Vooruitgang

Ik herinner me nog dat we ergens in de jaren 80 een elektrische blikopener in huis kregen. Het was een lomp ding met een onhandige stekker eraan, maar als je hem eenmaal had aangesloten maakte hij conservenblikken wel een stuk gemakkelijker open dan de handmatige variant. We gebruikten hem vaak.

In die tijd verzuchte mijn moeder vaak dat de vooruitgang niet te stoppen is. Daarin zat iets dubbels. Ze vroeg zich af of al die technische “vooruitgang” wel zo nodig was, maar geloofde wel degelijk dat de wereld -zo niet, dan toch haar wereld – er op vooruitging en daar spande ze zich ook voor in. Het vooruitgangsdenken was toen breed gedeeld.

Als je net als ik in de 20e eeuw geboren bent is het ook haast ondenkbaar dat mensen zich niet bezighouden met de vooruitgang, maar vooruitgangsdenken is een kind van de renaissance en het is in de “grote geschiedenis” dus een redelijk jong verschijnsel. Dat roept de fascinerende vraag op hoe al die generaties daarvoor tegen eigenlijk tegen het verleden en toekomst aankeken – en misschien ook wat we daar van kunnen leren.

Als je de geschiedenis wil duiden of wanneer je iets over de toekomst wil zeggen heb je een basisidee nodig over hoe de wereld zich in de tijd ontwikkeld. Dat basisidee bepaalt aan welke feiten je aandacht schenkt, op welke tijdschaal je de geschiedenis bestudeerd en wat je er vervolgens mee doet. Als je denkt dat de geschiedenis zich eeuwig herhaalt zijn andere dingen interessant dan wanneer je denkt dat deze lineair richting een heilstaat beweegt.

Rutger Bregman bespreekt een handje vol van dit soort basisideeën in zijn boek “De geschiedenis van de vooruitgang”. Hoewel veel van deze ideeën al heel oud zijn komen ze nog steeds in allerlei gedaanten terug. In dit blogje bespreek ik er drie van: het zondeval scenario, het cyclische wereldbeeld en vooruitgangsdenken. Ook bespreek ik de ideeën van Rutger Bregman zelf. Daarna kun je zelf oordelen of er wel vooruitgang zit in het denken over de tijd.

De zondevalredenering

Één van de bekendste basisideeën over de loop van de geschiedenis is die van de zondeval. Het scenario gaat ongeveer als volgt. Ooit leefden we in een paradijselijke toestand – of tenminste een die beter is dan hoe het nu is, maar een of andere gebeurtenis, uitvinding of ontwikkeling heeft ons in het ongeluk gestort. Gelukkig is er hoop. In een helse eindstrijd zal het kwaad vernietigd worden, waarna we terugkeren naar het paradijs.

Het zondevalscenario komt veel vaker voor dan je zou zeggen. Natuurlijk wordt het door fundamentele christenen en moslims gebruikt, maar het heeft ook veel moderne incarnaties. Alt.Right bedient zich er bijvoorbeeld op de volgende manier van. Ooit (in de jaren 50) leefden we in een gelukkige samenleving zonder immigranten. We moeten de strijd aan om ze weg te krijgen en weer gelukkig te zijn. Of neem dit nostalgische technologie scenario: ooit (voor de komst van smartphones) lazen mensen nog wel eens een boek. We moeten… Enzovoort.

Als je goed kijkt blijkt zondevalscenario nog altijd heel populair. De feministische biologe Donna Haraway liet bijvoorbeeld zien hoe veel onderzoek naar mensapen gebruikt is om de huidige man-vrouw verhoudingen te rechtvaardigen. Als chimpansee mannetjes dominant gedrag vertonen is het  onze ‘natuurlijke’ (lees paradijselijke) toestand en is er alle reden om het onnatuurlijke feminisme de rug toe te keren. Die gedachte.

Zondevaldenken zit dus blijkbaar diep in de psyche, maar het scenario snijdt zelden hout. Let om te zien of je met een zondevalscenario te maken hebt op de volgende kenmerken. (1) Het is gedreven door nostalgie: vroeger was alles beter. (2) De situatie waar naar terugverlangd wordt heeft waarschijnlijk nooit bestaan of was niet zo leuk als het wordt voorgesteld. (3) Om uit de problemen te komen zijn buitenproportionele maatregelen nodig, dat is geen probleem omdat ze tijdelijk zijn. (4) Er wordt geen aandacht besteed aan hoe we weer uit deze ‘reparatiefase’ komen.

Het cyclische tijdsbeeld 

Een tweede bekende basisscenario is het cyclische tijdsbeeld. In een cyclische visie op de geschiedenis gebeuren dezelfde dingen steeds weer. Een mens maakt veel cyclici mee. Dag wordt nacht wordt weer dag. Zomer wordt herfst, wordt winter, wordt lente, wordt weer zomer. Mensen worden geboren en sterven weer. Waarom zou niet de hele geschiedenis cyclisch zijn? Een gekke gedachte is het niet. We vinden het immers in Griekse, Hindoeïstische en Boeddhistische geschriften en in de Westerse filosofie onder andere bij Friedrich Nietsche. Het cirkelscenario zit ook in het gezegde ‘de geschiedenis herhaalt zich weer’. De gedachte van het Rad des Tijds is blijkbaar van alle tijden.

Ook het cyclische scenario gebruiken we vaker dan je misschien zou denken. Het is namelijk de basis van de historische analogie. Bij een historische analogie proberen we het heden te duiden aan de hand van een soortgelijke situatie in het verleden. De topfavoriet is de 2e wereldoorlog. In de jaren dertig van de vorige eeuw kwam het Nazisme op naar aanleiding van een economische crisis, precies zoals nu, na de crisis van 2008, overal autoritaire leiders aan de macht komen….

Probleem met de historische analogie is dat de voorspellingen die er uitkomen zelden blijken te kloppen. Blijkbaar verloopt de geschiedenis grilliger. Herhalingen zijn vaker toeval dan dat ze het gevolg zijn van een mysterieuze historische cyclus. De historische analogie wordt vaak als waarschuwing gebruikt. Gebeurtenis a of b zou opnieuw kunnen gebeuren als we niet oppassen. Maar die redenering bijt zichzelf in de staart. Òf de geschiedenis verloopt cyclisch, maar dan kunnen we er niet zoveel aan doen; òf we kunnen leren van de geschiedenis maar dan verloopt deze niet cyclisch.

Er zijn wel degelijk aspecten van de geschiedenis die cyclisch verlopen. De economische cyclus van optimisme, overwaarde, crash, neergang, terugkerend optimisme, lijkt bijvoorbeeld ingebakken in ons economisch systeem. Ook andere aspecten van de geschiedenis vertonen een dergelijke slingerbeweging. Ik denk dat we een cyclisch beeld serieus kunnen nemen onder een paar voorwaarden. (1) de cyclus heeft al meer dan één keer plaats gevonden. Economische crises vinden bijvoorbeeld elke 30 jaar plaats. (2) er is een duidelijk idee wat de oorzaak is van de cyclische beweging. In de economie leidt optimisme tot een economische bubbel die dan wel moet barsten. (3) Het is aannemelijk dat die oorzaken ook nu spelen. Er is op dit moment overdreven optimisme over de economische meerwaarde van big data – bijvoorbeeld. Zonder deze drie elementen is het cirkelscenario, net als het zondevalscenario, hoogst verdacht.

Klassiek Vooruitgangsdenken

De derde basisgedachte is de vooruitgangsgedachte. In de vooruitgangsgedachte bewegen we, al dan niet in een rechte lijn, naar een betere toekomst. Dit idee is in de verlichting dominant geworden en bepaald nog altijd ons denken, zeker dat van mijn moeder. Maar het bestaat op zichzelf weer in verschillende varianten.

Sommigen denkers over de vooruitgang zien het als iets dat buiten ons staat. Dit lijkt op het cyclische en zondeval scenario, maar in plaats van iets met curves zien deze vooruitgangsdenkers eerder een rechte lijn naar boven in de geschiedenis. De mens heeft daar weinig invloed op. Ik besprak dit idee al eens eerder in mijn blogje “in opdracht van de tijd“, dus ik ga er nu niet al te diep op in.

Andere denkers zien de vooruitgang ontstaan in fasen. Eerst waren er de jagers verzamelaars, toen de landbouw, daarna de industriële samenleving en nu de informatiemaatschappij. Of… Eerst was er anarchie, toen stammen, toen adel, toen democratie. Dit soort denkers zien de geschiedenis die zich ontwikkeld in een positieve richting en stellen vaak dat er een eindpunt aan de vooruitgang zit. Meestal is dat, de laatste fase, de samenleving waar we nu in leven.

Dat laatste maakt de fasentheorieën ook meteen verdacht. Het probleem met fasentheorieën is dat ze de geschiedenis inzichtelijk maken, maar weinig over de toekomst zeggen. Een fasetheorie uit de het industriële tijdperk zou nooit de informatiesamenleving voorspeld hebben. De Romeinen dachten dat het Romeinse rijk het einde van de geschiedenis vormde. Denkers die met een fasemodel willen aantonen dat we aan het einde van iets aangekomen staan in een lange traditie. De Griekse denker Epicurus dacht er al zo over, de Duitse filosoof Hegel merkte het op, Karl Marx zag het gebeuren en een hedendaagse Ameriaanse filosoof als Fukayama denkt er net zo over. Ze hebben allemaal al ongelijk gekregen van de geschiedenis.

Modern vooruitgangsdenken

Er zijn twee modellen voor de geschiedenis die Rutger Bregman zelf hanteert die zeker de moeite van het overwegen waard zijn. Het eerste noem ik maar even het hobbelmodel. Het komt als volgt tot stand.

