveer 30 m per seconde gingen. Dat is vrij traag. De waarneming zou dan altijd achterlopen. En ook voor het denken lijkt snelheid belangrijk. Een ander probleem was dat het niet logisch leek dat verschillende sensaties zoals zicht en gehoor dezelfde oorzaak zouden hebben. Ondanks dit gebrek aan bewijs was het idee van het elektrische brein populair. Het bekendste voorbeeld is Mary Shelley’s roman Frankenstein.

Functie (19e eeuw)
In de achttiende en negentiende eeuw ontstond ook het idee van functie en functielokalisatie. Dit past in het idee van het brein als een machine.

Het idee is dat bepaalde delen van het brein bepaalde functies vervullen. De schedelmetrie was op dit idee gebaseerd. Aan de hand van bulten in de schedel zou je iets kunnen vaststellen over iemands karakter. Schedelmetrie was altijd al controversieel en raakte uit de mode door gebrek aan bewijs.

Toch is lokalisatie geen vreemd idee. Er was bewijs doordat mensen met gedeeltelijk hersenletsel ook delen van hun vermogens kwijtraakten. Bij dieren kon je dit ook experimenteel aantonen. Door specifieke hersenbeschadigingen aan te brengen, kon worden aangetoond dat hun gedrag samenhing met de schade. En het toedienen van elektrische stoom in bepaalde delen van het brein had een vergelijkbaar effect.

Dergelijke experimenten konden natuurlijk niet bij mensen gedaan worden, hoewel sommige artsen hun kans grepen als ze konden. Berucht is het experiment op Mary Rafferty, door Roberts Bartholow. Mary’s brein lag bloot vanwege een scheur in haar schedel. Bartholow zette deze, naar eigen zeggen met goedkeuring van de patiënt, op verschillende plekken onder stroom hetgeen tot verschillende onwillekeurige reacties van de patiënt leidde.

Het experiment werd met interesse én afschuw bekeken. Het gaf steun aan het idee dat het brein gespecialiseerde gebieden kent, maar het werd ook als hoogst onethisch gezien. Naast ethische vragen was er iets anders waardoor het spoor doodliep. De experimenten met zwakstroom of via hersenbeschadiging waren zó grofmazig dat er te weinig echt nieuwe ontdekkingen mee gedaan konden worden.

Evolutie (19e eeuw)
De evolutietheorie wierp een nieuw licht op alle biologie, en dus ook op het brein. Op dit moment is het lastig een theorie te bedenken over het lichaam als het niet te verklaren is hoe een en ander geëvolueerd is, maar in de tijd van Charles Darwin moest de evolutietheorie bewijzen dat het oplossingen bood voor problemen van andere theorieën.

Om eerlijk te zijn lukte dat voor het brein aanvankelijk maar matig. Darwin was heel terughoudend met zijn ideeën over de evolutie van het brein en kwam pas geruime tijd na de ‘Origin of Species’ met het boek ‘The Descent of Man’ waarin hij zijn theorie over de evolutie van intelligentie ontvouwde.

In dit boek richt Darwin zich op de evolutie van gedrag. Hij somt gelijkenissen tussen mensen en dieren op. Insecten hebben sociale vermogens. Er zijn gelijkenissen tussen het gedrag van mensen en andere dieren. Huisdieren en primaten lijken emoties te hebben. Het past mooi in het gradualistische karakter van Darwins denken. Mensen hebben een combinatie van eigenschappen die we overal in de natuur terugvinden en die ontstaan zijn in een lange evolutionaire geschiedenis – bepaalde aspecten van de menselijke intelligentie zijn misschien verder ontwikkeld dan bij andere dieren, maar ze zijn niet essentieel verschillend.

Het was, en het is eerlijk gezegd nog steeds, zó moeilijk voor mensen om hun uitzonderingspositie in de natuur op te geven dat Darwins ideeën tot op de millimeter bevochten werden. Nog steeds heeft een wetenschapper als Frans de Waal moeite om de wetenschappelijke gemeenschap te overtuigen van het feit dat dieren empathie kunnen tonen. En het idee dat andere dieren dan mensen bewustzijn kunnen hebben wordt nog altijd bevochten.

Een belangrijk conceptueel probleem voor de evolutietheorie is dat het geen licht werpt op de relatie tussen het brein en ons bewustzijn. Hoe produceert het brein gedachten? De evolutietheorie heeft geen antwoorden. Snel na Darwins dood werd het idee van George Romanes populair dat alle materie bewustzijn heeft. Er zou een alles doordringende telepathische substantie bestaan, die los stond van de materie, maar die er wel mee kon interacteren. In de maalstroom van speculaties over het brein verdween het idee van evolutie naar de achtergrond, omdat het nog onvoldoende overtuigingskracht had.

Tot slot
Veel ingrediënten van het moderne denken over het brein hebben wortels in de vroege wetenschap: elektriciteit, lokalisatie van functie en evolutie. Maar deze jaren laten ook zien hoe een gebrek aan sterke ideeën over natuurkunde, biologie en informatiekunde de breinwetenschap bemoeilijkten.

Er was te weinig experimenteel bewijs om wetenschappers te dwingen antwoord te geven op specifieke vragen over het brein. Wetenschappers konden alleen speculeren over hoe het brein werkt. Het was daarom wachten op de twintigste eeuw waarin in de vorm van informatietechnologie, nieuwe modellen voor het begrijpen van het brein ontstonden én waar nieuwe manieren om het gedrag van het brein te leren kennen opgang deden.

Meer lezen?
Dit blogje is in zijn geheel gebaseerd op ‘The Idea of the Brain’ van Matthew Cobb. Het maakt het tweede deel uit van een serie die begin met de post ‘brein quintologie’ en verder gaat met ‘informatiewerker’, ‘gedachtenmeting‘ en ‘het onbegrijpelijke brein‘.

Over de evolutietheorie schreef ik als eens eerder in ‘evolutiesnelheid‘ over het idee dat materie bewustzijn kan hebben schrijf ik in panpsychisme.

Deze blogjes zijn natuurlijk vooral bedoeld om jullie lekker te maken om The Idea of the Brain zelf te lezen.