Ideeënsex

Ideeënsex. Het is een prikkelend idee. De gedachte achter ideeënsex is dat nieuwe ideeën ontstaan door het samensmelten van meerdere bestaande ideeën. Als je een beetje een beelddenker bent roept het woord ideeënsex natuurijk een hele reeks associaties op: speeddaten, uithuwelijken, prositutie, masturbatie en orgies. Plotseling blijken al die dingen ook in je hoofd te gebeuren en zijn ze de bron van maffe ideeën zoals flashmobs – of van serieuze zoals de stelling van pythagoras.

Eigenlijk is dit een moment waarop je even moet stoppen met lezen en je fantasie de vrije loop moet laten. Laat die ideeëensex gedachte eerst eens even vrijelijk door je hoofd gaan voordat je je laat indoctrineren met een of andere serieuze bespreking van het onderwerp door mij.

….

Experiment geslaagd? Bij mij riep het woord in ieder geval associaties op die nog nooit eerder bij me opgekomen waren. Een sexy idee dat door je hoofd gaat maakt daar blijkbaar allemaal dingen los.  Stoffige gedachten die er al jaren zitten gaan een flirt aan met de nieuwkomer. Als ze erg van hun stuk zijn willen ze wel een beetje buiten hun comfort zone komen en een dansje doen dat ze normaal nooit zouden doen. Je hele gedachtenwereld zet haar beste beentje voor. En ja; zo kom je op nieuwe ideeën.

Ik vind ideeënsex een fijne metafoor, maar het is natuurlijk de vraag of je er ook wat mee kan. Levert die gedachte aan ideeënsex ons ook inzichten op waarmee we beter begrijpen hoe kennis werkt? Ik denk van wel. Bijvoorbeeld als je kijkt naar hoe ideegeneratie-technieken werken.

Er zijn honderden technieken om op frisse ideeën te komen, maar ze vallen grofweg uiteen in twee categorieën: vrije associatie en geforceerde connectie. Bij vrije associatietechnieken neem je een input of idee als basis en probeer je de ideeën daaromheen los te krijgen. Die associaties vormen weer de basis voor verdere associatie. Bij een boom denk je aan blaadjes;  blaadjes doen je denken aan papier en aan ‘jong blaadje’ en die gedachten doen je weer denken aan… Nou ja, je snapt het idee. Ideeënsex is niet de basisgedachte achter vrije associatie, hoewel het natuurlijk wel kan gebeuren, zeker als je het met een groep mensen doet.

Het zit anders met geforceerde connectie. Bij geforceerde connectie probeer je op nieuwe ideeën te komen door twee dingen aan elkaar te relateren die eigenlijk niets met elkaar te maken hebben. Wat als dit bedrijf een appel was? Dat werk. Geforceerde connectietechnieken richten zich dus nadrukkelijk op het organiseren van een flirt tussen heel verschillende ideeën.

Toch werkt geforceerde connectie niet altijd zo lekker als je zou willen. Terwijl er bij het experimentje van even terug uit alle hoeken en gaten van mijn brein oude ideeën kwamen gekropen om met vreemde dansjes de gedachte aan ideeënsex het hof te maken, blijken er nu nauwelijks gedachten over mijn bedrijf te zijn die het met een appel willen doen. Wat is dat toch?

We kunnen volgens mij drie lessen trekken uit het voorbeeld. Één: ideeën sexen niet graag onder dwang. Het probleem met geforceerde connectie is het geforceeerde ervan. Twee: aantrekkelijke ideeën zijn betere gangmakers dan saaie ideeën. Saaie ideeën roepen te weinig op in je brein. Je hebt dus een goed idee nodig om een geweldig idee te brouwen. En drie: soort zoekt soort. Ideeën die ver uit elkaar liggen, sexen niet graag.

Het grappige is dat dat laatste wetenschappelijk onderzocht is. Een veronderstelling achter geforceerde connectie technieken is dat afstand telt. Hoe verder de oorspronkelijke ideeën uit elkaar liggen hoe beter en origineler de ideeën zijn die er uit voortvloeien. Onderzoekers konden die aanname toetsen door de geschiedenis van ideeën die op een digitaal innovatieplatform tot stand gekomen waren na te gaan.

Het bleek dat de aanname klopt, maar ze brachten een belangrijke nuance aan. Originele ideeën kwamen wel voort uit ideeën die oorspronkelijk ver uit elkaar lagen, maar daarvoor waren veel meer stappen of iteraties nodig dan bij andere ideeën. Het ging dus niet in één keer (vreemd idee plus vreemd idee levert geweldig idee), maar juist stukje bij beetje (verwant idee plus verwant idee geeft aangepast idee). Als dit proces van het combineren van verwante ideeën heel vaak herhaald werd, waardoor er uiteindelijk toch heel verschillende dingen werden samengebracht, dan kwamen er goede en originele ideeën uit. Je kunt dus wel degelijk veel creatieve kracht putten uit het verbinden van ideeën die ver uit elkaar liggen, maar je moet wel genoeg potjes ideeënsex inplannen om het voor elkaar te krijgen.

Je kunt het ideeënsex concept dus prima gebruiken om idee generatietechnieken praktisch te verbeteren. Misschien moet je dit eens zelf proberen. Probeer wat je nu weet van ideeënsex op eens op vrije associatie technieken toe te passen. Je zult zien dat je makkelijk een aantal verbeteringen kan bedenken en ideeënsex zich dus niet alleen als prikkelende, maar ook als vruchtbare gedachte bewijst.

Meer lezen?

Ik heb het begrip ideeënsex van verandermanagementprofessor Thijs Homan. In het blogje spiegelpaleis bespreek ik zijn ideeën uitgebreider. Je kan ook zijn online college bekijken.

Ook mijn blogje over mementheorie is verwant aan dit onderwerp.

De wetenschappelijke studie waar ik naar verwijs in dit blogje is te vinden in dit artikel.

 

Betekenisdrift

Het woord ‘nep’ is zichzelf niet meer de laatste tijd. Nepnieuws is waarschijnlijk een van de eerste dingen waar je aan denkt bij het woord nep, maar die samenstelling is piepjong. Vroeger was nieuws niet iets wat nep kon zijn; of daar dacht je in ieder geval niet over na. Wie had dus gedacht de woorden nep en nieuws zo gemakkelijk aan elkaar zouden plakken? En toen werd het nog gekker. Donald Trump, president van Amerika, ging het woord nepnieuws in een totaal andere betekenis gebruiken. Hij bestempelde juist het nieuws van kwaliteitskranten zoals de New-York Times, dat wij als het meest betrouwbare beschouwen, als nep. Dat is dus een beetje alsof je een Mercedes een nepauto noemt. Niettemin is het feit is dat Trump een invloedrijke man is – en zo is nep vanzelf ook synoniem geworden voor “niet positief over Donald Trump”.

Hoe invloedrijk Trumps taalgebruik precies is zal de tijd moeten leren, maar het turbulente leven van het woord nep roept natuurlijk allerlei vragen op over taal als kennisdrager. Als alle woorden zo wispelturig zijn, hoe kun je ze dan gebruiken om iemand iets te leren? Of om het eens te worden over hoe iets zit? Kunnen we, zoals in het boek 1984 van George Orwell geprobeerd wordt, het denken van een hele samenleving veranderen door in het woordenboek te schrappen? Of heeft dat geen zin? Ik denk dat dit soort vragen goed te beantwoorden zijn als je twee dingen helder voor ogen houdt.

Ten eerste: woorden zijn vogelvrij. Je kunt boos zijn op Trump omdat hij verwarring zaait door het woord nep op een heel andere manier te gebruiken dan dat wij dat doen, maar dit soort taalvernieuwing is wel heel normaal. We leren wat woorden betekenen door hoe mensen woorden gebruiken en als we woorden anders gaan gebruiken veranderen ze dus van betekenis. Als we de zon dit jaar allemaal sjaal gaan noemen, dan gaan we volgend jaar allemaal naar het strand om bruin te worden in het lekkere zomersjaaltje. Dat zulke veranderingen van de taal meestal geleidelijk gaan komt omdat het niet meevalt iedereen mee te krijgen in het nieuwe gebruik van sjaal. Maar beroemdheden en de (massa)media zijn wel krachtige verspreiders van nieuwe taal.

Ten tweede: betekenissen zijn juist vrij vast: ze zitten verstrikt in een kluwen van woorden. Taal is een netwerk. Als je de betekenis opzoekt van een woord dan stuit je vaak op een definitie van een 10tal woorden waarvan je van een paar de betekenis ook niet kent. Als je de betekenis van die woorden gast opzoeken stuit je wéér op definities met onbekende woorden. Enzovoort. Deze kluwen van woorden en verbanden tussen woorden is mooi weergegeven in een visuele thesaurus. In ons brein is deze taalkluwen ook nog eens verknoopt met persoonlijke herinneringen en emoties. Iedereen die wel eens met wol gespeeld heeft weet dat een kluwen veranderen niet meevalt. Natuurlijk kan het wel, anders had studeren geen zin,  maar of het Donald Trump lukt om mijn begrip van echt en nep te veranderen, dat betwijfel ik.

Terwijl woorden dus vrij gemakkelijk op een nieuwe manier gebruikt kunnen worden, worden ze op hun beurt in toom gehouden door betekenissen die zich niet zo makkelijk laten veranderen. Nieuw taalgebruik grijpt vaak vrij snel om zich heen, terwijl het veel moeilijker is om het denken daaronder te veranderen. Woorden zijn besmettelijker dan betekenissen.

