Ongezond

Als de dokter een medicijn voorschrijft dan mag je hopen dat hij zich goed geïnformeerd heeft, dat de werkzaamheid van het medicijn is aangetoond en dat de bijwerkingen bescheiden zijn – en bekend. Misschien wil je ook nog dat het medicijn beter werkt, of anders toch goedkoper is, dan andere medicijnen op de markt. Om dat allemaal mogelijk te maken bestaat er een praktijk die evidence based medicine heet. Maar in de praktijk van ‘bewezen medicijnen’ gaat zoveel mis dat artsen eigenlijk geen fatsoenlijke medische beslissingen kunnen nemen.

Dat betoogt, althans, Ben Goldacre in zijn boek “Bad Pharma”. Het is een dikke pil waarin hij de praktijk van evidence based medicine helemaal afpelt. Hij laat zien hoe het zou moeten gaan, welke waarborgen er zouden moeten zijn en op hoeveel plekken het ook mis gaat. Als je evidence based medicine een warm hart toedraagt kan je van Goldacre’s betoog behoorlijk in de put raken, maar om het systeem te kunnen repareren moet je de fouten eerst blootleggen. Of, zoals Goldacre het brengt: “daylight is often a good disinfectant”.

Wat is er mis? Om dat te begrijpen moet je iets weten van de basisprincipes achter evidence based medicine. De gedachte is dat medicijnen grondig worden getest voordat ze (mogen) worden voorgeschreven. Dat gebeurt in zogenaamde “randomized controlled trials”. Het medicijn wordt aan een groep patiënten gegeven en een andere groep patiënten krijgt een nepmedicijn – een placebo -, of een concurrerend medicijn. Zo kan de werkzaamheid van het medicijn worden bewezen en kunnen artsen het daarna met een gerust hart voorschrijven.

Het kernprobleem in deze praktijk is ontbrekende gegevens. In essentie is het doen van een medische trial een kwestie van tellen. Hoeveel patiënten zijn gezond geworden in de groep die het medicijn kreeg? Hoeveel in de controlegroep? Is er geen verschil, dan werkt het medicijn niet; is het er wel, dan werkt het. Maar wat nou als je niet iedereen meetelt? Stel je voor dat je, bijvoorbeeld, mensen die gezond worden van het medicijn wèl telt en mensen waarvoor het niets doet niet. Dat lijkt flauw: alleen de gezonde mensen tellen, maar het is volgens Goldacre precies wat de farmaceutische industrie vaak doet.

Ontbrekende gegevens ontstaan grofweg op 2 manieren. Ten eerste worden er flink wat trials uitgevoerd, maar niet gerapporteerd. Neem Reboxetine, een anti-depressie-medicijn. Het medicijn had een positief resultaat in één trial waar 254 patiënten aan meededen. Maar toen onderzoekers gingen graven wisten ze zes, niet gepubliceerde, trials op te sporen met in totaal meer dan 2500 patiënten: zonder resultaat. Werkt Reboxetine? Waarschijnlijk niet. En in ieder geval niet zo goed als dat doctoren die alleen toegang hebben tot de gepubliceerde data denken.

Ontbrekende gegevens kunnen ook in een trial ontstaan, vaak vanwege praktische ingewikkeldheden. Hoe moet je bijvoorbeeld omgaan met mensen die uitvallen tijdens een trial. Tel je ze bij de groep voor wie het medicijn niet geholpen heeft? Dat kleurt je uitslag negatiever in dan misschien nodig. Of tel je ze helemaal niet mee en doe je alsof ze zich nooit ingeschreven hebben? Dat lijkt een neutrale keuze, maar dat is het niet. Omdat mensen die ziek worden van het medicijn of de bijwerkingen vaker afhaken, is de kans heel reëel dat het juist een positieve kleuring aan de resultaten geeft. Of wat te doen met trials die vroegtijdig gestopt worden? Niemand wil natuurlijk dat een trial langer duurt dan nodig. Mensen slikken experimentele medicijnen en noodzakelijkerwijs slikt een groep zieke mensen helemaal geen medicijn. Maar als je stopt zodra een trial een voldoende positief resultaat heeft, is de kans op een positief resultaat ook groter. Bij een negatief resultaat ga je door, waardoor het nog positief kan worden, maar bij een positief resultaat niet. Ook dan tel je gezonde patiënten zwaarder mee.

Deze problemen spelen in alle trials, niet alleen de trials die door de farmaceutische industrie worden uitgevoerd, maar daar gaat het, misschien niet helemaal onverwacht, wel veel vaker mis. Uit onderzoek blijkt dat als een trial is uitgevoerd door de fabrikant van een medicijn, in plaats van door een onafhankelijke instantie, de kans ongeveer vier keer zo groot is dat er een positief resultaat uitkomt. Dat hoeft geen fraude te zijn: het gaat eerder om ondeugdelijk onderzoek. Fabrikanten van medicijnen kunnen niet tellen. Of eigenlijk is het erger: ze rekenen zich rijk. En ja… verreweg de meeste trials worden uitgevoerd door de industrie. Een positieve trial is immers nodig om een medicijn op de markt te krijgen.

Allebei de vormen van verkeerd tellen zijn volstrekt gangbaar, maar ze vertroebelen het beeld voor artsen op een ontoelaatbare manier. Feitelijk hebben artsen, door het oppoetsen van trial data door de industrie, geen basis voor het nemen van deugdelijke medische beslissingen. Ze kunnen niet weten of een medicijn werkzaam is omdat de meeste informatie waarop ze zich moeten baseren ontbreekt en omdat die informatie waar ze wél beschikking over hebben alleen bestaat omdat het de fabrikant van het medicijn goed uitkwam. We praten hier niet over één medicijn of een beperkte groep maar voor veel, zo niet alle, medicijnen op de markt. En dat in een praktijk die over leven en dood gaat.

Dat is misselijkmakend natuurlijk. Dus zoekt Goldacre naar oorzaken. Hoe komt het toch dat zoveel data verloren gaat en achtergehouden wordt? Bij zo’n onderzoek komt de farmaceutische industrie er natuurlijk slecht af, maar ook de instanties die de goedkeuring voor medicijnen verlenen, academische tijdschriften, ethische commissies en de overheid laten volgens Goldacre veel te veel steken vallen. Door de bewijslast bij de industrie te leggen en door het ontbreken van waarborgen waardoor alle data ook beschikbaar zijn blijkt de praktijk van evidence based medicine wel heel schraal af te steken bij de ideeën die eraan ten grondslag liggen. En erg gezond is dat niet.

Meer lezen?

Bad Pharma is een bedachtzame aanklacht tegen misstanden in de praktijk evidence based medicin, het staat vol met feiten en inzichten waar ik in dit korte blogje natuurlijk geen recht aan kon doen. Lees het.

Dit is de eerste keer dat ik over evidence practice schrijf. Over de statistiek achter trials sprak ik (indirect) in groepsidentificaties en eerlijk vergelijken. Over de de werelbeelden die achter een diagnose schuil kunnen gaan sprak ik in verkoudheid.

Eerdere boekreviews gingen over Little Science, Big Science van Derek de Solla Price, The Meme Machine van Susan Blackmore , Laboratory Life en Science in Action, beide van Bruno Latour.

A Priori

Ik was laatst in een supermarkt en moest kiezen tussen grapefruits en sinaasappels. Zonder veel nadenken nam ik de grapefruits. Natuurlijk had ik even online kunnen gaan om uit te zoeken welke van de twee gezonder zijn. Of ik had na kunnen gaan hoeveel van beide opties ik het meest gegeten heb in de afgelopen tijd. Of ik had mijn vrouw kunnen appen met de vraag welke zij het lekkerst vindt. In al die gevallen had ik meer informatie gehad en vermoedelijk een beter besluit genomen. Maar ik deed het niet. Genoeg is genoeg, ook als het om informatie gaat.

Zo gaat het natuurlijk steeds. We nemen verreweg de meeste beslissingen in ons leven met onvolledige informatie en daar maken we ons meestal niet druk over. Toch zullen de meesten zeggen dat je beslissingen, als het enigszins kan, moet nemen op basis van de beste informatie die je kunt krijgen. Je moet er niet aan denken dat een dokter zich onvoldoende informeert voor hij een besluit neemt om je te laten opereren of dat een rechter op basis van een half gelezen dossier een straf uitdeelt.

Toch was het juist een berichtje over de rechtspraak – ze willen er algoritmes inzetten om de strafmaat te helpen bepalen – dat voor mij de vraag opriep of je altijd wel alles moet willen meewegen. Het korte antwoord was nee. Vaak moet je dat niet willen, zeker in de rechtspraak niet.

Vergeef me dat ik om dat toe te lichten er even wat wiskunde bijhaal. Het gaat hier om de wet van Bayes. Thomas Bayes was een Engelse predikant uit de 18e eeuw die de basis legde voor een speciaal soort kansrekening. Hij vroeg zich af hoe je bewijs uit een reeks experimenten mee kon nemen in de inschatting van een uitkomst. Zijn ideeën zijn ook zonder wiskundige basis goed te begrijpen.

Hoe groot is de kans dat er bij jou thuis ingebroken wordt? Er zijn zo’n 45.000 inbraken per jaar in Nederland en zo’n 7,5 miljoen huizen. Dat maakt de kans dat er in een willekeurig huis in Nederland ingebroken wordt zo’n 0,6 procent. Niet erg veel.

Nu zijn er natuurlijk veel redenen te bedenken waarom inbrekers jouw huis sneller zullen uitkiezen. Misschien heb je een hoekhuis, slechte sloten of woon je in een slechte buurt. Al die omstandigheden kun je meewegen in de statistiek. Je kijkt hoeveel vaker er in hoekhuizen ingebroken wordt, hoeveel vaker in slechte buurten en hoeveel vaker in huizen met slechte sloten en je vermenigvuldigt dit met de algemene kans dat er ergens ingebroken wordt. Misschien kom je dan zelfs wel op 2 of 3 procent uit.

Bayes zou zeggen dat de kans van 0,6 procent dat er in je huis ingebroken wordt de kans vooraf is, ofwel de a priori-kans. De kans nadat je alle relevante omstandigheden hebt meegewogen is de kans achteraf, ofwel de a posteriori-kans. Of om de inleiding er nog maar eens bij te halen: a priori zijn sinaasappels even goed als grapefruits, maar als ik meeweeg dat grapefruits iets gezonder zijn, ik er weinig van gegeten heb de laatste tijd en mijn vrouw een voorkeur heeft voor grapefruits winnen ze, a posteriori, de strijd om mijn voorkeur.

