Doelkennis

Arbeiders, sporters, coaches, uitvinders, ontwerpers, ingenieurs, beleidsmakers,  nou ja – eigenlijk allerlei mensen- veranderen de wereld met een bepaalde bedoeling. Ze willen iets bereiken, ze hebben een idee van wat er kan en ze gaan er dan voor, of ze roepen dat anderen dat zouden moeten doen. Ik hoop eigenlijk niet dat ik je iets nieuws vertel, zelfs niet als ik eraan toevoeg dat ze dat met kennis van zaken doen. De vraag die in dit blogje centraal staat, is over wat voor kennis we het dan hebben. 

Dat dat niet, of in ieder geval niet alleen, om feitenkennis kan gaan, besprak ik al in mijn vorige blogje. Edison had een boel uit te dokteren om een gloeilamp te kunnen maken, en veel daarvan blijkt slecht terug te voeren te zijn op feitenkennis. Het idee dat het slim was om aan een gloeilamp te werken was geen feit, en veel dingen die Edison moest achterhalen om de gloeilamp te maken ook niet. Niet alleen omdat het ging om dingen die nog niet bekend waren, maar ook omdat ze, zelfs met de kennis van nu, geen feitelijk karakter hebben. Doelen, functies, wensen en kansen; ze zijn enorm belangrijk en we hebben er kennis van, maar die kennis zit anders in elkaar dan die van feiten en natuurwetten.

Een pragmatische benadering

Nu denk ik dat er een slimmere manier is om naar dit probleem te kijken dan door een onderscheid te maken tussen feiten en ‘de rest van de kennis die mensen hebben’. Van feiten hebben we inmiddels aardig in kaart gebracht hoe ze tot stand kunnen komen, maar voor ‘de rest van de kennis’ niet. Het gaat om kennis, dus, die mensen gebruiken, maar die niet feitelijk van karakter is. We hebben daar niet eens een goede indeling van. Laat staan dat we begrijpen hoe je eraan kan komen. Toch hoeven we niet te wanhopen over de kans om daar meer over te leren. Volgens mij kunnen we een aanpak lenen van de pragmatische taalkunde. 

De taalkunde is grofweg verdeeld in de formalistische school en de pragmatische school. De formalistische school bestudeert de eigenschappen van talen alsof taal een natuurlijk verschijnsel is. Ze proberen de structuur van taal in kaart te brengen en de onderliggende regels (wetten) te achterhalen, zonder al te veel om te kijken naar de mensen die die talen gebruiken en hun bedoelingen. Taal komt voort uit de natuur – en dient dus bestudeerd te worden als iets natuurlijks. Daar staat de pragmatische school tegenover, die taal vooral als een sociaal verschijnsel ziet. Ze probeert te onderzoeken hoe mensen taal gebruiken om dingen van anderen gedaan te krijgen. Een pragmatische taalwetenschapper kijkt ook naar de techniek en structuur van taal, maar altijd op basis van wat mensen ermee willen bereiken. Voor een formalist is de frase ‘dag schoonheid’ een constructie waarin een zelfstandig naamwoord wordt ingezet om iemand te identificeren; voor een pragmatist is het een versierpoging.

Nou ja, de vraag is dus: kunnen we de pragmatische denktrant ook op kennis loslaten? Kunnen we kennis begrijpen door te kijken naar de sociale doelen die mensen ermee nastreven? Ik denk van wel. Wat we volgens mij kunnen doen, is eerst kijken naar waar mensen kennis voor gebruiken – dus wat ze doen met kennis – en dan terug redeneren naar wat voor kennis daarvoor nodig is. We stellen ons eerst de vraag welke kennis mensen gebruiken voor activiteit x of y, en als we daar antwoord op hebben, vragen we ons af wat de eigenschappen van die kennis moeten zijn om gebruikt te kunnen worden voor x of y. We redeneren dus van het nut van de kennis terug naar het karakter van de kennis. Als we dat karakter eenmaal kennen, kunnen we misschien ook iets zeggen over hoe we aan dat soort kennis kunnen komen – maar dat is voor een later blogje.