Ten eerste is volgens Bregman een belangrijk kenmerk van de vooruitgang dat we niet terug kunnen. Toen we van het tijdperk van de landbouw naar het industriële tijdperk gingen veranderde de samenleving zo fundamenteel dat een terugkeer naar de landbouwsamenleving onmogelijk werd. Of kleiner: de smartphone heeft een relatief geruisloze opmars in onze samenleving gekend – tenminste als je het vergelijkt met wat er voor nodig zou zijn om het weer terug te draaien.

Een tweede kenmerk is dat we niet overzien waar we heen gaan. Op de korte termijn kunnen we nog redelijk voorspellen wat er mogelijk is en hoe ontwikkelingen uitpakken, maar naarmate je verder kijkt wordt dat steeds moeilijker. We hebben nog steeds geen vliegende auto’s en ook misdaadvoorspelling en de samenleving laten langer op zich wachten dan ooit gedacht. Bovendien trekken ontwikkelingen die veel invloed hebben op de samenleving niet altijd de meeste aandacht.

Een derde kenmerk is dat vooruitgang bijna altijd zijn eigen crises veroorzaakt. Industrie bracht welvaart, maar ook vervuiling en de klimaatcisis. Globalisering maakte dingen goedkoper, maar zorgt voor verlies van banen en zekerheid. Elke ontwikkeling heeft een keerzijde, de crisis die daar uit voortkomt geeft weer aanleiding tot nieuwe ontwikkelingen.

Zo ontstaat een wereld die met horten en stoten vooruit gaat. Elke ontwikkeling lost problemen op maar veroorzaakt ook weer nieuwe problemen. Als je een pessimist bent kun je zo zeggen dat we van probleem naar probleem hobbelen. Als je een optimist bent kun je er op wijzen dat we met al dat gehobbel toch maar mooi elke keer een stap vooruit zetten.

Het tweede basisidee dat Bregman gebruikt wijkt af van alles wat we tot nu toe besproken hebben. Bregman zet vooruitgang hier niet weg als een beschrijving van hoe de geschiedenis nu eenmaal loopt, maar als een ideaal waar we naar zouden moeten streven.

Een dergelijke benadering is verschillend omdat het ons ineens in de actieve positie zet. De vooruitgang gebeurd niet gewoon, terwijl wij passief toekijken. Nee het is iets waar we voor moeten blijven werken en wat de moeite waard is. In de inleiding zei ik al dat mijn moeder een dubbele positie had. Ze dacht dat vooruitgang iets was dat haar overkwam (die is niet te stoppen), maar ook vooruitgang iets goeds was waar ze een bijdrage aan wilde leveren.

Dat laatste: het idee dat het goed is om vooruit te gaan – is volgens Rutger Bregman op zijn retour in onze samenleving. Hij houdt dan ook een vurig pleidooi voor vooruitgangsdenken. Het is een belangrijke vorm van zingeving en bindmiddel in de samenleving. Als we geen invulling kunnen geven aan de vooruitgang verzanden we als samenleving in cynisch en doelloos rondobberen en -laten we wel wezen- daar heeft niemand zin in.

Meer lezen?

Ik schreef eerder over geschiedenis in geschiedenis. Daarin bespreek ik de historische analogie wat uitgebreider. Ik schreef ook als eens over het  manke vooruitgangsdenken van de Russische revolutionairen in in opdracht van de tijd. Donna Haraway’s kritiek op het zondeval scenario in de biologie bespreek ik in Reading Donna Haraway’s Simians, Cyborgs and Women.

In een blogje zoals dit kun je een rijk en meeslepend boek als De geschiedenis van de vooruitgang natuurlijk geen recht doen. Daarvoor moet je het echt zelf lezen.

Betekenisdrift

Het woord ‘nep’ is zichzelf niet meer de laatste tijd. Nepnieuws is waarschijnlijk een van de eerste dingen waar je aan denkt bij het woord nep, maar die samenstelling is piepjong. Vroeger was nieuws niet iets wat nep kon zijn; of daar dacht je in ieder geval niet over na. Wie had dus gedacht de woorden nep en nieuws zo gemakkelijk aan elkaar zouden plakken? En toen werd het nog gekker. Donald Trump, president van Amerika, ging het woord nepnieuws in een totaal andere betekenis gebruiken. Hij bestempelde juist het nieuws van kwaliteitskranten zoals de New-York Times, dat wij als het meest betrouwbare beschouwen, als nep. Dat is dus een beetje alsof je een Mercedes een nepauto noemt. Niettemin is het feit is dat Trump een invloedrijke man is – en zo is nep vanzelf ook synoniem geworden voor “niet positief over Donald Trump”.

Hoe invloedrijk Trumps taalgebruik precies is zal de tijd moeten leren, maar het turbulente leven van het woord nep roept natuurlijk allerlei vragen op over taal als kennisdrager. Als alle woorden zo wispelturig zijn, hoe kun je ze dan gebruiken om iemand iets te leren? Of om het eens te worden over hoe iets zit? Kunnen we, zoals in het boek 1984 van George Orwell geprobeerd wordt, het denken van een hele samenleving veranderen door in het woordenboek te schrappen? Of heeft dat geen zin? Ik denk dat dit soort vragen goed te beantwoorden zijn als je twee dingen helder voor ogen houdt.

Ten eerste: woorden zijn vogelvrij. Je kunt boos zijn op Trump omdat hij verwarring zaait door het woord nep op een heel andere manier te gebruiken dan dat wij dat doen, maar dit soort taalvernieuwing is wel heel normaal. We leren wat woorden betekenen door hoe mensen woorden gebruiken en als we woorden anders gaan gebruiken veranderen ze dus van betekenis. Als we de zon dit jaar allemaal sjaal gaan noemen, dan gaan we volgend jaar allemaal naar het strand om bruin te worden in het lekkere zomersjaaltje. Dat zulke veranderingen van de taal meestal geleidelijk gaan komt omdat het niet meevalt iedereen mee te krijgen in het nieuwe gebruik van sjaal. Maar beroemdheden en de (massa)media zijn wel krachtige verspreiders van nieuwe taal.

Ten tweede: betekenissen zijn juist vrij vast: ze zitten verstrikt in een kluwen van woorden. Taal is een netwerk. Als je de betekenis opzoekt van een woord dan stuit je vaak op een definitie van een 10tal woorden waarvan je van een paar de betekenis ook niet kent. Als je de betekenis van die woorden gast opzoeken stuit je wéér op definities met onbekende woorden. Enzovoort. Deze kluwen van woorden en verbanden tussen woorden is mooi weergegeven in een visuele thesaurus. In ons brein is deze taalkluwen ook nog eens verknoopt met persoonlijke herinneringen en emoties. Iedereen die wel eens met wol gespeeld heeft weet dat een kluwen veranderen niet meevalt. Natuurlijk kan het wel, anders had studeren geen zin,  maar of het Donald Trump lukt om mijn begrip van echt en nep te veranderen, dat betwijfel ik.

Terwijl woorden dus vrij gemakkelijk op een nieuwe manier gebruikt kunnen worden, worden ze op hun beurt in toom gehouden door betekenissen die zich niet zo makkelijk laten veranderen. Nieuw taalgebruik grijpt vaak vrij snel om zich heen, terwijl het veel moeilijker is om het denken daaronder te veranderen. Woorden zijn besmettelijker dan betekenissen.

Dat is misschien ontnuchterend nieuws voor mensen die zich, zoals ik, met leren en onderwijzen bezig houden. Het is niet zo moeilijk om studenten of collega’s te leren om nieuwe begrippen te gaan gebruiken. Maar, als je kijkt naar welke ideeën daar onder schuil gaan, gaat het gezegde “oude wijn in nieuwe zakken” gemakkelijk op. Die nieuwe begrippen hechten zich aan oude betekenissen terwijl dat vaak net niet de bedoeling is. Zo ontstaan er veel misconcepties en onzichtbaar onbegrip. Om een nieuw begrip in te laten dalen moet de hele taalkluwen veranderd worden. Dat vereist dat je het nieuwe begrip op veel manieren gebruikt en dat je als docent een lange adem nodig hebt om misconceptie na misconceptie recht te zetten.

Het is misschien ook ontnuchterend nieuws voor onderzoekers die het eens proberen te worden over hoe iets wat ze in de wereld zien precies begrepen moet worden. Vaak wordt dit gedaan door nieuwe taal in te voeren. Maar die nieuwe taal klit bij alle onderzoekers aan andere bestaande betekenissen. Er is zo heel wat discussie nodig voordat er een gedeeld begrip ontstaat van het verschijnsel. Voor hele nieuwe wetenschappelijke ideeën, zoals ooit de quantummechanica, blijft die discussie jarenlang doorgaan.

Het is ook slecht nieuws voor diegenen die proberen ons denken te vervangen door termen te veranderen. Je kan zwakzinnigen verstandelijk beperkten gaan noemen, allochtonen nieuwe Nederlanders of patiënten cliënten, maar maak je niet de illusie dat dat tot een hele andere behandeling van deze groepen leidt. De nieuwe term past namelijk precies op de betekenissen die de oude term ook had. De woorden die we gebruiken zijn vervangen, maar verstandelijk beperkten worden er niet vanzelf respectvoller door behandeld, nieuwe Nederlanders zijn niet welkomer dan allochtonen en cliënten niet minder afhankelijk dan patiënten. Voor dit soort veranderingen zijn de kluwens te sterk en de woorden te zwak.

Is het dan kansloos om met taal betekenissen te veranderen? Enige nuance is misschien op zijn plek. Met name de eerste regel, dat woorden vogelvrij zijn, is overdreven. Zeker woorden waar we al lang een bepaalde betekenis aan toekennen, zoals nep of sjaal kun je niet helemaal ongestraft voor iets nieuws inzetten. Als je die woorden gebruikt blijft er een stukje van de originele kluwen meekomen en dat kan de betekenis die je wil beïnvloeden wel degelijk in de war schoppen. Trump plakt het woord nepnieuws niet voor niets op de New York Times. Hij probeert daar twijfel mee te zaaien over wat echt is en wat nep is, zodat onwelgevallig nieuws hem minder hard zal raken. Dat zal ongetwijfeld een beetje lukken, maar op de langere termijn schat ik het niet kansrijk in. Iemand die lak heeft aan de betekenissen waar we mee zijn opgegroeid en opgevoed nemen we daarvoor simpelweg niet serieus genoeg. We zijn eigenlijk heel gehecht aan onze taalkluwens.