De wet van Bayes geeft ons krachtig wiskundig gereedschap om van ruwe inschattingen vooraf, meer verfijnde en precieze inschattingen achteraf te maken, door kennis van omstandigheden in te brengen. En dat is precies wat die algoritmen waar de rechtspraak gebruik van wil maken doen.

Stel dat je voor de rechter komt vanwege een licht vergrijp zoals winkeldiefstal. Om je strafmaat te bepalen weegt de rechter allerlei omstandigheden. Misschien werd je ertoe verleid doordat je foute vrienden hebt of misschien omdat je in de schulden zit. Misschien denkt de rechter dat er een grote kans op herhaling is omdat je het al eens gedaan hebt of misschien verwacht de rechter dat je nu je een keer gepakt bent het niet meer zal doen. De rechter past geen vaste straf toe op een vast vergrijp, maar wikt en weegt omstandigheden.

Dat laatste kan enorm verbeterd worden met de Bayesiaanse wiskunde die algoritmen gebruiken. Er bestaat al een databank met alle gegevens van verdachten: zijn ze bijvoorbeeld man of vrouw, allochtoon of autochtoon, arm of rijk? Dit soort gegevens zijn van heel veel rechtszaken uit het verleden bekend. Vervolgens kun je met de wet van Bayes in de hand uitrekenen wat de invloed is van al die eigenschappen op herhaling – en zo wiskundig bewijs gebruiken bij het bepalen van de strafmaat voor een allochtone, arme vrouw die iemand beroofd heeft.

Je kan dit natuurlijk zien als een verbetering. De rechter woog omstandigheden al mee bij het bepalen van de strafmaat maar nu is ze in staat dit op een preciezere manier te doen. Je zou het ook als een zorgelijke ontwikkeling kunnen opvatten. Het gebruik van algoritmen mechaniseert dat proces namelijk. En de rechter gaat zwaarder tillen aan die aspecten die je kan meten (zoals de kans op herhaling) en minder aan onmeetbare aspecten (zoals sociale invloed).

Maar, ik hoop dat het voorbeeld ook meer fundamentele vragen oproept. Verdien je als vrouw een lichtere straf omdat andere vrouwen minder vaak een tweede misdrijf hebben gepleegd? Of verdien je als allochtoon een zwaardere straf omdat andere allochtonen draaideurcriminelen bleken te zijn? Als het goed is voelt dat idee niet helemaal goed. Ineens blijkt de weging van individuele omstandigheden af te hangen van allemaal groepslidmaatschappen. Dat gaat tegen het gelijkheidsbeginsel in. Het is klassenjustitie.

Als je als individu voor de rechter staat dan wil je je als individu beoordeeld worden. Maar, vreemd genoeg moet de rechter dan heel terughoudend zijn met het wegen van persoonlijke omstandigheden. Want hoewel de rechter niet letterlijk Bayesiaanse wiskunde gebruikt, is het onderliggende denkproces natuurlijk vergelijkbaar. Elke inschatting over een omstandigheid is gebaseerd op groepslidmaatschap: andere gevallen waar die omstandigheden ook speelden. De paradoxale conclusie is dus dat het meewegen van persoonlijke omstandigheden het besluit minder persoonlijk maakt. Het gelijkheidsbeginsel vraagt eigenlijk om de a priori benadering: vaste straffen voor elk vergrijp.

Meer lezen?
In glazen bol besprak ik het gebruik van algoritmen bij de politie al kritisch. In groepsidentificaties en in eerlijk vergelijken lichte ik de relatie tussen groepslidmaatschappen en individuen al eens door. In IQ en waarheidsinjecties besprak ik al eens wat de impact kan zijn van een overdreven focus op metingen.

De zwarte dozen van Bruno Latour

Hoe komen wetenschappelijke feiten eigenlijk tot stand? Door experimenten. Althans dat is het antwoord dat veel mensen zullen geven. Het is ook een mooi beeld. Zo’n experiment heeft iets puurs. Feiten openbaren zich alleen in laboratoria omdat zij daar, dankzij de inventiviteit van de wetenschappers die er werken, losgekoppeld worden van alle rommelige context waar ze zich normaal in verstoppen. Dat is natuurlijk romantische onzin. Want wat kom je eigenlijk tegen als je de totstandkoming van feiten wetenschappelijk gaat onderzoeken?

Ik schreef al eens over het onderzoek van Bruno Latour naar de werking van de wetenschap in Lableven. Latour laat, dat zal je niet verbazen, weinig heel van de romantische ideeën die veel mensen hebben over de wetenschap. In dit blogje bespreek ik zijn bekendste werk, waar ik ooit de naam voor deze blog van geleend heb: “Science in Action”.

Het ideaalbeeld dat veel mensen hebben van wetenschap wordt gevoed door hoe we over wetenschap schrijven. Wetenschappers zelf, maar ook wetenschapsfilosofen, richten zich eerder op hoe wetenschap zou moeten zijn dan op hoe wetenschap is. Latour stelt zich anders op. Hij zegt dat wetenschap alleen begrepen kan worden door de praktijk te bestuderen. Dat doet hij dus ook, eerst in “Laboratory Life” en later in “Science in Action”. Latour laat daar zien dat wetenschappelijke feiten niet ontdekt, maar in de loop der tijd gesponnen worden.

Zwarte dozen…
Om dit te verduidelijken gebruikt Latour het begrip van de zwarte doos. Het begrip ‘zwarte doos’ wordt gebruikt voor technologie die te complex is om helemaal te begrijpen. We kennen de input en de output, maar hoe de machine erin slaagt de vertaalslag tussen die twee te maken blijft verborgen. Hoe het vanbinnen werkt, maakt niet uit; we vertrouwen gewoon op de output.

Wetenschappelijke feiten, zoals de dubbelhelix structuur van DNA, zijn net als die zwarte dozen. Toen DNA voor het eerst werd ‘ontdekt’, was het helemaal niet zo duidelijk wat die structuur was of wat het belang ervan was. Nu zien we de dubbele helix als een gegeven en is de complexe context van ontdekking voor ons verborgen. De dubbele helix is een zwarte doos geworden.

We kennen die wetenschap van de zwarte dozen goed. We leren de zwarte dozen op school: de aarde is rond, de zon een ster, dingen vallen door zwaartekracht, soorten ontstaan in evolutie, erfelijkheid, genetica, DNA. Allemaal dingen die je niet in twijfel hoeft te trekken. We zien de wetenschap vervolgens graag als een proces dat zulke onbetwistbare kennis oplevert. Wat kan het anders zijn? Maar de andere kant is de wetenschap in actie: het rommelige proces waarin die feiten tot stand komen. Dit is minder bekend. Hoe wordt een feit een feit? We moeten de zwarte dozen weer open zien te maken.

Doen we dat met de ‘dubbelhelix-doos’ dan zien we het gepuzzel van Watson en Crick. Er zijn mensen die geloven in een drievoudige helix en mensen die denken dat het helemaal geen helix kan zijn. Watson en Crick hebben het ook niet helemaal uitgedokterd: kan het chemisch wel? En als het zo zou zijn, helpt het de biologie dan verder? We zien de baas van Watson, die vindt dat ze zich met belangrijkere dingen bezig moeten houden. We zien hoe Watson en Crick zelf stukje bij beetje in het idee gaan geloven en hoe ze langzaam de ene na de andere collega in het lab weten te overtuigen. Ze publiceren de structuur. Het komt in het prestigieuze tijdschrift Nature.

Het spinnen van feiten…
Het geloof in de dubbele helix is dus langzaam gegroeid, in steeds bredere kring. Wanneer wordt de dubbele helix een feit? Hoeveel wetenschappers moeten er dan in geloven? Of was het al een feit en worden al die mensen daardoor overtuigd? Of zijn dit misschien twee kanten van dezelfde medaille, die op een dag omdraait? Om deze vragen te beantwoorden, onderzoekt Latour hoe wetenschappers elkaar overtuigen van hun gelijk: hij onderzoekt wetenschappelijke retoriek.

Je kunt de rijping van wetenschappelijke ideeën tot feiten goed volgen door wetenschappelijke retoriek te bestuderen. Wetenschappers kunnen bevindingen meer of minder feitelijk opschrijven. Een feitelijke vorm is: “de zon staat in het centrum van het heelal”. Een minder feitelijke vorm: “Galileo Galilei beweert, tegen de algemeen geaccepteerde ideeën van Aristoteles in, dat de zon in het midden van het heelal staat”. In het tweede geval ga je vanzelf twijfelen aan hoe het zit met de aarde en de zon. Die twijfel wordt gezaaid door de context van ontdekking mee te geven. Galileo zou er ook naast kunnen zitten, zeker omdat hij de grote Aristoteles tegenspreekt. Door alle context weg te laten wordt het juist meer een feit. Wetenschap in actie is onzeker en speculatief; de gestolde wetenschap niet.

In wetenschappelijke artikelen kun je goed zien dat de discussie nog in volle gang is. Wetenschappers trekken meestal een heel blik overtuigingstechnieken open om hun gelijk te krijgen. Ze staven hun beweringen met referenties naar anderen die soortgelijke dingen beweren; ze dekken zich in tegen wetenschappers die anders beweren; ze bouwen hun betoog gelaagd op, zodat hun bewering zo waterdicht en feitelijk mogelijk lijkt. Dat maakt wetenschappelijke papers zo moeilijk om te lezen. In een luchtig betoog schiet je veel gemakkelijker gaten. Dat komt wetenschappers, die hun prille ideeën geaccepteerd proberen te krijgen, natuurlijk niet goed uit.

Uit het bestuderen van het publicatieproces trekt Latour de conclusie dat anderen bepalen of een wetenschappelijke bewering als feit wordt gezien – of juist niet. Hoe slim je experiment ook is, of hoe baanbrekend je ideeën: wat uitmaakt is hoeveel wetenschappers naar jouw paper refereren, welke dat zijn en hoe feitelijk ze jou in die referenties aanhalen. Feiten ontstaan in een sociaal proces tussen wetenschappers. Het helpt zeker als je de natuur aan je kant hebt staan, maar de kunst is allereerst om andere wetenschappers te overtuigen.

Misschien vind je deze analyse van wetenschappelijke literatuur wat onbevredigend. Je kunt wel stellen dat feiten ontstaan in het sociale publicatieproces, maar al die publicaties gaan toch ergens over? Moeten we, als we willen weten hoe feiten tot stand komen, de ‘echte’ bron van die kennis niet bezoeken? Het laboratorium?

