Groepsindentificaties

Ik ben een man, docent en skeeleraar. Dit zijn drie brokjes informatie die je kunnen helpen om je een beeld van mij te vormen. Want, stel je voor dat ik dit blogje gestart was met “ik ben vrouw, tandartsassistente en paintballer“? Dan had je je toch een heel ander persoon voorgesteld. Het kan een handige manier zijn om iemand te leren kennen: ontdekken bij welke groepen hij of zij hoort. Zodra je weet dat ik een man ben, kun je datgene wat je van mannen weet op mij toepassen. Niet alles daarvan zal kloppen, maar het meeste wel en dan ben je al weer een stuk verder. Toch is het de moeite waard eens wat beter te kijken naar de werking van dit soort ‘groepsidentificatie’, want we draven er natuurlijk vaak veel te ver mee door.

Mijn favoriete voorbeeld is het verschil tussen mannen en vrouwen, gewoon omdat je dat zo met de paplepel ingegoten krijgt. In tegenstelling tot veel andere jeugdtrauma’s, lukt het ons ook maar niet om er overheen te komen als we ouder worden. Zo kan het zomaar gebeuren dat je een getrouwde man iets hoort zeggen als:

Als mijn vrouw en ik naar Frankrijk gaan, pakt zij de kaart. Daarin zijn we heel atypisch.

De gedachte is hier: vrouwen zijn slecht in kaartlezen dus hoe bijzonder (atypisch) is het wel niet dat mijn vrouw dat wel goed kan? Maar, het antwoord is natuurlijk dat het niet bijzonder is: heel veel vrouwen kunnen goed kaartlezen.

Een plaatje: de bell curve. Stel je voor dat je een manier zou weten om de vaardigheid kaartlezen te meten op een schaal van 0 tot 100. Niet alle vrouwen zouden het natuurlijk even goed doen. Een klein deel van de vrouwen bakt er echt helemaal niets van en scoort tussen de 0 en de 15. Er zijn al heel wat meer vrouwen die tussen de 15 en de 30 scoren en een groot deel van de vrouwen kan heel gemiddeld navigeren, laten we dat op 45 zetten. Er zijn natuurlijk ook vrouwen die bovengemiddeld navigeren, iets minder die heel goed navigeren en maar een paar die het uitzonderlijk goed kunnen. In grafiekvorm ziet dat er zo uit (de curve heeft een beetje de vorm van een bel, vandaar de naam).

bel v

Mooi toch? Voor mannen is het natuurlijk niet anders. Sommige mannen kunnen niet navigeren en zullen het nooit leren ook, een grote groep mannen navigeert heel gemiddeld en een paar kerels zijn er uitzonderlijk goed in. We gaan even mee in het vooroordeel dat mannen beter navigeren en zetten het gemiddelde op 55. Dat ziet er zo uit.

bel v plus m

Ik heb ze meteen maar in één plaatje gezet want dan kunnen we de mannen en vrouwen beter vergelijken. Twee dingen vallen op. Ten eerste zie je dat er inderdaad een verschil is tussen mannen en vrouwen als groep. Anders gezegd gemiddeld gesproken navigeren mannen beter dan vrouwen. De stippellijntjes die het groepsgemiddelde aangeven staan 10 navigatiepunten uit elkaar. Maar als we naar individuen gaan kijken zien we iets heel anders in het plaatje. Er is namelijk bijna overal erg veel overlap. Overal in het plaatje vind je zowel mannen en vrouwen. Kun je bijvoorbeeld aan de navigatiescore aflezen of iemand een man of een vrouw is? Eigenlijk niet. Als je 50 scoort op navigeren is de kans dat je een man of een vrouw bent precies even groot. Zelfs bij een score tegen de 70, waar het verschil het grootst is, doen mannen en vrouwen het nog ongeveer even goed. Het meten van een navigatiescore is uiteindelijk een waardeloze manier om te ontdekken of iemand een man of een vrouw is. Het is dus ook helemaal niet “atypisch” als een vrouw goed kan navigeren.

Het lijkt misschien paradoxaal dat groepen kunnen verschillen zonder dat dat iets zegt over de mensen in de groep, maar het is ook wel te begrijpen. Mensen verschillen gewoon veel. Er zijn er die goed kunnen navigeren en er zijn er die dat slecht kunnen. Als je groepen gaat vergelijken probeer je die individuele verschillen juist weg te denken. Dat doe je door gemiddeldes te meten en dat werkt: als je verschillen tussen alle mensen onderling wegdenkt, dan navigeren mannen iets beter. Maar als je vervolgens met die kennis in handen weer iets wil zeggen over alle mannen en vrouwen, dan moet je eigenlijk die verschillen tussen individuen er weer bijdenken en dat vergeet iedereen. Daardoor doen we vaak alsof iedereen van de groep het gemiddelde heeft. ‘Vrouwen navigeren gemiddeld iets slechter’ wordt zo vanzelf ‘alle vrouwen navigeren slecht’. Onzin natuurlijk. Niemand is het gemiddelde. Ik ben geen gemiddelde man, docent of skeeleraar en er is echt weinig gemiddeld aan mijn tandartsassistente.

Verschillen meten tussen groepen is een populaire bezigheid. Mannen en vrouwen zijn op duizenden aspecten met elkaar vergeleken. Het ironische is dat dat vaak veel moeite kost. Juist omdat mensen onderling zo verschillen is het lastig om verschillen tussen groepen vast te stellen. Op het moment dat het lukt om een verschil te vinden is het meteen groot nieuws: “Met een vernuftige meetwijze hebben we eindelijk aangetoond dat vrouwen gemiddeld net iets vaker dromen van een reis naar de maan”. Kan zo in de krant. Maar juist dit soort vindingen lijken als twee druppels water op de verzonnen versie hierboven. Het verschil tussen de groepen is veel kleiner dan verschillen tussen de leden uit de groep. Dat je in zo’n geval weinig kan met het gevonden verschil wordt voor het gemak maar even vergeten. Het nieuws is het verschil tussen de groepen, niet hoe klein het wel niet is.

Eigenlijk zou het beter zijn als we het pas interessant gingen vinden als het verschil tussen de groepsgemiddelden groter was dan het gemiddelde verschil tussen de individuele groepsleden. Want in die situatie zegt een verschil tussen groepen ook echt iets over het merendeel van de mensen. Maar ja. Dat is best een zware eis. Er blijven dan heel weinig verschillen over. Vrouwen hebben gemiddeld gesproken iets meer curves, mannen kijken iets meer porno. Daar houdt het wel ongeveer op. En met andere groepen is het net zo. Er zijn nauwelijks cultuurverschillen tussen Duitsers en Nederlanders die deze toets overleven. Docenten en tandartsassistenten verschillen vooral op het aantal uur dat ze specifiek in monden kijken of voor groepen studenten staan. En zelf paintballers en skeeleraars zijn grosso modo één pot nat. Alle groepsverschillen die je werkelijk op individuen kan toepassen kennen we al, die hoeven niet meer gemeten. Realistisch, maar saai.

Dus? Dan maar niet meer over groepen praten? Eigenlijk denk ik dat er niet zoveel mis is met groepsidentificatie als je er maar niet in doordraaft. Als je trots bent dat jouw groep iets vaker van maanreizen droomt dan pronk je daar toch mee, ook al herkennen anderen van de groep zich er minder in? En als je je aan een dame voorstelt als skeeleraar, kan de paintballende luisterares misschien niet raden hoe je bent, maar ze kan het je wel vragen. De ingang heb je haar al gegeven. Beschouw groepslidmaatschappen gewoon als licht vermaak. Ga niet eindeloos zitten neuzelen over de volksaard van de Serven, de zogenaamde agressiviteit van moslims of de onhebbelijkheden van mannen of vrouwen. Probeer gewoon zo snel mogelijk om de specifieke persoon die je voor je hebt te leren kennen. Dat is degene die er toe doet, niet de groepen waar hij of zij toe behoord. En als je de moeite neemt iemand echt te leren kennen heb je vaak veel meer gemeen dan je eerst dacht.

Meer lezen?

Dit blogje is de eerste van een tweeluik over het vergelijken van groepen. In mijn volgende blogje eerlijk vergelijken ga ik verder in op de ingewikkeldheden die komen kijken bij het vergelijken van groepen.

Ik schreef natuurlijk ook al eerder over onze meet- en vergelijkcultuur. Ik ben er nog niet uit of dat iets goeds is. Soms blijk ik warm voorstander zoals in waardendragers en eksters. Maar soms ook niet, zoals in dit blogje en in waarheidsinjecties.

Asha ten Broeke geeft in het idee m/v een uitgebreide analyse van veel onderzoek over de verschillen tussen mannen en vrouwen. Zij stelt dat er bij kritische beschouwing van dat onderzoek heel weinig betekenisvolle verschillen over blijven. Dat argument heb ik dus uiteindelijk van haar. Overigens komen de voorbeelden die ik hier gebruik niet uit het boekje, die zijn allemaal verzonnen.

Jargon

Ik kreeg een brief van mijn pensioenfonds met deze zin:

“De indexatieambitie wordt vanaf nu gebaseerd op de prijsontwikkeling en niet meer op de loonontwikkeling”

Verbijsterd was ik. Eerst probeerde ik te snappen wat die zin betekende, maar dat was natuurlijk kansloos: ik kwam niet verder dan een vaag vermoeden. Vervolgens dwaalden mijn gedachten af naar de communicatieafdeling van het pensioenfonds. Zouden zij werkelijk gedacht hebben dat dit begrijpelijke taal was? Dat dit een correcte manier zou zijn om hun leden te informeren over deze wijziging? Ik kreeg mijn hoofd er maar niet omheen waarom een communicatieafdeling, willens en wetens een totaal onbegrijpelijke brief rond zou sturen.

Maar onder al die verbazing lag ook steeds een soort bewondering. Ik houd namelijk erg van jargon. Je kunt aan jargon heel goed zien dat taal kennis is en dat vind ik er mooi aan.

Taal ontstaat als groepen mensen of dieren dingen proberen te bereiken die ze zonder elkaar minder goed voor elkaar krijgen. Stokstaartjes hebben een uitgebreid systeem van dingen die ze naar elkaar kunnen roepen zodat ze weten dat er gevaar dreigt, maar ook wat voor soort gevaar het is – en van welke kant het komt, zodat ze op de juiste manier kunnen reageren. Elke stokstaartroep bevat dus hele specifieke instructies voor de groep over wat er aan de hand is en wat een goede reactie is. Vertederend is dat: een stokstaartje roept “ieks” en de hele groep komt meteen in actie. Iedereen weet wat hem te doen staat. “Ieks” is stokstaartjesjargon.