Dat is misschien ontnuchterend nieuws voor mensen die zich, zoals ik, met leren en onderwijzen bezig houden. Het is niet zo moeilijk om studenten of collega’s te leren om nieuwe begrippen te gaan gebruiken. Maar, als je kijkt naar welke ideeën daar onder schuil gaan, gaat het gezegde “oude wijn in nieuwe zakken” gemakkelijk op. Die nieuwe begrippen hechten zich aan oude betekenissen terwijl dat vaak net niet de bedoeling is. Zo ontstaan er veel misconcepties en onzichtbaar onbegrip. Om een nieuw begrip in te laten dalen moet de hele taalkluwen veranderd worden. Dat vereist dat je het nieuwe begrip op veel manieren gebruikt en dat je als docent een lange adem nodig hebt om misconceptie na misconceptie recht te zetten.

Het is misschien ook ontnuchterend nieuws voor onderzoekers die het eens proberen te worden over hoe iets wat ze in de wereld zien precies begrepen moet worden. Vaak wordt dit gedaan door nieuwe taal in te voeren. Maar die nieuwe taal klit bij alle onderzoekers aan andere bestaande betekenissen. Er is zo heel wat discussie nodig voordat er een gedeeld begrip ontstaat van het verschijnsel. Voor hele nieuwe wetenschappelijke ideeën, zoals ooit de quantummechanica, blijft die discussie jarenlang doorgaan.

Het is ook slecht nieuws voor diegenen die proberen ons denken te vervangen door termen te veranderen. Je kan zwakzinnigen verstandelijk beperkten gaan noemen, allochtonen nieuwe Nederlanders of patiënten cliënten, maar maak je niet de illusie dat dat tot een hele andere behandeling van deze groepen leidt. De nieuwe term past namelijk precies op de betekenissen die de oude term ook had. De woorden die we gebruiken zijn vervangen, maar verstandelijk beperkten worden er niet vanzelf respectvoller door behandeld, nieuwe Nederlanders zijn niet welkomer dan allochtonen en cliënten niet minder afhankelijk dan patiënten. Voor dit soort veranderingen zijn de kluwens te sterk en de woorden te zwak.

Is het dan kansloos om met taal betekenissen te veranderen? Enige nuance is misschien op zijn plek. Met name de eerste regel, dat woorden vogelvrij zijn, is overdreven. Zeker woorden waar we al lang een bepaalde betekenis aan toekennen, zoals nep of sjaal kun je niet helemaal ongestraft voor iets nieuws inzetten. Als je die woorden gebruikt blijft er een stukje van de originele kluwen meekomen en dat kan de betekenis die je wil beïnvloeden wel degelijk in de war schoppen. Trump plakt het woord nepnieuws niet voor niets op de New York Times. Hij probeert daar twijfel mee te zaaien over wat echt is en wat nep is, zodat onwelgevallig nieuws hem minder hard zal raken. Dat zal ongetwijfeld een beetje lukken, maar op de langere termijn schat ik het niet kansrijk in. Iemand die lak heeft aan de betekenissen waar we mee zijn opgegroeid en opgevoed nemen we daarvoor simpelweg niet serieus genoeg. We zijn eigenlijk heel gehecht aan onze taalkluwens.

Meer lezen?

In mijn blogje Jargon, sprak ik al eens eerder over het verband tussen taal en kennis. De besmettelijkheid van ideeën besprak ik al eens in Memen.

Het netwerkkarakter van kennis besprak ik in Kennisnetwerken en in Sociale Kennisnetwerken. De discussie in de quantummechanica, behandelde de ik in EPR.

Een voorbeeld van een visuele thesaurus vind je hier.

 

 

 

Geschiedenis

Wat hebben we aan geschiedenis? Natuurlijk, is dit een vraag die je over alle schoolvakken en wetenschappen kan stellen, maar het valt vaak niet mee om een goed antwoord te krijgen. Het aardige van geschiedenis is dat een aantal hoorcolleges zijn van vooraanstaande historici over precies dit onderwerp.

Zo organiseerde de uitgeverij Home Academy in 20120 een serie minicolleges over het nut van wetenschap. Daarin sprak hoogleraar Fik Meijer over het nut van oude geschiedenis, Maarten van Rossem over het nut van hedendaagse geschiedenis en Maria Mathijsen over het nut van de geesteswetenschappen in het algemeen. Die laatste twee namen daarna nog een college op over het onderwerp. Maarten van Rossem sprak een uur lang over de vraag of wel (of niet) iets kunnen leren van geschiedenis. Maria Mathijsen besteedde vier colleges aan de opkomst van het historische besef in de 18e eeuw, waarin ze nog eens uitgebreid inging op het belang van geschiedenis. Een belangwekkende vraag dus, waarom we aan geschiedenis doen, maar blijkbaar ook knap lastig om te beantwoorden.

Historici beantwoorden de vraag naar het nut van geschiedenis natuurlijk graag aan de hand van het verleden: de geschiedenis van de geschiedenis. Het vak geschiedenis en hoe mensen het beleven is ook veel veranderd door de tijden heen.

Toch leert de geschiedenis van de geschiedenis ons vooral dat het vak in onze natuur zit. Al heel vroeg in het menselijke bestaan treffen we vormen van geschiedschrijving aan. Grottekeningen, verhalen in primitieve stammen, de oudste geschreven bronnen: ze hebben allemaal een historisch karakter.  Mensen hebben zich blijkbaar altijd bezig gehouden met het vastleggen en opnieuw vertellen van belangrijke gebeurtenissen in hun verleden.

Geschiedenis is dus altijd al belangrijk gevonden, maar welke geschiedenis belangrijk gevonden werd, hoe mensen geschiedenis schreven en de ideeën die historici er op nahielden over wat geschiedenis voor ons kan betekenen veranderden enorm in de loop der tijd. Laat ik eens een paar van die ideeën nagaan.

Één belangrijke reden om aan geschiedschrijving te doen is om legitimiteit aan huidige machthebbers te geven. Neem deze uitspraak van Cirero, de Romeinse redenaar: “De geschiedenis legt getuigenis af van het verleden, van de loop der tijden. Het brengt het licht in de duisternis, het licht der waarheid, en brengt het verleden tot leven.” Voor veel samenlevingen is het verleden – nou ja, het juiste verleden – dè manier om de samenleving zoals hij op dat moment is te rechtvaardigen.

Het eerste wat totalitaire regimes vaak doen, bijvoorbeeld,  is bewijzen en oude symbolen van voorgaande beschavingen of onwelgevallige episodes uit de eigen geschiedenis vernietigen. De Taliban vernietigden Boeddhistische beelden. In de Sovjetunie werden de schoolboekjes met elke nieuwe leider herschreven. Maar, het hoeft niet zo extreem. We kunnen er zelf ook wat van. Als was het alleen maar door keuzes te maken in welke geschiedenis we elkaar vertellen. Altijd een bloeitijd natuurlijk. De Fransen kiezen de Franse revolutie en de Napoleoniaanse tijd, de Belgen de middeleeuwen, Nederlanders de VOC periode. Schaduwkanten van die perioden krijgen weinig aandacht. Het licht van de waarheid van Cicero? We vinden het belangrijk, maar gebruiken het selectief.

Een tweede, verwante, functie van geschiedenis is identiteit. Maria Mathijssen stelt hierover dat geschiedenis een grote morele waarde kan hebben. Geschiedenis kan een vergelijkbare functie vervullen als godsdienst: geschiedenis kan de normen en waarden van een maatschappij ijken. Het is nog niet zo lang geleden dat in Nederland de historische canon is opgesteld. Die had, samen met het nationaal historisch museum als doel de Nederlandse identiteit te versterken. Nederlanders moesten weer leren waar ze vandaan kwamen en wat ons volk uniek maakt.

Net als bij legitimiteit is het probleem met geschiedenis als identiteitsdrager dat we vaak net die stukjes geschiedenis er bij pakken die ons het best uitkomen. De werkelijke geschiedenis is zo complex en kan met zoveel verschillende gezichtspunten bekeken worden dat er niet zo makkelijk zoiets als een identiteit uit te destilleren is. Tenminste niet zonder de waarheid en de nuance ernstig geweld aan te doen. Identiteit is een verhaaltje dat we onszelf over onszelf vertellen. Het is misschien eerder onze identiteit die bepaalt welke geschiedenis we er bij zoeken, niet onze geschiedenis die onze identiteit bepaalt.

En derde functie van geschiedenis is die van leermeester. Uit de geschiedenis kunnen we immers lessen trekken voor de toekomst. We kunnen het verleden als bron van inspiratie gebruiken, zoals ze in de renaissance deden met de klassieke oudheid, of we kunnen leren van fouten die we in het verleden gemaakt hebben.

Hoewel? Maarten van Rossem, maakt eigenlijk gehakt van dit laatste punt. Hij stelt dat de toekomst niet te voorspellen is en dat historici daar zeker niet beter in zijn dan anderen. Dat ligt overigens ook aan de manier waarop historici werken. Zij richten zich vaak op het uitpluizen van de samenloop van omstandigheden die tot belangrijke historische gebeurtenissen geleid hebben. Maar omstandigheden lopen nooit twee keer op precies dezelfde manier samen.