In het lab…

Dus neemt Latour ons mee het lab in. Maar ook het bezoek aan het laboratorium kan een teleurstellende ervaring zijn. Het lab staat op zichzelf weer vol met zwarte dozen. Als we in het lab om een reproductie van een belangrijke grafiek uit het artikel vragen, zien we op een bepaalde manier meer dan in het artikel staat. We kunnen nu echt zien hoe de grafiek tot stand komt: door een complexe opstelling van apparatuur, elektronica, protocollen. Maar we zien ook minder dan in het artikel, want we moeten elke stap in het proces en elk apparaat doorgronden en vertrouwen om een klein beetje zicht te krijgen op de ‘werkelijkheid’ achter de grafiek. Het lab staat zelf weer vol met zwarte dozen. Eigenlijk is de enige manier om echt grip op het experiment te krijgen, dan maar zelf een even ingewikkeld lab te bouwen en daar het experiment nadoen. Het is deze strijd tussen laboratoria die we in de literatuur terugzien.

Als we een experiment gaan bekijken, verwachten we de naakte feiten te kunnen zien: we verwachten een openbaring van de natuur. Maar in werkelijkheid zien we net zoiets als in het artikel: een zorgvuldig geconstrueerde, vaak uiterst kwetsbare, schakel in technische en theoretische argumentatie. Net als in het wetenschappelijke artikel is de natuur in het lab alleen indirect aanwezig.

Vooruit: je mag hopen dat de natuur uiteindelijk het debat tussen wetenschappers beslecht, maar zolang de kennis nog in ontwikkeling is, is óf en hoe de natuur zich via het experiment laat kennen juist het onderwerp van de discussie. Totdat wetenschappers het hier over eens zijn, kan de natuur het debat niet beslissen. Latour stelt daarom dat je als je wetenschap in actie bekijkt wel relativist moet zijn: hoe we de natuur zien is het resultaat van de wetenschappelijke controverse – het is een sociaal proces. Terwijl je als je naar gestolde wetenschap kijkt je wel realist moet zijn: uiteindelijk hebben we na veel discussie en een reeks ingewikkelde experimenten de natuur begrepen zoals hij écht is. Want, hoe indirect ook, als de natuur in al die experimenten niet een rol gespeeld had, was de controverse nooit geëindigd.

Tolken in groeiende netwerken….
Is de vorming van feiten uit speculaties nog beter te volgen? Daarvoor moeten we volgens Latour het lab weer uit en proberen om het sociale proces tussen wetenschappers in meer detail te bestuderen. Stel je voor dat je een onderzoeker bent die van een controverse een zwarte doos wil maken. Dan zal je anderen mee moeten krijgen. Je zult moeten zorgen dat anderen geïnteresseerd raken in jouw ideeën en dat ze jouw feiten-in-wording willen, ofwel moeten, gebruiken. Dat kan natuurlijk door aan te sluiten bij de interesses van anderen of door mensen te overtuigen dat wat jij doet in hun belang is. Ook zal je tot op zekere hoogte hun gedrag moeten controleren. Als anderen je werk op een heel andere manier gebruiken dan jij had voorzien ben je daar niet per se beter mee af.

Naast een inhoudelijke dimensie heeft wetenschap dus ook een politieke dimensie. De ene dimensie is niet te begrijpen zonder de andere. Het is een proces waarin je gelijktijdig mensen moet aanhaken bij je project, ze tot op zekere hoogte moet controleren, terwijl je de realiteit definieert. Die buitenkant van de wetenschap is zeker zo belangrijk als de binnenkant. De peperdure laboratoria waarin wetenschappelijke ontdekkingen gedaan worden, bestaan bij gratie van mensen die erin willen investeren, mensen die op hun beurt hun eigen belangen najagen. Latour licht dit toe aan de hand van Charles Lyell, de grondlegger van de geologie.

Lyell leefde in een tijd waarin het als een feit beschouwd werd dat de aarde door God geschapen was en waarin je de geschiedenis van de aarde alleen kon bestuderen aan de hand van de Bijbel. Hij had dus geen wetenschappelijke collega’s, maar had die wel nodig om zijn werk niet als een theorietje van een overenthousiaste amateur weg te laten zetten. Omdat hij geen wetenschappelijke gemeenschap om zich heen had, kon hij ook geen financiering regelen of studenten opleiden. Er was geen netwerk waarbinnen de piepjonge geologische wetenschap kon groeien.

Lyell slaagde er ondanks die beperkingen in om iets van de grond te krijgen, maar er zijn natuurlijk veel meer onderzoekers die er voortijdig – soms zelfs al tijdens hun promotie – mee stoppen. Er zijn twee soorten wetenschappers die niet zonder elkaar kunnen bestaan. Enerzijds de prof die nauwelijks nog onderzoek doet, maar zijn tijd besteedt aan netwerken, financiering regelen en ambassadeurschap. Anderzijds de onderzoeksassistent, die dag in dag uit in het lab aan het zwoegen is om de natuur haar geheimen te ontfutselen. Lyell combineerde beide soorten wetenschapper in één persoon, terwijl in moderne universiteiten en onderzoeksinstituten een hele machinerie van rollen en taken bestaat.

Dat betekent ook dat een groot deel van de mensen die cruciaal zijn in het wetenschappelijke proces helemaal geen wetenschapper zijn. Ze vervullen een rol om het netwerk klaar te maken en in te zetten voor de nieuwe kennis. Het is volgens Latour ongepast om de wording en verspreiding van wetenschappelijke kennis los van elkaar te zien. Nieuwe kennis wordt niet in het lab gemaakt en sijpelt dan door naar de samenleving. Ze vormt zich eerder in een breed netwerk van verschillende groepen met verschillende belangen. Daarom kun je het onderliggende proces beter begrijpen als een vertaling dan als een verspreiding. Bij een verspreiding denk je aan de situatie waarbij feiten eerst definitief gemaakt worden en daarna uitgedeeld. Maar zo schetst Latour het niet. Een feit komt tot stand doordat verschillende groepen, die er allemaal iets anders mee willen en voor wie het allemaal iets anders betekent, het als zodanig gaan gebruiken. Elk van die groepen heeft een eigen vertaling nodig.

Actie op afstand…
Toch is het niet vreemd dat mensen willen investeren in wetenschap. Ze maakt actie op afstand mogelijk. Als Latour zich buigt over hoe wetenschappelijke kennis verschilt van alledaagse kennis, stelt hij dat wetenschappelijke kennis eigenlijk samengebalde ervaringskennis is.

Toen de ontdekkingsreizigers in Azië aankwamen, kenden ze het landschap minder goed dan de oorspronkelijke inwoners. Maar dankzij hun instrumenten konden ze dit wel beter in kaart brengen en relateren aan stukken van de wereld die de Aziaten niet kenden. De dammen die in de Nederlandse delta gebouwd zijn, zijn beter dan dammen die je op basis van ervaring zou bouwen, omdat een schaalmodel de ingenieurs in staat heeft gesteld allerlei dingen uit te proberen en bloot te stellen aan alle voorkomende weertypen. Dit zou op de werkelijke schaal nooit mogelijk zijn en zo kunnen de ingenieurs meer ervaring opdoen dan dammenbouwers die zonder modellen werken.

Hier komen de zwarte dozen weer om de hoek kijken. De cartografen kunnen alleen maar kaarten maken door instrumenten die samenballingen zijn van de kennis van anderen. De waterkundigen gebruikten theorie van anderen over turbulentie. Ze profiteren van het collectieve en cumulatieve karakter van de wetenschap.

Wetenschap is volgens Latour te zien als het verzamelen, coderen en circuleren van sporen. Actie over afstand wordt mogelijk door de gebeurtenissen van ver weg en lang geleden mee te nemen naar het hier en nu. Ervaring moet mobiel worden, zodat het niet uitmaakt waar ze is opgedaan. Ze moet stabiel worden zodat ze onderweg niet kan veranderen of verweken. En ze moet combineerbaar worden, zodat verschillende ervaringen opgeteld en samengebald kunnen worden. De rol van inscripties, grafieken, formules, wiskunde en modellen is precies dit: zorgen dat je representaties van de werkelijkheid mobiel, uniform en herbruikbaar worden.

Dit mag wat kosten, want de voorkennis over de natuur die zo ontstaat helpt de volgende serie wetenschappers. Het is alsof ze de verschijnselen waar ze mee te maken hebben al kennen, omdat ze voort kunnen bouwen op gecodeerde ervaring. Tegelijkertijd schept deze manier van werken, het steeds verder coderen en samenballen van kennis een afstand tussen de wetenschap en datgene wat ze bestudeert. Sommigen vinden het vermogen tot voorspellen de grote kracht van de wetenschap, maar zulke voorspellingen zijn niet hetzelfde als de praktijk, ze raken de werkelijkheid nooit helemaal.

Wat wetenschappers kunnen voorspellen is alleen hoe hun eigen instrumenten zich in de buitenwereld zullen gedragen. Doctoren, bijvoorbeeld, hebben veel van die instrumenten. Ze vormen feitelijk een extensie van het wetenschappelijke netwerk. Zonder die instrumenten kan een dokter zijn kennis niet of nauwelijks aanwenden. Zo is ook een landkaart in de praktijk niet veel waard als  er niet een hele reeks richtingwijzers op de grond bestaan die een verbinding leggen tussen de echte en de wetenschappelijke werkelijkheid van de kaart. De lange, technische arm van de wetenschap vereist specifieke kennis en technologie.

Wetenschap in actie…
In Science in Action zet Latour een nieuwe theorie van de wetenschap en de totstandkoming van feiten neer, door precies na te gaan hoe wetenschappers te werk gaan. Hij traceert hoe feiten ontstaan uit discussies tussen specialisten, hoe wetenschappers zich moeten organiseren om dit mogelijk te maken en wat er in de samenleving verandert door deze praktijken.

Wetenschappers vormen hun ideeën in nauwe fragiele netwerken, die uiteindelijk hun tentakels tot diep in de samenleving kunnen uitspreiden. Daarvoor is het wel nodig om van hun ideeën een zwarte doos te maken, die iedereen wil – en kan- gebruiken zonder er nog vragen over te stellen. Dat is een door en door sociaal en technisch proces, waarin ideeën, mensen, belangen en apparatuur een allesbepalende rol spelen. Latour doet een poging de zwarte dozen open te maken, maar wat er uit komt is zo’n complex en subtiel spinsel dat, eerlijk gezegd, de behoefte de dozen dicht – en de feiten dus de feiten te laten – haast onweerstaanbaar is.

Meer lezen?
In Lableven bespreek ik het boek Laboratory Life van Bruno Latour. Over de ‘ontdekking’ van de dubbele helix in Helix. Andere boekbesprekingen op deze blog vind bijvoorbeeld je in de taalpragmatiek van Herbert Clark en in Big Science.

Het netwerkkarakter van kennis besprak ik eerder in kennisnetwerken en sociale kennisnetwerken.