Met de woorden “indexatieambitie”, “prijsontwikkeling” en “loonontwikkeling” is het net zo. Jij en ik weten niet wat die woorden betekenen, maar ergens bij het pensioenfonds zit een groepje mensen, ik stel me zo voor dat dat mannen zijn, die precies weten wat je met die woorden kan. Je hoeft op die afdeling maar te roepen “wat vind jij Karel? Kunnen we de indexatieambitie beter op de prijs- of op de loontonwikkeling zetten?” en… Hop! Karel gooit wat Excel-sheets open, zoekt wat gegevens na bij het CBS, doet een berekening waar hij 10 jaar voor gestudeerd heeft en komt met een eenduidig antwoord: “prijsontwikkeling Peter!”. Als je je bedenkt wat die woorden in gang kunnen zetten in een of andere kantoortuin dan is zo’n brief al een stuk leuker.

Niet alle taal is natuurlijk jargon, hoewel je moeilijk een goede grens kan trekken. Veel dingen die we tegen elkaar zeggen zijn veel minder precies. Woorden zoals  “ik” en “jij” en “appel” en “slaapkamer”, daar kun je van alles mee bedoelen. Misschien zijn ze ooit ontstaan als jargon, maar omdat iedereen die woorden kent en steeds op een net iets andere manier gebruikt zijn ze algemeen bruikbaar geworden. Alle taal kan gebruikt worden om dingen gedaan te krijgen, maar aan jargon kan je veel duidelijker zien wat het gaat zijn. “Indexatieambitie” is het nagelschaartje onder de woorden, goed om nagels te knippen en weinig meer. “Slaapkamer” is een aardappelschilmesje, daar kan je van alles mee. Vaak is die algemene bruikbaarheid veel fijner, maar soms wil je gewoon dat iets specifieks meteen goed gaat en dan pak je het precisie instrument.

Het probleem met jargon is natuurlijk dat het een groepsdingetje is. Stokstaartjestaal is ontstaan omdat ze op verschillende manieren aangevallen worden en het handig is andere stokstaartjes te vertellen wat te doen. Het is niet voor vogels of leeuwen bedoeld. Pensioenfondstaal is ontstaan omdat het handig is als pensioenfondsmensen het met andere pensioenfondsmensen over speciale pensioenfondsberekeningen kunnen hebben. Het is niet voor de massa. Als je niet tot een groep behoort kan je niets met hun groepsspecifieke woorden.

En daarom is het breder gebruiken van jargon zo onbeleefd. Eigenlijk zegt het pensioenfonds: “wij van het pensioenfonds lossen problemen op die zo uniek en ingewikkeld zijn dat we er onze eigen taal voor nodig hebben. Kijk maar hier heb je een paar van de speciale woorden die wij gebruiken”. Wij zijn slim en jullie… Eigenlijk sturen ze hun precisie-instrumenten mee, maar dan zonder handleiding. Leuk om je klanten aan het fantaseren te zetten, maar je moet niet verwachten dat ze er ook iets nuttigs mee kunnen doen.

Kwade wil is het natuurlijk niet geweest. In mijn blogje Spiegelpaleis had ik het er al over hoe moeilijk het kan zijn om buiten je eigen kringetje te kijken. Voor taal geld dat helemaal. Het is als zuurstof. Zolang je het kan ademen denk je dat het overal beschikbaar is.

Meer lezen?

In Spiegelpaleis bespreek ik hoe groepen tot een gemeenschappelijke manier van denken komen en wat daar de voor en nadelen van zijn. Het ontstaan van jargon hangt natuurlijk sterk samen met specialisatie waar ik in Helpt Specialiseren? over sprak.

Grenzen

Het kwam tot me toen ik na een aantal jaren afwezigheid weer eens op een conferentie was. Ik schrok van het niveau en de onderwerpen van de presentaties. Ging mijn vakgebied eigenlijk wel vooruit? Met duizenden publicaties per jaar zou je toch verwachten dat je na een paar jaar amper meer kon volgen waar het over ging. Maar ik zag meestal jonge, net afgestudeerde onderzoekers soortgelijke projecten presenteren als die ik zelf gedaan had; op de manier waarop dat zelf jaren terug ook gedaan had. En ik hoorde discussies aan die ik jaren geleden ook gehoord had. Precies dezelfde dingen werden besproken. Ik was een aantal jaar niet wetenschappelijk actief geweest, maar toch was ik eigenlijk sneller gegroeid dan mijn vakgebied als geheel.

Dat was best een bevreemdende ervaring, maar ik realiseerde me snel dat dat niet aan mij of aan mijn vakgebied lag, maar dat het onderdeel was van hoe wetenschap werkt. Natuurlijk zijn conferenties plekken waar de stand van zaken in het vak besproken worden, maar het zijn vooral ook opleidingsinstituten.

Op conferenties treden voornamelijk jonge onderzoekers aan die zich, door peer-review en interactie met hun vakgenoten, oefenen in de mores van het vakgebied. Ze leren de regels van het vak en ze hebben toegang tot bestaande kennis en contacten die hen kunnen helpen om hun projecten verder te brengen. Daar komt die herhaling van zetten vandaan. Er is steeds een nieuwe generatie jonge onderzoekers die het vak nog moet leren. De basis, dat wat Imre Lakatos de harde harde kern van het vakgebied zou noemen, moet door elke nieuwe generatie opnieuw aangeleerd worden en daar spelen conferenties een belangrijke rol in.

Kunnen vakgebieden dan eigenlijk wel vooruit gaan? Als conferenties opleidingsinstituten zijn, zijn onderzoekers mensen die hun hele leven studeren. Een onderzoeker heeft vanaf het moment dat hij van de middelbare school komt, op zijn 18e bijvoorbeeld, tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd, zo rond de 65, bijna vijftig jaar om beter te worden in zijn vak. De slimste en meest senior mensen in het vakgebied kunnen dus wat je in vijftig jaar kan leren. En dat zal altijd zo blijven. Vakgebieden worden nooit beter dan wat je in vijftig jaar aan kennis kan opdoen. Als je de stand van zaken in een wetenschappelijke discipline ziet als de gezamenlijke kennis van alle beoefenaars, dan zijn er maar een paar manieren waarop het kan groeien; twee ervan zijn demografisch.

Ten eerste kan het vakgebied vergrijzen. In dat geval worden de beoefenaars meer senior en hebben dus gemiddeld meer leerjaren achter de rug. In een vergrijzend vakgebied gaat de gemiddelde kennis vooruit, maar het is toch niet echt een gezonde situatie. Het grote nadeel van een vergrijzend vakgebied is dat het ook versmalt. Er is beperkte mankracht, nieuwe ideeën kunnen niet opgepikt worden en het gebrek aan aanwas betekend ook dat bestaande ideeën niet meer in twijfel getrokken worden.

Ten tweede kan het vakgebied verjongen. In een verjongend vakgebied is veel mankracht beschikbaar is en ontstaan er veel nieuwe ideeën. Oude ideeën worden ook getoetst en eventueel vervangen. Het nadeel is dat de gemiddelde kennis per onderzoeker omlaag gaat. Veel tijd gaat dus ‘verloren’ door dat nieuwe leden basiskennis bijgebracht moet worden. Een verjongend vakgebied verbreed zich prima maar het verdiept zich minder gemakkelijk.

Er is ook nog een derde manier. De efficiëntie van het vakgebied kan groter worden. Dat wil zeggen dat de senioren hun kennis beter kunnen overdragen aan jongere leden. Niet al hun kennis natuurlijk, maar wel de meest essentiële dingen, waar de jongeren dan op voort kunnen bouwen. Die jongeren hebben dan meer kennis die zich bewezen heeft, die blijkbaar wezenlijk was voor het vakgebied, en minder kennis die er blijkbaar minder toe doet.

In deze derde vorm van vooruitgang hebben veel mensen veel vertrouwen.  Dit komt door het grote verschil in de moeite die gaat zitten in het opdoen van een nieuw idee en het opdoen van een bestaand idee. Charles Darwin heeft lang gedaan over het ontwikkelen van zijn evolutietheorie, maar nu het er is kun je het zelfs al aan middelbare scholieren uitleggen. Één lesje is eigenlijk genoeg. Dat lijkt toch een flinke winst.

Ik ben zelf minder optimistisch over dit idee van vooruitgang door het steeds verder uitbouwen van overgedragen kennis en ik zal dat later nog eens uitdiepen. Voor nu is het misschien genoeg om in te zien dat deze derde vorm sterk lijkt op wat er bij het vergrijzen van een vakgebied gebeurd. Oude ideeën worden sterker waardoor het vakgebied zich verdiept, maar dit gaat ten koste van de breedte en de frisheid van het geheel. De prijs die een vakgebied betaalt voor verdieping is specialisatie en verminderd onderhoud van haar kernideeën.

De paradox is dus dat op conferenties eigenlijk alle individuen leren, terwijl het vakgebied als geheel – de verzameling van al die individuen samen – daar relatief weinig mee op schiet. Erg is dat niet, want dat was het andere inzicht dat ik destijds op die conferentie opdeed: het gaat uiteindelijk om de kennis van die individuen en wat zij er verder mee doen. Als het vakgebied jaren op ‘het zelfde niveau’ blijft is dat geen teken van falen, maar dan betekent dat dat er jaren lang nieuwe mensen getraind worden die op dat niveau over het vak na kunnen denken. De vraag is niet “is elke generatie van nieuwe mensen in het vak beter dan de vorige”, maar “hebben we wat aan een nieuwe generatie mensen met deze kennis”. Zolang het antwoord op die vraag ja is, hebben we wat aan het vakgebied – en, want ik denk niet dat die uitroeibaar is, aan haar bijbehorende mythe van intellectuele vooruitgang.

Meer lezen?

Ik sprak over de nadelen van specialiseren in Helpt Specialiseren? De visie op kennis die ik in dit blogje hanteer lijkt veel op die van Karl Popper die ik in Groeit Kennis? besprak. Ook in de blog Kennisstroom vind je ideeën die gerelateerd zijn aan deze blog.