Het meest gebruikte verklaringsmodel onder historici: de historische analogie werkt om die reden heel erg slecht. In een historische analogie probeer je het nu te begrijpen door het te vergelijken met een belangrijke periode in het verleden. Maar dat, om het bekendste voorbeeld maar even aan te halen, economische crisis, het verval van de Weimar republiek en de opkomst van Hitler samen tot de tweede wereldoorlog leidden betekent natuurlijk niet dat omstandigheden van nu die daar op lijken de inleiding zijn voor een derde wereldoorlog. Dat is zelfs vrij onwaarschijnlijk. Economische crisissen zijn van alle tijden, de meesten gingen niet gepaard met een opkomst van het antisemitisme of een andere verwerpelijke vorm van massahysterie. Totalitaire samenlevingen ontstaan en verdwijnen weer voortdurend en maar zelden komt daar een wereldoorlog of een genocide aan te pas.

Dat betekent niet dat er geen lessen te trekken zijn uit de geschiedenis, maar wel dat die minder duidelijk en direct zijn dan de historische analogie doet vermoeden. Economische constanten zoals toegang tot grondstoffen zijn vaak op de langere termijn heel belangrijk voor het verloop van de ontwikkelingen, maar juist die worden in een historische analogie vaak over het hoofd gezien. De historische analogie gaat over één gebeurtenis van vroeger, maar je moet eigenlijk naar meerdere voorbeelden tegelijk kijken. Als je dat doet zijn er wel degelijk patronen te vinden die zich vaker voordoen en kun je misschien leren hoe die te doorbreken zijn. We kunnen zo mechanismen van verandering leren begrijpen bespelen. En tot slot kan historische analyse helpen om te begrijpen hoe we in een bepaalde situatie terecht komen, zodat het misschien makkelijker is er weer uit te komen.

Hebben we helemaal niets aan de historische analogie. Nou, voor één doel is ze volgens mij juist heel geschikt. Een historische analogie kan ontnuchterend werken als we ons weer eens druk maken over dingen die in het verleden of elders helemaal geen probleem waren. Zoals de huidige immigratiestromen, bijvoorbeeld.

Geschiedenis is dus een vak wat belangrijk en nuttig kan zijn, maar het is niet zo eenvoudig het goed te doen. Bovendien hangt hoe je geschiedenis moet bedrijven en onderwijzen toch ook een beetje af van hoe je geschiedenis wil gebruiken.

Misschien is het, als we een samenleving als de onze willen beoordelen dan ook belangrijker om te bekijken hoe we met de geschiedenis omgaan dan wat onze geschiedenis is. Behandelen we onze geschiedenis als een persoonlijk eigendom waar we mee kunnen doen wat we zelf willen of als een kostbaar geschenk dat we intact moeten laten en moeten koesteren? Is geschiedenis ‘ook maar een verhaal’ of vinden we waarheidsvinding echt belangrijk? Pikken we alleen de krenten uit de pap of durven we ook onze mindere kanten onder ogen te zien? Is geschiedenis iets van weinigen voor weinigen, of zorgen we juist dat iedereen via school, media, populaire boeken, monumenten en herdenkingen iets van de geschiedenis mee kan krijgen?

Ik denk dat mijn antwoord op deze vragen zich laat raden. De enige nuttige geschiedenis is levende geschiedenis.

 

Meer lezen?

In is kennis nuttig? stelde ik de vraag naar het nut van kennis al eens aan de orde. In basiskennis besprak ik al hoe moeilijk het is om het nut van kennis voor de samenleving vast te stellen. Daar boog ik me ook over het nut van wiskunde.

In in opdracht van de tijd, besprak ik de basishouding die de Russische revolutionairen hadden ten aanzien van geschiedenis en de contradicties daarin.

In stokoude kennis besprak ik een misvatting die dat in discussies over wetenschappen steeds terug komt. Dat kennis zich soms veel later pas bewijst en de vraag naar het nut ervan dus geen antwoord behoeft.

Één thema waar de verschillende historici zich alle drie wat ongemakkelijk bij blijken te voelen is de toegenomen specialisatie in de wetenschap. Die besprak ik eerder in helpt specialiseren en big science.

Dat de samenloop van omstandigheden niet een probleem is van historici alleen besprak ik al eens in verkoudheid.

De colleges die ik gebruikt heb voor dit blogje zijn verkrijgbaar via Home Academy. Zeker het college van Maria Mathijsen vind ik echt een aanrader.

Sociale Kennisnetwerken

In mijn laatste blogje over kennisnetwerken besprak ik het netwerk, of misschien eerder de werking van het brein, als metafoor voor kennis. Ik stelde dat kennis zobezien performatief is: ideeën worden steeds opnieuw gemaakt in plaats van een keer opgeslagen en dan teruggehaald. Het zit verspreid, zei ikde spelers die er bij betrokken zijn zitten overal. En het is meerduidig, zodra je een vraag aan een kemnisnetwerk stelt komen er meerdere antwoorden tegelijk. In dit blogje ga ik na wat er gebeurd als je die eigenschappen op de kennisnetwerken van mensen probeert toe te passen.

Het idee om groepen mensen ook als netwerken te zien is sinds de opkomst van sociale media enorm populair. Het is dan ook niet zo vreemd om sociale netwerken ook als kennisnetwerken te zien. In plaats van cellen die met elkaar verbonden zijn en via elektrische signalen met elkaar communiceren denken we nu aan mensenbreinen die door middel van taal aan elkaar verbonden zijn.

Technologiejournalist Kevin Kelly gebruikte deze analogie zelfs om het internet te beschrijven: volgens hem moeten we het niet internet zien als een verzameling genetwerkte computers, maar als genetwerkte mensenbreinen. Aangezien er nu evenveel computers met elkaar verbonden zijn als dat er cellen in de menselijke hersenen zitten is er een globaal kennisnetwerk, een soort superbrein, met één brainpower onstaan. Er worden steeds meer computers aangesloten dus al snel zal het internet zelfs ‘slimmer’ zijn dan mensen.

Nou ja. Volgens mij voert Kelly de metafoor veel te ver door. Hij lijkt te suggereren dat het internet als geheel zijn eigen gedachten heeft. Dat is onwaarschijnlijk omdat het internet helemaal niet getraind is in bepaalde gedachtenpatronen. Inteligentie onstaat niet vanzelf als je ergens een netwerk van maakt. Het internet is niet geëvolueerd om een intelligent netwerk te zijn. Het internet heeft geen zintuigen. Het heeft niet met vallen en opstaan, doelbewust, bepaalde dingen geleerd, zoals en jong kind doet. Het is een ongericht, doelloos netwerk. Onze hersenen zijn dat niet. Zelfs als Kelly gelijk had er er was zoiets als een ‘internet gedachte’ dan zouden wij daar nog altijd niets van merken. Onze hersencellen hebben ook niet door dat wij aan een ijsje denken.

En toch denk ik dat het, dichter bij huis, in je eigen werk of vriendenkring, handig kan zijn om aan je sociale netwerk als een kennisnetwerk te denken. Daar is ook helemaal geen tussenkomst van een computernetwerk voor nodig. Als je een vraag krijgt waar je het antwoord niet op weet ga je gewoons rondvragen. Je vraagt het eens aan wat mensen van wie je denkt dat ze je misschien kunnen helpen. Vaak levert dat nog niet meteen zoveel op, maar deze mensen vragen het ook weer aan iemand anders of ze verwijzen je door waarna je met wat geduld vaak wel tot een antwoord komt. Zie daar: jouw kennisnetwerk aan het werk.

Heeft dit ‘systeem’ de eigenschappen waar ik dit blogje mee begon? Meerduidigheid heeft het zeker. Voor dat je “het antwoord” dat je zocht krijgt, heb je al heel veel antwoorden gekregen op andere vragen waar de ondervraagden wèl antwoord op wisten. Voordat je er uiteindelijk achter bent waar de dokter in je nieuwe stad zit heb je al ontdekt waar de fysiotherapeut, apotheek, acupunctuur praktijk en de fietsenmaker zit. Dat lijkt misschien eerst nutteloos, maar veel van die antwoorden gebruik je later als nog zonder er ooit over na te denken hoe je ooit aan die kennis kwam. Meerduidigheid is een efficiënter systeem dan je zou denken.

Je kennisnetwerk hoeft natuurlijk niet persé verspreid te zitten. Als je je sleutels kwijt bent ga je niet je Amerikaanse vriendinnetje skypen om te ontdekken, je vraagt het aan een huisgenoot. Maar voor minder duidelijke vragen is verspreidheid wel degelijk een voordeel. En dan bedoel ik niet persé geografische verspreidheid, maar eerder verspreidheid over verschillende sociale kringen. Hoe vaker je met elkaar om gaat hoe meer kennis je deelt. Onhandig als je nieuwe kennis wil binnenhalen. Dan kun je dus beter spreken met mensen die je niet zo goed kent. Als je toch gaat rondvragen ga dan eens wat verder dan de mensen die je elke dag spreekt. Ze zult verbaast zijn van wat dat oplevert.