Glazen Bol

Zou het nu toch werkelijkheid worden? Dat iedereen – of vooruit, misschien alleen bedrijven – gaan beschikken over een glazen bol waarin ze de toekomst kunnen zien? Ik las in de krant dat het algoritme oprukt in de bestuurspraktijk. Het “wenkende perspectief” is predictive policing. Met data komen we er straks achter waar in de stad bijstandsfraude, hennepaanplant of schoolverzuim het grootst is. Het bericht liet zien hoe big-data plannetjes werkelijk overal opduiken en hoe weinig we er bij stilstaan hoe wenselijk dat eigenlijk is.

Wenkend perspectief. Het zong nog wel even door mijn hoofd. Ik dacht: écht? Predictive policing? Onwillekeurig moest ik aan de film Minority Report denken. Drie “precogs” – een soort helderziende dames – liggen in een tank met draden aan hun hoofd en stellen de politie in staat misdaden te voorspellen; en zodoende ook te voorkomen. Totdat de precogs voorspellen dat een van de politieagenten, gespeeld door Tom Cruise, zelf een moord zal begaan. Spanning alom.

Dat beeld van die precogs is heel treffend. Het is magisch, technisch, realistisch. Niemand weet precies hoe die precogs kunnen voorspellen, maar de draden aan hun hoofd suggereren dat het allemaal heel hightech is – en dat het heus wel zal kloppen wat de dames voorzien. En wat maakt het ook uit dat we niet weten hoe het werkt, als de voorspellingen maar juist blijken te zijn. De vraag die in Minority Report aan de orde komt, is: “wat als de politie een hele goede glazen bol had”? Technische snufjes helpen om dat idee voor de moderne mens geloofwaardig te maken.

En daar staan we dan, met onze big data en algoritmes. Daarmee kunnen we de mensen van passende advertenties voorzien, we kunnen verkiezingen kantelen – en als het een beetje meezit, kunnen we binnenkort wat criminelen oppakken, nog voordat ze hun misdaad begaan hebben! Niemand weet precies hoe die algoritmen werken – ook de makers niet-, maar het perspectief lonkt alvast.

Wat moeten we hiervan denken? Ik was deze week bij een praatje van een mevrouw van Google, die goed uitlegde hoe dit soort algoritmes werken, maar ook een ontnuchterend verhaal hield over die hele big data hype. In een notendop was haar boodschap om er niet te veel achter te zoeken: big data is gewoon statistiek, maar dan beter. En: sciencefiction is een verkeerde raadgever als het om het begrijpen van nieuwe technologieën gaat.

Met dat eerste ben ik het eens, maar met dat laatste niet. De verwachtingen rondom big data zijn duidelijk overspannen. Het is gewoon statistiek en hoewel het aardig lukt om een idee te krijgen van welke boeken we interessant vinden zijn veel andere problemen nog veel te moeilijk voor computers. Maar science fiction geeft ons wel degelijk een inkijkje in wat er kan gebeuren als we ons te veel door die ontwikkelingen laten meeslepen. Minority Report legt het probleem, of eigenlijk de twee problemen, van het gebruik van zulke voorspellingen feilloos bloot.

Het eerste probleem is natuurlijk dat voorspellingen alleen maar accuraat kunnen zijn als we ze niet gebruiken. We kunnen voorspellen wat er allemaal voor naars gaat gebeuren door de klimaatverandering, maar als we daardoor de klimaatmaatregelen gaan treffen die ervoor zorgen dat het lekker koel blijft op aarde, dan komen die voorspellingen niet uit.

We voorspellen wat het klimaat gaat doen in de hoop het nog te kunnen veranderen. Maar als we het veranderen klopt de voorspelling niet meer. We kunnen dus niet tegelijkertijd een betrouwbare voorspelling doen en naar die voorspelling handelen. Het gebruik van de voorspelling haalt de basis – de aanname dat de dingen grosso modo hetzelfde blijven- onder de voorspelling weg.

Het tweede probleem is dat het oneerlijk is om iemand te straffen voor iets waarvan alleen maar voorspeld is dat hij het gedaan heeft. In Minority Report worden criminelen opgepakt voordat ze hun misdaad gedaan hebben; ze worden dus gestraft voor iets wat helemaal niet gebeurd is. Iedereen voelt aan dat daar iets niet in de haak is; hoe nauwkeurig die precogs ook mogen zijn.

Jammer genoeg doen we dit vaak genoeg. We voorspellen studiesucces om studiekeuze te bepalen, waarmee we het behalen van een slechte studievoorspelling afstraffen met een mindere opleiding.

Als voorspellingen alleen geldig zijn in een wereld die niet te beïnvloeden is, is het niet goed om het lot van mensen ervan afhankelijk te maken. We zadelen ze dan op met dingen die nog niet gebeurd zijn en dankzij de voorspelling misschien ook wel niet gaan gebeuren. Hoe goed we machines ook leren voorspellen, het gebruik ervan deugt gewoon niet.

Veel van de dingen die misschien gaan kunnen met big data en algoritmen moeten we dus helemaal niet willen. We gaan onszelf voor de gek houden door stevig in te zetten op voorspellingen, die we vervolgens intensief willen gebruiken. En die twee dingen gaan niet samen. Er is niets lonkends aan predictive policing: het is een nachtmerrie.

Gelukkig is er die andere vaststelling van de big data specialisten: het zal zo’n vaart niet lopen. Die big-data voorspellingen worden nooit zo goed als we nu denken; en we zullen, met vallen en opstaan, ook wel leren om er verstandig mee om te gaan.

Anderzijds, dit zijn natuurlijk ook maar voorspellingen.

Meer lezen?

In in opdracht van de tijd, ga ik uitgebreider in op wat er mis kan gaan als je switcht van voorspellen naar beïnvloeden. In IQ ga ik dieper in op de nadelen van het voorspellen van studiesucces. In zelfvervullend ga ik dieper in op de self-fulfilling prophecy. 

IQ

Ik houd een lijstje bij met slechtst begrepen wetenschappelijke begrippen en bijna bovenaan, ver boven relativiteit, staat IQ. Mensen schijnen over IQ onder andere te geloven dat het echt bestaat, dat we weten wat het is – èn dat we er nuttige dingen mee kunnen doen. Allemaal hardnekkige misverstanden. IQ vormt een perfect voorbeeld van wat er allemaal mis kan gaan als je iets gaat meten.

Even een prikkelend feitje over IQ: het IQ van de wereldbevolking gaat al jaren omhoog. Dit stijgende IQ wordt het Flynn-effect genoemd, naar de psycholoog James Flynn die liet zien dat de gemiddelde Amerikaan tussen 1932 en 1978 zo’n 10% slimmer was geworden. Of Amerikanen nog steeds elk jaar slimmer worden durf ik niet te zeggen, maar de rest van de wereld wordt dat blijkbaar wel.

Dat is natuurlijk heel erg fijn voor ons allemaal. Maar het roept ook heel erg veel vragen op. Want was het IQ niet een meting van een aangeboren eigenschap? Is intelligentie niet het best te begrijpen als een soort van talent om moeilijke dingen te snappen, te leren en misschien om in het algemeen handige dingen te doen? Hoe kan het dat de genen van onze soort zo snel veranderen dat we in razend tempo slimmer worden? Is er soms een sterke selectiedruk op intelligentie in onze maatschappij?

Het antwoord laat zich raden: intelligentietests meten helemaal geen intelligentie. Tenminste niet als je dat ziet als een aangeboren leertalent. IQ-tests stellen vast hoeveel lastige puzzels je in een bepaalde tijd kan oplossen. Ze meten dus breinprestaties op een bepaald moment en niet het leertalent wat daarvoor gezorgd heeft. Breinprestaties zijn natuurlijk van veel meer dingen afhankelijk dan je aangeboren talenten. Heb je meer scholing gehad, of specifieke IQ-testtraining? Dan doe je het beter op IQ-tests.

Nu zou je kunnen zeggen dat breinprestaties op een bepaald moment een aardige voorspeller kunnen zijn van leervermogen gedurende een bepaalde tijd, maar dan ga je er wel vanuit dat leervermogen een constante is. Dat hoeft natuurlijk niet zo te zijn. Steeds als je iets leert verandert je brein een beetje. Zou een dergelijke verandering niet ook kunnen zorgen dat je daarna gemakkelijker nieuwe dingen leert? Met andere woorden: zou het kunnen dat je leertalent afhankelijk is van wat je leert?

Veel wetenschappers denken tegenwoordig van wel. Dit wordt fluïde intelligentie genoemd. Onderwijs verhoogt niet alleen je vermogen om puzzels op te lossen, maar ook je vermogen om te leren om puzzels op te lossen. Intelligentie is niet alleen aangeboren: je kan ook leren om intelligent te zijn.

Daarmee blijft er weinig over de aannames achter de intelligentietest: intelligentie is een aangeboren eigenschap, die je kunt meten. Dat zou allemaal niet uitmaken als IQ-tests een aardige voorspelling zouden geven van dingen waar je wat aan hebt in het leven: bijvoorbeeld studiesucces of succes in een toekomstige baan. Maar ook dat blijkt tegen te vallen: IQ-tests kunnen bar weinig voorspellen. Niet alleen omdat de IQ-tests zelf niet deugen, maar ook omdat er meerdere soorten intelligentie zijn en omdat heel andere menselijke eigenschappen zoals doorzettingsvermogen of een houding ten aanzien van leren veel belangrijkere voorspellers blijken te zijn van later succes.

Ik heb zelf veel te danken aan een IQ-test. Mijn basisschooldocent dacht dat ik beter naar de Mavo kon, maar de IQ-test die ik deed wees Havo uit – en daar ging ik dus heen. Op de Havo – en later op de universiteit – ontwikkelde ik vervolgens veel van mijn huidige talent om te leren. Ik dank mijn IQ dus aan een IQ-test. Want stel je eens voor dat die test Vmbo had uitgewezen, dan was ik vast lang zo slim niet geworden. IQ-test worden dus eigenlijk verkeerd gebruikt. We doen alsof IQ-tests iets belangrijks kunnen voorspellen, maar ze veroorzaken dingen.

Dat is niet erg als ze positieve dingen zouden veroorzaken, zoals in mijn geval, maar vaker gebeurt het tegenovergestelde. We gebruiken de IQ-test tegen de laatbloeiers in onze samenleving. Ben je niet snel genoeg slim geworden, dan krijg je dankzij het gebruik van de IQ test geen kans meer om van een dubbeltje naar een kwartje te groeien. Naar vind ik dat.