Meer lezen?

In mijn blogje Jargon, sprak ik al eens eerder over het verband tussen taal en kennis. De besmettelijkheid van ideeën besprak ik al eens in Memen.

Het netwerkkarakter van kennis besprak ik in Kennisnetwerken en in Sociale Kennisnetwerken. De discussie in de quantummechanica, behandelde de ik in EPR.

Een voorbeeld van een visuele thesaurus vind je hier.

 

 

 

Eerlijk Vergelijken

Mensen vergelijken veel en dat kan nog knap moeilijk zijn. Neem dit zinnetje bijvoorbeeld.

Ze voeren alle slechte lijstjes aan: de kinderen van Turkse en Marrokaanse gastarbeiders. Drugs, schoolverlaten, kleine criminaliteit, noem maar op…

Je komt uitspraken van deze vorm voortdurend tegen in het spraakgebruik en in de krant. Meestal denk je er ook niet al te veel bij na. Misschien was het je zonder mijn inleiding niet eens opgevallen het hier om een vergelijking tussen groepen gaat. Laat staan dat je je had afgevraagd of die vergelijking wel deugt. Maar, in dit éne zinnetje zitten niet minder dan drie veel gemaakte vergelijkingsslordigheden.

Slordigheid 1: In het midden laten met wie vergeleken is.

De kinderen van gastarbeiders voeren blijkbaar slechte lijstjes aan, maar wie staan er eigenlijk nog meer op die lijstjes? Zijn ze crimineler dan hun ouders? Dan leraren? Dan honden? Dan Russische maffia? Als je er dat er niet bij zegt wordt het wel erg moeilijk conclusies trekken en stel je de luisteraar ook niet echt in de gelegenheid na te gaan of het wel om een eerlijke vergelijking gaat. Toch komt deze slordigheid heel vaak voor. Omdat de spreker denkt bijvoorbeeld dat het wel duidelijk is met wie vergeleken is, omdat het makkelijker leest of om dat het zo nog net iets feitelijker klinkt allemaal.

Nu zijn er best wat tegenwerpingen te bedenken. Je zou kunnen zeggen: “Het is toch niet zo belangrijk wie er verder nog op het lijstje staan? Allochtonen staan bovenaan, dus de aanpak van drugs onder deze groep heeft hoe dan ook prioriteit”. Een variant hiervan is de volgende: “wat hier eigenlijk vergeleken wordt zijn allochtonen in vergelijking tot alle Nederlanders – en ze doen het slechter, dus we moeten daar wat mee”. Ik ben het met allebei grondig oneens, wat me bij een tweede slordigheid brengt.

Slordigheid 2: Appels en peren vergelijken.

Is het eerlijk om kinderen van gastarbeiders te vergelijken met alle Nederlanders? Of laat ik de vraag anders stellen: kan je verwachten dat kinderen van gastarbeiders het even goed doen als alle Nederlanders? Nee natuurlijk. Gastarbeiders zijn naar Nederland gekomen om fabriekswerk te doen: meestal waren ze laag opgeleid. Als je een groep laagopgeleiden vergelijkt met een groep met alle opleidingsniveaus erin, doet die eerste groep het al snel slechter. Dat blijkt hier ook het geval: kinderen van gastarbeiders doen het in de slechte lijstjes beter dan kinderen van laag opgeleide Nederlandse ouders, maar die worden in de meeste onderzoeken niet als aparte groep gemeten. Het maakt dus wel degelijk uit wie er in het lijstje staan, want waren kinderen van laagopgeleide ouders apart gemeten, was er een hele andere ranglijst uitgerold.

Als je twee groepen vergelijkt moeten die dus ook echt vergelijkbaar zijn. Daarom moeten ze gelijksoortig zijn, op alle aspecten behalve die waar je iets over wil zeggen. Het is vaak echt als appels en peren vergelijken. Appels en peren zijn goed vergelijkbaar op sommige aspecten suikergehalte of de prijs, maar heel moeilijk te vergelijken op andere aspecten zoals de vorm en de smaak. Als die moeilijke aspecten wel een rol spelen in je redenering wordt het lastig. Dit is extra problematisch bij groepen omdat er binnen groepen grote verschillen kunnen zijn en een groepsgemiddelde daar van af kan hangen. Het is meestal niet handig om een smalle groep met een brede groep te vergelijken. De prestaties van Nederlandse topsporters zijn uitstekend in vergelijking met die van Nederlanders in het algemeen, maar misschien niet in vergelijking met andere topsporters. Maar ook het vinden van een kleinere groep die echt vergelijkbaar is kan knap moeilijk zijn. Vaak wordt je ‘score’ bepaald door iets wat wel samenhangt met de keuze van je groepen, maar niet hetgeen is waar je iets over wil zeggen; wat me brengt bij een derde slordigheid.

Slordigheid 3: Niet zeggen waarom je vergelijkt.

Dit is de meest controversiële slordigheid. Misschien vind je het juist prettig aan het zinnetje waar ik mee begonnen ben. Dat het lekker feitelijk is. Elke vorm van argumentatie ontbreekt. Er staat niet of we het een probleem vinden dat kinderen van gastarbeiders de slechte lijstjes aanvoeren. Er staat niet waarom we denken dat ze aanvoerder zijn: is het cultuur, intelligentie, taalachterstand, zijn het de genen? En er staat niet wat er zou moet gebeuren: moeten allochtonen uitgezet of moeten we op de thee, moeten ze worden bijgeschoold of moeten we rustig wachten tot het probleem zich vanzelf oplost?

Ook dit is iets wat je erg vaak tegenkomt. Soms is het omdat de conclusie wel ‘voor zich spreekt’. In zo’n geval dan zorgt de weglating ervoor dat de lezer de conclusie zelf trekt – en komt het nog beter binnen. Je vindt deze stijlfiguur veel in kroegenpraat en onder politici. Soms wil de schrijver er ook gewoon zijn vingers niet aan branden. Hij is zeker van de feiten, maar minder zeker van de conclusies of acties, dus die laat hij aan de lezer. Dit treffen we wel aan onder journalisten en wetenschappers. Of het is omdat de schrijver je de ruimte voor je eigen conclusies wil laten. De redenering is dan, dat we de feiten het best los kunnen zien van de discussie. We beginnen met de feiten en dan kan de discussie daarna de vrije loop hebben, toch?

Nee dus. Ik denk dat hier feiten en meningen niet gescheiden zouden moeten zijn. Groepen vergelijken is zo moeilijk dat als je niet zegt wat de achterliggende reden voor de vergelijking was je ook niet na kan gaan of de groepen die vergeleken worden handig gekozen zijn. Er zit bijna altijd wel een addertje onder het gras, waardoor de groepen toch niet zo veel op elkaar lijken als eerst gedacht. Denk maar aan het voorbeeld van de intelligentie van de ouders van de kinderen op de slechte lijstjes. Natuurlijk zou je kunnen zeggen dat dit in de discussie wel naar voren kan komen en zo loop het vaak, uiteindelijk, ook. Maar, door niet te vertellen waarom je vergelijkt zet je de lezer eigenlijk op een achterstand. Eerst vraag je de uitkomst van de vergelijking als feit te accepteren en pas in de discussie komt de reden van vergelijking naar boven en kan iemand pas nagaan of de feiten wel kloppen. Maar, dan wordt de discussie al op het scherpst van de snede gevoerd en is er weinig ruimte om nog eens goed naar de feiten te kijken.

Hoe wel?

Dat brengt me tot een drietrapsraket voor groepsvergelijkingen. Ten eerste moet het duidelijk zijn waarom er een vergelijking uitgevoerd wordt, ten tweede moet duidelijk zijn wie er vergeleken worden en ten derde moeten die groepen goed gekozen, gezien het doel van de vergelijking. Eigenlijk zou je alle drie moeten nagaan voor je de uitkomst als een feit accepteert en er over gaat discussiëren, maar meestal is dat niet te doen natuurlijk. Wat wel kan is voorzichtig zijn met vergelijkingen waar de informatie over een van de drie trappen ontbreekt. En dat zijn verreweg de meesten.

Meer lezen?

Dit is het tweede deel uit een tweeluik over groepsvergelijkingen. In het eerste deel stelde ik aan de orde dat een verschil tussen groepen niet zoveel hoeft te zeggen over de personen in een groep.

Ik schreef natuurlijk ook al eerder over onze meet- en vergelijkcultuur. Ik ben er nog niet uit of dat iets goeds is. Soms blijk ik warm voorstander zoals in waardendragers en eksters. Maar soms ook niet, zoals in dit blogje en in waarheidsinjecties.

Het enige ‘feitje’ uit dit blogje. Dat de kinderen van gastarbeiders het beter doen dan kinderen van laag opgeleide Nederlandse ouders komt uit een hoorcollege van Leo Lucassen over de geschiedenis van migratie. Ik heb hier geen verder ‘fact-check’ op uitgevoerd.

 

Groepsindentificaties

Ik ben een man, docent en skeeleraar. Dit zijn drie brokjes informatie die je kunnen helpen om je een beeld van mij te vormen. Want, stel je voor dat ik dit blogje gestart was met “ik ben vrouw, tandartsassistente en paintballer“? Dan had je je toch een heel ander persoon voorgesteld. Het kan een handige manier zijn om iemand te leren kennen: ontdekken bij welke groepen hij of zij hoort. Zodra je weet dat ik een man ben, kun je datgene wat je van mannen weet op mij toepassen. Niet alles daarvan zal kloppen, maar het meeste wel en dan ben je al weer een stuk verder. Toch is het de moeite waard eens wat beter te kijken naar de werking van dit soort ‘groepsidentificatie’, want we draven er natuurlijk vaak veel te ver mee door.