En dan nog perfomatief. In mijn vorige blogje vergelijk ik leren met het trainen van een basketbalteam. Tijdens de training kan je zorgen dat het team goed op elkaar ingespeeld raakt en dat het leert scoren als de omstandigheden er goed genoeg voor zijn. Maar de echte doelpunten moeten tijdens de wedstrijd gemaakt worden. Ik stelde dat het net zo was met het geheugen. Je kan je hersencellen trainen om een herinnering te produceren door te zorgen dat je hersencellen op een bepaalde manier op elkaar ingespeeld raken. Maar het oproepen van die herinnering is, in basketbaltermen, niet het terugspelen van een video van een oude driepunter, maar een team uitdagen weer eens een verse driepunter te maken. Als de spelers goed genoeg op elkaar ingespeeld zijn lukt ze dat vast en zeker.

Werkt het ook zo voor je mensenkennisnetwerk? Nou, ja en nee. Zoals hersencellen op verbindingen berusten, zo berusten mensenkennisnetwerken op relaties. Je sociale netwerk kun je onderhouden. Je kunt zorgen dat je banden opbouwt met slimme mensen die je met veel vragen verder kunnen helpen. Je kunt zorgen dat je mensen uit heel verschillende werelden kent. En je kunt vaak gebruik maken van je kennisnetwerk zodat je leert bij wie je een vraag zeker moet neerleggen en bij wie niet, daar onderhoud je meteen die relaties weer mee.

Maar, zoals ik naar aanleiding van het internetbrein van Kevin Kelly al opmerkte het lastige is dat je zelf onderdeel van het netwerk bent. Het is heel moeilijk in te schatten op wat voor vragen je in de toekomst antwoord wil hebben. Daarom is het moeilijk om je eigen kennisnetwerk voor te bereiden op die vragen. Je kan een algemeen plan maken en je omringen met mensen die je daar mogelijk bij kunnen helpen en dat is vaak ook verstandig, maar een echte basketbaltraining is dat natuurlijk niet.

Al met al past de netwerkmetafoor prima op je sociale netwerken. En geeft het een verfrissende kijk op hoe je je kan voorbereiden om moeilijke vragen die in de toekomst op je af komen. Persoonlijk, maar misschien ook als organisatie. Of dat ook tot ander kennismanagement moet leiden is een vraag die ik later misschien nog eens op pak.

Meer lezen?

In spiegelpaleis ga ik dieper in op de voor- en tegens van de sociale aspecten van kennis in mensennetwerken.

Dit is het vervolg op mijn vorige blogje over het netwerk als metafoor voor kennis. Eerder besprak ik andere metaforen voor kennis in kennisstroommemen en kenniscontainers.

 

Het filmpje van Kevin Kelly is hier te zien

Kennisnetwerken

Sinds de opkomst van het internet is het netwerk eigenlijk niet meer weg te denken als metafoor voor kennis. Toch vind ik het niet de makkelijkste kennismetafoor om hier te bespreken. Het begrip netwerk is op zichzelf al vaag, laat staan dat je het weer gaat gebruiken om een ander begrip te ‘verhelderen’. Dat is natuurlijk een extra reden om me er toch eens in stuk te bijten. Bovendien is die netwerkmetafoor zeker een blijvertje al was het alleen maar vanwege de manier waarop onze hersenen gebouwd zijn.

De kleine 100 miljard cellen die ons denken mogelijk maken vormen namelijk een fijn vertakt netwerk. Hersencellen zijn door duizenden draadjes met elkaar verbonden. Die verbindingen zijn zelf niet erg slim. Actieve cellen sturen stroompjes naar andere cellen: “ik ben actief! Ik ben actief!” roepen ze. De andere cellen vatten die stroompjes soms op als een aanmoediging om ook actiever te worden. Die gaan dan ook “ik ben actief! Ik ben actief!” roepen.  In zo’n geval kan er zomaar een soort massahysterie in je hersenen ontstaan. Gelukkig zijn er ook verbindingen waarbij het “ik ben actief!” eerder signaal opgevat wordt als een aanmoediging om rustiger te worden. Zo blijft het geheel een beetje in balans. Wij merken overigens bijna niets van al dat hectische rondgebel in onze hersenen. Hooguit denken we iets eenvoudigs zoals “ik zou wel een ijsje lusten”. Maar daar is dus heel veel massahysterie in je hersenen aan vooraf gegaan.

Ik krijg wel er een heel lekker kriebelig gevoel onder mijn gedachten van, om te bedenken wat er in mijn hersenen gebeurd tijdens schrijven van dit stukje hoor, maar de vraag is natuurlijk wel wat we er aan hebben. Wat kunnen we er van leren over hoe kennis werkt?

Één beeld dat zich opdringt is dat kennis, of gedachten in ieder geval, steeds opnieuw gemaakt moeten worden. Het is iets actiefs. Ik besprak dat al eens in het blogje geheugenmachine. Het geheugen is geen magazijn waar gedachten een plek hebben. Ik heb het idee van een ijsje niet uit een schap met zoete ideeën gehaald. Het is eerder de uitslag van een roeptoernooi tussen mijn hersencellen. Het groepje hersencellen in het ‘ijsjesteam’ heeft harder geroepen, sneller overgespeeld en is daardoor gewoon beter geweest in het produceren van een verlanggedachte dan het augurkteam. Jammer, maar, nu we het er toch over hebben: die augurkcellen doen het wel vaker slecht in de warmte; daar zijn ze niet zo op ingespeeld. Een wat technischere manier om dit te zeggen is dat gedachten eigenlijk de prestatie van een kennisinfrastructuur zijn. Als je voortaan ook in de zomer aan augurken wil denken moet je zorgen dat het augurkteam beter roept, sneller overspeelt en wat dan ook in de warmte. Er is een ander trainingsprogramma nodig. Zodat, als het er op aan komt, de augurkers het ook kunnen.

Dat verklaart dan in ieder geval waarom het zo dom is om een heleboel leerstof op de avond voor een toets naar binnen te stampen. Als je brein een magazijn was waar je de dingen die voorin stonden het makkelijkst kon pakken dan kon dit misschien werken. Maar je hersencellen zijn teamsporters die samen met andere cellen tijdens die toets een topprestatie moeten leveren. Om de goede dingen te doen moeten ze dus lang en heel veel oefenen. En vlak voor de prestatie hebben ze juist rust nodig. Voor een marathon ga je niet de avond van te voren trainen, voor hersenprestaties is dat ook onhandig.

De netwerkmetafoor zegt ook dat kennis verspreid zit in plaats van op één plek. Hoe hard neurowetenschappers ook roepen dat ze de plek voor taal of rekenen of gezichtsherkenning of aan ijsjes denken gevonden hebben, die dingen zitten niet op één plek. Wat er aan de hand is dat bij sommige taken bepaalde gebieden, soms maar een centimetertje groot, in je hersenen veel actiever zijn dan de rest en dat kunnen neurowetenschappers meten.

Hoe bijzonder die specialisatie in het brein ook is, zeggen dat er een plek in het brein voor taal is, is net zoiets als zeggen dat er maar op één klein plekje op de wereld Nederlands gesproken wordt. Vanaf de maan ziet dat er natuurlijk wel zo uit. Maar de mensen in Australië die Nederlands spreken worden even buiten beschouwing gelaten: dat zijn er niet genoeg. En als je verder gaat inzoomen blijkt dat er in honderden verschillende steden Nederlands gesproken wordt. Wat nou één plek. Erger nog: in al die steden wordt dat Nederlands ook nog eens een beetje anders gesproken en vind je bovendien allerlei andere talen dan het Nederlands.  Zo zit het ook met specialisatie in je brein. Als je van heel ver weg kijkt en je probeert vast te stellen waar ‘taal’ zit dan kan je best een gebiedje vinden dat actiever is bij het gebruiken van woorden. Maar er doen ook cellen mee van buiten dat gebied bij het produceren van taal. En als je inzoomt om te kijken welke cellen precies betrokken zijn bij het roepen van het woord abacadabra dan blijken die overal te zitten. Althans dat denken we, want zo precies kunnen we met scanners helemaal niet kijken wat er gebeurd.

Een belangrijk voordeel van de verspreiding van kennis is dat je best een hersencel kan missen bij het produceren van het woord abacadraba of bij het denken aan een ijsje. Als een cel verdoofd is omdat je moe bent, teveel koffie gedronken hebt of aan de drugs hebt gezeten kunnen de andere cellen het woord toch nog wel produceren. Denken is immers teamsport. Als hele hersengebieden uitvallen wordt het natuurlijk moeilijker, maar zelfs in ernstige gevallen zoals bij een herseninfarct is het eigenlijk wonderlijk wat mensen nog wel kunnen. Het netwerk maakt kennis dus ongrijpbaar, maar wel heel robuust.

Je merkt dit ook als je nagaat welke ideeën er allemaal nog mee bij je op komen als je aan één ding probeert te denken. Laatst overkwam me dat toen ik aan het Brabantse woord ‘bekske’ moest denken. Een bekske is een koffiekopje. Maar het is ook een koffiekopje met koffie er in. En het is ook koffiedrinken (bekske doen). En ik moet ook meteen denken aan het gevoel dat je krijgt bij het drinken van een kopje koffie. En ik denk aan specifieke keren dat ik een kopje koffie dronk en aan de personen met wie ik dat deed. Elk begrip in je hersenen is dus meerduidig. Er komen steeds allerlei associaties naar boven, waar je ook zoek. Onhandig als je wil dat er maar een betekenis is voor de dingen, handig als je door associaties moet zoeken naar een bepaald begrip.

Een kennisnetwerk is dus performatief: ideeën worden steeds opnieuw op een actieve manier ‘gemaakt’. Het is verspreid: de spelers die die ideeën zitten overal waardoor het heel robuust wordt en we niet zo snel iets vergeten. En het is meerduidig: elke vraag die je aan een kennisnetwerk stelt levert meerdere verwante antwoorden tegelijk op.