Als we de balans opmaken voor IQ-tests komen we op het volgende ontluisterende lijstje. IQ-tests maken op basis van breinprestaties op een bepaald moment een schatting van het gemiddelde leervermogen tot dan toe, waarbij de omgeving weggedacht is en het feit dat leertalent kan veranderen weggedacht wordt. Vervolgens doen we net alsof dat IQ allerlei successen kan voorspellen, terwijl we allang beter weten. IQ meten is een beetje koffiedik kijken in psychologie-vermomming.

Dat roept de vraag op hoe het zo ver heeft kunnen komen… Hoe verklaren we de populariteit van de IQ-test als het ding zo overduidelijk niet deugt? Een deel van het antwoord is dat we pas sinds kort weten wat er allemaal mis is met IQ-tests. Je hebt behoorlijk wat tijd nodig om te meten hoe goed een test studiesucces kan voorspellen en wat eventueel betere voorspellers zijn. Ook het idee van fluïde intelligentie is vrij nieuw en hoe fluïde onze intelligentie precies is, is niet bekend. Dat maakt het moeilijk inschatten wat je wel en niet uit een IQ-test kan voorspellen.

Toch denk ik dat er een belangrijkere reden is voor de aanhoudende populariteit van IQ en de IQ-test en dat is deze: het meten van dingen maakt ze tastbaar. Dingen die je in een getal kan uitdrukken zijn echt. Kilometertellers maken afstanden tastbaar, klokken maken de tijd tastbaar en IQ-tests maken intelligentie tastbaar.

Veel van ons hebben wel eens een IQ-test gedaan. Als ik zelf een IQ van 120 heb, dan moet intelligentie wel bestaan. Hoe kan je het anders meten? Dat is misschien een cirkelredenering, maar tegen de achtergrond van mijn eigen IQ van 120, lijken die verhaaltjes over fluïde intelligentie en slechte voorspellende waarde echt een beetje geneuzel. Mijn indrukwekkende IQ staat immers zo vast als een huis.

Mijn voorspelling is dus dat IQ-tests, ondanks de aanzwellende kritiek, nog tot in jaar en dag tot de vaste uitrusting van de psychologen blijven behoren. Werkgevers willen weten wat het IQ is van het personeel dat ze gaan aannemen. De mensen willen weten wat hun IQ is. Dus blijven we het meten en als we het kunnen meten dan zal het wel bestaan.

En laat dat dan een les zijn voor als je zelf eens iets onzichtbaars aan de man wil brengen: of het nou om astrologie, aardstraling, één of ander -isme of om boze geesten gaat… Zorg voor een betrouwbare meting en je zit gebeiteld!

Meer lezen?

In waarheidsinjecties betoog ik dat we teveel proberen te meten in deze samenleving. In doeloorzaken bespreek ik een andere tactiek om moeilijke dingen te begrijpen. In evolutiesnelheid stel ik misverstanden rondom de evolutietheorie aan de kaak. In zelfvervullend bespreek de self-fulfilling prophecy in meer detail.

Bezieling

Dit blogje gaat niet over bezieling van mensen zoals jij en ik – hoewel dat ook een heel interessant onderwerp is, maar over de bezieling van dingen. Je kan ook zeggen dat het gaat over de menselijke neiging om allerlei dingen – concreet of abstract – een wil toe te dichten. Dingen die naar een ‘natuurlijke’ plek willen, bijvoorbeeld, of die onze gedachten willen ‘beheersen’. Dat soort verzinsels. Verklaringen van het soort ‘dit of dat wil zus of zo’ fascineren me om twee redenen. Ten eerste zijn ze alomtegenwoordig en ten tweede nemen ze vaak een loopje met ons.

We gebruiken ze vaak hoor: verklaringen vanuit de wil der dingen. Daarom zijn er ook technische termen voor bedacht. Ze worden teleologische verklaringen genoemd of doeloorzaken. Vooral dat laatste woord vind ik mooi. Op de een of andere manier wringt het van binnen. Misschien omdat doelen gewoonlijk voor ons liggen en oorzaken achter ons. Je voelt gewoon aan je water dat het niet klopt als iets tegelijkertijd het doel en de oorzaak is.

Voor alle duidelijkheid: de meeste dingen willen helemaal niets hè? Goed: mijn konijn drinkt omdat ze dat wil en ik schrijf dit blogje omdat ik het nu eindelijk eens met jullie over doeloorzaken wil hebben, maar stenen vallen niet omlaag omdat ze lager willen zijn dan lucht en de aarde draait niet om haar as omdat ze eigenlijk liever een tol was. En nee: de economie wil niet groeien, soorten willen niet evolueren en kwantumdeeltjes willen niet in meerdere toestanden tegelijk zijn. In ons mechanische wereldbeeld is er gewoon maar heel weinig plaats voor verklaringen vanuit de wil der dingen.

Dat we er zo van houden moet dus door onszelf komen. Omdat we zelf de ganse dag dingen willen, misschien. Daarom vinden we het fijn om bij moeilijke natuurkundige dingen ook te denken in termen van willen. We gebruiken willen als metafoor. Daarom leren we op school dat stroom van plus naar min wil en daarbij tegengehouden wordt door een weerstand. Soms aan de hand van een plaatje waarin kaboutertjes druk met rugzakjes rondsjouwen en over trappetjes gaan omdat ze nodig ergens heen moeten. In werkelijkheid zit het natuurlijk allemaal anders, maar hier hebben we een gevoel bij.

Ondanks de bezwaren die je tegen doeloorzaken kan hebben, is het verklaringsmodel ook bij wetenschappers erg geliefd. Een van de meest opvallende exemplaren vind ik de ‘selfish gene’ theorie van Richard Dawkins. Dawkins staat bekend als een harde betawetenschapper en missionair atheïst: niet bepaald het type van wie je zou verwachten dat hij doeloorzaken nodig zou hebben.

Maar in zijn boek The Selfish Gene schetst Dawkins een beeld van genen als zelfzuchtige dingen die niets liever willen dan zichzelf kopiëren en vermenigvuldigen – soms zelfs ten koste van het organisme dat dankzij die genen bestaat.

Dawkins gelooft natuurlijk niet echt dat genen iets willen. Hij legt dat ook omstandig uit in het boek. Dawkins gebruikt het idee van zelfzuchtige genen alleen bij wijze van spreken. In werkelijkheid zijn genen domme eiwitketens die zichzelf vermenigvuldigen. Sommige genen slagen daarin, anderen niet. Genen die erin slagen blijven over. Als we over genen praten als eiwitten die zichzelf willen vermenigvuldigen en daar in meer of minder mate succesvol in zijn – dan is dat alleen een kortere zegswijze voor dit ingewikkelde mechanisme.

Alleen roept die afkorting wel vragen op over oorzaak en gevolg. Neem het voorbeeld van de eerste dieren die konden zien. Het klassieke beeld is dat er een mutatie optrad waardoor dieren gevoelig werden voor licht en donker; waardoor ze een evolutionair voordeel hadden; waardoor de genen voor lichtgevoelige cellen zich konden verspreiden. De verspreiding van het gen is dus het gevolg van het evolutionaire voordeel van het dier.

Dawkins tekent het plaatje precies andersom. Genen willen zich verspreiden en het bouwen van lichtgevoelige dieren blijkt daartoe een succesvolle strategie, die dus via overerving navolging vindt. In die versie is de lichtgevoeligheid een gevolg van de verspreidingsdrang van de genen en niet andersom.

Dawkins vervangt in zijn redenering dus een gevolg: verspreiden van genen door het succes van een soort, door een doeloorzaak: de wil van genen om zich te verspreiden via een succesvolle mutatie. Ongeveer zoals Aristoteles het gevolg van de vallende voorwerpen verving door de doeloorzaak ‘de natuurlijke plaats in de kosmos’.

Waarom zou Dawkins deze vorm gekozen hebben? Misschien omdat hij met deze omdraaiing makkelijker kan laten zien dat de evolutie geen vooraf bepaalde richting heeft, maar dat elk evolutionair voordeel tot verspreiding van de onderliggende genen zal leiden. Dat klopt natuurlijk ook, maar de prijs die Dawkins betaalt voor deze onttovering van het evolutieproces is de bezieling van het gen zelf.

Dat is op zichzelf niet zo’n probleem als je je niet mee laat sleuren door die metafoor. De stap van ‘genen die zich willen verspreiden’ naar ‘virussen met een strijdplan’ is niet zo groot en voor je het weet ga je rare uitspraken doen, zoals: ‘vreemdgaan is een ideetje van de genen’. Dan is het hek natuurlijk van de dam. Want hoe meer leven je de genen inblaast, hoe meer je ze ook verantwoordelijk stelt voor de richting van de evolutie. Terwijl het hele punt dat Dawkins wilde maken juist was dat evolutie blind is.

Overigens slaagde Dawkins er zelf prima in om van de glijdende schaal van verklaring door doeloorzaken weg te blijven, maar zijn publiek had daar meer moeite mee. Daarbij denk ik niet eens alleen aan het algemene publiek. Ook meer wetenschappelijke volgers zoals Daniel Dennett en Susan Blackmore lijken soms meegesleurd te zijn door de wil-metafoor.

Susan Blackmore’s mementheorie, die ik in mijn vorig blogje besprak, is een goed voorbeeld. Ze doet de observatie dat mensen elkaar imiteren en zo elkaars ideeën overnemen. Dan zet ze de denkstap dat die ideeën gezien kunnen worden als memen die zich willen verspreiden. Dat kan allemaal nog, maar daarna stelt ze dat de memen achter de ontwikkeling van taal en communicatietechnologie zoals het schrift, televisie en internet zitten. Die technologie dient namelijk de verspreiding van memen en het was dus een kwestie van tijd voordat de memen ons op het idee gingen brengen van die technologie.

Als je het mij vraagt laat ze zich dan meesleuren in de doeloorzaakredenering. Het is één ding om vast te stellen dat we elkaar imiteren en dat sommige ideeën populairder zijn dan anderen. Het is een omdraaiing van oorzaak en gevolg om dat toe te schrijven aan de wil van de memen. Als je vervolgens concludeert dat culturele evolutie de memen dient en niet de mens, dan laat je je door die omdraaiing meesleuren. Memen willen niets, laat staan dat ze van plan zijn om communicatietechnologie uit te vinden. Die is uitgevonden omdat het ons (mensen) handig leek.

Door de dingen een wil toe te dichten kunnen we ingewikkelde processen in de natuur makkelijker begrijpen. Als ik en mijn konijn een wil hebben, waarom stenen, elektronen, de aarde, de economie, genen en memen niet? Maar het probleem met willen als metafoor is dat we die metafoor niet weten te beheersen. Als de dingen eenmaal dingen gaan willen, dan gaan we er dingen in zien die er niet zijn. We gaan denken dat de economie ons wel aan welvaart zal willen helpen of dat memen wel robots gaan uitvinden om ons als memenverspreiders te vervangen. Dit soort waanideeën zijn verre van onschuldig. Hou daarom een sceptisch oogje in het zeil als je iemand een doeloorzaak verklaring hoort gebruiken. Hoe graag we de dingen ook willen bezielen, af en toe moeten we onszelf eraan blijven herinneren: de wil der dingen is onzin.