Een pragmatische blik op ontwerpkennis

De spannende vraag is natuurlijk wel wat we kiezen voor x en y. Als we voor (x) handballen nemen, dan kunnen we over het karakter van de kennis zeggen dat handbalkennis voor een belangrijk deel in het lijf zit (balgevoel), en dat het meteen tot actie moet leiden (spelinzicht), en niet via ingewikkelde redeneringen moet verlopen. Dat is heel anders dan de kennis die nodig is om (y), een boek te lezen, want dan gaat het om kennis in het hoofd (taal) en kennis die helpt om het verhaal te volgen en te begrijpen. Dan is er veel meer tijd om die kennis te activeren. Althans, als je zo langzaam leest als ik. 

Er is duidelijk andersoortige kennis nodig voor handballen en lezen, maar voor een theorie over kennissoorten is het misschien niet zo handig om zulke concrete voorbeelden te nemen. Met zulke voorbeelden richt je je aandacht op de inhoud van de kennis (handballers hebben balgevoel nodig) en minder op het karakter van de kennis (snelle kennis versus langzame kennis). Daarbij komt nog de vraag hoe je het kan generaliseren. Voor je het weet, heb je meer soorten kennis geïdentificeerd dan er letters in het alfabet zijn; en wat moet je dan?

Kennisintensieve taken in het ontwerp

Het is dus zoeken naar een kernachtige manier om verschillende dingen die mensen kunnen doen samen te vatten, zodat we het bos door de bomen blijven zien. Als we het over ontwerpen hebben, dan kan het ontwerpproces misschien een goede basis zijn. Ontwerpprocessen geven weer welke activiteiten ontwerpers uitvoeren om tot een oplossing te komen. Misschien kunnen we daar karakteristieken van de onderliggende kennis uit afleiden. 

Nu zijn er heel veel beschrijvingen van het ontwerpproces – en sommige hebben wel meer dan 26 activiteiten, helaas -, maar de meest grofmazige samenvattingen van ontwerpen beperken zich tot drie fasen, of taken. Ten eerste  (1) analyseren ontwerpers de huidige situatie om te ontdekken wat er beter kan. Ten tweede (2) beelden ontwerpers zich in hoe het beter kan; en ten derde (3) vertalen ontwerpers die ideeën in oplossingen die in de praktijk gerealiseerd kunnen worden. Ik noem die taken vaak |is|, |kan| en |zal|, maar je zou ook van diagnosedoel en resultaat kunnen spreken.

Ok. Drie activiteiten, drie soorten kennis,  met elk andere karakteristieken… komen we daar uit? Ons plan was om vanuit het nut van kennis terug te redeneren naar het karakter van de kennis. Om, eens en voor altijd, vast te stellen wat voor soort dingen je nodig hebt om tot ‘|is|, |kan| en |zal|’ of ‘diagnose, doel en resultaat’ te komen in het ontwerp. Zal ik het enige goede antwoord meteen maar geven? Ik heb het tenslotte zelf bedacht…

Kennisfuncties in het ontwerp

Om de huidige situatie te kunnen analyseren, moeten we hem kunnen beschrijven en verklaren. Het beschrijven helpt om te ontdekken wat er speelt en het verklaren om te achterhalen waarom het gaat zoals het gaat. Bij het herontwerpen van een park stellen ontwerpers bijvoorbeeld vast dat mensen zich er nu onveilig voelen (wat) omdat er veel ongure donkere plekken zijn (waarom).

Om te kunnen bedenken hoe het anders kan, moet je je alternatieven moeten kunnen inbeelden, en zul je die alternatieven moeten kunnen waarderen (op waarde kunnen schatten). Bij het inbeelden bedenk je wat je zou kunnen veranderen, en bij het waarderen waarom dat een goed idee zou zijn. Bij het herontwerpen van een park, kijk je bijvoorbeeld naar verschillende manieren om het park lichter te maken. Dat kan bijvoorbeeld door beplanting weg te laten, zodat er minder donkere hoekjes zijn of door meer straatverlichting te plaatsen (wat). Beplanting weghalen verdient de voorkeur, omdat het gevoel van ruimte vermoedelijk bijdraagt aan gevoelens van veiligheid (waarom).

Om een oplossing te bedenken die in de praktijk kan werken, moet je voorspellen hoe dingen kunnen uitpakken en die moeten vertalen in voorschriften over wat er nodig is in de situatie waar je voor ontwerpt. Voorspellingen richten zich op waarom dingen gaan zoals ze gaan, en voorschriften op wat er nodig is om die dingen ook waar te maken. Er is bijvoorbeeld een vuistregel die stelt dat, om een veilig gevoel te hebben, je altijd zicht moet hebben op een rand van het park (waarom). Daarom mag maximaal een derde van het grondoppervlak bedekt zijn met struiken en bomen (wat).