Althans, dat is zo als je naar de werking van de hersenen kijkt. Want ik heb natuurlijk net gedaan alsof hoe de hersenen werken iets zegt over hoe gedachten werken en eigenlijk kun je daar wel wat vraagtekens bij plaatsen. Een interessante vraag is ook of dit idee van een kennisnetwerk iets zegt over ‘menselijke’ kennisnetwerken: de kennis in een bedrijf of in een wetenschapsgebied, bijvoorbeeld. Het korte antwoord is ja, maar daarover gaat een volgend blogje.

­­­Meer lezen?

In geheugenmachine besprak ik als eens een aantal aspecten van het geheugen waar ik hier gebruik van gemaakt heb. Ik besprak ook al eerder andere metaforen van kennis zoals de kennisstroom, memen en kenniscontainers. Het belang van metaforen in ons begrippensysteem besprak ik in metaforen voor het leven.

In het tweede blogje over kennisnetwerken, bekijk ik wat deze metafoor oplevert als je het toepast op je sociale netwerken.

Opkijken naar nieuwe kennis

Ik geef vaak vakken waarin ik inga op de nieuwe ontwikkelingen in het vakgebied. Ik besprek interessante nieuwe producten die meestal nog niet op de markt zijn of ik bespreek resultaten uit kersvers onderzoek. Zelf loop ik daar natuurlijk helemaal warm voor. Ik laat een filmpje zien en zeg dan iets in de geest van: “kijk van dit filmpje krijg ik nog elke keer kippenvel als ik het zie!”. Helemaal klaar om de discussie te beginnen over wat er leuk, interessant, gaaf, geweldig, goed of slim is aan dit nieuwe idee, kijk ik de klas in. 30 sceptische, licht verveelde, studenten kijken me aan. Die lijken zich af te vragen: “wat moet ik hiermee?”.

De samenleving en onze kennis daarbinnen ontwikkelen zich en ik vind het belangrijk om studenten een inkijkje te geven in wat die ontwikkelingen zijn; zeker als het om hun eigen vakgebied gaat. Maar, de vraag waarom dat belangrijk is vind ik erg moeilijk te beantwoorden. Daarmee doe ik mijn studenten en mijn onderwijs misschien wel te kort. Hier doe ik dus een poging dat antwoord wat meer uit te spellen.

Één reden om nieuwe kennis te behandelen heb ik bij de introductie natuurlijk al genoemd. Het gaat me om veranderingen in de samenleving en de rol die onderzoek daar bij speelt. Ik haal vaak historische voorbeelden aan van uitvindingen die echte een doorbraak waren, zoals de eerste computermuis en vertel daarbij hoe ze destijds ontvangen werden – met veel scepsis natuurlijk. Die historische voorbeelden koppel ik aan voorbeelden van nu, waarbij de studenten vaak evenveel scepsis hebben.

Ik probeer daarmee misschien vooral te laten zien dat het heel moeilijk is om in te schatten welke nieuwe ontwikkelingen kansrijk zijn. Nieuwe ideeën nemen nu eenmaal een loopje met de werkelijkheid zoals we die nu kennen en ze lijken dus bijna altijd onnodig, onpraktisch en onhaalbaar. In de meeste gevallen loopt het natuurlijk ook op een van die drie beperkingen stuk, maar soms ook niet. Als je als professional voorop wil lopen moet je open kunnen staan voor nieuwe ontwikkelingen, de ideeën er achter herkennen en op waarde kunnen schatten.

Bij het herkennen van de ideeën achter een innovatie wringt het ook vaak. Vaak zijn de voorbeelden die ik gebruik voorbeelden van ontwerponderzoek. Ontwerponderzoek is verraderlijk omdat de uitkomsten producten zijn, die er uitzien alsof ze bedoeld zijn om in een winkel te verkopen. In werkelijkheid zijn die producten eigenlijk meer proefballonnetjes. Ze gedragen zich als gedachtenexperimenten: “stel dat de wereld uit dit soort producten bestond, wat dan?”. Het ontwerp is dus gemaakt om een bepaald argument, een idee over een mogelijke toekomst, te ondersteunen en niet bedoeld om tussen de producten in het winkelschap terecht te komen, waar studenten hun ervaring met technologie aan ontlenen. Daarom slagen de voorbeelden vaak ook niet voor de ‘common sense’ toets die studenten intuïtief meteen toepassen (zou ik er zelf geld voor over hebben, heb ik het nodig). Dit voedt de ‘wat moet ik hiermee’ reactie natuurlijk.

Ik denk dat studenten altijd een common sense toets moeten kunnen uitvoeren, maar ze moeten hem ook kunnen uitstellen en kunnen meegaan in de ‘wat als’ gedachtegang. Ik wil graag een denkproces op gang brengen over de ideeën­­­ achter het ontwerp. Als ik studenten vraag een resultaat van een ontwerponderzoek te vergelijken met een product dat ze zelf hebben, hoop ik natuurlijk dat ze de common sense toets laten varen en hun eigen exemplaar gaan zien door de ogen, de ideeën, van de ontwerponderzoekers waar ik ze mee in contact probeer te brengen. Een antwoord als ‘de mijne is fijner, want die heeft wifi’ of ‘de mijne is fijner, want daar ben ik nu eenmaal aan gewend’ vind ik dan toch teleurstellend. Misschien ga ik er voor de ‘wat als’ gedachtegang er ook teveel vanuit dat studenten het wel oppikken als ik het maar illustreer in de klas en moet ik deze manier van denken veel meer handen en voeten geven in mijn opdrachten.

Daar komt nog bij niet al mijn voorbeelden proefbalonntjes zijn. Eigenlijk streef ik nog twee andere doelen na met het bespreken van nieuwe ontwerpen. Sommige producten gebruik ik namelijk als ontwerpicoon. Ik wil er mee zeggen ‘kijk eens wat een machtig mooi ding’ in de hoop dat studenten dat met me eens zijn en het ze motiveert om zelf ook mooiere dingen te gaan maken. Eigenlijk probeer ik de goede smaak van de student te helpen ontwikkelen. Ontwerpiconen roepen minder scepsis op dan proefballonnetjes, maar studenten schieten er soms van in een ‘out of my league’  reflex. Ze willen natuurlijk wel zoiets machtigs moois ontwerpen, maar ze zien zichzelf dat nog niet doen en ze weten zo één twee drie niet hoe ze een beetje in die richting kunnen schuiven.

En er is nog een derde doel om voorbeelden te laten zien, namelijk als illustratie van een theorie. Ik gebruik bijvoorbeeld een raamwerk met verschillende typen ontwerpen en van elke categorie laat ik een of twee voorbeelden zien. Dit is de vorm die studenten goed herkennen en waar ze waardering voor tonen. Je zou dus kunnen zeggen ‘hang die andere voorbeelden de proefballontjes en de iconen op aan een theorie, dan snappen de studenten beter waar je mee bezig bent’. Daar zijn twee dingen op tegen. Ten eerste hangen ze eigenlijk al aan een theorie, namelijk het idee over interactie waar ze voor ontworpen zijn, alleen herkennen studenten dit soort ‘esthetiek’ minder als theorie. Ten tweede wil ik bij het behandelen van proefbalonnetjes of ontwerpiconen dat studenten het met veel meer aandacht en veel kritischer bekijken dan in het een-voorbeeldje-om-de-theorie-te-illustreren model. Ik zal studenten toch mee moeten nemen in hoe ik wil dat ze de ontwerpen en de bijbehorende theorie bekijken.

Nu ik zelf helderder heb wat ik wil met dit materiaal kan ik natuurlijk studenten ook beter op het spoor zetten, maar ik ben heel natuurlijk heel benieuwd hoe anderen die nieuwe inhoud behandelen dit ervaren. Zijn mijn bevindingen heel specifiek voor ontwerponderzoek? Zijn er andere redenen om onderwijs over nieuwe kennis te geven? Horen daar andere aanpakken bij?

Meer lezen?

Ik schreef eerder uitgebreider over gedachtenexperimenten. In waardendragers besprak ik al eens het nut van het bespreken van klassieke experimenten uit de sociale psychologie. Ook stelde ik de vraag wat nu echt basiskennis is al eens aan de orde.

Eerlijk Vergelijken

Mensen vergelijken veel en dat kan nog knap moeilijk zijn. Neem dit zinnetje bijvoorbeeld.

Ze voeren alle slechte lijstjes aan: de kinderen van Turkse en Marrokaanse gastarbeiders. Drugs, schoolverlaten, kleine criminaliteit, noem maar op…

Je komt uitspraken van deze vorm voortdurend tegen in het spraakgebruik en in de krant. Meestal denk je er ook niet al te veel bij na. Misschien was het je zonder mijn inleiding niet eens opgevallen het hier om een vergelijking tussen groepen gaat. Laat staan dat je je had afgevraagd of die vergelijking wel deugt. Maar, in dit éne zinnetje zitten niet minder dan drie veel gemaakte vergelijkingsslordigheden.

Slordigheid 1: In het midden laten met wie vergeleken is.