Meer lezen?

Ik besprak Blackmore’s ideeën over memen in cultuurdragers. Hoe mensen in alledaagse termen over de wereld denken kwam al eerder aan bod in plat en eksters.

Cultuurdragers

Wat nou als de gedachten in je hoofd helemaal niet van jezelf zijn, maar dat je ze hooguit te leen hebt van een ander? Ik word zelf nogal kriebelig van dat idee: zeker als ik aan het schrijven ben, maar het is wel in de kern wat mementheoretici over gedachten beweren. Nou, misschien niet over al je gedachten, maar wel over verreweg de meesten.

Mementheorie is een soort culturele evolutietheorie. Daar waar biologische evolutie gestuurd wordt door genen, wordt – zo denken mementheoretici – culturele evolutie gestuurd door memen. Memen vermenigvuldigen zich door van het ene menselijk hoofd naar het andere te springen en bepalen zo hoe we denken en doen. Als mementheorie helemaal nieuw voor je is: ik schreef er al eens een uitgebreid blogje over.

Ik heb, dat gaf ik in dat blogje al ruiterlijk toe, gemengde gevoelens bij mementheorie. Dat was voor mij reden om me er eens verder in te verdiepen. Zou mementheorie zich na de jaren zeventig ontwikkeld hebben tot een volwaardige wetenschappelijke discipline? Zouden er experimenten uitgevoerd zijn om mementheorie te toetsen? Zouden theoretici erin geslaagd zijn het idee van memen meer handen en voeten te geven? Ik kon mijn geluk dus niet op toen bleek dat er een relatief recent, populair-wetenschappelijk boekje over bestaat: The Meme Machine van Susan Blackmore. Tijd voor een bespreking dus.

Imitatie vormt de basis van Blackmore’s behandeling van memen. Volgens Blackmore is imitatie – kunnen leren door iemand iets te zien doen – een eigenschap die min of meer uniek is voor mensen. Doordat mensen kunnen imiteren kunnen ze leren van elkaar en daardoor ontstaat cultuur. De eerste imiterende mensen gingen werktuigen maken, spreken, hun doden begraven, […], de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens tekenen, naar de maan reizen, enzovoort.

Nou ja, misschien loop ik nu wat op de zaken vooruit. Culturele ontwikkeling is dus te begrijpen als een evolutieproces. Mensen die elkaar imiteren geven volgens Blackmore memen door. Als ik jou zie dansen en ik doe je na, dan springt er een meme over van jouw hoofd naar het mijne.

Wat een meme is, weet niemand precies. Ik houd het zelf op zoiets als “ideeën”, maar verschillende mementheoretici hanteren verschillende definities en Blackmore houdt het dus bij “datgene dat doorgegeven wordt bij imitatie”. Waar mementheoretici het wel over eens zijn, is dit: sommige van die memen zijn succesvol – in die zin dat ze makkelijk en vaak doorgegeven worden -, anderen zijn minder succesvol en sterven uit. Als iedereen ons dansje na gaat doen is het een succesvolle dansmeme, anders niet.

Al met al vindt er dus een kopieer- en selectieproces plaats van memen en zo evolueert de cultuur. De manier waarop we dansen, praten, denken en doen verandert doordat er steeds nieuwe memen succesvol zijn.

Dit culturele evolutieproces heeft volgens Susan Blackmore verregaande consequenties gehad voor onze biologische en technologische evolutie.

Veel mensen denken dat met het ontstaan van cultuur de biologische evolutie van de mens zo’n beetje tot stilstand gekomen is, maar volgens Blackmore heeft de culturele evolutie de biologische evolutie juist aangestuurd. Met memen – het vermogen tot imitatie – kregen mensen namelijk een enorm voordeel ten opzichte van andere dieren die niet op deze manier kunnen leren. Steenbijlen, vuur maken en leefstijlen zoals het jagen in groepen hoefden maar één keer uitgevonden te worden. Anderen konden die praktijken meteen overnemen. Omdat culturele evolutie veel sneller is dan biologische evolutie, had de imiterende mens een enorm aanpassingsvermogen en dus een fors evolutionair voordeel.

Als gevolg daarvan ging de evolutie selecteren op het vermogen tot imitatie. Eerst nog vooral door natuurlijke selectie: slechte imitatoren hadden immers minder kans om te overleven, maar waarschijnlijk speelde later ook seksuele selectie een rol. Als goede imitatoren grotere overlevingskansen hebben, wil je graag kinderen van een goede imitator. Imitatievermogen, in welke vorm dan ook, werd daarmee een aantrekkelijke eigenschap. Zo ontstond misschien zoiets als muzikaal talent. Niet direct iets wat de overlevingskansen van je kinderen vergrootte, maar wel een bewijs van imitatievermogen en dus een voordeel in de liefde.

De gevolgen voor de biologische mens waren dramatisch: we ontwikkelden een enorm brein en taalvermogen, inclusief het verfijnde spraakapparaat dat daarvoor nodig is. Dit was gereedschap waarmee we de culturele evolutie mee voort konden stuwen. Of eigenlijk: we werden gereedschap van die culturele evolutie. Want als Blackmore één ding duidelijk probeert te maken, is het wel dat wij niet de baas zijn over de memen, maar dat de memen de baas zijn over ons. De mens staat ten dienste van de culturele evolutie, niet andersom.

Neem onze taal bijvoorbeeld. Waarom praten we zoveel? Hoeveel van wat we tegen elkaar zeggen, is werkelijk essentieel voor het voortbestaan van onze soort? Wat heb je vandaag allemaal al uitgekraamd waar, wel beschouwd, niemand beter van wordt? Zulke verspilling is onbegrijpelijk als je denkt dat taal vooral een biologisch nut dient, maar niet als het voor de culturele evolutie is. We spreken zoveel om onze memen te helpen zich voort te planten en te verspreiden.

Of neem onze gedachten. Waarom denken we zoveel? Waarom spoken zo vaak precies dezelfde gedachten door ons hoofd? En… in hoeverre zijn die gedachten eigenlijk van onszelf? In hoeverre herhalen we niet, in iets aangepaste vorm, die dingen die we gelezen en gehoord hebben? Biologisch gezien lijkt al dat ronddenken verspilling, maar cultureel gezien is het dat misschien wel niet. Gedachten die we steeds herhalen, hebben een grotere kans om onthouden en doorgegeven te worden. Ons bewustzijn, wil Blackmore maar zeggen, dient de memen. Het brein is niet die originele bron van nieuwe ideeën die we er graag in zien, maar eerder een kopieermachine voor de memen.

En dan heb je menselijke technologische uitvindingen zoals het schrift en later de telefoon en het internet. Nuttige uitvindingen voor de mens natuurlijk, maar bedenk je eens hoe geweldig die uitvindingen waren voor de memen! Hoeveel beter ging het verspreiden van ideeën wel niet door de drukpers en wat een impact had dat op onze cultuur? En als die drukpers niet een volledig origineel idee van Gutenberg was, maar een samenraapsel van ideeën die hij ergens opgepikt had, was het dan niet gewoon een product van de memen, ten behoeve van die memen?

Zo trakteert Blackmore haar lezers op voorbeeld na voorbeeld waarin ze laat zien hoe invloedrijk de memen wel niet zijn. Er is een wereldwijd strijdperk vol zelfzuchtige memen die alleen maar uit zijn op reproductie. Om elkaar daarin de loef af te steken, sleuren ze ons mee: eerst vormden ze onze breinen om tot memenverspreiders, toen vonden ze taal en zelfbewustzijn uit, daarna onze culturele systemen zoals religie en tot slot onze communicatietechnologie.

Als memen zo invloedrijk zijn als Blackmore beweert, is mementheorie het belangrijkste waar wetenschappers aan kunnen werken. Wetenschappelijke vragen, zoals: ‘Waarom hebben mensen cultuur en technologie en dieren niet?’, ‘Hoe kan het dat wetenschappelijke ideeën er niet altijd in slagen het te winnen van het geloof in het paranormale, buitenaardse wezens en religie?’ en ‘Wat is het bewustzijn precies’, kunnen nu allemaal van één eenvoudig antwoord voorzien worden: memen.

Mementheorie als theorie voor alle belangrijke vragen. Dat is te mooi om waar te zijn en dat is natuurlijk ook precies het probleem dat ik met het boek heb. Ik hoopte op een wetenschappelijke verhandeling en kreeg een boek van een gelovige. Her en der formuleert Blackmore een toetsbare hypothese, maar voor het overgrote deel blijft het boek erg speculatief.

Daarbij ontwijkt ze veel moeilijke vragen. Is imitatie wel zo uniek voor mensen? Makaken blijken hun gebruik van gereedschap razendsnel aan de komst van nieuw voedsel aan te kunnen passen: dat wijst echt op imitatie. Er zijn ook vormen van imitatie en taal gevonden bij allerlei andere diersoorten. En bestaan “memen” wel echt? Niemand kan ze vinden of zelfs maar definiëren. Zijn memen eigenlijk wel nodig (of nuttig) om culturele evolutie te verklaren? Andere theorieën van culturele evolutie blijven onbesproken in het boek. Kunnen we culturele evolutie niet beter zien als een samenspel van verschillende evoluties? Evoluties van kunst, ideologie en technologie die naast elkaar bestaan en elk hun eigen mechanismen en snelheden hebben bijvoorbeeld? Wat ‘winnen’ we eigenlijk door dit kille plaatje van zelfzuchtige memen die met ons aan de haal zijn gegaan?

Ik heb veel van mijn twijfels bij mementheorie al in mijn vorige blogje geuit en ben, dat zal duidelijk zijn, door het boek bepaald geen aanhanger geworden. Blackmores speculaties over de rol van memen in de menselijke, culturele en technologische evolutie gaan erg ver en zijn niet met overdreven veel bewijs gestut. Maar ik denk dat ik die laatste vraag naar de ‘opbrengst’ van mementheorie wel kan beantwoorden.

Want tijdens het schrijven van dit blogje is er iets belangrijks in mij veranderd. Ik voel me een stuk minder kriebelig bij het idee dat mijn gedachten niet van mijzelf zijn. Blackmores observatie dat onze gedachten voor een groot deel worden gevormd door wat we horen en lezen, klopt natuurlijk gewoon; en in die zin zijn we inderdaad een product van onze cultuur. Dus ja: misschien heb ik mijn gedachten wel te leen, in plaats van dat ze uit mijn eigen brein ontsproten zijn.