Mijn favoriete voorbeeld is het verschil tussen mannen en vrouwen, gewoon omdat je dat zo met de paplepel ingegoten krijgt. In tegenstelling tot veel andere jeugdtrauma’s, lukt het ons ook maar niet om er overheen te komen als we ouder worden. Zo kan het zomaar gebeuren dat je een getrouwde man iets hoort zeggen als:

Als mijn vrouw en ik naar Frankrijk gaan, pakt zij de kaart. Daarin zijn we heel atypisch.

De gedachte is hier: vrouwen zijn slecht in kaartlezen dus hoe bijzonder (atypisch) is het wel niet dat mijn vrouw dat wel goed kan? Maar, het antwoord is natuurlijk dat het niet bijzonder is: heel veel vrouwen kunnen goed kaartlezen.

Een plaatje: de bell curve. Stel je voor dat je een manier zou weten om de vaardigheid kaartlezen te meten op een schaal van 0 tot 100. Niet alle vrouwen zouden het natuurlijk even goed doen. Een klein deel van de vrouwen bakt er echt helemaal niets van en scoort tussen de 0 en de 15. Er zijn al heel wat meer vrouwen die tussen de 15 en de 30 scoren en een groot deel van de vrouwen kan heel gemiddeld navigeren, laten we dat op 45 zetten. Er zijn natuurlijk ook vrouwen die bovengemiddeld navigeren, iets minder die heel goed navigeren en maar een paar die het uitzonderlijk goed kunnen. In grafiekvorm ziet dat er zo uit (de curve heeft een beetje de vorm van een bel, vandaar de naam).

bel v

Mooi toch? Voor mannen is het natuurlijk niet anders. Sommige mannen kunnen niet navigeren en zullen het nooit leren ook, een grote groep mannen navigeert heel gemiddeld en een paar kerels zijn er uitzonderlijk goed in. We gaan even mee in het vooroordeel dat mannen beter navigeren en zetten het gemiddelde op 55. Dat ziet er zo uit.

bel v plus m

Ik heb ze meteen maar in één plaatje gezet want dan kunnen we de mannen en vrouwen beter vergelijken. Twee dingen vallen op. Ten eerste zie je dat er inderdaad een verschil is tussen mannen en vrouwen als groep. Anders gezegd gemiddeld gesproken navigeren mannen beter dan vrouwen. De stippellijntjes die het groepsgemiddelde aangeven staan 10 navigatiepunten uit elkaar. Maar als we naar individuen gaan kijken zien we iets heel anders in het plaatje. Er is namelijk bijna overal erg veel overlap. Overal in het plaatje vind je zowel mannen en vrouwen. Kun je bijvoorbeeld aan de navigatiescore aflezen of iemand een man of een vrouw is? Eigenlijk niet. Als je 50 scoort op navigeren is de kans dat je een man of een vrouw bent precies even groot. Zelfs bij een score tegen de 70, waar het verschil het grootst is, doen mannen en vrouwen het nog ongeveer even goed. Het meten van een navigatiescore is uiteindelijk een waardeloze manier om te ontdekken of iemand een man of een vrouw is. Het is dus ook helemaal niet “atypisch” als een vrouw goed kan navigeren.

Het lijkt misschien paradoxaal dat groepen kunnen verschillen zonder dat dat iets zegt over de mensen in de groep, maar het is ook wel te begrijpen. Mensen verschillen gewoon veel. Er zijn er die goed kunnen navigeren en er zijn er die dat slecht kunnen. Als je groepen gaat vergelijken probeer je die individuele verschillen juist weg te denken. Dat doe je door gemiddeldes te meten en dat werkt: als je verschillen tussen alle mensen onderling wegdenkt, dan navigeren mannen iets beter. Maar als je vervolgens met die kennis in handen weer iets wil zeggen over alle mannen en vrouwen, dan moet je eigenlijk die verschillen tussen individuen er weer bijdenken en dat vergeet iedereen. Daardoor doen we vaak alsof iedereen van de groep het gemiddelde heeft. ‘Vrouwen navigeren gemiddeld iets slechter’ wordt zo vanzelf ‘alle vrouwen navigeren slecht’. Onzin natuurlijk. Niemand is het gemiddelde. Ik ben geen gemiddelde man, docent of skeeleraar en er is echt weinig gemiddeld aan mijn tandartsassistente.

Verschillen meten tussen groepen is een populaire bezigheid. Mannen en vrouwen zijn op duizenden aspecten met elkaar vergeleken. Het ironische is dat dat vaak veel moeite kost. Juist omdat mensen onderling zo verschillen is het lastig om verschillen tussen groepen vast te stellen. Op het moment dat het lukt om een verschil te vinden is het meteen groot nieuws: “Met een vernuftige meetwijze hebben we eindelijk aangetoond dat vrouwen gemiddeld net iets vaker dromen van een reis naar de maan”. Kan zo in de krant. Maar juist dit soort vindingen lijken als twee druppels water op de verzonnen versie hierboven. Het verschil tussen de groepen is veel kleiner dan verschillen tussen de leden uit de groep. Dat je in zo’n geval weinig kan met het gevonden verschil wordt voor het gemak maar even vergeten. Het nieuws is het verschil tussen de groepen, niet hoe klein het wel niet is.

Eigenlijk zou het beter zijn als we het pas interessant gingen vinden als het verschil tussen de groepsgemiddelden groter was dan het gemiddelde verschil tussen de individuele groepsleden. Want in die situatie zegt een verschil tussen groepen ook echt iets over het merendeel van de mensen. Maar ja. Dat is best een zware eis. Er blijven dan heel weinig verschillen over. Vrouwen hebben gemiddeld gesproken iets meer curves, mannen kijken iets meer porno. Daar houdt het wel ongeveer op. En met andere groepen is het net zo. Er zijn nauwelijks cultuurverschillen tussen Duitsers en Nederlanders die deze toets overleven. Docenten en tandartsassistenten verschillen vooral op het aantal uur dat ze specifiek in monden kijken of voor groepen studenten staan. En zelf paintballers en skeeleraars zijn grosso modo één pot nat. Alle groepsverschillen die je werkelijk op individuen kan toepassen kennen we al, die hoeven niet meer gemeten. Realistisch, maar saai.

Dus? Dan maar niet meer over groepen praten? Eigenlijk denk ik dat er niet zoveel mis is met groepsidentificatie als je er maar niet in doordraaft. Als je trots bent dat jouw groep iets vaker van maanreizen droomt dan pronk je daar toch mee, ook al herkennen anderen van de groep zich er minder in? En als je je aan een dame voorstelt als skeeleraar, kan de paintballende luisterares misschien niet raden hoe je bent, maar ze kan het je wel vragen. De ingang heb je haar al gegeven. Beschouw groepslidmaatschappen gewoon als licht vermaak. Ga niet eindeloos zitten neuzelen over de volksaard van de Serven, de zogenaamde agressiviteit van moslims of de onhebbelijkheden van mannen of vrouwen. Probeer gewoon zo snel mogelijk om de specifieke persoon die je voor je hebt te leren kennen. Dat is degene die er toe doet, niet de groepen waar hij of zij toe behoord. En als je de moeite neemt iemand echt te leren kennen heb je vaak veel meer gemeen dan je eerst dacht.

Meer lezen?

Dit blogje is de eerste van een tweeluik over het vergelijken van groepen. In mijn volgende blogje eerlijk vergelijken ga ik verder in op de ingewikkeldheden die komen kijken bij het vergelijken van groepen.

Ik schreef natuurlijk ook al eerder over onze meet- en vergelijkcultuur. Ik ben er nog niet uit of dat iets goeds is. Soms blijk ik warm voorstander zoals in waardendragers en eksters. Maar soms ook niet, zoals in dit blogje en in waarheidsinjecties.

Asha ten Broeke geeft in het idee m/v een uitgebreide analyse van veel onderzoek over de verschillen tussen mannen en vrouwen. Zij stelt dat er bij kritische beschouwing van dat onderzoek heel weinig betekenisvolle verschillen over blijven. Dat argument heb ik dus uiteindelijk van haar. Overigens komen de voorbeelden die ik hier gebruik niet uit het boekje, die zijn allemaal verzonnen.

Jargon

Ik kreeg een brief van mijn pensioenfonds met deze zin:

“De indexatieambitie wordt vanaf nu gebaseerd op de prijsontwikkeling en niet meer op de loonontwikkeling”

Verbijsterd was ik. Eerst probeerde ik te snappen wat die zin betekende, maar dat was natuurlijk kansloos: ik kwam niet verder dan een vaag vermoeden. Vervolgens dwaalden mijn gedachten af naar de communicatieafdeling van het pensioenfonds. Zouden zij werkelijk gedacht hebben dat dit begrijpelijke taal was? Dat dit een correcte manier zou zijn om hun leden te informeren over deze wijziging? Ik kreeg mijn hoofd er maar niet omheen waarom een communicatieafdeling, willens en wetens een totaal onbegrijpelijke brief rond zou sturen.

Maar onder al die verbazing lag ook steeds een soort bewondering. Ik houd namelijk erg van jargon. Je kunt aan jargon heel goed zien dat taal kennis is en dat vind ik er mooi aan.

Taal ontstaat als groepen mensen of dieren dingen proberen te bereiken die ze zonder elkaar minder goed voor elkaar krijgen. Stokstaartjes hebben een uitgebreid systeem van dingen die ze naar elkaar kunnen roepen zodat ze weten dat er gevaar dreigt, maar ook wat voor soort gevaar het is – en van welke kant het komt, zodat ze op de juiste manier kunnen reageren. Elke stokstaartroep bevat dus hele specifieke instructies voor de groep over wat er aan de hand is en wat een goede reactie is. Vertederend is dat: een stokstaartje roept “ieks” en de hele groep komt meteen in actie. Iedereen weet wat hem te doen staat. “Ieks” is stokstaartjesjargon.