De structuur van verschillende soorten kennis…

We hebben dus drie soorten kennis, en zes gewichtige zaken waarvoor die soorten kennis nuttig zijn. Prachtig! Je zou bijna zeggen: knal het even in een plaatje.

Mooi hè. Het plaatje vat keurig samen waar we tot nu toe waren: er zijn 3 taken in het ontwerp, die om hun eigen soort kennis vragen diagnosekennis (|is|), doelkennis (|kan|), en resultaatkennis (|zal|). Diagnosekennis helpt met beschrijven en verklaren, Doelkennis met inbeelden en waarderen (|kan|) en Resultaatkennis met voorspellen en voorschrijven (|zal|). Dat is allemaal mooi maar het zegt nog steeds weinig over het verschil in karakter tussen die verschillende vormen van kennis.

Toch zegt het raamwerk daar ook iets over. Het probeert te zeggen hoe kennis in elkaar zit die helpt met beschrijven en verklaren, met inbeelden en waarderen, en met voorspellen en voorschrijven. Het raamwerk probeert vervolgens te benoemen waar een bepaalde soort kennis iets over probeert te zeggen en wat voor soort abstracties daar behulpzaam bij zijn.

Om bij het eerste setje te beginnen: er is altijd iets dat je wilt beschrijven. We noemen dat fenomenen: dingen die ‘zijn’ of die ‘gebeuren’ in de wereld. En er is ook altijd iets wat je daarvan wil ‘vangen’. In het model worden dit de essenties genoemd. Beschrijvingen en verklaringen brengen dingen die in de wereld gebeuren terug tot hun essentie. Ze leggen vast wat er speelt en hoe we dat het beste kunnen begrijpen. Als we daarbij heel zeker van onze zaak zijn spreken we van feiten, anders misschien van interpretaties of zienswijzen. Het karakter van diagnosekennis is dat ze fenomenen terug kan brengen tot hun essentie.

De professionals waar we dit blogje mee begonnen zullen hun werk graag op een bepaalde manier willen benaderen en gebruiken daar de diagnosekennis voor die ze tot hun beschikking hebben. Een verpleegkundige kijkt naar het gedrag van een patiënt (fenomeen) om vast te stellen of deze nog erg vermoeid is (essentie) na een operatie, bijvoorbeeld. Als de patiënt meer slaapt dan gebruikelijk is, is die nog erg vermoeid. Verpleegkundigen brengen patiëntengedrag in kaart om om de essenties die bij een goed herstel horen te kunnen inschatten. 

Voor de meeste mensen is diagnosekennis bekend terrein en dat kun je ook zeggen van resultaatkennis, de laatste kolom in het plaatje. Als je weet hoe dingen werken, kun je voorspellen hoe dingen of mensen zich in bepaalde situaties zullen gedragen. Die zekerheid kun je weer gebruiken om concrete oplossingen voor te stellen die gebaseerd zijn op deze voorspellingen, of wetmatigheden, of – om de taal van het model te blijven volgen – mechanismen. Als je een magneet door een spoeldraad beweegt ontstaat er een elektrische stroom. Dit mechanisme kun je gebruiken om een dynamo te maken, die er voor zorgt dat de beweging van een windmolen omgezet kan worden in elektriciteit.

Resultaatkennis verbind dus (de effectiviteit van) oplossingen met onderliggende (bewezen) mechanismen. Het is maar wat handig als je al weet wat werkt en waarom. Technici gebruiken resultaatkennis om effectieve oplossingen te bedenken, verpleegkundigen om patiënten op een goede manier te behandelen.

De ontdekking van doelkennis

Maar dan is er volgens het model nog een soort kennis. Weliswaar zit ze wat ingeklemd tussen diagnose- en resultaatkennis, maar dat maakt het niet minder een derde soort: doelkennis.  Mensen hebben niet alleen kennis van hoe dingen zijn, of wat werkt, maar ook van wat ze willen en hoe dat zou kunnen.

Doelkennis helpt om alternatieven in te beelden en te waarderen. Waar diagnosekennis fenomenen aan essenties verbindt, en resultaatkennis oplossingen aan mechanismen, verbindt doelkennis alternatieven aan idealen. Je zou, helemaal in lijn met het model, kunnen zeggen dat doelkennis gaat over wat zou kunnen en wat fijn (of.. goed) zou zijn. Doelkennis is wat ons drijft: we willen dingen bereiken in het leven en we zoeken naar mogelijkheden, manieren, om dat voor elkaar te krijgen. Arbeiders willen hun werk gedaan krijgen, sporters willen de beste worden in iets, beleidsmakers willen de wereld in een bepaalde richting duwen; daarvoor hebben ze doelkennis nodig.