Is dat erg? Welnee! Dat leensysteem van ideeën verbindt me namelijk met al die mensen die er eerder eigenaar van waren en die mij ooit bevrucht of begiftigd hebben. Mijn hoofd zit vol met Mulisch en Tolstoj, met Harry Potter, met Frans Bauer en met mijn familie, vrienden, buren en collega’s. Ik draag steeds stukjes van ze mee en ik draag stukjes van ze uit. Liever dan een eenzaam genie met totaal originele ideeën ben ik een cultuurdrager, vol van wat van anderen is. Want zeg nou zelf… cultuurdrager zijn is zo gek nog niet.

Meer lezen?

In memen schreef ik al eens uitgebreid over mementheorie, en ook mijn blogjes ideeënsex en geheugenmachine raken aan dit idee.

Hoewel Blackmore dit zelf niet aanhaalt zijn er behoorlijk wat raakvlakken tussen haar ideeën en die van mediatheoreticus Thomas de Zengotita die ik eerder op mijn Engelse blog besprak. Met name de alles omvattende rol van imitatie in onze hedendaagse cultuur en de pop- en jeugdcultus die daar uit volgt beschrijft De Zengotita treffend.

Blackmore is te zien in een TED praatje, waarin ze wel stelt dat technologie een eigen (autonome) evolutie ondergaat. Ze noemt memen daarin ‘gevaarlijk’. Dit idee van gevaarlijke memen wordt ook in Daniel Dennet’s  TED praatje over memen benadrukt.

Onlangs verscheen in NRC een stuk over de geschiedenis van talen. In dat onderzoek blijkt een evolutietheoretisch kader prima te werken.

Dit is mijn derde boekbespreking op dit blog. Eerder nam ik Laboratory Life van Bruno Latour, en Little Science, Big Science van Derek de Solla Price al onder handen.

Je kunt natuurlijk ook The Meme Machine gewoon zelf lezen.

Plat

NRC kopte gisteren dat één op de tien Fransen gelooft dat de aarde plat zou kunnen zijn. Ik moest meteen lachen natuurlijk. Zo van: dat is wel een heel merkwaardige overtuiging in deze moderne tijd. Meteen daarna bekroop me toch een ongemakkelijk gevoel. Ik maakte me zorgen over toestand van de wereld. Want zeg nou zelf: Frankrijk! Dat er Amerikanen zijn die geloven dat de aarde plat is. Ach. Een paar verdwaalde creationisten die het geloven? Zit ik niet mee. Maar 10% van iedereen. Dat is wel veel. En Frankrijk is om de hoek. Voor je het weet slaat dat de-aarde-zou-best-wel-eens-plat-kunnen-zijn virus over naar hier. Brrr.

Ik hoor zelf dus nog bij de groep die denkt dat de aarde rond is, maar door het berichtje ging ik me wel afvragen hoe dat ik zo zeker kon weten. Terwijl ik nog aan het nagniffelen was ging ik het bij mezelf na. 1: iedereen weet dat de aarde rond is. 2: ik heb op school geleerd dat de aarde rond is. 3: dat de aarde rond is past in andere ideeën die ik heb over de wereld, zoals dat de aarde om de zon draait. 4: een ronde aarde die om haar as draait geeft een mooie verklaring voor dag en nacht. 5: je kan helemaal om de aarde heen vliegen en varen. 6: op foto’s die vanuit de ruimte genomen zijn, ziet de aarde er uit als een bol.

Kortom: ik heb het van horen zeggen.

Want zeg nu zelf… direct bewijs voor de rondheid van de aarde kom je in dit lijstje niet tegen. Ik zou natuurlijk rond de aarde kunnen vliegen, maar ik heb het nog nooit gedaan. En toen ik eens naar Amerika vloog – dat is ongeveer een kwart rond – had ik na de landing helemaal niet het gevoel dat de aarde scheef stond. De grond was recht onder me en ik had helemaal geen moeite mijn evenwicht te bewaren. Die foto’s zijn eigenlijk ook geen direct bewijs: ze zouden nep kunnen zijn en je ziet eigenlijk een schijf, dus per saldo zit die hele bolvormigheid meer in je hoofd dan dat je het op de foto kan zien.

Het sterkste bewijs dat ik heb voor de rondheid van de aarde is dat al die verschillende indirecte bronnen het eens zijn met elkaar. Het is altijd een sterke aanwijzing dat je goed zit wanneer verschillende bronnen in dezelfde richting wijzen, maar in dit geval is dat gewoon weer terug te voeren op punt 1: iedereen denkt dat de aarde rond is.

Ik ben natuurlijk niet écht gaan twijfelen door deze gedachtegang, maar het laat wel iets belangrijks zien: voorwetenschappelijke ideeën, zoals een platte aarde, zijn niet zo dom als dat je zou denken. Het wereldbeeld waar wij mee opgevoed zijn is eigenlijk nogal tegen-intuïtief. Als je je zintuigen vertrouwt in plaats van wat je op school leerde, ontwikkel je hele andere ideeën over de wereld dan de wetenschap ons voorschotelt. We weten zelfs vrij precies welke ideeën dat zijn. Dat blijkt bijvoorbeeld uit onderzoek aan misconcepties van middelbare scholieren over de natuur en natuurkunde. De ideeën die scholieren daarover hebben komen precies overeen met hoe de Griekse filosofen, zoals Aristoteles, over de wereld dachten. Er zijn geen IQ scores van Aristoteles bekend, maar ik schat in dat die niet tegenvallen. Geloof in voorwetenschappelijke ideeën is dus niet te verklaren vanuit een gebrek aan logisch redeneren of kritisch denken. Het gaat er om welke bronnen je gebruikt en welke je daarvan het meest vertrouwt.

Terug naar de Franse wereldbolontkenners. Is het een probleem dat zij het wereldbeeld waar wetenschappers honderden jaren op gepuzzeld hebben niet blijken te vertrouwen? Dat hangt er natuurlijk van af waar het wantrouwen vandaan komt. NRC suggereerde een beetje dat er een schrikbarende opkomst van collectieve paranoia gaande is en het past natuurlijk ook mooi in recente berichten over filterbubbels en feitenvrije politiek, maar ik durf wel te betwijfelen of dat is wat hier aan de hand is.

Ik denk dat het bericht, of vooral de reactie er op, laat zien dat we de invloed van de wetenschap op het grote publiek structureel overschatten. Zo wetenschappelijk zijn onze denkbeelden nu ook weer niet. We denken er allemaal het onze van als het zo uitkomt. We maken massaal gebruik van therapieën die niet bewezen zijn of waarvan zelfs bewezen is dat ze niet werken. We geloven misschien niet in God, maar hebben het vervangen door “ietsisme”. Wereldwijd trekken intellectuelen hele registers vol met drogredenen open om de klimaatwetenschap te ontkennen. Zo kan ik nog wel even doorgaan.

Wat mij wel interessant lijkt is een meting door de tijd heen van dit soort ideeën. Hoeveel mensen dachten in 1850 dat de aarde wel plat kon zijn in vergelijking met nu? Dan kunnen we tenminste zien of we echt met plotselinge paranoia te maken hebben of met normale, gezonde, variatie van publiek gedachtengoed rondom wat wetenschappers bedacht hebben. Maar voor zover ik weet is de invloed van de wetenschap als geheel op het grote publiek nooit wetenschappelijk onderzocht.

Misschien is ongeloof in klimaatverandering en geloof in homeopathie en ‘iets’ van een andere orde dan denken dat de aarde plat is, maar het mechanisme is hetzelfde. Het écht pijnlijke feit achter dit krantenbericht is dat het ook over onszelf gaat. We geven gewoon met zijn allen vaak de voorkeur aan onze eigen, weinig geïnformeerde meninkjes, boven het magnifieke puzzelwerk van wetenschappers van over de hele wereld. Als het om onze denkbeelden gaat lijden we collectief aan dezelfde arrogantie en hoogmoed, niet alleen die 10% platdenkers.

Meer lezen?

Ik schreef al eens over ideeën het publiek versus de wetenschap in Eksters. Ik beschreef ook al eens verschillende kennisbronnen, waarvan getuigenis de belangrijkste is voor ons. Dit blogje suggereert eigenlijk dat ons wetenschappelijke wereldbeeld tot de basiskennis behoort.

De mogelijkheid dat nieuwe media wel degelijk collectieve paranoia aanjagen onderzocht ik in Collateral damage of the robotsrace (on the web).

Het volledige NRC artikeltje vind je hier. Ook de column van Rosanne Hertzberger uit die zelfde week is een aanrader.

Nuance

Een klein beetje nuance: ik kan er hevig naar verlangen als ik een tijdje in verhitte discussie zit, maar op andere momenten kan ik nuance enorm vermoeiend vinden. Nuances kunnen als drijfzand zijn: je kunt er gemakkelijk in wegzakken, je kan er in verstrikt raken en ze kunnen je zicht op de zaak behoorlijk vertroebelen. Ik vraag me dus vaak af of genuanceerdheid niet enorm wordt overgewaardeerd. Ik moest hier aan denken toen ik, nota bene midden in de jaarlijkse zwartepietendiscussie, een stuk van Herman Vuijsje las over het racismedebat in Nederland.

Een goed stuk hoor, daar niet van. Aan de hand van 10 dogma’s laat Vuijsje zien welke misvattingen de polarisatie in het Nederlandse racismedebat aanjagen. We denken volgens Vuijsje in twee kampen ‘zwart’ en ‘wit’, terwijl er in werkelijkheid een veelvoud van meningen zijn die ook nog eens dwars door die kampen heen lopen. We doen alsof racisme alleen de blanken in de genen zit, terwijl racisme in alle bevolkingsgroepen te vinden is. We maken slecht onderscheid tussen wat er op internet gezegd en hoe er in werkelijkheid over racisme gedacht wordt… en ga zo maar even door.

Het hele stuk door laat Vuijsje zien hoe we de genuanceerde waarheid geweld aan doen door dingen eenvoudiger en gepolariseerder voor te stellen dan ze werkelijk zijn; en zo komen we natuurlijk niet verder in het debat. Daar zou hij best gelijk in kunnen hebben, maar ik vraag me op mijn beurt af of de genuanceerde standpunten die Vuijsje als alternatief aandraagt dan wèl zo behulpzaam zijn.

Want stel je het racismedebat eens in alle nuance voor. We zouden met elkaar moeten spreken over hoe sommige mensen anders behandeld worden door sommige andere mensen; om redenen die soms wel en soms ook niet helemaal racistisch van aard zijn; en hoe we dat eventueel beter zouden kunnen aanpakken met zijn allen; of ten minste met sommigen van ons.