De kinderen van gastarbeiders voeren blijkbaar slechte lijstjes aan, maar wie staan er eigenlijk nog meer op die lijstjes? Zijn ze crimineler dan hun ouders? Dan leraren? Dan honden? Dan Russische maffia? Als je er dat er niet bij zegt wordt het wel erg moeilijk conclusies trekken en stel je de luisteraar ook niet echt in de gelegenheid na te gaan of het wel om een eerlijke vergelijking gaat. Toch komt deze slordigheid heel vaak voor. Omdat de spreker denkt bijvoorbeeld dat het wel duidelijk is met wie vergeleken is, omdat het makkelijker leest of om dat het zo nog net iets feitelijker klinkt allemaal.

Nu zijn er best wat tegenwerpingen te bedenken. Je zou kunnen zeggen: “Het is toch niet zo belangrijk wie er verder nog op het lijstje staan? Allochtonen staan bovenaan, dus de aanpak van drugs onder deze groep heeft hoe dan ook prioriteit”. Een variant hiervan is de volgende: “wat hier eigenlijk vergeleken wordt zijn allochtonen in vergelijking tot alle Nederlanders – en ze doen het slechter, dus we moeten daar wat mee”. Ik ben het met allebei grondig oneens, wat me bij een tweede slordigheid brengt.

Slordigheid 2: Appels en peren vergelijken.

Is het eerlijk om kinderen van gastarbeiders te vergelijken met alle Nederlanders? Of laat ik de vraag anders stellen: kan je verwachten dat kinderen van gastarbeiders het even goed doen als alle Nederlanders? Nee natuurlijk. Gastarbeiders zijn naar Nederland gekomen om fabriekswerk te doen: meestal waren ze laag opgeleid. Als je een groep laagopgeleiden vergelijkt met een groep met alle opleidingsniveaus erin, doet die eerste groep het al snel slechter. Dat blijkt hier ook het geval: kinderen van gastarbeiders doen het in de slechte lijstjes beter dan kinderen van laag opgeleide Nederlandse ouders, maar die worden in de meeste onderzoeken niet als aparte groep gemeten. Het maakt dus wel degelijk uit wie er in het lijstje staan, want waren kinderen van laagopgeleide ouders apart gemeten, was er een hele andere ranglijst uitgerold.

Als je twee groepen vergelijkt moeten die dus ook echt vergelijkbaar zijn. Daarom moeten ze gelijksoortig zijn, op alle aspecten behalve die waar je iets over wil zeggen. Het is vaak echt als appels en peren vergelijken. Appels en peren zijn goed vergelijkbaar op sommige aspecten suikergehalte of de prijs, maar heel moeilijk te vergelijken op andere aspecten zoals de vorm en de smaak. Als die moeilijke aspecten wel een rol spelen in je redenering wordt het lastig. Dit is extra problematisch bij groepen omdat er binnen groepen grote verschillen kunnen zijn en een groepsgemiddelde daar van af kan hangen. Het is meestal niet handig om een smalle groep met een brede groep te vergelijken. De prestaties van Nederlandse topsporters zijn uitstekend in vergelijking met die van Nederlanders in het algemeen, maar misschien niet in vergelijking met andere topsporters. Maar ook het vinden van een kleinere groep die echt vergelijkbaar is kan knap moeilijk zijn. Vaak wordt je ‘score’ bepaald door iets wat wel samenhangt met de keuze van je groepen, maar niet hetgeen is waar je iets over wil zeggen; wat me brengt bij een derde slordigheid.

Slordigheid 3: Niet zeggen waarom je vergelijkt.

Dit is de meest controversiële slordigheid. Misschien vind je het juist prettig aan het zinnetje waar ik mee begonnen ben. Dat het lekker feitelijk is. Elke vorm van argumentatie ontbreekt. Er staat niet of we het een probleem vinden dat kinderen van gastarbeiders de slechte lijstjes aanvoeren. Er staat niet waarom we denken dat ze aanvoerder zijn: is het cultuur, intelligentie, taalachterstand, zijn het de genen? En er staat niet wat er zou moet gebeuren: moeten allochtonen uitgezet of moeten we op de thee, moeten ze worden bijgeschoold of moeten we rustig wachten tot het probleem zich vanzelf oplost?

Ook dit is iets wat je erg vaak tegenkomt. Soms is het omdat de conclusie wel ‘voor zich spreekt’. In zo’n geval dan zorgt de weglating ervoor dat de lezer de conclusie zelf trekt – en komt het nog beter binnen. Je vindt deze stijlfiguur veel in kroegenpraat en onder politici. Soms wil de schrijver er ook gewoon zijn vingers niet aan branden. Hij is zeker van de feiten, maar minder zeker van de conclusies of acties, dus die laat hij aan de lezer. Dit treffen we wel aan onder journalisten en wetenschappers. Of het is omdat de schrijver je de ruimte voor je eigen conclusies wil laten. De redenering is dan, dat we de feiten het best los kunnen zien van de discussie. We beginnen met de feiten en dan kan de discussie daarna de vrije loop hebben, toch?

Nee dus. Ik denk dat hier feiten en meningen niet gescheiden zouden moeten zijn. Groepen vergelijken is zo moeilijk dat als je niet zegt wat de achterliggende reden voor de vergelijking was je ook niet na kan gaan of de groepen die vergeleken worden handig gekozen zijn. Er zit bijna altijd wel een addertje onder het gras, waardoor de groepen toch niet zo veel op elkaar lijken als eerst gedacht. Denk maar aan het voorbeeld van de intelligentie van de ouders van de kinderen op de slechte lijstjes. Natuurlijk zou je kunnen zeggen dat dit in de discussie wel naar voren kan komen en zo loop het vaak, uiteindelijk, ook. Maar, door niet te vertellen waarom je vergelijkt zet je de lezer eigenlijk op een achterstand. Eerst vraag je de uitkomst van de vergelijking als feit te accepteren en pas in de discussie komt de reden van vergelijking naar boven en kan iemand pas nagaan of de feiten wel kloppen. Maar, dan wordt de discussie al op het scherpst van de snede gevoerd en is er weinig ruimte om nog eens goed naar de feiten te kijken.

Hoe wel?

Dat brengt me tot een drietrapsraket voor groepsvergelijkingen. Ten eerste moet het duidelijk zijn waarom er een vergelijking uitgevoerd wordt, ten tweede moet duidelijk zijn wie er vergeleken worden en ten derde moeten die groepen goed gekozen, gezien het doel van de vergelijking. Eigenlijk zou je alle drie moeten nagaan voor je de uitkomst als een feit accepteert en er over gaat discussiëren, maar meestal is dat niet te doen natuurlijk. Wat wel kan is voorzichtig zijn met vergelijkingen waar de informatie over een van de drie trappen ontbreekt. En dat zijn verreweg de meesten.

Meer lezen?

Dit is het tweede deel uit een tweeluik over groepsvergelijkingen. In het eerste deel stelde ik aan de orde dat een verschil tussen groepen niet zoveel hoeft te zeggen over de personen in een groep.

Ik schreef natuurlijk ook al eerder over onze meet- en vergelijkcultuur. Ik ben er nog niet uit of dat iets goeds is. Soms blijk ik warm voorstander zoals in waardendragers en eksters. Maar soms ook niet, zoals in dit blogje en in waarheidsinjecties.

Het enige ‘feitje’ uit dit blogje. Dat de kinderen van gastarbeiders het beter doen dan kinderen van laag opgeleide Nederlandse ouders komt uit een hoorcollege van Leo Lucassen over de geschiedenis van migratie. Ik heb hier geen verder ‘fact-check’ op uitgevoerd.

 

Groepsindentificaties

Ik ben een man, docent en skeeleraar. Dit zijn drie brokjes informatie die je kunnen helpen om je een beeld van mij te vormen. Want, stel je voor dat ik dit blogje gestart was met “ik ben vrouw, tandartsassistente en paintballer“? Dan had je je toch een heel ander persoon voorgesteld. Het kan een handige manier zijn om iemand te leren kennen: ontdekken bij welke groepen hij of zij hoort. Zodra je weet dat ik een man ben, kun je datgene wat je van mannen weet op mij toepassen. Niet alles daarvan zal kloppen, maar het meeste wel en dan ben je al weer een stuk verder. Toch is het de moeite waard eens wat beter te kijken naar de werking van dit soort ‘groepsidentificatie’, want we draven er natuurlijk vaak veel te ver mee door.

Mijn favoriete voorbeeld is het verschil tussen mannen en vrouwen, gewoon omdat je dat zo met de paplepel ingegoten krijgt. In tegenstelling tot veel andere jeugdtrauma’s, lukt het ons ook maar niet om er overheen te komen als we ouder worden. Zo kan het zomaar gebeuren dat je een getrouwde man iets hoort zeggen als:

Als mijn vrouw en ik naar Frankrijk gaan, pakt zij de kaart. Daarin zijn we heel atypisch.

De gedachte is hier: vrouwen zijn slecht in kaartlezen dus hoe bijzonder (atypisch) is het wel niet dat mijn vrouw dat wel goed kan? Maar, het antwoord is natuurlijk dat het niet bijzonder is: heel veel vrouwen kunnen goed kaartlezen.