Met de woorden “indexatieambitie”, “prijsontwikkeling” en “loonontwikkeling” is het net zo. Jij en ik weten niet wat die woorden betekenen, maar ergens bij het pensioenfonds zit een groepje mensen, ik stel me zo voor dat dat mannen zijn, die precies weten wat je met die woorden kan. Je hoeft op die afdeling maar te roepen “wat vind jij Karel? Kunnen we de indexatieambitie beter op de prijs- of op de loontonwikkeling zetten?” en… Hop! Karel gooit wat Excel-sheets open, zoekt wat gegevens na bij het CBS, doet een berekening waar hij 10 jaar voor gestudeerd heeft en komt met een eenduidig antwoord: “prijsontwikkeling Peter!”. Als je je bedenkt wat die woorden in gang kunnen zetten in een of andere kantoortuin dan is zo’n brief al een stuk leuker.

Niet alle taal is natuurlijk jargon, hoewel je moeilijk een goede grens kan trekken. Veel dingen die we tegen elkaar zeggen zijn veel minder precies. Woorden zoals  “ik” en “jij” en “appel” en “slaapkamer”, daar kun je van alles mee bedoelen. Misschien zijn ze ooit ontstaan als jargon, maar omdat iedereen die woorden kent en steeds op een net iets andere manier gebruikt zijn ze algemeen bruikbaar geworden. Alle taal kan gebruikt worden om dingen gedaan te krijgen, maar aan jargon kan je veel duidelijker zien wat het gaat zijn. “Indexatieambitie” is het nagelschaartje onder de woorden, goed om nagels te knippen en weinig meer. “Slaapkamer” is een aardappelschilmesje, daar kan je van alles mee. Vaak is die algemene bruikbaarheid veel fijner, maar soms wil je gewoon dat iets specifieks meteen goed gaat en dan pak je het precisie instrument.

Het probleem met jargon is natuurlijk dat het een groepsdingetje is. Stokstaartjestaal is ontstaan omdat ze op verschillende manieren aangevallen worden en het handig is andere stokstaartjes te vertellen wat te doen. Het is niet voor vogels of leeuwen bedoeld. Pensioenfondstaal is ontstaan omdat het handig is als pensioenfondsmensen het met andere pensioenfondsmensen over speciale pensioenfondsberekeningen kunnen hebben. Het is niet voor de massa. Als je niet tot een groep behoort kan je niets met hun groepsspecifieke woorden.

En daarom is het breder gebruiken van jargon zo onbeleefd. Eigenlijk zegt het pensioenfonds: “wij van het pensioenfonds lossen problemen op die zo uniek en ingewikkeld zijn dat we er onze eigen taal voor nodig hebben. Kijk maar hier heb je een paar van de speciale woorden die wij gebruiken”. Wij zijn slim en jullie… Eigenlijk sturen ze hun precisie-instrumenten mee, maar dan zonder handleiding. Leuk om je klanten aan het fantaseren te zetten, maar je moet niet verwachten dat ze er ook iets nuttigs mee kunnen doen.

Kwade wil is het natuurlijk niet geweest. In mijn blogje Spiegelpaleis had ik het er al over hoe moeilijk het kan zijn om buiten je eigen kringetje te kijken. Voor taal geld dat helemaal. Het is als zuurstof. Zolang je het kan ademen denk je dat het overal beschikbaar is.

Meer lezen?

In Spiegelpaleis bespreek ik hoe groepen tot een gemeenschappelijke manier van denken komen en wat daar de voor en nadelen van zijn. Het ontstaan van jargon hangt natuurlijk sterk samen met specialisatie waar ik in Helpt Specialiseren? over sprak.

In opdracht van de tijd

In 1917 brak in Rusland een zeer gewelddadige en langdurige revolutie uit. Geïnspireerd door het boek “Das Kapital” van Karl Marx, greep de Bolsjewistische partij van Vladimir Lenin de macht. Het zou het begin worden van meer dan een halve eeuw communisme.

“In opdracht van de tijd”, zo zagen Lenin en de zijne hun revolutionaire werk. Karl Marx had in “Das Kapital” de mechanismen van het kapitalisme blootgelegd en vastgesteld dat het systeem zich onvermijdelijk ten gronde zou richten, hetgeen weer zou ontaarden in een revolutie waarin de werkende klasse de macht greep. De “opdracht” die “de tijd” aan Lenin gegeven had, was het in gang zetten van deze onvermijdelijke revolutie. Met de kennis van nu lijkt het misschien een wat merkwaardige rechtvaardiging voor een revolutie: de geschiedenis die er toch wel aan komt te willen bespoedigen. Maar Lenin was intellectueel gezien de minste niet. In de visie van Karl Marx zouden die laatste jaren van het kapitalisme met veel onderdrukking gepaard gaan. Het was dus niet onredelijk om er maar alvast mee te beginnen.

Vooruit: er is wel van alles mis met die redenering, maar ze is zeker niet uitgestorven. We gebruiken nog elke dag volop argumenten van deze vorm. Hoog tijd voor een nadere beschouwing dus.

Het probleem met het argument van Lenin is dat er een volledig verschillend wereldbeeld schuilt achter de twee verschillende poten waar het op rust. De theorie van Marx, waar Lenin zich op baseerde is deterministisch van karakter. In een deterministisch wereldbeeld is de toekomst volledig voorspelbaar, zolang je maar weet hoe die er nu uit ziet en wat de mechanismen zijn waarlangs deze zich ontwikkeld. Volgens Marx kon het niet anders gaan dan dat het kapitalisme zichzelf ten gronde zou richten, dat zat in het systeem ingebakken. In een deterministisch wereldbeeld spelen menselijke acties een minimale rol. Ook die zijn ingegeven door de grotere krachten in het universum en dus geen ‘vrije’ keuzes van een individu of van een groep. Dat Lenin een determinist was is overigens niet vreemd: in die tijd was bijna iedereen een determinist.

De tweede poot van het argument rust juist op een wereldbeeld waar menselijke acties er alles toe doen. Laten we dit het constructivistische wereldbeeld noemen. Volgens constructivisten is de toekomst is het gevolg van menselijke keuzes. De Bolsjewieken waren in zoverre constructivisten dat ze geloofden dat door hun acties de revolutie versneld zou kunnen worden. Daarmee haalden ze natuurlijk wel de deterministische poot onderuit. Het is kiezen of delen: menselijk handelen doet er toe of het doet er juist niet toe. Als menselijk handelen de revolutie kan versnellen, is de revolutie dus ook niet onvermijdelijk. Er zijn verschillende manieren om het argument van Lenin te redden, maar in de kern is het kreupel.

En het is een type argument dat nog elke dag gebruikt wordt. Mogelijk ook door jou. Veel mensen gebruiken het bijvoorbeeld in verband met technologie. In de jaren 70 van de twintigste eeuw bracht Jacques Ellul de visie naar voren dat technologie deterministisch is. Technologie zou volgens Ellul zijn eigen ontwikkelingspad uitstippelen en zich niet door mensen laten sturen. Volgens Ellul was het de technologie die onze denkbeelden bepaalde en de economische krachten om zich heen vormde, niet andersom. Dit zogenaamde technologisch determinisme is niet meer in de mode, maar in het alledaagse leven is het niet zo’n gekke visie. Wij, gewone consumenten uit Nederland, hebben immers niet veel invloed op alle nieuwe gadgets die uit Silicon Valley komen stromen. Ten opzichte van de technologische ontwikkelingen lijken we machteloos te staan. Mijn moeder liet zich vaak ontvallen dat ‘de vooruitgang’ nu eenmaal niet te stoppen was.

En omdat de ontwikkelingen niet te stoppen zijn ondernemen we actie. Een collega van me is druk bezig te verkennen hoe iPads in het onderwijs in te passen zijn. Niet omdat hij daarin gelooft. Hij vindt de inpassing van die apparaten vaak eerder een verarming van het onderwijs dan een verrijking. Maar zijn school is voorhoedeschool. iPads ‘zijn de toekomst’ – als ze daar niet in meegaan haalt de tijd ze in en doen ze hun leerlingen tekort. Een ander voorbeeld is streaming muziek. Veel mensen stappen er op over, niet omdat ze CD’s slecht vinden, maar omdat het de toekomst is. Oven een paar jaar zijn CD’s toch niet meer te krijgen; en trouwens, de jeugd luistert alles al online. De crux is natuurlijk dat we met deze redenering de toekomst die we alleen maar denken te voorspellen ook helpen te veroorzaken. Ongeveer zoals Lenin de revolutie die hij voorspelde zelf in gang zette. Het is wat door psychologen een selffulfilling prophecy genoemd wordt.

Trends, technologisch of niet, zijn namelijk niet autonoom. Trends sturen zichzelf niet, ze worden door ons gestuurd. Trends zijn het gevolg van de keuzes die we collectief maken. Trends geven een indicatie van gemiddelde veranderingen in menselijk gedrag weer, meer niet. Het is pas als wij ze als onvermijdelijke ontwikkelingen gaan zien dat ze dat ook worden. iPads zijn alleen maar de toekomst omdat wij ze in ons onderwijs in proberen te passen. CD’s zijn niet meer te koop omdat we gaan streamen. Lenin startte de revolutie misschien  omdat hij er toch aan zat te komen, maar kwam er toch vooral omdat Lenin hem startte. We zijn, kortom, vaak precies zo afhankelijk van ontwikkelingen en trends als dat we zelf willen.

Of het nu een manke rechtvaardiging is of niet, ook vandaag de dag doen we nog erg veel dingen “in opdracht van de tijd”. Daarmee maken we onszelf afhankelijk van onze eigen voorspellingen (of waanbeelden) over de toekomst. Als we een rechtvaardiging zoeken om aan iets nieuws te beginnen is de vraag dus niet of ‘het er aan zit te komen’. De vraag is of we het willen. Als dat zo is moeten we zeker mee in de ontwikkeling en als dat niet zo is zeker niet. Niemand kan het tij in zijn eentje keren, maar samen kunnen we dat wel en hoe minder serieus we voorspellingen over de toekomst nemen hoe sterker we staan.