Kenvermogen

Stel dat wormen ook wetenschappelijke theorieën maakten, zouden die dan andere natuurwetten kennen dan mensenwetenschap? Mijn antwoord op die vraag is ja en om dat toe te lichten heb ik het begrip kenvermogen nodig. Het idee van kenvermogen komt van Emanuel Kant, die het invoerde om een andere filosoof, David Hume te slim af te zijn. Of dat gelukt is weet ik niet, maar hij veranderde wel voor goed hoe we over kennis denken. Dit blogje gaat vooral over Kant’s ideeën, maar laat ik even beginnen bij David Hume.

David Hume was een sceptische filosoof. Zijn centrale gedachte was dat we nergens absoluut zeker van kunnen zijn. Hume’s boek: “An essay concerning human understanding”, was voor Kant een grote schok geweest. Hume had namelijk beweerd dat niemand ooit oorzaak en gevolg waargenomen had. Hume’s inzicht was eenvoudig en elegant. Hij stelde dat we oorzaak en gevolg meestal afleiden uit gebeurtenissen die vaak samen voorkomen. Elke dag zien we dooi bij zonsopgang, waardoor we gaan denken dat de zon dooi veroorzaakt. Maar, we zien die ‘werking’ van de ochtendzon niet daadwerkelijk gebeuren, we zien alleen de samenloop van omstandigheden: zonsopgang – dauw. Daarna verzinnen we het hele ‘oorzaak – gevolg’ verhaal erbij. Ten onrechte want de kou in de nacht veroorzaakt de dauw, niet de ochtendzon.

Maar, hoe zit het met voetbal? Veroorzaakt een schop tegen een bal de beweging van de bal? Ja, natuurlijk doet die dat, maar Hume zou zeggen ‘ik weet het niet’. Wat ik zeker weet, is dat ballen vaak in beweging komen als er voeten tegenaan botsen. Maar dat is ook een samenloop van omstandigheden, net als dauw en ochtendzon en is dus geen bewijs dat de voet de beweging van de bal veroorzaakt. Muggenzifterij natuurlijk, maar het gemene van deze kritiek is wel dat het op werkelijk alle voorbeelden van oorzaak en gevolg van toepassing is. We kunnen dus nooit iets leren over oorzaak en gevolg want we weten het nooit helemaal zeker.

En dat was Kant tegen het zere been. Hij geloofde wel in absoluut zekere kennis en hij had zelf allerlei theorieën op zijn naam staan. Kant was professor. Als Hume gelijk had kwamen niet alleen zijn eigen theorieën op losse schroeven te staan, de hele gevestigde wetenschap uit die tijd stond op het spel. Had Isaac Newton niet beweerd dat de valbeweging werd veroorzaakt door de zwaartekracht? Nu noemde Hume dat niet meer dan een samenloop van omstandigheden! Kant wilde Hume dus graag weerleggen en hij vond eigenlijk dat andere filosofen, die dat ook geprobeerd hadden, geen goed werk geleverd hadden. Daarom begon hij aan zijn eigen versie, die een hele nieuwe hoofdstuk in de kennistheorie zou vormen.

Hoe nemen we eigenlijk waar? De moderne psychologie was in Kant’s tijd nog niet ontwikkeld. Tot Kant ging eigenlijk iedereen van het volgende scenario uit: de werkelijkheid komt via de zintuigen binnen en vormt een afdruk in het brein. Het brein maakt een dus kopie van de werkelijkheid zoals een kopieermachine een kopie kan maken van een bladzijde uit een boek. Misschien is de kopie iets minder goed dan het origineel, maar in de basis is wat het brein ziet een getrouwe weergave van de werkelijkheid. Zo was er al honderden jaren over de waarneming gedacht. En het is ook niet zo gek. Misschien denk je er zelf ook zo over. Dan heb je een filosofische stroming met je mee die tegenwoordig het naïef realisme genoemd wordt, maar waar wel degelijk voorstanders van zijn. De kritiek van Hume was ook op dit idee gebaseerd.

Maar, Kant kwam met iets nieuws. Kant stelde dat de waarneming niet een getrouwe weergave van de werkelijkheid is, maar dat deze gefilterd is door ons kenvermogen. Ons brein is voorgeprogrammeerd om bepaalde dingen wel te zien en andere dingen niet. We zoeken naar connecties tussen dingen die we zien. Ons brein is dus actief op zoek naar betekenisvolle informatie in wat we zien, horen, proeven, ruiken en voelen.

Een voorbeeld. Een rechte lijn is de snelste manier om van A naar B te komen. Maar hebben we dat geleerd uit de ervaring? Weten we dat van de rechte lijn omdat we honderden manieren geprobeerd hebben en na verloop van tijd wel hebben moeten vaststellen dat de snelste manier meestal samenvalt met de rechte lijn? Of zat dat ‘denken in rechte lijnen’ er al in? Is ‘geometrie’ iets waar het brein nu eenmaal geschikt voor is? Dat laatste is wat Kant dacht: het brein is gemaakt om in geometrie te denken en in logica en in oorzaak & gevolg. Het brein voegt dat kenvermogen: het vermogen om waarneming geometrisch, logisch of oorzakelijk, te interpreteren toe aan de waarneming.

Het was een interessant en heel erg nieuw idee in die tijd en het leverde Kant een manier op om de waarheid te redden uit de sceptische handen van Hume. Want door de waarneming te combineren met geometrie, logica en andere dingen waar we, met ons kenvermogen, zeker van konden zijn, konden we alsnog tot absoluut zekere inzichten komen, zo dacht hij. De prijs die Kant betaalde was dat die inzichten dan niet meer over ‘de werkelijkheid zoals-hij-is’ konden gaan, maar over ‘de werkelijkheid zoals-wij-die-waarnemen’. Het kenvermogen is iets dat in mensen zit en andere wezens – wormen – kunnen over een ander kenvermogen bezitten. Nu is het kenvermogen van wormen een beetje mijn ding en waarschijnlijk niet iets waar Kant ooit over nagedacht heeft, maar dat krijg je als je de doos van Pandora opent, nietwaar?

Ik denk zelf dat de eerste stap van Kant: de introductie van het idee van een kenvermogen een briljante denkstap was, maar dat die tweede stap, naar ‘absoluut zekere kennis’ onnodig, ingewikkeld en onhandig was. Kant was vrij voorzichtig geweest met uitspraken over wat er in dat kenvermogen zou zitten, maar Euclidische meetkunde: wiskunde die gebaseerd is op rechte lijnen, was er wel één van. Maar jaren later werden er non-Euclidische meetkundes bedacht. In deze meetkundes gingen wiskundigen uit van de aanname dat de kortste weg tussen twee punten soms wel een kromme lijn kon zijn. Raar idee natuurlijk, maar wéér bijna een eeuw later werden deze nieuwe ‘gekromde ruimte’ meetkundes door Albert Einstein gebruikt voor zijn algemene relativiteitstheorie. Dit was weer de opvolger van de Newtoniaanse mechanica, die Kant nog als absoluut waar zag en had willen redden met zijn idee van kenvermogen. Einstein weerlegde niet alleen Newton, hij weerlegde ook Kant.

Maar, waar Kant door de wis- en natuurkundigen eigenlijk in het ongelijk gesteld werd op zijn specifieke invulling van het idee van een kenvermogen werd hij door psychologen juist in het gelijk gesteld voor het principe ervan. De ecologische psychologie, bijvoorbeeld, is een stroming in de psychologie, die er sterk van uit gaat dat ons brein (evolutionair) gevormd is naar actiemogelijkheden in de omgeving op zoek te gaan en die te ontdekken. Ook veel leerpsychologiën zijn hierop gebaseerd. Iets minder biologisch en meer filosofisch is de notie van de theorie afhankelijkheid van de waarneming dat eigenlijk stelt dat waar we op letten bij het bekijken van de wereld sterk afhankelijk is van de ideeën die we al over die wereld hebben. We zijn op zoek naar oorzaak en gevolg, dat is een bestaand concept. Daarom zien we het ook in de manier waarop voeten ballen in beweging brengen en hoe biljartballen botsen. Veel methodologie van de sociale wetenschappen is rondom die theorieafhankelijkheid van de waarneming, gebouwd.

Het is bijna zeker dat onze evolutie een belangrijke rol gespeeld heeft de manier waarop ons brein betekenis geeft aan de impulsen die het krijgt. Intelligente wormen zouden andere theorieën ontwikkelen dan wij. Ze krijgen andere input, hebben andere problemen op te lossen, zijn op een ander manier geprogrammeerd om de werkelijkheid waar te nemen. Ze leven in andere sociale groepen waardoor andere sociale mechanismen in het denken sluipen. Maar het idee van ‘kenvermogen’ hoeft zich niet tot evolutie te beperken. Misschien is kenvermogen wel niet alleen maar een aangeboren eigenschap. Misschien maakt onze kennis en ervaring wel uit voor hoe we de wereld zien. Dan is kenvermogen meer dan Kant er in zag. Ons brein zit dan vol met filters, biologisch, maar ook cultureel. Dan bepaald dat kenvermogen wel al ons denken, inclusief wat je van dit blogje vindt.

Meer lezen?

Kants visie op kennis is eigenlijk een samensmelting van de empiristische en idealistische visies die ik in waarheidsinjecties besprak. Een alternatieve visie is gegeven door Karl Popper waar ik in groeit kennis? en de drie werelden van Popper al aandacht aan besteedde.

Een goede uitleg van de kennistheorie van Kant vind je in de hoorcolleges van Herman Philipse en Paul van Tongeren

Spiegelpaleis

Gisteren stond ik in de rij achter een vader, een moeder en hun twee dochters; ze leken me een gelukkig gezinnetje. Maar, we stonden te wachten en, één van de twee dochters was een beetje baldadig. De vader gaf haar een liefdevol-maar-berispend kneepje in de wang. Het duurde natuurlijk maar een paar seconden voordat zij haar zusje op hetzelfde recept trakteerde; wat haar natuurlijk weer op een reprimande kwam te staan. Wij mensen zijn sociale dieren en imitatiegedrag zoals in dit voorbeeld komt veel voor. Door elkaar steeds na te doen leren we van elkaar en versterken we onze groepsband. Of pappa het nou leuk vond of niet, met het knijpen van haar zusje zei ze tegen hem ‘ik ben net als jij’ en tegen haar zusje ‘jij hoort er ook bij’. Het was een ín en ín sociale actie.