Het woord doelkennis is misschien niet zo goed gekozen. De suggestie is een beetje dat doelkennis vooral gaat over wat we willen, maar de belangrijkste waarde van het model hierboven is juist dat het laat zien dat wat we willen niet onafhankelijk is van wat we denken dat mogelijk is. Aan de ene kant heeft het weinig zin dingen na te streven die onmogelijk zijn, dingen waarvan we ons niet eens kunnen voorstellen hoe ze in de praktijk gerealiseerd kunnen worden. Aan de andere kant heeft het weinig zin een idee te presenteren, een alternatief, zonder daarbij in te gaan op wat de doelen en waarden zijn die je met dit alternatief zou willen omarmen. 

Doelkennis is dus ‘af’ als de hele verticale kolom is ingevuld. Er zijn bepaalde idealen, die zich vertalen in bepaalde doelen en waarden. Die kunnen worden gerealiseerd met bepaalde soorten oplossingen (alternatieven) die voldoen aan de geformuleerde idealen. Of andersom: een bepaald alternatief is interessant of kansrijk omdat het voldoet aan bepaalde waarden, die te koppelen zijn aan nastreefbare idealen. Alternatieven en idealen gaan hand in hand. Doelkennis verbindt die verschillende elementen.

Doelkennis is overal!

In haar, zeer voorzichtige, column over activistische wetenschap in NRC stelt  Loïse el Fresco over de klimaatwetenschap: “De (bijna) unanieme wetenschappelijke diagnose – versnelde opwarming van de atmosfeer door de sterke uitstoot van broeikasgassen sinds de industriële revolutie – leidt (nog) niet tot wetenschappelijke consensus over hoe het verder moet. Vervangen van fossiele brandstoffen vraagt om zorgvuldiger discussie over wat, waar en hoe snel.” 

Ze doet eigenlijk een oproep voor doelkennis: welke alternatieven zijn er (?) en aan welke (mix van) doelen voldoen deze (?). Deze doelkennis is volgens haar niet per se wetenschappelijk van karakter. Politici debatteren over doelen en mogelijkheden, terwijl wetenschappers over feiten debatteren. En terwijl we de taken keurig netjes hebben verdeeld brand de natuur de aarde op, op weg naar haar ondergang. 

In haar oproep tot doelkennis is ze lang niet de enige, doelkennis vinden we in de sustainable development goals, een opdracht aan de wereld om bepaalde doelen boven andere te stellen. We vinden het in elke organisatie die missie- en visiedocumenten opstelt. We vinden het bij individuen, jij en ik, die het ene belangrijker vinden om te doen dan het andere. En die opzoek zijn naar manieren om nog gezonder of gelukkiger te worden.

Maar als doelkennis, zo belangrijk is, moet je je afvragen waarom we de wetenschappers er niet bij betrekken. Hoe kan het dat we de politiek verantwoordelijk stellen voor kennis over doelen en de wetenschap voor kennis over feiten. Wat nou, als we de scheiding van verantwoordelijkheden –  die er blijkbaar is  – opheffen (?). Wat nou als we stellen dat kennis over doelen en mogelijkheden wél onderdeel uitmaken van de wetenschap. Als we de wetenschap de taak geven om te verbeelden hoe dingen anders kunnen en wat daarin wenselijk en (on)wenselijk is. Verliezen we dan de wetenschap?

Een andere wetenschap…

Het antwoord is natuurlijk nee. Ten eerste omdat wetenschap nooit waardenvrij geweest is en ten tweede omdat ze nooit waardenvrij zal worden. De objectiviteit van de wetenschap is een streven – of een ideaal -, of als je wat cynischer bent, een masker waarachter ze zich verbergt om haar gezag niet te verliezen. 

Zelfs als je wetenschap uitsluitend ziet als een neutrale zoektocht naar hoe de natuur functioneert, en de natuur ziet als een neutrale scheidsrechter in deze zoektocht, zul je moeten erkennen dat datgene wat we in de natuur zoeken een persoonlijke of maatschappelijk geïnspireerde keuze is. De scheidsrechter is misschien neutraal, maar het spel dat we hem voorleggen is dat niet.