En ja, Lenin wilde revolutie. Hij dacht niet alleen dat de revolutie onvermijdelijk was, hij dacht ook dat er een heilstaat op zou volgen. Wat dat betreft haalde de tijd hem in.

Meer lezen?

Dit is mijn eerste blogje over het kennen van de toekomst. Ik wel schreef al eerder over determinisme in EPR. In waarheidsinjecties schreef ik al over, en brak een lans voor idealisme. In waardendragers over menselijke gevoeligheid voor autoriteiten.

Big Science

“Vandaag de dag hebben we het voorrecht om aan tafel te zitten met de reuzen op wiens schouders we staan”

Niet zo lang geleden opperde ik op een conferentie gekscherend dat het een goed idee zou zijn om alle publicaties die niet gemakkelijk met Google Scholar gevonden kunnen worden (dat zijn meestal publicaties van voor 1995), voortaan maar gewoon te vergeten. Dat zou een duidelijke tweedeling geven. Pre-internet wetenschap is voor historici en post-internet wetenschap voor wetenschappers. Zou het echt slecht zijn voor ons vakgebied als er niemand meer zou zoeken naar een obscuur paper over usability testen uit 1988?

Erg serieus was dat niet bedoeld. We hebben er toen in ieder geval smakelijk om gelachen. Ik ben zelf iemand die juist graag graaft naar dat soort papers; ongeveer zoals ik het ook fijn vind om muziek te spotten die nog weinig mensen kennen – en ik weet dat veel van mijn collega wetenschappers een soortgelijk temperament koesteren. Maar, zoals zo vaak, zat er wel kern van waarheid in de grap en daar moest ik aan denken toen ik het boekje “little science, BIG SCIENCE” van Derek, J. de Solla Price nog eens las.

Het boekje, verschenen in 1963, beschrijft een kwantitatieve studie naar de geschiedenis van de wetenschap. De Solla Price vroeg zich niet af wie de leidende figuren waren geweest in of hoe de prioriteitsstrijd tussen twee bekende wetenschappers was gelopen. Nee, in plaats daarvan stelde hij vast dat de wetenschap enorm gegroeid was sinds haar begindagen. Vervolgens handelde hij op een atypische manier voor een historicus: hij begon die groei zo precies mogelijk te meten, hij probeerde wetmatigheden vast te stellen en daaruit weer af te leiden wat die wetmatigheden betekenden voor de structuur van de wetenschap als geheel. Nu en in de toekomst. Hij bedreef dus een soort ‘natuurkunde’ van de wetenschapsgeschiedenis.

Groei, groei, groei

Eigenlijk is het boekje rondom één enkel prikkelend feitje opgebouwd: 80% tot 90% van alle wetenschappers die ooit geleefd hebben leven vandaag nog. Er zijn dus nu bijna 10x zoveel wetenschappers dan in de hele geschiedenis van de wetenschap bij elkaar. Wetenschap is dus heel erg iets van nu; het is modern; het is hedendaags. Terwijl wij onze kinderen op de middelbare school lastig vallen met lessen over Darwin, Newton en Einstein, weten we eigenlijk allang dat deze namen horen tot de tien procent van de wetenschappers is die er niet meer toe doen. Ik vond het al een knap duizelingwekkend idee dat alle belangrijke wetenschap recht onder onze neuzen gebeurt, maar het feitje waar ik mijn hoofd pas echt moeilijk omheen kreeg was het volgende. Dit is sinds 1600 altijd zo geweest.

Sinds die tijd, zo laat De Solla Price zien groeit de wetenschap namelijk al exponentieel. Natuurlijk is wetenschap gegroeid sinds het bedreven werd door berooide zonderlingen die alleen voor hun passie leefden en hooguit met brieven correspondeerden met een handjevol andere vreemde snuiters die zich in de wetenschap gestort hadden. Maar ook toen groeide de wetenschap al exponentieel.

Dit moet betekend hebben dat zij ook het gevoel hadden dat het wetenschappelijk wezen explodeerde en dat het niet meer bij te houden was welke nieuwe ontdekkingen elke dag overal gedaan werden. Ook in hun tijd verdubbelde het aantal wetenschappers, het aantal publicaties, het aantal leden van wetenschappelijke instellingen en het aantal ontdekkingen al elke 10 jaar. Dat zijn drie of vier verdubbelingen in één wetenschappelijke carière. Met de kennis van nu is het je misschien moeilijk voor te stellen dat iemand als Newton zich overweldigd voelde door de explosie van nieuwe wetenschap, maar er is voldoende bewijs dat wetenschappers uit die tijd dit zo beleefden. Ook zij zaten om tafel met de reuzen op wiens schouders ze stonden.

Waarom is het eigenlijk moeilijk je voor te stellen dat voor Newton de wetenschap even explosief groeide als voor ons? Een probleem is natuurlijk die mythe van de wetenschapper als eenzame zonderling. Daar klopt niet zoveel van. Ook in Newtons tijd was wetenschap al een bedrijf, maar wel een minder groot bedrijf met andere structuren. Het was bijvoorbeeld minder gespecialiseerd, het salarisgebouw zag er nog niet uit zoals nu en er waren ook andere communicatiemiddelen. Ook de taakstelling van de little scientist was eigenlijk heel anders. Wetenschappers uit de tijd van Newton rekenden het overzien van zo’n beetje alle kennis in de wereld nog tot hun taak, maar er is geen hedendaagse wetenschapper die zich dat nog in zijn hoofd haalt. Zo zijn er nog wel wat verschillen in structuur op te noemen en een aantal daarvan hangen samen met die explosieve groei van de wetenschap. Om dit soort verbanden tussen groei en interne structuur is het De Solla Price in zijn boekje te doen.

Stagnatie?

Laten we eerst maar even iets beter naar die groei zelf kijken. De wetenschap groeit al bijna 400 jaar exponentieel. Kan dat nog lang zo doorgaan? Nee natuurlijk. Voor wetenschap heb je mensen nodig met een bovengemiddelde intelligentie. Je kunt met goede scouting zorgen dat meer van die mensen in het wetenschappelijk bedrijf terecht komen en met goede scholing valt ook wel wat te bereiken, maar ergens is het potentieel wel op. Wetenschap kost bovendien veel geld, geld dat zich mogelijk op de lange termijn wel terug verdient, maar dat niet onmiddelijk brood op de plank brengt. Door de bank genomen is wetenschap een luxeproduct. Er zijn dus grenzen aan de groei. De Solla Price stelde de groei van de wetenschap dus als volgt voor.

logistische curve

Wat je ziet is een logistische curve. Eerst is er exponentiele groei, maar er is een limiet, waardoor na een bepaald moment de groeisnelheid afneemt zodat de groei steeds langzamer naar de limiet toe gaat. Interessant in dit plaatje is ook het pijltje met 30 jaar. Dit is de tijd die gezien de verdubbelingstijd van de wetenschap nodig is om het keerpunt in de curve te bereiken vanaf het moment dat de exponentiele groei over gaat in de logistische. In nog eens 30 jaar zit je effectief dicht bij de limiet. Als De Solla Price het pijltje met ‘present state’ goed heeft geplaatst (hij waagt zich in het boekje niet aan een echte voorspelling) zijn we, bijna 60 jaar verder, dus over de top heen en neemt de groei van wetenschap nu rap af.

Is dat een probleem? Het is zeker een gevaar voor onze wetenschappelijke concurrentiepositie. Landen die wetenschappelijk minder ver zijn hoeven namelijk het wiel niet opnieuw uit te vinden. Aan de hand van data over Japanse natuurkundigen laat De Solla Price zien dat het, met maar een handjevol “geïmporteerde” wetenschappers, maar een paar generaties kost om wetenschappelijk volledig mee te tellen.

Dat maakt het extra interessant naar het einde van de logistische curve te kijken. Is stagnatie het enige scenario voor het einde van de curve? De Solla Price bespreekt verschillende andere  scenario’s, zoals wilde oscillatie rondom het plateau of een terugval naar een lager niveau. Maar, één denkbaar scenario is ook dat we op de een of andere manier in slagen de regels van het spel te veranderen, waardoor weer nieuwe exponentiele groei mogelijk wordt. Zo iets is er bijvoorbeeld in het verleden gebeurd met deeltjesversnellers. Steeds als die aan de grenzen van hun kunnen kwamen werd er een nieuw type versneller uitgevonden.

Als de grenzen van de groei van wetenschap bepaald worden door het percentage van de bevolking dat er geschikt voor is lijkt het zeker niet waarschijnlijk dat het plafond makkelijk doorbroken kan worden. Toch zijn er ook dan wel een paar mogelijkheden. We kunnen artificele inteligentie inzetten bijvoorbeeld: eerst door nog meer samen te werken met computers, later misschien door de inzet van breinversterkende medicijnen en elektronische breinimplantaten.

Iets minder wild en futuristisch is de opkomst van het onderzoek buiten de traditionele wetenschap. Zo is een van de doelen van het moderne hoger beroepsonderwijs, met haar ‘universities of applied sciences’ om professionals sneller in contact te brengen met wetenschappelijke kennis. De groei van kennis mag dan stagneren, het gebruik ervan kan nog verbetert worden. Waardoor we de kenniseconomie misschien een nieuwe impuls kunnen geven.

Onzichtbare colleges

En dan de kernvraag van het boekje. Welke structuurwijzigingen hangen samen met de groei van wetenschap? De Solla Price laat zien dat niet alle aspecten van de wetenschap even snel groeien. Het aantal excellente wetenschappers groeit bijvoorbeeld veel langzamer dan het totaal aantal wetenschappers. Het wordt dus een steeds hiërarchischer systeem. Daarmee wordt het ook competitiever.