Dit soort gedrag speelt ook een belangrijke rol bij ideeënvorming. Zet een paar verschillende mensen bij elkaar in een groepje en hun denkbeelden zullen meestal snel naar elkaar toegroeien. Echt afwijkende ideeën houden we meestal liever voor onszelf en de dingen waar we het ongeveer over eens zijn bespreken we uitvoerig. Als we allebei vinden dat het niveau van onze studenten omhoog moet, is dat steeds onderwerp van gesprek. Als we heel verschillende ideeën hebben over hoe dat zou moeten, bespreken we daar minder van.  In een groep zijn de die ideeën die we met elkaar met elkaar blijven uitwisselen dus meestal gelijksoortig. Het sociale effect daarvan is dat er in de groep een gevoel van gelijkgestemdheid is waar we veel behoefte aan hebben. Maar het het delen van gelijksoortige ideeën heeft ook inhoudelijke voordelen. Gelijksoortige ideeën zijn namelijk gemakkelijk te combineren tot nieuwe ideeën waardoor ze zich verder ontwikkelen. Dit heeft op zijn beurt weer een sociaal effect. De ideeën die we als groep gemaakt hebben vormen weer een band, want gezanmelijke ideeën: daar zijn we samen trots op.

Zo leven we allemaal in verschillende ideeënreservaatjes: je kamergenoten op het werk, een vriendengroep die je regelmatig ziet, je gezin – het zijn allemaal kleine groepjes met hun eigen, gedeelde gedachtengoed. In het begin als deze groepjes voor het eerst gevormd worden, is er altijd veel creativiteit. De leden van het nieuwe groepje delen ideeën, die op elkaar voortbouwen, waar weer nieuwe ideeën uit ontstaan. Maar dat creatieve effect dooft na een tijdje uit. De gemeenschappelijke ideeën zijn zo belangrijk voor de sociale orde, dat ze een steeds grotere plaats in de gespreksstof gaan innemen. Daardoor blijven in oudere groepen steeds maar weer dezelfde ideeën rondzingen. Het reservaat wordt dus minder vruchtbaar.

Maar er gebeurt nog iets anders. Het wordt steeds moeilijker om nog naar buiten te kijken en in te schatten hoe anderen, in andere groepjes eigenlijk over deze onderwerpen denken. Mensen overschatten systematisch hoe breed hun eigen gedachtengoed, gedeeld wordt.

Dit heeft te maken met een psychologisch mechanisme dat de availability bias heet. Sociaal psychologen hebben aangetoond dat mensen informatie die makkelijk beschikbaar is voor het brein (omdat die vers in het geheugen zit bijvoorbeeld) zwaarder wegen in hun oordeelsvorming dan andere informatie. Als je elke dag nieuws hoort over klimaatverandering ga je het sneller als een probleem zien en ga je eerder denken dat het waar is wat er over gezegd wordt. Je brein werkt het liefst met die dingen die voor het grijpen liggen. De combinatie van de availability bias met de neiging om in groepen gelijksgestemdheid te ontwikkelen leiden tot een soort ideeënblindheid. In je eigen groepje hoor je steeds dezelfde ideeën van dezelfde mensen en de availability bias zorgt ervoor dat je juist aan die ideeën veel waarde hecht. Zodoende gaan groepen er vaak stilzwijgend van uit dat er buiten de groep ongeveer net zo over het onderwerp gedacht wordt als binnen de groep.

Veel mensen denken bijvoorbeeld dat ze een aardig idee hebben van wat er zoal in de organisatie speelt. Als je die ideeën vervolgens gaat onderzoeken blijken mensen te denken dat datgene wat op hun eigen kamer besproken wordt, in de hele organisatie leeft. Maar dat is vaak ten onrechte: een kamer verder worden andere dingen besproken; en daar denken ze ook dat juist die ideeën in de hele organisatie spelen. De availability bias maakt dat onze ideeënreservaatjes spiegelwanden hebben, waarin we van alles denken te zien, maar waar we eigenlijk vooral naar onszelf zitten te kijken.

Natuurlijk bewegen we ons in meerdere groepen, maar veel daarvan zij stabiel. Op het werk zijn dat bijvoorbeeld het groepje collega’s waar we mee lunchen, de collega’s waar we een kamer mee delen en de vaste teams waar we in werken. Die stabiele teams vormen een soort spiegelpaleis. We denken het geheel van ideeën in onze sociale kring te kunnen overzien, maar dat komt omdat de spiegelwandjes van onze reservaatjes nooit doorprikken.

Voor dit nadelige aspect van het sociale karakter van kennis is eigenlijk maar één remedie. De reality check.  Als je altijd op een universiteit rondloopt loop dan eens een dagje mee in de verpleging. Ga eens op de thee bij je Turkse buurvouw. Praat eens met een collega die je niet elke dag ziet. Op die momenten prik je de celwand even door en ontdek je wat er buiten je eigen wereldje leeft. Dat kan best verfrissend zijn.

Meer lezen?

Dit blogje is voor een groot deel gebaseerd op de ideeën van Thijs Homan, professor verandermanagement aan de open universiteit. Hij vertelt er smakelijk over in dit online college.

Ik sprak al eerder over de onbetrouwbaarheid van het brein en het effect op onze kennisbeleving in mijn blogjes: geheugenmachine, kennisbronnen en in eksters.

De drie werelden van Popper

Bestaat er kennis van de wereld buiten je brein? Zit er bijvoorbeeld kennis in boeken, in TV programma’s of in computergames? Zit er kennis in pac-man? Dit lijken makkelijke vragen, maar het is knap lastig om tot goed onderbouwde antwoorden te komen. Ik ben er zelf vrij zeker van dat er kennis buiten mijn brein bestaat. Over boeken ben ik al minder zeker en aan het pac-man vraagstuk waag ik me maar niet. Het zal je niet verbazen dat filosofen zich al sinds de oudheid met het probleem van buitenbreinse kennis bezig houden en dat hun antwoorden ook enorm uiteen lopen. Dit blogje gaat niet zo zeer over die hele discussie, maar over één van die antwoorden: de drie werelden theorie van Karl Popper. Dit omdat ik die theorie, in tegenstelling tot veel andere antwoorden op deze vraag heel praktisch vind.

Wetenschapsfilosoof Karl Popper zag de wetenschap als een collectief project waarbij wetenschappers over de hele wereld samenwerken om onze kennis van die wereld te verbeteren. Hij stelde dan ook dat er drie werelden van kennis zijn. De eerste kenniswereld, wereld I, is de echte wereld. De echte wereld is onderwerp van de kennis van wetenschappers, maar ze is ook een belangrijke bron van kennis. Wetenschappers doen veel kennis van de wereld op door de wereld te bestuderen. De tweede kenniswereld, wereld II, is kennis in ons hoofd. Dit is zo’n beetje de enige vorm van kennis waar zelfs filosofen niet aan twijfelen. De derde kenniswereld, wereld III, is kennis buiten het hoofd: het is gedeelde kennis. De evolutietheorie, bijvoorbeeld, is gemeenschappelijke kennis: we hebben hem samen opgebouwd en onderhouden hem samen. Maar, vooral over deze derde kenniswereld bestaat veel discussie.

Wereld III is de plek voor gezamenlijke ideeën, theorieën, ontwerpen, plannen en andere soorten kennis die we met elkaar in elkaar knutselen. Maar, stel je bijvoorbeeld eens voor dat er een kernoorlog uitbreekt en iedereen sterft. Bestaat de evolutietheorie dan nog? Waarschijnlijk niet. Tegenstanders van wereld III, gebruiken dit als argument om te zeggen dat er dus geen kennis buiten het hoofd is. Alle gemeenschappelijke kennis kun je terugvoeren op kennis in individuele hoofden. Verdwijnen die individuen, dan is de kennis weg. Gemeenschappelijke kennis is in deze visie dus een optelsom van individuele kennis, geen aparte kennisvorm; laat staan een ‘wereld’. Voorstanders kunnen tegenwerpen dat er vast nog wel ergens een exemplaar van ‘The Origin of Species’ ligt en dat aliens die de verwoeste aarde bezoeken deze theorie kunnen ‘herontdekken’. Maar dat is een problematische tegenwerping.

De vraag of aliens die tekst zouden kunnen begrijpen dringt zich namelijk op. Om The Origin of Species te kunnen begrijpen heb je een heleboel kennis nodig die aan het einde van de 19e eeuw voor de meeste intelectuelen gemeengoed was, maar die voor aliens moeilijk te bevatten zal zijn. Hoe goed is Darwins verhaal over het fokken van dieren bijvoorbeeld te begrijpen als je niet weet wat fokken is? Je kunt dus zeggen dat boeken ‘code’ of ‘informatie’ bevatten en geen kennis. Of tenminste, dat je om toegang tot de kennis in boeken te kunnen krijgen ook veel kennis in je hoofd nodig hebt. Niet voor niets is voor het begrijpen van heel oude teksten heel veel studie nodig.

Het echte probleem met het ‘wat-als-iedereen-sterft-argument’ is dat het geen sluitend argument is tegen het bestaan van gemeenschappelijke kennis. Als ik sterf is mijn kennis ook weg, maar dat betekent niet dat ik op dit moment geen kennis heb. Het ‘wat als …’ argument is dus net zo goed een argument tegen kennis in het hoofd – en daar twijfelt bijna niemand aan.

Toch is het lastig dat je wereld III kennis niet kan aanraken of aanwijzen. We weten wel zo’n beetje wat we zelf weten (wereld II), maar we hebben geen idee van de meeste dingen die zich in wereld III afspelen. Wereld II verhoudt zich ongeveer tot wereld III als mieren tot een mierenhoop. Elke mier werkt aan een stukje van de mierenhoop, maar heeft geen overzicht over het geheel. Als een mier iets verandert aan de hoop kan dat een ander deel in doen storten, maar daar heeft de mier geen weet van. Meestal heeft wat de mieren doen maar een klein effect op de mierenhoop als geheel.