Een plaatje: de bell curve. Stel je voor dat je een manier zou weten om de vaardigheid kaartlezen te meten op een schaal van 0 tot 100. Niet alle vrouwen zouden het natuurlijk even goed doen. Een klein deel van de vrouwen bakt er echt helemaal niets van en scoort tussen de 0 en de 15. Er zijn al heel wat meer vrouwen die tussen de 15 en de 30 scoren en een groot deel van de vrouwen kan heel gemiddeld navigeren, laten we dat op 45 zetten. Er zijn natuurlijk ook vrouwen die bovengemiddeld navigeren, iets minder die heel goed navigeren en maar een paar die het uitzonderlijk goed kunnen. In grafiekvorm ziet dat er zo uit (de curve heeft een beetje de vorm van een bel, vandaar de naam).

bel v

Mooi toch? Voor mannen is het natuurlijk niet anders. Sommige mannen kunnen niet navigeren en zullen het nooit leren ook, een grote groep mannen navigeert heel gemiddeld en een paar kerels zijn er uitzonderlijk goed in. We gaan even mee in het vooroordeel dat mannen beter navigeren en zetten het gemiddelde op 55. Dat ziet er zo uit.

bel v plus m

Ik heb ze meteen maar in één plaatje gezet want dan kunnen we de mannen en vrouwen beter vergelijken. Twee dingen vallen op. Ten eerste zie je dat er inderdaad een verschil is tussen mannen en vrouwen als groep. Anders gezegd gemiddeld gesproken navigeren mannen beter dan vrouwen. De stippellijntjes die het groepsgemiddelde aangeven staan 10 navigatiepunten uit elkaar. Maar als we naar individuen gaan kijken zien we iets heel anders in het plaatje. Er is namelijk bijna overal erg veel overlap. Overal in het plaatje vind je zowel mannen en vrouwen. Kun je bijvoorbeeld aan de navigatiescore aflezen of iemand een man of een vrouw is? Eigenlijk niet. Als je 50 scoort op navigeren is de kans dat je een man of een vrouw bent precies even groot. Zelfs bij een score tegen de 70, waar het verschil het grootst is, doen mannen en vrouwen het nog ongeveer even goed. Het meten van een navigatiescore is uiteindelijk een waardeloze manier om te ontdekken of iemand een man of een vrouw is. Het is dus ook helemaal niet “atypisch” als een vrouw goed kan navigeren.

Het lijkt misschien paradoxaal dat groepen kunnen verschillen zonder dat dat iets zegt over de mensen in de groep, maar het is ook wel te begrijpen. Mensen verschillen gewoon veel. Er zijn er die goed kunnen navigeren en er zijn er die dat slecht kunnen. Als je groepen gaat vergelijken probeer je die individuele verschillen juist weg te denken. Dat doe je door gemiddeldes te meten en dat werkt: als je verschillen tussen alle mensen onderling wegdenkt, dan navigeren mannen iets beter. Maar als je vervolgens met die kennis in handen weer iets wil zeggen over alle mannen en vrouwen, dan moet je eigenlijk die verschillen tussen individuen er weer bijdenken en dat vergeet iedereen. Daardoor doen we vaak alsof iedereen van de groep het gemiddelde heeft. ‘Vrouwen navigeren gemiddeld iets slechter’ wordt zo vanzelf ‘alle vrouwen navigeren slecht’. Onzin natuurlijk. Niemand is het gemiddelde. Ik ben geen gemiddelde man, docent of skeeleraar en er is echt weinig gemiddeld aan mijn tandartsassistente.

Verschillen meten tussen groepen is een populaire bezigheid. Mannen en vrouwen zijn op duizenden aspecten met elkaar vergeleken. Het ironische is dat dat vaak veel moeite kost. Juist omdat mensen onderling zo verschillen is het lastig om verschillen tussen groepen vast te stellen. Op het moment dat het lukt om een verschil te vinden is het meteen groot nieuws: “Met een vernuftige meetwijze hebben we eindelijk aangetoond dat vrouwen gemiddeld net iets vaker dromen van een reis naar de maan”. Kan zo in de krant. Maar juist dit soort vindingen lijken als twee druppels water op de verzonnen versie hierboven. Het verschil tussen de groepen is veel kleiner dan verschillen tussen de leden uit de groep. Dat je in zo’n geval weinig kan met het gevonden verschil wordt voor het gemak maar even vergeten. Het nieuws is het verschil tussen de groepen, niet hoe klein het wel niet is.

Eigenlijk zou het beter zijn als we het pas interessant gingen vinden als het verschil tussen de groepsgemiddelden groter was dan het gemiddelde verschil tussen de individuele groepsleden. Want in die situatie zegt een verschil tussen groepen ook echt iets over het merendeel van de mensen. Maar ja. Dat is best een zware eis. Er blijven dan heel weinig verschillen over. Vrouwen hebben gemiddeld gesproken iets meer curves, mannen kijken iets meer porno. Daar houdt het wel ongeveer op. En met andere groepen is het net zo. Er zijn nauwelijks cultuurverschillen tussen Duitsers en Nederlanders die deze toets overleven. Docenten en tandartsassistenten verschillen vooral op het aantal uur dat ze specifiek in monden kijken of voor groepen studenten staan. En zelf paintballers en skeeleraars zijn grosso modo één pot nat. Alle groepsverschillen die je werkelijk op individuen kan toepassen kennen we al, die hoeven niet meer gemeten. Realistisch, maar saai.

Dus? Dan maar niet meer over groepen praten? Eigenlijk denk ik dat er niet zoveel mis is met groepsidentificatie als je er maar niet in doordraaft. Als je trots bent dat jouw groep iets vaker van maanreizen droomt dan pronk je daar toch mee, ook al herkennen anderen van de groep zich er minder in? En als je je aan een dame voorstelt als skeeleraar, kan de paintballende luisterares misschien niet raden hoe je bent, maar ze kan het je wel vragen. De ingang heb je haar al gegeven. Beschouw groepslidmaatschappen gewoon als licht vermaak. Ga niet eindeloos zitten neuzelen over de volksaard van de Serven, de zogenaamde agressiviteit van moslims of de onhebbelijkheden van mannen of vrouwen. Probeer gewoon zo snel mogelijk om de specifieke persoon die je voor je hebt te leren kennen. Dat is degene die er toe doet, niet de groepen waar hij of zij toe behoord. En als je de moeite neemt iemand echt te leren kennen heb je vaak veel meer gemeen dan je eerst dacht.

Meer lezen?

Dit blogje is de eerste van een tweeluik over het vergelijken van groepen. In mijn volgende blogje eerlijk vergelijken ga ik verder in op de ingewikkeldheden die komen kijken bij het vergelijken van groepen.

Ik schreef natuurlijk ook al eerder over onze meet- en vergelijkcultuur. Ik ben er nog niet uit of dat iets goeds is. Soms blijk ik warm voorstander zoals in waardendragers en eksters. Maar soms ook niet, zoals in dit blogje en in waarheidsinjecties.

Asha ten Broeke geeft in het idee m/v een uitgebreide analyse van veel onderzoek over de verschillen tussen mannen en vrouwen. Zij stelt dat er bij kritische beschouwing van dat onderzoek heel weinig betekenisvolle verschillen over blijven. Dat argument heb ik dus uiteindelijk van haar. Overigens komen de voorbeelden die ik hier gebruik niet uit het boekje, die zijn allemaal verzonnen.

Jargon

Ik kreeg een brief van mijn pensioenfonds met deze zin:

“De indexatieambitie wordt vanaf nu gebaseerd op de prijsontwikkeling en niet meer op de loonontwikkeling”

Verbijsterd was ik. Eerst probeerde ik te snappen wat die zin betekende, maar dat was natuurlijk kansloos: ik kwam niet verder dan een vaag vermoeden. Vervolgens dwaalden mijn gedachten af naar de communicatieafdeling van het pensioenfonds. Zouden zij werkelijk gedacht hebben dat dit begrijpelijke taal was? Dat dit een correcte manier zou zijn om hun leden te informeren over deze wijziging? Ik kreeg mijn hoofd er maar niet omheen waarom een communicatieafdeling, willens en wetens een totaal onbegrijpelijke brief rond zou sturen.

Maar onder al die verbazing lag ook steeds een soort bewondering. Ik houd namelijk erg van jargon. Je kunt aan jargon heel goed zien dat taal kennis is en dat vind ik er mooi aan.

Taal ontstaat als groepen mensen of dieren dingen proberen te bereiken die ze zonder elkaar minder goed voor elkaar krijgen. Stokstaartjes hebben een uitgebreid systeem van dingen die ze naar elkaar kunnen roepen zodat ze weten dat er gevaar dreigt, maar ook wat voor soort gevaar het is – en van welke kant het komt, zodat ze op de juiste manier kunnen reageren. Elke stokstaartroep bevat dus hele specifieke instructies voor de groep over wat er aan de hand is en wat een goede reactie is. Vertederend is dat: een stokstaartje roept “ieks” en de hele groep komt meteen in actie. Iedereen weet wat hem te doen staat. “Ieks” is stokstaartjesjargon.

Met de woorden “indexatieambitie”, “prijsontwikkeling” en “loonontwikkeling” is het net zo. Jij en ik weten niet wat die woorden betekenen, maar ergens bij het pensioenfonds zit een groepje mensen, ik stel me zo voor dat dat mannen zijn, die precies weten wat je met die woorden kan. Je hoeft op die afdeling maar te roepen “wat vind jij Karel? Kunnen we de indexatieambitie beter op de prijs- of op de loontonwikkeling zetten?” en… Hop! Karel gooit wat Excel-sheets open, zoekt wat gegevens na bij het CBS, doet een berekening waar hij 10 jaar voor gestudeerd heeft en komt met een eenduidig antwoord: “prijsontwikkeling Peter!”. Als je je bedenkt wat die woorden in gang kunnen zetten in een of andere kantoortuin dan is zo’n brief al een stuk leuker.