Dat heeft tot gevolg dat wetenschappelijke output fragmentarischer, gemeenschappelijker en specialistischer wordt. Fragmentatie is nodig vanwege de prioriteitsstrijd die ontstaat bij groei.

Het wetenschappelijk artikel is een voorbeeld. In Newtons tijd werden alle wetenschappelijke bevindingen nog door boeken verspreid. Maar, het is natuurlijk een beetje jammer als iemand anders net iets eerder een soortgelijk boek publiceert. Door informatie in artikelen te verwerken kun je sneller eigenaarschap claimen van een bepaald idee. Hoe groter de wetenschap, hoe kleiner het publicon (de kleinst publiceerbare eenheid).

Dat heeft weer tot gevolg dat wetenschap een gezamenlijker proces wordt. Als wetenschappers hun resultaten en gedachten eerder delen, zijn ze ook eerder in staat gebruik te maken van elkaars werk. Maar, zelfs bij kleinere publicatie eenheden zijn er grenzen aan hoeveel informatie je tot je kan nemen. Elke individuele onderzoeker moet een balans zien te vinden tussen het lezen van artikelen, het uitvoeren van wetenschappelijk werk en het schrijven van artikelen. Om dat zo efficiënt mogelijk te kunnen doen is het handig je te richten op een klein deel van het materiaal dat voor handen is. Specialiseren dus.

Deze drie ontwikkelingen samen brengen De Solla Price tot de hypothese van onzichtbare colleges. Volgens hem is het in de hedendaagse wetenschap nodig om intensieve samenwerkingen aan te gaan. In de onzichtbare colleges werken wetenschappers op veel intensievere basis samen dan in de publicatie cyclus (die nog altijd meer dan een jaar beslaat) mogelijk is. Deze groepen, van maximaal 100 wetenschappers sturen elkaar pre-prints hebben regelmatig contact tussen conferenties door. Ze combineren, fragmentatie, specialisatie en samenwerking om zoveel mogelijk output te bereiken en het hoofd boven water te houden in de steeds groeiende wetenschap.

Tot slot

Hoewel ik altijd wat sceptisch ben over het getalsmatig benaderen van een in en in inhoudelijk onderwerp als geschiedenis is “little science, big science” een onderhoudend en prikkelend betoog. Het is verleidelijk om eens met een paar eenvoudige basisprincipes en vogelvlucht over de wetenschap na te denken. En het geeft je, zeker, als wetenschapper eens de afstand om na te denken over je eigen rol in dit hectische exploderende wetenschappelijk bedrijf.

En Google Scholar? Ik ken veel onderzoekers die een sterke wil hebben om op zoek te gaan naar de bron van de ideeën die ze gebruiken. Dat kan natuurlijk beleefdheid zijn: ze hopen zelf ook ooit op deze manier als bron behandeld te worden, maar het kan ook wel een tegengif zijn tegen de hectiek die Big Science met zich mee brengt. Er wordt in de output gestuurde wetenschap natuurlijk heel veel ruis geproduceerd. In een context van wetenschappelijke overproductie brengen artikelen uit voorgaande tijden, die op de een of andere manier de tand des tijds overleeft hebben een relatieve zuiverheid en eenvoud. Dat maakt het de moeite waard er naar op zoek te gaan, zelfs als Google even niet meewerkt.

Meer lezen?

Over de zin en onzin van wetenschappelijke specialisatie schreef ik eerder in Helpt Specialiseren? In Grenzen betoog ik dat groei van kennis niet altijd nodig is. Over de nostalgische houding van veel wetenschappers en de houdbaarheid van de argumenten die ze daarvoor aanvoeren schreef ik in Stokoude Kennis. Ik schreef eerder over wetenschapssociologie in Lableven.

Het boekje “little science, BIG SCIENCE” is alleen nog 2e hands te verkrijgen of via een universiteitsbibliotheek, maar het is het lezen zeker waard.

 

Memen

Memen vormen de spil in wat je wel een culturele evolutietheorie kan noemen. Richard Dawkins wijdt er in zijn boek ‘The Selfish Gene’ niet meer dan een hoofdstukje aan, maar het idee blijkt aanstekelijk en duikt op veel plekken op. Eigenlijk gebruikt Dawkins de evolutietheorie als metafoor voor de verandering van ons ‘gedachtengoed’. Memen – ideeën eigenlijk – verspreiden zich door communicatie en zijn onderhevig aan een cultureel selectieproces; net zoals genen zich door voortplanting verspreiden en aan natuurlijke selectie onderhevig zijn. Een soort heeft een genenpool, een cultuur een memenpool. Met het begrip memen in de hand kunnen allerlei concepten uit de evolutietheorie één op één ingezet worden voor het begrijpen van kennisontwikkeling.

Van mementheorie kun je van alles vinden, maar voor ik daar wat meer over zeg is het misschien goed om iets verder op de boodschap van het boek ‘The Selfish Gene’ zelf in te gaan. Dawkins is namelijk een reductionist pur sang. Het kernbetoog van Dawkins is dat de evolutie niet een evolutie van organismen of soorten is, maar een evolutie van genen. De genen vormen de bouwplannen van de organismen die ze gebruiken om de competitie met andere genen aan te gaan in hun strijd om het bestaan. Organismen zijn dus slechts “fenotypen”, machines die de genen (het “genotype”) om zich heen bouwen om zich succesvoller voort te planten. Alle zichtbare eigenschappen van die organismen zoals intelligentie of fysieke kracht zijn dus uiteindelijk terug te voeren op het succes van de genen die eigenschappen veroorzaken. Een gen in een sterk dier heeft nu eenmaal meer kans zich voort te planten dan een gen in een zwak dier. Het hele boek lang hamert Dawkins er in dat evolutie blind is; erg blind.

Terug naar de memen. De kracht van mementheorie zit vast in haar eenvoud en herkenbaarheid. Als soorten kunnen evolueren door toedoen van genen, waarom kunnen culturen dan niet evolueren door toedoen van memen? Memen springen van het ene naar het andere brein, planten zich daar, bevrucht door andere ideeën, voort en springen weer over. Sommige ideeën zijn succesvol en invloedrijk en springen van brein naar brein, andere ideeën zijn minder invloedrijk en zijn dus een kort ‘leven’ beschoren. Dit is een intuïtief idee en als de evolutietheorie zoveel verklaringskracht heeft voor het begrijpen van het ontstaan van soorten waarom kan mementheorie die rol dan niet voor de evolutie van culturen spelen?

Als metafoor vind ik mementheorie ook mooi. Ze lijkt erg op het idee van een kennisstroom dat ik eerder besprak. Het dwingt tot bescheidenheid over je eigen rol de ontwikkeling van ons gedachtengoed. Eigenlijk zegt mementheorie dat jouw ideeën niet bij jou ontspruiten, maar dat je ze te leen hebt en ze hooguit wat kan veranderen voor je ze weer de wereld in stuurt. Het beeld helpt ook om te begrijpen dat ideeënvorming iets is wat je samen doet. Je vormt ideeën door het gesprek aan te gaan met anderen; waarbij zowel de ideeën zelf als het gedachtengoed waarbinnen ze succesvol kunnen zijn zich moeten ontwikkelen. Een co-evolutie, zoals ook soorten en hun ecosysteem co-evolueren.

Maar, als theorie vind ik mementheorie nogal overschat. In tegenstelling tot genen kunnen we memen niet onder de microscoop leggen en bekijken hoe ze veranderen. Er zijn maar een beperkt aantal genen, terwijl er oneindig veel memen kunnen bestaan. De koppeling tussen genen en organisme lijken me veel harder dan die tussen memen en cultuur. Dawkins laat in zijn boek heel goed zien dat de evolutietheorie zijn kracht voor een belangrijk deel dankt aan de moderne interpretatie ervan en het wetenschappelijke apparaat dat daar omheen gebouwd is. Dat kun je niet zo maar overzetten naar de wereld van gedachten. In die zin is mementheorie op dit moment waar de evolutietheorie was toen Darwin hem net publiceerde. Een wervend inzicht en een begin, misschien.

Een goede theorie helpt vaak om de juiste vragen te stellen. Maar, ik vraag me af of mementheorie ons niet eerder op het verkeerde dan op het goede spoor zet. In mementheorie doet alleen de aanstekelijkheid van een idee er toe. Hoe we ideeën verwerken of verbeteren doet er niet toe. Het maakt niet uit hoe we aan informatie komen, hoe we leren en zelfs niet hoe we communiceren. De inhoud van de ideeën is ook niet van belang. Mementheorie vindt het niet interessant wie Martin Luther King was en wat er van zijn visie van belang is voor de mensheid. Het enige waar mementheorie zich op richt is hoe hij zijn ideeën kon verspreiden en mogelijk wat maakte dat ze in goede aarde vielen.

En dan is er nog die extra reductiestap. Dawkins betoog voor het organisme als fenotype: een machine die door de genen gebouwd wordt om zichzelf succesvoller te kunnen voortplanten is vrij overtuigend. In mementheorie kun je een zelfde stap zetten. Vaak worden dan instituten zoals de kerk aangehaald. Zijn dat niet ook hele complexe machines, met als enige doel de verspreiding van het idee van God? Is God niet gewoon een succesvolle meme, die de kerk gebruikt om zich te handhaven tussen andere ideeën? Overtuigde atheïsten vinden dit wel een mooi plaatje, maar hetzelfde recept kan je natuurlijk op elk instituut of cultuurdrager toepassen. TV kan je zien als memencentralisatie, boeken als memenconservatie, scholen zijn er om de meme van scholing voor te planten, universiteiten voor de meme van wetenschap, parlementen voor de meme democratie, en zo voort. Ik vraag me af wat we daar mee opschieten. Dat een cultuur rust op breed gedragen basisideeën is wel algemeen aanvaard; het woord mentaliteit verwijst daar ook naar. Het is ook wel een houdbare stelling dat cultuurdragers de manifestaties zijn van de basisideeën van een cultuur. We kunnen ook nog zeggen dat ze helpen om die ideeën in stand te houden, maar om dat nu het enige doel te noemen. Dat is misschien wat ongepast.