Zo is het ook met ons ‘kenniswerk’. We proberen elke dag theorieën te begrijpen, te verwerken en een beetje te veranderen, maar het meeste daarvan heeft nauwelijks effect op het geheel. Popper stelde zelfs dat wereld III kennis ‘autonoom’ is. De hoop heeft als het ware een eigen leven. Ik kan het plan wel opvatten om de evolutietheorie een flinke schop te geven, maar tenzij ik de honderden andere mieren die er aan werken mee krijg, zal dat weinig effect hebben. Het grote voordeel van die autonomie is dat kennis stabiel is: honderden kennismieren onderhouden de evolutietheorie, dus die stort niet zomaar in. Het grote nadeel is dat kennis stabiel is: er zij ook immers honderden kennismieren die het creationisme onderhouden, waardoor die discussie maar nooit beslecht wordt.

Volgens mij volgen er een aantal belangrijke lessen uit de drie werelden theorie. De eerste is natuurlijk bescheidenheid. We kennen maar een stukje van wereld III en dat is prima. We hebben ook maar weinig invloed op wereld III en dat is ook prima. Een tweede les is onderhoud. Popper stelde eigenlijk dat wereld III kennis meteen in elkaar zakt als er niemand meer aan werkt. Dit beschrijf ik uitgebreider in mijn blogje ‘groeit kennis? ‘. De derde is samenwerking. Er zijn wel kamergeleerden (geweest) die in hun eentje een briljant idee hebben uitgewerkt dat we nog steeds gebruiken, maar Popper richt onze aandacht op iets anders. De kamergeleerde heeft nieuwe wereld II kennis gemaakt. Het is zijn grote schare navolgers die er wereld III kennis van maken. Als we iets willen met de kennis moeten we ons dus ook mengen in die groep.

De drie werelden theorie biedt een eenvoudige en praktische manier van denken over de kennis van een groep mensen. Hij roept ook een aantal lastige vragen op die ik in latere blogjes misschien nog wel eens oppak.

Meer lezen?

Voor het schrijven van dit blogje heb ik gebruik gemaakt van het boek ‘Education and Mind in the Knowledge Age’ van de onderwijskundige Karl Bereiter.

In mijn blogje Groeit Kennis“, besprak ik eerder al Poppers gelijkstelling van kennisopbouw en kennisonderhoud. Poppers beeld van wereld III kennis komt overigens aardig overeen met moderne ideeën over het brein zoals ik die in Geheugenmachine besprak. En ook het idee van een Kennisstroom is gerelateerd.

Over de evolutietheorie sprak ik eerder al uitgebreider in de blogjes evolutiesnelheid en memen.

In opdracht van de tijd

In 1917 brak in Rusland een zeer gewelddadige en langdurige revolutie uit. Geïnspireerd door het boek “Das Kapital” van Karl Marx, greep de Bolsjewistische partij van Vladimir Lenin de macht. Het zou het begin worden van meer dan een halve eeuw communisme.

“In opdracht van de tijd”, zo zagen Lenin en de zijne hun revolutionaire werk. Karl Marx had in “Das Kapital” de mechanismen van het kapitalisme blootgelegd en vastgesteld dat het systeem zich onvermijdelijk ten gronde zou richten, hetgeen weer zou ontaarden in een revolutie waarin de werkende klasse de macht greep. De “opdracht” die “de tijd” aan Lenin gegeven had, was het in gang zetten van deze onvermijdelijke revolutie. Met de kennis van nu lijkt het misschien een wat merkwaardige rechtvaardiging voor een revolutie: de geschiedenis die er toch wel aan komt te willen bespoedigen. Maar Lenin was intellectueel gezien de minste niet. In de visie van Karl Marx zouden die laatste jaren van het kapitalisme met veel onderdrukking gepaard gaan. Het was dus niet onredelijk om er maar alvast mee te beginnen.

Vooruit: er is wel van alles mis met die redenering, maar ze is zeker niet uitgestorven. We gebruiken nog elke dag volop argumenten van deze vorm. Hoog tijd voor een nadere beschouwing dus.

Het probleem met het argument van Lenin is dat er een volledig verschillend wereldbeeld schuilt achter de twee verschillende poten waar het op rust. De theorie van Marx, waar Lenin zich op baseerde is deterministisch van karakter. In een deterministisch wereldbeeld is de toekomst volledig voorspelbaar, zolang je maar weet hoe die er nu uit ziet en wat de mechanismen zijn waarlangs deze zich ontwikkeld. Volgens Marx kon het niet anders gaan dan dat het kapitalisme zichzelf ten gronde zou richten, dat zat in het systeem ingebakken. In een deterministisch wereldbeeld spelen menselijke acties een minimale rol. Ook die zijn ingegeven door de grotere krachten in het universum en dus geen ‘vrije’ keuzes van een individu of van een groep. Dat Lenin een determinist was is overigens niet vreemd: in die tijd was bijna iedereen een determinist.

De tweede poot van het argument rust juist op een wereldbeeld waar menselijke acties er alles toe doen. Laten we dit het constructivistische wereldbeeld noemen. Volgens constructivisten is de toekomst is het gevolg van menselijke keuzes. De Bolsjewieken waren in zoverre constructivisten dat ze geloofden dat door hun acties de revolutie versneld zou kunnen worden. Daarmee haalden ze natuurlijk wel de deterministische poot onderuit. Het is kiezen of delen: menselijk handelen doet er toe of het doet er juist niet toe. Als menselijk handelen de revolutie kan versnellen, is de revolutie dus ook niet onvermijdelijk. Er zijn verschillende manieren om het argument van Lenin te redden, maar in de kern is het kreupel.

En het is een type argument dat nog elke dag gebruikt wordt. Mogelijk ook door jou. Veel mensen gebruiken het bijvoorbeeld in verband met technologie. In de jaren 70 van de twintigste eeuw bracht Jacques Ellul de visie naar voren dat technologie deterministisch is. Technologie zou volgens Ellul zijn eigen ontwikkelingspad uitstippelen en zich niet door mensen laten sturen. Volgens Ellul was het de technologie die onze denkbeelden bepaalde en de economische krachten om zich heen vormde, niet andersom. Dit zogenaamde technologisch determinisme is niet meer in de mode, maar in het alledaagse leven is het niet zo’n gekke visie. Wij, gewone consumenten uit Nederland, hebben immers niet veel invloed op alle nieuwe gadgets die uit Silicon Valley komen stromen. Ten opzichte van de technologische ontwikkelingen lijken we machteloos te staan. Mijn moeder liet zich vaak ontvallen dat ‘de vooruitgang’ nu eenmaal niet te stoppen was.

En omdat de ontwikkelingen niet te stoppen zijn ondernemen we actie. Een collega van me is druk bezig te verkennen hoe iPads in het onderwijs in te passen zijn. Niet omdat hij daarin gelooft. Hij vindt de inpassing van die apparaten vaak eerder een verarming van het onderwijs dan een verrijking. Maar zijn school is voorhoedeschool. iPads ‘zijn de toekomst’ – als ze daar niet in meegaan haalt de tijd ze in en doen ze hun leerlingen tekort. Een ander voorbeeld is streaming muziek. Veel mensen stappen er op over, niet omdat ze CD’s slecht vinden, maar omdat het de toekomst is. Oven een paar jaar zijn CD’s toch niet meer te krijgen; en trouwens, de jeugd luistert alles al online. De crux is natuurlijk dat we met deze redenering de toekomst die we alleen maar denken te voorspellen ook helpen te veroorzaken. Ongeveer zoals Lenin de revolutie die hij voorspelde zelf in gang zette. Het is wat door psychologen een selffulfilling prophecy genoemd wordt.

Trends, technologisch of niet, zijn namelijk niet autonoom. Trends sturen zichzelf niet, ze worden door ons gestuurd. Trends zijn het gevolg van de keuzes die we collectief maken. Trends geven een indicatie van gemiddelde veranderingen in menselijk gedrag weer, meer niet. Het is pas als wij ze als onvermijdelijke ontwikkelingen gaan zien dat ze dat ook worden. iPads zijn alleen maar de toekomst omdat wij ze in ons onderwijs in proberen te passen. CD’s zijn niet meer te koop omdat we gaan streamen. Lenin startte de revolutie misschien  omdat hij er toch aan zat te komen, maar kwam er toch vooral omdat Lenin hem startte. We zijn, kortom, vaak precies zo afhankelijk van ontwikkelingen en trends als dat we zelf willen.

Of het nu een manke rechtvaardiging is of niet, ook vandaag de dag doen we nog erg veel dingen “in opdracht van de tijd”. Daarmee maken we onszelf afhankelijk van onze eigen voorspellingen (of waanbeelden) over de toekomst. Als we een rechtvaardiging zoeken om aan iets nieuws te beginnen is de vraag dus niet of ‘het er aan zit te komen’. De vraag is of we het willen. Als dat zo is moeten we zeker mee in de ontwikkeling en als dat niet zo is zeker niet. Niemand kan het tij in zijn eentje keren, maar samen kunnen we dat wel en hoe minder serieus we voorspellingen over de toekomst nemen hoe sterker we staan.

En ja, Lenin wilde revolutie. Hij dacht niet alleen dat de revolutie onvermijdelijk was, hij dacht ook dat er een heilstaat op zou volgen. Wat dat betreft haalde de tijd hem in.

Meer lezen?

Dit is mijn eerste blogje over het kennen van de toekomst. Ik wel schreef al eerder over determinisme in EPR. In waarheidsinjecties schreef ik al over, en brak een lans voor idealisme. In waardendragers over menselijke gevoeligheid voor autoriteiten.

Big Science

“Vandaag de dag hebben we het voorrecht om aan tafel te zitten met de reuzen op wiens schouders we staan”

Niet zo lang geleden opperde ik op een conferentie gekscherend dat het een goed idee zou zijn om alle publicaties die niet gemakkelijk met Google Scholar gevonden kunnen worden (dat zijn meestal publicaties van voor 1995), voortaan maar gewoon te vergeten. Dat zou een duidelijke tweedeling geven. Pre-internet wetenschap is voor historici en post-internet wetenschap voor wetenschappers. Zou het echt slecht zijn voor ons vakgebied als er niemand meer zou zoeken naar een obscuur paper over usability testen uit 1988?