Precies. Dat is geen debat, dat is een brij. Het probleem met nuance is dat het niet zonder tegenpolen kan. Een genuanceerde mening is altijd een middenweg tussen uitersten – en ze is alleen waardevol als middenweg tussen uitersten. Het heeft weinig zin om te weten dat de waarheid in het midden ligt als je niet weet tussen welke uitersten je dat midden moet zoeken. Nuance kan dus niet zonder polarisatie. Die hebben elkaar nodig als yin en yang: de een betekent niets zonder de ander.

Maar, onrechtvaardig genoeg heeft polarisatie een slechte naam en nuance een goede. We vinden het dom en naïef om alle blanken en zwarten over één kam te scheren en we vinden het juist heel verstandig als iemand er op wijst dat het zo eenvoudig niet zit. We vinden het kortzichtig om te denken dat alleen witte mensen racistisch zijn en vinden het heel doortastend als iemand voorbeelden aandraagt van zwart racisme om dat standpunt te nuanceren. Nuance is het mooiste meisje uit de klas, terwijl we collectief op polarisatie neerkijken -zij is gewoon te lelijk en te brutaal.

Hoe komt dat toch? Misschien staat nuance hoger in aanzien omdat het de angel uit een standpunt haalt waar we oncomfortabel mee waren. We voelen ons gewoon beter als nuance haar werk gedaan heeft. Of misschien ligt het genuanceerde standpunt gewoon bijna altijd dichter bij de waarheid dan de extremen waarop het gebaseerd is en vinden we nuance daarom beter. Of misschien vinden we het zelf fijn om genuanceerd te zijn: met nuance in de hand sta je immers altijd aan de redelijke kant en niet op de plek waar de klappen vallen.

Wat er ook achter zit: ik denk dat die eenzijdige waardering voor nuance ons niet helpt. Het is tijd de polarisatie te herwaarderen. Het zijn immers de polen die het debat maken: ongenuanceerde standpunten vormen bakens waardoor het speelveld voor nuance bepaald wordt. De nuance zelf is niet meer dan een mediator die een dikke boterham verdient aan twee strijdende partijen. Ze staat aan de goede kant, maar alleen bij gratie van de onhoudbare posities waar ze een weg tussen zoekt. Toegegeven: dat maakt haar broodnodig, maar niet harder nodig dan de polarisatie waar ze tegenwicht aan bied.

Alles goed en wel zul je zeggen: maar is het alternatief niet eeuwige polarisatie? Belanden we, zonder nuance, niet in een langdurige loopgravenoorlog, waar niemand ooit uit zijn eigen fort van overtuigingen geholpen wordt? Is nuance niet de vredesduif die we nodig hebben het debat uiteindelijk te beslechten?

Ik denk van niet. Nuance kan best een rol spelen heeft in het maatschappelijk debat, maar niet om het te definitief te beslechten. Een collectief “het zit nu eenmaal complex in elkaar dus laten we de gulden middenweg zoeken” heb ik in ieder geval zelden meegemaakt. Ik denk dat we verder komen als we nuance gebruiken als opmaat naar een nieuw debat langs andere lijnen. Ik heb niets tegen auteurs die laten zien dat de extremen in het debat niet deugen of dat ze te simplistisch zijn. Maar als lezer moeten we ons, na de eerste opluchting, afvragen of de auteur meer te bieden heeft dan plotselinge redelijkheid. Draagt hij of zij ook nieuwe zienswijzen en standpunten aan? Worden er nieuwe posities ingenomen waardoor het speelveld veranderd? Want het is volgens mij die verschuiving die het debat verder brengt, niet de nuance die er aan vooraf gaat.

Meer lezen?

Ik schreef al eens over de rol van (nieuwe) taal in het maatschappelijke debat in betekenisdrift. Ook mijn blogjes eerlijk vergelijken en groepsidentificaties gaan over kennis in het maatschappelijke debat.

Het stuk van Herman Vuijsje is hier te vinden. Overigens vind ik dat hij wel degelijk ook beantwoord aan mijn laatste oproep om de debatbakens te verzetten, alleen springt dat wat minder in het oog.

Declaratief

Iedereen verandert de wereld een beetje, elke dag weer, maar onze ideeën over hoe je dat voor elkaar kan krijgen lopen sterk uiteen. Ik kan me daar eindeloos over verwonderen. Het verschilt bijvoorbeeld nogal per beroepsgroep. Ontwerpers hebben hele andere veranderideeën dan economen – en die denken er weer heel anders over dan sociaal werkers. In dit blogje wil ik eens stil staan bij een bijzonder vreemde veranderovertuiging. Het gaat me om een veranderovertuiging die je vaak bij managers aantreft: het declaratieve wereldbeeld.

Misschien is het goed eerst even stil te staan bij dat woord declaratief. In de taalfilosofie wordt dit begrip gebruikt voor zinnetjes waarmee je de wereld kan veranderen; enkel en alleen door ze uit te spreken. Dat is een vrij uitzonderlijke categorie uitspraken die alleen door bepaalde personen in bepaalde situaties gebruikt kunnen worden. De voorzitter van een vergadering kan een vergadering openen door te zeggen “ik verklaar deze vergadering voor geopend”. Daarna is de vergadering begonnen. De president kan een oorlog met China beginnen door te zeggen “wij verklaren de oorlog aan China”. Vanaf dan is het oorlog. Een ambtenaar van de burgerlijke stand kan een man en vrouw in het echt verbinden door een bepaald zinnetje uit te spreken – ik weet even niet meer hoe het precies ging.

Dit is zo’n beetje het hele lijstje voorbeelden. Ik kan mijn konijn niet met een declaratie in haar hok krijgen. Het lukt niemand om de afwas schoon te declareren. Verklaren dat je werk af is helpt nauwelijks om de werklast te verminderen. Er zijn maar heel weinig dingen die je alleen maar met het uitspreken van een zinnetje kan veranderen. En er zijn maar heel weinig mensen die het kunnen. Nou ja, vooruit, Harry Potter kan het allemaal wel, mits hij maar precies op de goede manier met zijn staf zwaait.

Met het begrip declaratief wereldbeeld doel ik dus op de, onder managers veel voorkomende, misvatting dat zij ook declaratieve macht hebben. Vaak leggen ze me precies uit hoe de organisatie moet functioneren, hoe mensen zich moeten gedragen, hoe mensen dingen zouden moeten zien en hoe de dingen dan soepel lopen alsof die uitleg het daarna werkelijk maakt. Alsof zeggen hoe dingen moeten lopen hetzelfde het zelfde is als zorgen dat ze zo lopen. Alsof er geen maanden intensief lobbyen, interveniëren en weet ik wat al niet meer voor nodig is om een beetje in de buurt te komen van die, blijkbaar gewenste, gang van zaken.

Natuurlijk is het niet zo dat elke manager die een toekomstbeeld schetst of een opdracht geeft, ook werkelijk denkt dat het daarmee af is. Je zou zeggen: managers maken elke dag mee dat dingen niet zomaar veranderen. En toch zit in de ervaring van managers helaas ook de crux. Het hoort bij het dagelijks werk van managers om opdrachten te geven, instructies te geven over hoe dingen moeten of om toekomstbeelden te schetsen. En vaak genoeg werkt dat wèl. Veel opdrachten worden meteen uitgevoerd, werknemers volgen instructies op of helpen de manager zijn toekomstbeelden waar te maken. Deze kleine succesjes smaken naar meer, waardoor opdrachten, instructies en toekomstscenarios steeds meer als declaraties gaan voelen. Het succes van al deze kleine acties voedt het declaratieve wereldbeeld.

Maar,… hoe werkt declaratief taalgebruik eigenlijk? Hoe kan taal ineens de macht krijgen dingen te veranderen? Het blijkt al uit de voorbeelden van de president, de ambtenaar van de burgelijke stand en Harry Potter: delcaraties zijn een vorm van codetaal. Je kan alleen iets met een declaratie gedaan krijgen als je in de goede rol in een geoliede machine zit waarin taal een allesbepaaldende rol heeft. Naast computerprogramma’s voldoen eigenlijk alleen (ambtelijke) rituelen aan deze eisen. Een land de oorlog verklaren, twee mensen in het huwelijk verbinden een vergadering openen. In al die gevallen staat alles al klaar om het werkelijk te maken: de troepen staan aan de grens, het paar voor het altaar, de laptops zijn open geklapt. Het is hooguit nog wachten op het uitspreken van de magische formule – als het verlossende startsein.

In die voorbereiding zit ook precies het verschil tussen de opdrachten en instructies waar de manager succesvol is en die waarin dat minder het geval is. De secretaresse zat allang klaar om notulen te maken, de opdracht van de manager is alleen voor de vorm. De jaarcijfers worden elk jaar berekend en in een rapport gezet, dus hoeft de manager maar met zijn denkbeeldige stokje te zwaaien. Maar ja, zelfsturende teams, of klantgericht werken: dat doet de organisatie nog niet, daarvan weet niemand echt hoe het moet – en daar is dus ook geen toverformule voor.

De baas die zich Harry Potter waant, baseert zich dus op ervaring. Eerst lukt het om met de ene na de andere toverspreuk van alles gedaan te krijgen. En dan, net als hij zich aan wat moeilijkere onderwerpen waagt, lukt het opeens niet meer. Alsof hij in de tweede klas van Zweinstein zit en helemaal opnieuw moet leren toveren. Het is dan een natuurlijke reactie om aan je toverkunst te werken. De manager probeert steeds cryptischere speuken als “als je doet wat je deed, dan krijg je wat je altijd kreeg” of “op een rollende steen groeit geen mos”, maar het helpt allemaal niet.

Dat was ook niet te verwachten. Het is misschien niet de managers gebrekkige toverkunst die hem de das om doet, maar het soort probleem dat hij probeert op te lossen. Een geoliede sociale machine kan je met declaraties besturen, maar  voor het veranderen van zulke machines heb je andere taal nodig: de taal van verleiding. De goede manager realiseert zich dat natuurlijk en die is ook makkelijk te herkennen. Het is bescheidenheid die de manager siert.

Meer lezen?

Ik besprak basisideeën over hoe de tijd verloopt in vooruitgang. Ik sprak al over het verband tussen taal en kennis in jargon en in betekenisdrift. Ik sprak eerder over de werking van taal en kennis in organisaties in spiegelpaleis.

De taalfilosoof waarop ik me in dit blogje beroep is John Searle. Hij zet zijn theorie onder andere uiteen in Speech Acts: An Essay in the Philosophy of Language. De typische uitspraken van managers in het laatste paragraafje heb ik geleend van Japke-d Bouwma.