Terwijl je dit las hebben allerlei ideeën zich in je hoofd genesteld en lekker liggen seksen met andere ideeën. Sommige voortbrengsels daarvan zullen mij weer inspireren tot een nieuw blogje vol potentiële ideeënsex. Toch? Vergeet die dus niet te delen, voor het voorbestaan van onze cultuur 🙂

Meer Lezen?

Ik beschreef eerder 2 andere metaforen voor kennis in kenniscontainers en in kennisstroom.

Ook schreef ik al eens over de evolutietheorie zelf in evolutiesnelheid.

Kennisstroom

Metaforen zijn belangrijk voor de manier waarop we dingen begrijpen. Daarom is het misschien goed om eens stil te staan bij de metaforen die we voor kennis hebben. In dit blogje wil ik me daarbij richten op het idee van een kennisstroom. Ik kwam het woord tegen in een boek door Joan van Aken en Daan Andriessen, waar het samen met het begrip praktijkstroom gebruikt wordt. Mooi vind ik dat: de kennis en de praktijk die steeds veranderen, zich altijd maar ontwikkelen en elkaar beïnvloeden. Zo brengen van Aken en Andriessen het tenminste. In dit blogje wil ik nog een stap verder gaan en puur eens nadenken over wat het betekend om kennis als een stroom te zien en niet als een bouwwerk of iets heel anders. Dat is niet per sé zoals het in het boek beschreven staat natuurlijk, maar het geeft misschien wel te denken.

Het eerste wat in je gedachten komt bij een stroom is natuurlijk dat het niet ophoudt. Bij een stroom denk ik aan de Rijn of Maas, die steeds nieuwe dingen met zich mee brengen. In een stroom verdwijnen dus ook weer dingen. Dat idee staat wel op gespannen voet met het idee dat wetenschappelijke kennis voor de eeuwigheid is, maar in een technische wetenschap, zoals de mijne is, het idee van tijdelijkheid weer heel normaal. Met het voortschrijden van de techniek, veranderd ook de kennis er over.

Wat ik ook mooi vind aan het beeld van een kennisstroom is dat het je als wetenschapper tot bescheidenheid dwingt over je bijdragen. In een vorig blogje stelde ik al dat er wereldwijd zo’n 5000 wetenschappelijke artikelen per dag worden gepubliceerd. Over een stroom gesproken! Ik werk vaak een jaar of meer aan een wetenschappelijk artikel. En al dat werk ten spijt is het dus maar één van de duizenden steentjes in de stroom in plaats van een rotsvast anker dat mijn unieke ideeën voor eeuwig vast legt. Verreweg de meeste artikelen zullen verdwijnen in de stroom en over een tijdje totaal vergeten zijn. Een enkel artikel heeft misschien een andere werking. Deze zal een verandering veroorzaken, omdat het tegen de heersende ideeën ingaat (en opgepikt wordt, wat zelden zo is). Maar verreweg de meeste artikelen ondersteunen de bestaande stroom door die voort te drijven. Of dat nou nut heeft of niet.

Wat ik zelf interessant vind aan het idee van kennis als stroom is dat kennis in deze visie wel verandert maar niet groeit. Een stroom heeft misschien een oorsprong, ze kan groeien, maar eeuwigheidswaarde heeft het allemaal niet. Ik denk wel eens dat er bepaalde ideeën bestaan die steeds terugkeren, omdat mensen er nou eenmaal opkomen: zoals idealisme of empirisme en waar nieuwe mensen steeds weer nieuwe woorden aan geven om hun tijdgenoten te overtuigen. Die ideeën zijn dan wel ‘eeuwig’ maar ze zijn eerder geleend dan bedacht. Plato was heus niet de eerste idealist en er komt ook geen laatste idealist. Er is eerder een bedding voor idealisme, steeds nieuwe ideeën vinden via idealisme hun weg.

Ik denk dat een kennisstroom een goede metafoor is voor kennis, maar ik merk ook dat ik het makkelijker vind om onze gemeenschappelijke kennis als stroom te zien, dan om mijn eigen kennis zo te zien. Natuurlijk stromen er ook ideeën door mijn hoofd, ongeveer zoals ik dat hier beschreven heb, maar het idee dat mijn gedachten alleen maar langs komen, in plaats van dat ik daar sturing aan geef, zit me dwars. Ik zou willen dat mijn ideeën, die ik met moeite uit de wildernis gebikt heb, bouwstenen zijn en dat mijn kennis een stevig bouwwerk wordt, in plaats van iets wat gewoon maar langs rolt. Ik denk dat dat gevoel: dat je het anders zou willen; dat je wil dat je werk er toe doet, de reden is waarom we kennis vaker als gebouw dan als stroom zien. Jammer eigenlijk.

Meer lezen.

Dat en hoe metaforen belangrijk zijn voor ons begrip besprak ik in in mijn blogje metaforen voor het leven. In kenniscontainers besprak ik de bekendste kennismetafoor ‘het brein als container’. Het idee van de ‘groei van kennis’ besprak ik in groeit kennis? Ik sprak over empirisme en idealisme in het blogje waarheidsinjecties.

Het boek van van Aken en Andriessen waar ik het idee van een kennisstroom uit haalde heet: Handboek ontwerpgericht wetenschappelijk onderzoek: wetenschap met effect. Boom Lemma uitgevers, 2011.

Evolutiesnelheid

De evolutietheorie is misschien wel de meest bekende wetenschappelijke theorie en ze is bedrieglijk eenvoudig, waardoor er veel misverstanden over bestaan – ook bij geleerden.  Een van de misverstanden over evolutie waar ik me het meest aan erger is dat het een langzaam proces is. Dat idee leidt tot allerlei denkfouten. Wat je bijvoorbeeld hoort en leest is: de evolutie gaat langzaam en daarom zijn we nog niet aangepast aan onze omgeving vol met computers en andere nieuwe media.  Onze genen zijn immers afgestemd op een jagers- verzamelaarsleven op de steppe. Misschien denk je nu: “Ja maar dat klopt toch gewoon? Waar heb je het over”. Nou, dat zal ik uitleggen.

Hoe snel gaat evolutie? Dat hangt van een aantal dingen af. Allereerst zijn er twee soorten evolutie waar je rekening mee moet houden: selectie van genen binnen een soort en verandering van genen zelf. Het eerste proces kan heel snel gaan. Darwin merkte dit in de Origin of Species al op: fokkers die consequent het nageslacht van dieren op bepaalde eigenschappen selecteerden slaagden er binnen een paar generaties al in een soort te veredelen. Laten we deze vorm van evolutie maar even soortveredeling noemen – ook als het om de mens gaat en de natuur de selectie doet en niet een fokker. Soortveredeling komt in de natuur bijvoorbeeld voor als de omstandigheden snel veranderen. Bijvoorbeeld als er andere roofdieren in de omgeving gaan leven. Het gaat niet van de een op de andere dag, maar als we 20 jaar voor een mensengeneratie rekenen kan een snelle soortveredeling van de mens in een paar eeuwen (10-20 generaties) plaats vinden.

Laten we de tweede vorm van evolutie, het veranderen van genen, maar even genverbetering noemen. Dit proces gaat veel langzamer. Nieuwe genen ontstaan door kopieerfouten, die erg weinig voorkomen en die bovendien vaker negatief dan positief uitpakken. Bovendien moet een eventueel succesvol nieuw gen zich nog over de hele populatie verspreiden. Nu worden er per jaar meer dan 100.000 mensen geboren.  Dus is het geen gekke gedachte dat er elke generatie tenminste één positieve gen-mutatie plaats vind. Die moet zich vervolgens wel over 6 miljoen mensen verspreiden, wat zeker meer dan 20 generaties duurt. Maar de mens stapte ongeveer 10000 jaar geleden, 50 generaties dus, over op de landbouw. Een ‘landbouw gen’, bijvoorbeeld voor tolerantie tegen lactose heeft dus wel degelijk kans gehad zich over de mensheid te verspreiden.

Zelf denk ik dat het snellere proces van soortveredeling veel belangrijker is dan genverbetering. Natuurlijk hebben we onze genen nog niet aangepast aan iPads, maar veel eigenschappen die handig zijn bij het omgaan met iPads zitten allang in onze gemeenschappelijke genenpool: intelligentie, de mogelijkheid om te gaan met prikkels, abstract redeneren en een reeks andere dingen die handig zijn om met iPads om te kunnen gaan, waren op de steppe ook al handig, en kunnen zich nu gewoon via soortveredeling versterken. Bovendien is die iPad ook niet uit de lucht komen vallen, maar één teken van een maatschappij die allang aan het veranderen is. Lezen doen we sinds de Grieken, de drukpers is in de 16e eeuw uitgevonden, radio bestaat al meer dan een eeuw. Als omgaan met grote hoeveelheden informatie de mensheid verder helpt dan is de versterking van die genen allang aan de gang.

Ik denk dat het fair is om te stellen dat technologische ontwikkelingen sneller gaan dan de evolutie, maar we moeten niet net doen alsof de mens nog altijd een steppemens is. Dieetgoeroes die stellen dat ons lijf gebouwd is op het eten uit de prehistorie stappen over 10.000 jaar evolutie heen die er echt wel toe doen. Bovendien moeten we niet net doen alsof een technologische uitvinding, zelfs zoiets baanbrekends als het internet,totaal nieuwe dingen van ons mensen vraagt. Een wereld met internet vraagt niet ineens om andere lichaamsdelen, andere perceptie vermogens of intelligentie. Hooguit hebben we een beetje meer nodig van iets dat we al veel langer gebruikten. Evolutie gaat sneller dan je denkt en zelfs als het langzamer gaat dan de ontwikkeling van de technologie, wil dat niet zeggen dat evolutie iets van het verleden is. Onze soort evolueert nog steeds, in een gestaag tempo, elke dag; en zelf vind ik dat een prettige gedachte.