Erg serieus was dat niet bedoeld. We hebben er toen in ieder geval smakelijk om gelachen. Ik ben zelf iemand die juist graag graaft naar dat soort papers; ongeveer zoals ik het ook fijn vind om muziek te spotten die nog weinig mensen kennen – en ik weet dat veel van mijn collega wetenschappers een soortgelijk temperament koesteren. Maar, zoals zo vaak, zat er wel kern van waarheid in de grap en daar moest ik aan denken toen ik het boekje “little science, BIG SCIENCE” van Derek, J. de Solla Price nog eens las.

Het boekje, verschenen in 1963, beschrijft een kwantitatieve studie naar de geschiedenis van de wetenschap. De Solla Price vroeg zich niet af wie de leidende figuren waren geweest in of hoe de prioriteitsstrijd tussen twee bekende wetenschappers was gelopen. Nee, in plaats daarvan stelde hij vast dat de wetenschap enorm gegroeid was sinds haar begindagen. Vervolgens handelde hij op een atypische manier voor een historicus: hij begon die groei zo precies mogelijk te meten, hij probeerde wetmatigheden vast te stellen en daaruit weer af te leiden wat die wetmatigheden betekenden voor de structuur van de wetenschap als geheel. Nu en in de toekomst. Hij bedreef dus een soort ‘natuurkunde’ van de wetenschapsgeschiedenis.

Groei, groei, groei

Eigenlijk is het boekje rondom één enkel prikkelend feitje opgebouwd: 80% tot 90% van alle wetenschappers die ooit geleefd hebben leven vandaag nog. Er zijn dus nu bijna 10x zoveel wetenschappers dan in de hele geschiedenis van de wetenschap bij elkaar. Wetenschap is dus heel erg iets van nu; het is modern; het is hedendaags. Terwijl wij onze kinderen op de middelbare school lastig vallen met lessen over Darwin, Newton en Einstein, weten we eigenlijk allang dat deze namen horen tot de tien procent van de wetenschappers is die er niet meer toe doen. Ik vond het al een knap duizelingwekkend idee dat alle belangrijke wetenschap recht onder onze neuzen gebeurt, maar het feitje waar ik mijn hoofd pas echt moeilijk omheen kreeg was het volgende. Dit is sinds 1600 altijd zo geweest.

Sinds die tijd, zo laat De Solla Price zien groeit de wetenschap namelijk al exponentieel. Natuurlijk is wetenschap gegroeid sinds het bedreven werd door berooide zonderlingen die alleen voor hun passie leefden en hooguit met brieven correspondeerden met een handjevol andere vreemde snuiters die zich in de wetenschap gestort hadden. Maar ook toen groeide de wetenschap al exponentieel.

Dit moet betekend hebben dat zij ook het gevoel hadden dat het wetenschappelijk wezen explodeerde en dat het niet meer bij te houden was welke nieuwe ontdekkingen elke dag overal gedaan werden. Ook in hun tijd verdubbelde het aantal wetenschappers, het aantal publicaties, het aantal leden van wetenschappelijke instellingen en het aantal ontdekkingen al elke 10 jaar. Dat zijn drie of vier verdubbelingen in één wetenschappelijke carière. Met de kennis van nu is het je misschien moeilijk voor te stellen dat iemand als Newton zich overweldigd voelde door de explosie van nieuwe wetenschap, maar er is voldoende bewijs dat wetenschappers uit die tijd dit zo beleefden. Ook zij zaten om tafel met de reuzen op wiens schouders ze stonden.

Waarom is het eigenlijk moeilijk je voor te stellen dat voor Newton de wetenschap even explosief groeide als voor ons? Een probleem is natuurlijk die mythe van de wetenschapper als eenzame zonderling. Daar klopt niet zoveel van. Ook in Newtons tijd was wetenschap al een bedrijf, maar wel een minder groot bedrijf met andere structuren. Het was bijvoorbeeld minder gespecialiseerd, het salarisgebouw zag er nog niet uit zoals nu en er waren ook andere communicatiemiddelen. Ook de taakstelling van de little scientist was eigenlijk heel anders. Wetenschappers uit de tijd van Newton rekenden het overzien van zo’n beetje alle kennis in de wereld nog tot hun taak, maar er is geen hedendaagse wetenschapper die zich dat nog in zijn hoofd haalt. Zo zijn er nog wel wat verschillen in structuur op te noemen en een aantal daarvan hangen samen met die explosieve groei van de wetenschap. Om dit soort verbanden tussen groei en interne structuur is het De Solla Price in zijn boekje te doen.

Stagnatie?

Laten we eerst maar even iets beter naar die groei zelf kijken. De wetenschap groeit al bijna 400 jaar exponentieel. Kan dat nog lang zo doorgaan? Nee natuurlijk. Voor wetenschap heb je mensen nodig met een bovengemiddelde intelligentie. Je kunt met goede scouting zorgen dat meer van die mensen in het wetenschappelijk bedrijf terecht komen en met goede scholing valt ook wel wat te bereiken, maar ergens is het potentieel wel op. Wetenschap kost bovendien veel geld, geld dat zich mogelijk op de lange termijn wel terug verdient, maar dat niet onmiddelijk brood op de plank brengt. Door de bank genomen is wetenschap een luxeproduct. Er zijn dus grenzen aan de groei. De Solla Price stelde de groei van de wetenschap dus als volgt voor.

logistische curve

Wat je ziet is een logistische curve. Eerst is er exponentiele groei, maar er is een limiet, waardoor na een bepaald moment de groeisnelheid afneemt zodat de groei steeds langzamer naar de limiet toe gaat. Interessant in dit plaatje is ook het pijltje met 30 jaar. Dit is de tijd die gezien de verdubbelingstijd van de wetenschap nodig is om het keerpunt in de curve te bereiken vanaf het moment dat de exponentiele groei over gaat in de logistische. In nog eens 30 jaar zit je effectief dicht bij de limiet. Als De Solla Price het pijltje met ‘present state’ goed heeft geplaatst (hij waagt zich in het boekje niet aan een echte voorspelling) zijn we, bijna 60 jaar verder, dus over de top heen en neemt de groei van wetenschap nu rap af.

Is dat een probleem? Het is zeker een gevaar voor onze wetenschappelijke concurrentiepositie. Landen die wetenschappelijk minder ver zijn hoeven namelijk het wiel niet opnieuw uit te vinden. Aan de hand van data over Japanse natuurkundigen laat De Solla Price zien dat het, met maar een handjevol “geïmporteerde” wetenschappers, maar een paar generaties kost om wetenschappelijk volledig mee te tellen.

Dat maakt het extra interessant naar het einde van de logistische curve te kijken. Is stagnatie het enige scenario voor het einde van de curve? De Solla Price bespreekt verschillende andere  scenario’s, zoals wilde oscillatie rondom het plateau of een terugval naar een lager niveau. Maar, één denkbaar scenario is ook dat we op de een of andere manier in slagen de regels van het spel te veranderen, waardoor weer nieuwe exponentiele groei mogelijk wordt. Zo iets is er bijvoorbeeld in het verleden gebeurd met deeltjesversnellers. Steeds als die aan de grenzen van hun kunnen kwamen werd er een nieuw type versneller uitgevonden.

Als de grenzen van de groei van wetenschap bepaald worden door het percentage van de bevolking dat er geschikt voor is lijkt het zeker niet waarschijnlijk dat het plafond makkelijk doorbroken kan worden. Toch zijn er ook dan wel een paar mogelijkheden. We kunnen artificele inteligentie inzetten bijvoorbeeld: eerst door nog meer samen te werken met computers, later misschien door de inzet van breinversterkende medicijnen en elektronische breinimplantaten.

Iets minder wild en futuristisch is de opkomst van het onderzoek buiten de traditionele wetenschap. Zo is een van de doelen van het moderne hoger beroepsonderwijs, met haar ‘universities of applied sciences’ om professionals sneller in contact te brengen met wetenschappelijke kennis. De groei van kennis mag dan stagneren, het gebruik ervan kan nog verbetert worden. Waardoor we de kenniseconomie misschien een nieuwe impuls kunnen geven.

Onzichtbare colleges

En dan de kernvraag van het boekje. Welke structuurwijzigingen hangen samen met de groei van wetenschap? De Solla Price laat zien dat niet alle aspecten van de wetenschap even snel groeien. Het aantal excellente wetenschappers groeit bijvoorbeeld veel langzamer dan het totaal aantal wetenschappers. Het wordt dus een steeds hiërarchischer systeem. Daarmee wordt het ook competitiever.

Dat heeft tot gevolg dat wetenschappelijke output fragmentarischer, gemeenschappelijker en specialistischer wordt. Fragmentatie is nodig vanwege de prioriteitsstrijd die ontstaat bij groei.

Het wetenschappelijk artikel is een voorbeeld. In Newtons tijd werden alle wetenschappelijke bevindingen nog door boeken verspreid. Maar, het is natuurlijk een beetje jammer als iemand anders net iets eerder een soortgelijk boek publiceert. Door informatie in artikelen te verwerken kun je sneller eigenaarschap claimen van een bepaald idee. Hoe groter de wetenschap, hoe kleiner het publicon (de kleinst publiceerbare eenheid).

Dat heeft weer tot gevolg dat wetenschap een gezamenlijker proces wordt. Als wetenschappers hun resultaten en gedachten eerder delen, zijn ze ook eerder in staat gebruik te maken van elkaars werk. Maar, zelfs bij kleinere publicatie eenheden zijn er grenzen aan hoeveel informatie je tot je kan nemen. Elke individuele onderzoeker moet een balans zien te vinden tussen het lezen van artikelen, het uitvoeren van wetenschappelijk werk en het schrijven van artikelen. Om dat zo efficiënt mogelijk te kunnen doen is het handig je te richten op een klein deel van het materiaal dat voor handen is. Specialiseren dus.

Deze drie ontwikkelingen samen brengen De Solla Price tot de hypothese van onzichtbare colleges. Volgens hem is het in de hedendaagse wetenschap nodig om intensieve samenwerkingen aan te gaan. In de onzichtbare colleges werken wetenschappers op veel intensievere basis samen dan in de publicatie cyclus (die nog altijd meer dan een jaar beslaat) mogelijk is. Deze groepen, van maximaal 100 wetenschappers sturen elkaar pre-prints hebben regelmatig contact tussen conferenties door. Ze combineren, fragmentatie, specialisatie en samenwerking om zoveel mogelijk output te bereiken en het hoofd boven water te houden in de steeds groeiende wetenschap.