Niet alle taal is natuurlijk jargon, hoewel je moeilijk een goede grens kan trekken. Veel dingen die we tegen elkaar zeggen zijn veel minder precies. Woorden zoals  “ik” en “jij” en “appel” en “slaapkamer”, daar kun je van alles mee bedoelen. Misschien zijn ze ooit ontstaan als jargon, maar omdat iedereen die woorden kent en steeds op een net iets andere manier gebruikt zijn ze algemeen bruikbaar geworden. Alle taal kan gebruikt worden om dingen gedaan te krijgen, maar aan jargon kan je veel duidelijker zien wat het gaat zijn. “Indexatieambitie” is het nagelschaartje onder de woorden, goed om nagels te knippen en weinig meer. “Slaapkamer” is een aardappelschilmesje, daar kan je van alles mee. Vaak is die algemene bruikbaarheid veel fijner, maar soms wil je gewoon dat iets specifieks meteen goed gaat en dan pak je het precisie instrument.

Het probleem met jargon is natuurlijk dat het een groepsdingetje is. Stokstaartjestaal is ontstaan omdat ze op verschillende manieren aangevallen worden en het handig is andere stokstaartjes te vertellen wat te doen. Het is niet voor vogels of leeuwen bedoeld. Pensioenfondstaal is ontstaan omdat het handig is als pensioenfondsmensen het met andere pensioenfondsmensen over speciale pensioenfondsberekeningen kunnen hebben. Het is niet voor de massa. Als je niet tot een groep behoort kan je niets met hun groepsspecifieke woorden.

En daarom is het breder gebruiken van jargon zo onbeleefd. Eigenlijk zegt het pensioenfonds: “wij van het pensioenfonds lossen problemen op die zo uniek en ingewikkeld zijn dat we er onze eigen taal voor nodig hebben. Kijk maar hier heb je een paar van de speciale woorden die wij gebruiken”. Wij zijn slim en jullie… Eigenlijk sturen ze hun precisie-instrumenten mee, maar dan zonder handleiding. Leuk om je klanten aan het fantaseren te zetten, maar je moet niet verwachten dat ze er ook iets nuttigs mee kunnen doen.

Kwade wil is het natuurlijk niet geweest. In mijn blogje Spiegelpaleis had ik het er al over hoe moeilijk het kan zijn om buiten je eigen kringetje te kijken. Voor taal geld dat helemaal. Het is als zuurstof. Zolang je het kan ademen denk je dat het overal beschikbaar is.

Meer lezen?

In Spiegelpaleis bespreek ik hoe groepen tot een gemeenschappelijke manier van denken komen en wat daar de voor en nadelen van zijn. Het ontstaan van jargon hangt natuurlijk sterk samen met specialisatie waar ik in Helpt Specialiseren? over sprak.

Grenzen

Het kwam tot me toen ik na een aantal jaren afwezigheid weer eens op een conferentie was. Ik schrok van het niveau en de onderwerpen van de presentaties. Ging mijn vakgebied eigenlijk wel vooruit? Met duizenden publicaties per jaar zou je toch verwachten dat je na een paar jaar amper meer kon volgen waar het over ging. Maar ik zag meestal jonge, net afgestudeerde onderzoekers soortgelijke projecten presenteren als die ik zelf gedaan had; op de manier waarop dat zelf jaren terug ook gedaan had. En ik hoorde discussies aan die ik jaren geleden ook gehoord had. Precies dezelfde dingen werden besproken. Ik was een aantal jaar niet wetenschappelijk actief geweest, maar toch was ik eigenlijk sneller gegroeid dan mijn vakgebied als geheel.

Dat was best een bevreemdende ervaring, maar ik realiseerde me snel dat dat niet aan mij of aan mijn vakgebied lag, maar dat het onderdeel was van hoe wetenschap werkt. Natuurlijk zijn conferenties plekken waar de stand van zaken in het vak besproken worden, maar het zijn vooral ook opleidingsinstituten.

Op conferenties treden voornamelijk jonge onderzoekers aan die zich, door peer-review en interactie met hun vakgenoten, oefenen in de mores van het vakgebied. Ze leren de regels van het vak en ze hebben toegang tot bestaande kennis en contacten die hen kunnen helpen om hun projecten verder te brengen. Daar komt die herhaling van zetten vandaan. Er is steeds een nieuwe generatie jonge onderzoekers die het vak nog moet leren. De basis, dat wat Imre Lakatos de harde harde kern van het vakgebied zou noemen, moet door elke nieuwe generatie opnieuw aangeleerd worden en daar spelen conferenties een belangrijke rol in.

Kunnen vakgebieden dan eigenlijk wel vooruit gaan? Als conferenties opleidingsinstituten zijn, zijn onderzoekers mensen die hun hele leven studeren. Een onderzoeker heeft vanaf het moment dat hij van de middelbare school komt, op zijn 18e bijvoorbeeld, tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd, zo rond de 65, bijna vijftig jaar om beter te worden in zijn vak. De slimste en meest senior mensen in het vakgebied kunnen dus wat je in vijftig jaar kan leren. En dat zal altijd zo blijven. Vakgebieden worden nooit beter dan wat je in vijftig jaar aan kennis kan opdoen. Als je de stand van zaken in een wetenschappelijke discipline ziet als de gezamenlijke kennis van alle beoefenaars, dan zijn er maar een paar manieren waarop het kan groeien; twee ervan zijn demografisch.

Ten eerste kan het vakgebied vergrijzen. In dat geval worden de beoefenaars meer senior en hebben dus gemiddeld meer leerjaren achter de rug. In een vergrijzend vakgebied gaat de gemiddelde kennis vooruit, maar het is toch niet echt een gezonde situatie. Het grote nadeel van een vergrijzend vakgebied is dat het ook versmalt. Er is beperkte mankracht, nieuwe ideeën kunnen niet opgepikt worden en het gebrek aan aanwas betekend ook dat bestaande ideeën niet meer in twijfel getrokken worden.

Ten tweede kan het vakgebied verjongen. In een verjongend vakgebied is veel mankracht beschikbaar is en ontstaan er veel nieuwe ideeën. Oude ideeën worden ook getoetst en eventueel vervangen. Het nadeel is dat de gemiddelde kennis per onderzoeker omlaag gaat. Veel tijd gaat dus ‘verloren’ door dat nieuwe leden basiskennis bijgebracht moet worden. Een verjongend vakgebied verbreed zich prima maar het verdiept zich minder gemakkelijk.

Er is ook nog een derde manier. De efficiëntie van het vakgebied kan groter worden. Dat wil zeggen dat de senioren hun kennis beter kunnen overdragen aan jongere leden. Niet al hun kennis natuurlijk, maar wel de meest essentiële dingen, waar de jongeren dan op voort kunnen bouwen. Die jongeren hebben dan meer kennis die zich bewezen heeft, die blijkbaar wezenlijk was voor het vakgebied, en minder kennis die er blijkbaar minder toe doet.

In deze derde vorm van vooruitgang hebben veel mensen veel vertrouwen.  Dit komt door het grote verschil in de moeite die gaat zitten in het opdoen van een nieuw idee en het opdoen van een bestaand idee. Charles Darwin heeft lang gedaan over het ontwikkelen van zijn evolutietheorie, maar nu het er is kun je het zelfs al aan middelbare scholieren uitleggen. Één lesje is eigenlijk genoeg. Dat lijkt toch een flinke winst.

Ik ben zelf minder optimistisch over dit idee van vooruitgang door het steeds verder uitbouwen van overgedragen kennis en ik zal dat later nog eens uitdiepen. Voor nu is het misschien genoeg om in te zien dat deze derde vorm sterk lijkt op wat er bij het vergrijzen van een vakgebied gebeurd. Oude ideeën worden sterker waardoor het vakgebied zich verdiept, maar dit gaat ten koste van de breedte en de frisheid van het geheel. De prijs die een vakgebied betaalt voor verdieping is specialisatie en verminderd onderhoud van haar kernideeën.

De paradox is dus dat op conferenties eigenlijk alle individuen leren, terwijl het vakgebied als geheel – de verzameling van al die individuen samen – daar relatief weinig mee op schiet. Erg is dat niet, want dat was het andere inzicht dat ik destijds op die conferentie opdeed: het gaat uiteindelijk om de kennis van die individuen en wat zij er verder mee doen. Als het vakgebied jaren op ‘het zelfde niveau’ blijft is dat geen teken van falen, maar dan betekent dat dat er jaren lang nieuwe mensen getraind worden die op dat niveau over het vak na kunnen denken. De vraag is niet “is elke generatie van nieuwe mensen in het vak beter dan de vorige”, maar “hebben we wat aan een nieuwe generatie mensen met deze kennis”. Zolang het antwoord op die vraag ja is, hebben we wat aan het vakgebied – en, want ik denk niet dat die uitroeibaar is, aan haar bijbehorende mythe van intellectuele vooruitgang.

Meer lezen?

Ik sprak over de nadelen van specialiseren in Helpt Specialiseren? De visie op kennis die ik in dit blogje hanteer lijkt veel op die van Karl Popper die ik in Groeit Kennis? besprak. Ook in de blog Kennisstroom vind je ideeën die gerelateerd zijn aan deze blog.