Daarmee is de wetenschap allang een politieke speler. Ze gebruikt haar beroep op de feiten om politici te beïnvloeden, of aan te manen, of te informeren – en geen van deze acties is ongemotiveerd (lees: waardenvrij, neutraal, feitelijk). Beter zou het zijn een wetenschap te ontwikkelen waarin we ons richten op de échte vragen: wat doen we ermee, wat kan, wat willen we? En waarin we de kracht van de wetenschap: haar kritiek, haar twijfel, haar inventiviteit ten volle inzetten om die échte vragen te beantwoorden.

Nu zijn er natuurlijk wetenschappen die dat allang doen. De menswetenschappen, de filosofie en de ethiek, ‘kritische’ theorie in allerlei disciplines en kritisch- en speculatief ontwerp dragen bij aan ons begrip van wat we willen, van wat we zouden moeten willen en hoe dat eventueel zou kunnen. Geen van deze wetenschappen heeft een ‘natuurlijke’ scheidsrechter tot zijn beschikking, maar deze wetenschappen dragen enorm bij aan onze belangrijkste vragen in het leven: waar willen we heen?, waarom?, en hoe kan dat?

De grote wetenschapsfilosofische vraag van vandaag is volgens mij niet óf wetenschap een rol kan spelen in het ontwikkelen van doelkennis, maar meer hoe we de scheidslijn kunnen beslechten tussen die wetenschappen die zichzelf als neutraal zien en die wetenschappen die hun normatieve karakter erkennen. 

Wat is de juiste manier om de kruisverbanden tussen essenties, idealen, en mechanismen en fenomenen, alternatieven en oplossingen in kaart te brengen? Welke verbanden bestaan tussen die drie soorten kennis en welke bewijslast willen we daarvoor zien? Als we die vragen beantwoorden, kunnen we wetenschap een plek geven in het vormen van de wereld. Anders leggen we ons lot in handen van politici.

Meer lezen?

Ik schreef over het verschil tussen ontwerp- en feitenkennis in Ontwerpkennis, het belang van bruikbaarheid van kennis, in Nobel, Stokoude Kennis en Valorisatie.

Het plaatje in dit model komt uit het Handboek Ontwerpgericht Wetenschappelijk Onderzoek dat onlangs bij Boom Uitgeverij verschenen is. Dit is weer gebaseerd op een eerdere Engelstalige publicatie van mijn hand.

De taalpragmatiek van Herbert Clark

Mensen die deze blog al een tijdje volgen hebben het misschien allang gespot: ik ben een Clarkiaan. Wees gerust: dat is geen sekte van enge mannetjes die met blogberichtjes geld uit hun gehersenspoelde publiek proberen te kloppen, maar een zelfverzonnen woord voor mensen die Herbert Clarks “Common Ground” theorie aanhangen. Mensen zoals ik dus. Omdat ik jullie al verschillende keren op een gedachtenspoor à la Clark heb proberen te zetten, vond ik het hoog tijd eens uit de kast te komen en uit te leggen hoe die pragmatische taaltheorie van hem eigenlijk in elkaar steekt.

Een pragmatische benadering

De manier waarop mensen als Herbert Clark naar taal kijken kan je eigenlijk in één zinnetje samenvatten.

Taal is wat we ermee doen. 

Vooruit, dat is misschien wat cryptisch, maar de kern is dat pragmatici taal proberen te begrijpen door te kijken wat mensen ermee proberen te bereiken, in plaats van het als iets zelfstandigs te bestuderen.

Vergelijk het met de vraag “wat is een vork?”. Veel mensen zullen zeggen dat een vork een metalen ding met drie of vier tanden is. Die mensen bekijken een vork als iets met een bepaalde vorm. Waar het ding toe dient – of hoe het in de wereld is gekomen – is dan even minder relevant. Pragmatici bekijken de vork anders. Zij zeggen dat een vork iets is waar je eten mee van je bord kan prikken en in je mond kan stoppen. Dan bekijk je dus de functie, of wat mensen ermee doen in plaats van de vorm. Hoeveel tanden het ding heeft of van welk materiaal het gemaakt is, doet er even minder toe.

Zo zit het dus ook met taal. Je kunt de vorm van een taal zoals de grammatica of de spelling als iets wat op zichzelf staat bestuderen óf je kunt je richten op taalgebruik en bestuderen wat mensen met taal doen.