Tot slot

Hoewel ik altijd wat sceptisch ben over het getalsmatig benaderen van een in en in inhoudelijk onderwerp als geschiedenis is “little science, big science” een onderhoudend en prikkelend betoog. Het is verleidelijk om eens met een paar eenvoudige basisprincipes en vogelvlucht over de wetenschap na te denken. En het geeft je, zeker, als wetenschapper eens de afstand om na te denken over je eigen rol in dit hectische exploderende wetenschappelijk bedrijf.

En Google Scholar? Ik ken veel onderzoekers die een sterke wil hebben om op zoek te gaan naar de bron van de ideeën die ze gebruiken. Dat kan natuurlijk beleefdheid zijn: ze hopen zelf ook ooit op deze manier als bron behandeld te worden, maar het kan ook wel een tegengif zijn tegen de hectiek die Big Science met zich mee brengt. Er wordt in de output gestuurde wetenschap natuurlijk heel veel ruis geproduceerd. In een context van wetenschappelijke overproductie brengen artikelen uit voorgaande tijden, die op de een of andere manier de tand des tijds overleeft hebben een relatieve zuiverheid en eenvoud. Dat maakt het de moeite waard er naar op zoek te gaan, zelfs als Google even niet meewerkt.

Meer lezen?

Over de zin en onzin van wetenschappelijke specialisatie schreef ik eerder in Helpt Specialiseren? In Grenzen betoog ik dat groei van kennis niet altijd nodig is. Over de nostalgische houding van veel wetenschappers en de houdbaarheid van de argumenten die ze daarvoor aanvoeren schreef ik in Stokoude Kennis. Ik schreef eerder over wetenschapssociologie in Lableven.

Het boekje “little science, BIG SCIENCE” is alleen nog 2e hands te verkrijgen of via een universiteitsbibliotheek, maar het is het lezen zeker waard.

 

EPR

In mijn blogje over gedachtenexperimenten haalde ik het Einstein – Podolsky – Rosen (ofwel het EPR) experiment al even aan. Ik beloofde toen dat ik er nog eens een apart blogje over zou schrijven. Nu het EPR experiment in Delft opnieuw in het echt is uitgevoerd en opnieuw Einsteins ongelijk aantoont kom ik daar natuurlijk niet meer onder uit. Opnieuw, inderdaad, want het experiment was al eens uitgevoerd, maar daar kom ik zo op terug. Eerst maar even de kwestie zelf. Om te kunnen snappen waarom het EPR experiment zo tot de verbeelding spreekt is het misschien nodig iets van de geschiedenis van de moderne natuurkunde te weten.

Het EPR experiment draait om de rol van toeval in de quantummechanica. Die quantummechanica is de natuurkunige theorie die het gedrag van kleine deeltjes (atomen en nog veel kleiner) beschrijft. De theorie is altijd onderwerp geweest van hevige discussie vanwege haar vreemdheid. Op het niveau van de kleinste deeltjes gebeuren dingen die je in het alledaagse leven weinig tegen komt. Zo blijkt dat de warmte in een warm voorwerp alleen vrij kan komen in de vorm van kleine energie brokjes, die een minimum grootte hebben. De manier waarop warmte uit een voorwerp komt is dus eerder te vergelijken met een emmer knikkers, waar je er  één voor één een uit kan halen, dan met een emmer water waar je ook hele minuscule druppeltjes uit kan halen. Eigenlijk kun je zeggen dat de natuur digitaal is en niet analoog. Of zoals natuurkundigen het zien: energie blijkt gekwantiseerd te zijn; daaraan dankt de quantummechanica zijn naam. Dit idee is voor het eerst geopperd door Max Planck in 1900.

Misschien vind je het idee van gekwantiseerde engerige geen opzienbarende ontdekking, maar Planck vond het idee van kwanta zo raar, dat hij er zelf eerst niet echt in geloofde. De enige reden dat hij het opperde was dat de straling die van een warm voorwerp af komt op deze manier goed te beschrijven is. Albert Einstein gaf de quantumtheorie vervolgens een flinke impuls toen hij in 1905 liet zien dat ook het foto-elektrisch effect, het ontstaan van elektriciteit als licht op een metalen plaat valt, goed te verklaren is door de aanname van gekwantiseerde energie. Nu waren er dus twee verschijnselen waar het idee van kwanta voor werkte en two makes a crowd. Voor deze ontdekking kreeg Einstein later de Nobelprijs. Wat volgde in de natuurkunde, waren een aantal duizelingwekkende jaren. Na het idee van energiepakketjes volgde namelijk nog een reeks natuurkundige theorieën die elkaar in vreemdheid naar de kroon staken, maar waarmee wel vaak de uitkomsten van experimenten verklaard en voorspeld konden worden. Einstein zelf was niet onverdeeld positief over deze nieuwe natuurkunde. Hoewel hij er eigenlijk zo’n beetje het startschot voor gegeven had en hoewel hij met zijn relativiteitstheorie toch had laten zien niet wars te zijn van vreemde ideeën over de natuur, zat één aspect van de quantummechanica hem erg dwars. Dit was de rol die toeval toebedeeld kreeg.

Einstein was namelijk een determinist. Hij geloofde, dat als je vandaag een oneindig precieze meting zou doen van het universum en je zou perfecte natuurkunde hebben, dat het universum van morgen  precies te voorspellen moest zijn. De quantummechanica sprak dit idee tegen. Één probleem was het onzekerheidsprincipe van Werner Heisenberg. Dit principe was een van die nieuwe natuurkundige theorieën. Heisenberg stelde dat je nooit tegelijk de snelheid en de plaats van een deeltje precies kon vaststellen. Volgens Heisenberg kon je de eigenschap van een deeltje alleen te weten komen door het te beïnvloeden. Als je de snelheid van een deeltje probeerde te meten beïnvloedde je de plaats en andersom. Met dit onzekerheidsprincipe stak hij een spaak in het deterministische wiel. Hij stelde namelijk dat het heelal onmeetbaar was. Je kun nooit precies weten hoe snel alle deeltjes gingen, tenminste niet als je ook wist waar die deeltjes waren. Het heelal voorspellen zat er dan ook niet in en teletransportatie trouwens ook niet. Toen de schrijvers van Star Trek kritiek kregen op hun verhalen over teletransportatie, omdat dit volgens het principe van Heisenberg onmogelijk was, bedachten ze snel een apparaat dat de Heisenberg compensator genoemd werd. Zo werd de serie gered van de werkelijkheid.

Nu is stellen dat de toestand van het heelal niet precies meetbaar is, nog iets anders dan stellen dat de natuur zich in het geheel niet voorspelbaar gedraagt. Heisenberg beweerde ook niet dat de natuur niet deterministisch is, maar anderen deden dat al heel snel wel. Onzekerheid, zo stelden zij, zit in de natuur ingebakken. Zelfs met een precieze meeting van het heelal, perfecte natuurkunde en eventueel een Heisenberg compensator, zou je volgens hen nog niet kunnen weten hoe het heelal er morgen uit ziet. Dat hangt helemaal van het toeval af. Hun kernidee was het idee van superpositie. Een deeltje dat in superpositie is, is in meerdere toestanden tegelijk. Electronen hebben bijvoorbeeld spin, ze kunnen bij wijze van spreken 1 rechtsom en linksom draaien. Het idee van superpositie stelt dat elektronen tegelijk linksom en rechtsom kunnen draaien. Pas als we de spin gaan meten ‘kiezen’ de elektronen een kant. Dit is een absurd idee en dat vond Einstein ook. Maar dat elektronen blijkbaar twee kanten tegelijk op kunnen draaien, was helemaal niet wat hem het meest dwars zat. Wat Einstein niet beviel was een gevolgtrekking uit deze theorie: als deeltjes in meerdere toestanden tegelijk kunnen zijn totdat ze gemeten worden, dan is de natuur niet deterministisch meer. Zij wordt fundamenteel onvoorspelbaar. Dat vond Einstein maar niets: “God dobbelt niet”, zei hij.

En dus ging Albert Einstein met Boris Podolsky en Nathan Rosen zitten om een gedachtenexperiment te verzinnen waardoor je meteen kon zien dat het idee van superpositie gewoonweg niet waar kon zijn. Om het ongelijk van aanhangers van superpositie aan te tonen gebruikten Einstein, Podolsky en Rosen het idee van tweelingdeeltjes. De toestanden van die deeltjes zijn gekoppeld. We kunnen dus twee deeltjes hebben waarvan we niet weten in welke toestand ze zijn (volgens het superpositieprincipe), maar waarvan we wel weten dat ze een tegengestelde spin hebben. Stel je een tweelingdeeltje voor zeiden de EPR auteurs, waarvan de afzonderlijke deeltjes heel ver, misschien wel een lichtjaar uit elkaar zijn gedreven. Vervolgens meten de we de spin van één deeltje. Dat springt volgens het superpositieprinciepe pas door die meting in een bepaalde spin. Het andere deeltje moet dat dan ook doen: maar… hoe ‘weet’ het ene deeltje dat een ander deeltje een lichtjaar verderop gemeten wordt?. Volgens Einstein kan er niets sneller bewegen dan het licht, dus even een boodschap over zenden kan niet. Er moet een magische werking op afstand zijn òf het superpositieprincipe klopt niet.­­­

In het EPR experiment staat dus met het superpositieprinciepe de vraag of de natuur deterministisch is op het spel. Dat is nogal wat. Toegegeven: het EPR experiment is niet het makkelijkst te begrijpen gedachtenexperiment dat ooit bedacht is, maar als gedachtenexperiment is het vrij overtuigend. Het superpositieprincipe zelf is al niet erg intuïtief, maar als er ook nog magische werking op afstand bij komt kijken, dan kan het toch bijna niet waar zijn. Exit toeval in de kwantummechanica. Toch? Nee dus. De man die Einstein in het ongelijk stelde heette Alain Aspect. Hij voerde in de jaren 80 van de vorige eeuw een experiment uit in de kelders van zijn laboratorium in Parijs waarmee door metingen aan deeltjes vastgesteld kon worden of de werking op afstand die in het EPR gedachtenexperiment zo een belangrijke rol speelt, bestaat. En zijn antwoord was ja. Deze deeltjes blijken te reageren zoals het superpositieprincipe voorspelt. Einstein had ongelijk en de natuur was ondeterministisch.

Hoe spectaculair het experiment van Alain Aspect ook was, het probleem met echte experimenten is dat de uitkomst ook bepaald kan zijn door de experimentele opstelling. Werden de metingen in Aspects experiment wel snel genoeg uitgevoerd? En zaten er geen andere fouten in de opstelling? Het experiment dat de Delfste wetenschappers eind Oktober gedaan hebben zou waterdicht moeten zijn. Alle mogelijke fouten in het experiment van Aspect, zijn geadresseerd. Er is ongelofelijk precieze apparatuur gebruikt. De opstelling gebruikt daarnaast glasvezels die over de hele campus liggen en is daarmee kilometers groot. Met al deze verbeteringen toonde het definitief Einsteins ongelijk aan. Nou ja definitief… ook het Delftse experiment zal wel weer ten prooi vallen aan allerlei kritiek op de details van de opstelling. Want dat is natuurlijk het probleem met echte experimenten: dat er foutjes in kunnen sluipen.

En dat soort foutjes geven weer ruimte om de controverse nog een tijdje te laten bestaan. Tot een nog groter en nog duurder experiment Einsteins ongelijk opnieuw aantoont of tot dat er een theorie bedacht wordt die ook de metingen verklaart, maar die intuïtiever is. Ik zou zelf inzetten op het laatste denk ik. Maar tot een dergelijke theorie gevonden is, is de wereld nog even ondeterministisch. Is dat erg? Ach, misschien is het ook alleen maar erg voor theoretisch natuurkundigen.

Meer Lezen?

Er is rondom het Delftse experiment natuurlijk veel pers geweest, waarvan ik het beeldverhaal over het experiment, dat de Volkskrant publiceerde het meest leeswaardig vond.

Ik schreef zelf al eerder een blogje over gedachtenexperimenten in het algemeen. En over het nut van echte experimenten in de blogjes “waardendragers” en “eksters”. Ook het blogje lableven over Bruno Latour’s studie naar de gang van zaken in een biomedisch laboratorium is gerelateerd aan dit blogje.

[1] Dit is echt ‘bij wijze van spreken’. Electronen kun je niet ‘zien’, ze zien er niet uit als balletjes en ze draaien waarschijnlijk al helemaal niet. Spin is een van de eigenschappen van electronen, maar het is een heel theoretisch/wiskundig concept.

Verkoudheid

Het is winter. De vraag of je van kou vatten verkouden kan worden, verdeelt dus weer hele volksstammen. Kun je verkouden worden door tocht in huis of door zonder jas naar buiten gaan? Of heeft verkoudheid in feite niets met kou te maken? Wetenschappelijk gezien is dit een onbeslist vraagstuk en dit blogje gaat ook niet over het enige juiste antwoord op de ‘kouvatvraag’. Waar het me hier om te doen is, is wat er onder de oppervlakte van de discussie speelt. De twee meest voorkomende antwoorden op de kouvatvraag zijn namelijk verschillende soorten antwoorden en  kamp waar je jezelf in bevindt, zegt dus misschien wel meer over je, dan je denkt. Hoor je bij het koukamp of het viruskamp?

Situaties die we allemaal kennen. Bob, een manneke van tien, rent half- November zonder jas naar buiten. Zijn moeder roept hem terug en doet hem snel een jas aan: “want anders vat je nog kou”. Vader bromt ondertussen: “je wordt helemaal niet verkouden van kou, je wordt verkouden van een virus”. Of neem mijn oma die als het tocht in huis altijd vraagt of de deur dicht mag: “anders heb ik zo weer een klets te pakken”. Een brommende oom uit het viruskamp vindt het al veel te warm in huis en laat nog even weten hoe het ‘echt’ zit: “het is een viiiirruuus….”. Iedereen kent wel een scenario zoals dit, of maakt het, als het weer zo blijft, binnenkort mee.

De koukampers denken dat je door kou verkouden kan worden. Ze beroepen zich op ervaring of op volkswijsheid. Voor viruskampers speelt kou geen rol en zij beroepen zich op hun kennis van de oorzaak van verkoudheid: het verkoudheidsvirus. Ik zal het maar meteen toegeven: ik hoor bij het koukamp. Ik ben een van die mensen die denkt dat kou wel degelijk een grote rol speelt bij verkouden worden.

In de herfst en de winter worden veel meer mensen verkouden dan in de zomer. Bij elke graad temperatuurdaling onder de 5 graden Celsius neemt het percentage verkouden mensen met bijna 20% toe. Het is dus niet zo vreemd dat koukampers denken dat die twee wel iets met elkaar te maken zullen hebben, én dat het heel verstandig is om je er tegen te beschermen. Misschien denken ze ook terug aan de laatste keer dat ze verkouden geworden zijn. Later konden ze zich precies herinneren wanneer ze kou gevat ‘moeten’ hebben. Voor verstokte koukampers is dit ruim voldoende bewijs om bij kou het zekere voor het onzekere te nemen. Ze laten zich dus ook niets wijs maken door mensen die er anders over denken, ook niet door een viruskamper met zijn verhalen over de skivakantie waar niemand verkouden is geworden.

Maar erg waterdicht is het verhaal van de koukamper natuurlijk niet. Het is heel vaak zo dat dingen samengaan zonder dat het ene het andere veroorzaakt. Bij goed weer verdrinken er bijvoorbeeld meer mensen. Toch is de oorzaak van die verdrinkingen niet de zon, maar zwemmen in de zee. Ook de herinnering van de koukamper aan het moment van kou vatten zegt niet zoveel. Zoals ik in mijn blogje over eksters al besprak, is het geheugen nogal selectief met het onthouden van bewijs. Alle tocht in huis die niet tot verkoudheid geleid heeft, wordt meteen vergeten. Dat ene zuchtje kou dat wel een verkoudheid opleverde, blijft stevig in het geheugen. Jaja: de herinnering aan tocht zorgt voor verkoudheid zeker?

De, vaak wat superieure reactie, van de viruskamper is dan ook best te begrijpen. De viruskamper stelt dat we nu eenmaal uit de wetenschap weten dat verkoudheid veroorzaakt wordt door een virus. Daarom is al die angst voor kou ongegrond en zijn alle voorzorgsmaatregelen overdreven. Bovendien is er die skivakantie.

Maar, ook het verhaal van de viruskamper is verre van waterdicht. Hij begaat wat in de filosofie wel een switcheroo genoemd wordt. Een switcheroo bega je als je een sterke stelling verdedigt met bewijs voor een zwakkere stelling. De stelling dat verkoudheid door een virus wordt veroorzaakt is een vrij bescheiden stelling die makkelijk te verdedigen is. Je hoeft alleen mensen te infecteren met het virus en dan aan te tonen dat een behoorlijk deel er verkouden van wordt.

Het gaat alleen al iets verder om te stellen dat het verkoudheidsvirus een noodzakelijke oorzaak is voor verkoudheid. Nu moet je ineens bewijzen dat er niemand verkouden wordt zonder het verkoudheidsvirus in zijn lijf. Dit is een behoorlijk zware bewijslast. Niettemin is hier zeker wetenschappelijk bewijs voor.

Maar, de viruskampers gaan nog een stap verder. Als je de voorzorgsmaatregelen die koukampers treffen bagatelliseert, stel je eigenlijk dat kou helemaal geen rol speelt bij verkoudheid. Eigenlijk stellen de viruskampers dat het virus de enige oorzaak is van verkoudheid.

Maar, kan verkoudheid niet een samenloop van omstandigheden zijn? De meeste gebeurtenissen in het echte leven zijn een samenloop van omstandigheden – ook dingen die door fysische wetten worden geregeerd zoals het weer. Misschien zijn er mensen die het verkoudheidsvirus al in hun lijf hebben en pas daadwerkelijk verkouden worden door kou – of omdat ze door een andere reden ‘bevattelijk’ zijn. Dat je in een samenloop van omstandigheden één oorzaak weet aan te wijzen betekent nog niet dat de andere oorzaken er niet toe doen.

Het is niet zo verwonderlijk dat de koukampers en de viruskampers allebei redeneerfouten maken. Maar waarom accepteren ze elkaars bewijsvoering zo slecht? Ik denk dat dat komt omdat ze een wezenlijk andere vorm van bewijs gebruiken.

Koukampers zijn holisten en ervaringsleerders. Zij hebben de beschikking over een overdadige hoeveelheid bewijs, want elke winter is het weer raak en worden er weer een heleboel mensen verkouden door onoplettendheid met de kou. Maar het is wel zwak bewijs en dat weten koukampers ook. Ze weten niet precies hoe het mechanisme van oorzaak en gevolg in elkaar zit. Overigens maakt dat ze – tot ergernis van de knorrige viruskamp oom – ook niet zoveel uit. Eventuele theorieën over hoe echt werkt zijn prima, zolang ze maar in lijn zijn met het bewijs waardoor de koukampers allang weten hoe het zit.

De viruskampers daarintegen, zijn eerder reductionisten en theoretici. Zij denken het mechanisme achter kouvatten te begrijpen en daardoor weten ze al hoe het zit. Ze hebben maar weinig bewijs, maar het is wel sterk bewijs. Ze laten zich dus ook niet door een dubieuze berg van zwak bewijs uit het veld slaan. Alleen een koukamper die kan laten zien welk mechanisme ervoor kan zorgen dat je van kou verkouden wordt, heeft een klein kansje bij een viruskamper.

Misschien lees je dit op een ongezellig feestje in de winter, waar je oom en je oma elkaar weer in de haren vliegen en maak je je nu zorgen over of we er ooit uit komen. En dat kan natuurlijk best. Zodra er een relatief makkelijk te begrijpen theorie komt die de koukampers in het gelijk stelt, maar bevredigend is voor viruskampers is er weer even harmonie in huis. Maar al snel begint de discussie opnieuw over een ander onderwerp. De kampen krijgen dan andere namen, maar bestaan waarschijnlijk uit dezelfde personen. Je kentheoretische natuur verloochend zich gewoon niet door het beslissen van zo’n onbeduidend onderwerp als verkoudheid.

Meer lezen?

Ik heb voor het schrijven van dit blogje gebruik gemaakt van een artikeltje van Wim Köhler in de NRC.Next van 30 November 2015.

Eerder schreef ik over volkswijsheid in mijn blogje over eksters. De twee kampen die ik hier onderscheid lijken erg veel op de twee kampen die ik in waarheidsinjecties al eens uit elkaar haalde.