Dat laatste is bij taal een handige keuze. In het geval van een vork kan je aan de vorm wel zien wat mensen ermee doen. Maar, bij taal is dat niet zo. Waarvoor zouden Hindi-sprekers dit woord bijvoorbeeld voor gebruiken: कार? Dat is eigenlijk niet te raden en dat komt omdat de vorm van een woord in letters en klanken meestal helemaal los staan van de betekenis.

Welke klanken je gebruikt om iets over te brengen is eigenlijk willekeurig. Maf is dat, als je erover nadenkt: het is alsof het helemaal niet uit maakt of je je eten van je bord prikt met een vork of met een koffiemok. Allebei werken ze even goed. Toch is dat in talen zo en zijn de betekenissen van de verschillende woorden dus eigenlijk gewoon ‘afgesproken’.

Dat roept de vraag op hoe dit soort ‘afspraken’ tot stand komen en om dat te begrijpen moeten we naar taalgebruik kijken. Herbert Clark legt dat in vier stappen uit: hij stelt (1) dat samenwerking cruciaal is voor het gebruik van taal, hij wijst (2) op het belang van gedeeld begrip in de samenwerking die voor taalgebruik nodig is, (3) op het ontstaan van gedeeld begrip bij het gebruik van taal en als afgeleide daarvan (4) het ontstaan van betekenissen van woorden en uitdrukkingen. Laten we die eens één voor één bekijken.

1. Taal gebruiken is samenwerken

Taalgebruik staat volgens Clark altijd in het teken van gemeenschappelijke actie. Je gebruikt taal omdat je samen met je luisteraar ergens uit wil komen. Je wil iets kopen van iemand; of je wil afspraken maken over het eten; of je wil je studenten iets bijbrengen. Steeds is het nodig dat jij iets met taal doet en dat de ander: de verkoper, je huisgenoot of je studenten hun best doen om jou te begrijpen en verder te helpen. Het is alsof je de tango danst: als spreker heb je misschien de leiding, maar als je partner zich niet op jou instelt en met je meedanst dan kom je alsnog nergens.

In het tabelletje hieronder vind je die samenwerking uitgewerkt in wat Clark een actieladder noemt. Stel je voor dat je een frietje gaat halen, de friettent binnenloopt en vraagt “een friet mèt graag”. Volgens Clark moet je dan op vier niveaus samenwerken.

Spreker Luisteraar
Gedeeld project doet een voorstel overweegt het voorstel
Gedeeld begrip gebruikt betekenis begrijpt betekenis
Communicatie presenteert signaal identificeert signaal
Uitvoering maakt geluid hoort geluiden

Op al deze niveaus kan het misgaan. Neem deze uitwisseling:

  • Jij: “een friet mèt graag!”
  • Baliemedewerker: “wat zei je?”

Hier is de uitvoering mislukt. Jij bent er niet in geslaagd je voor de baliemedewerker verstaanbaar te maken.

Het kan ook in de communicatie zitten.

  • Jij: “een friet mèt graag!”
  • Baliemedewerker: [gaat gewoon verder met zijn werk]
  • Jij: “hé ik had het tegen jou hoor”
  • Baliemedewerker: “Oh sorry. Een frietje mèt, toch?”

Hier heeft de baliemedewerker je wel gehoord, maar niet doorgehad dat je iets met hem wilde regelen. Hij miste het signaal: “ik heb het tegen jou”.

Of neem deze:

  • Jij: “een friet mèt graag!”
  • Baliemedewerker: “sorry hoor, maar met wat?”

Hier gaat het mis op het gedeeld begrip. Jij bedoelt waarschijnlijk een friet met mayonaise, maar de baliemedewerker is, vreemd genoeg, nog niet zo ver ingevoerd dat hij weet wat je bedoelt.

Of neem deze:

  • Jij: “een friet mèt graag!”
  • Baliemedewerker: “dat is dan 3,75!”
  • Jij: “oh shit ik ben mijn portemonnee vergeten”

Hier gaat het mis op het gezamenlijke project. Jullie begrepen elkaar prima, maar voor een transactie is nu eenmaal geld nodig en dat was er even niet.

De actieladders laten zien dat je zelfs bij zoiets simpels als het bestellen van een frietje nauw moet samenwerken op verschillende niveaus. Dat weten we omdat het op al die niveaus mis kan gaan. Tegelijkertijd hebben we het vaak feilloos door en kunnen het op tijd herstellen.

2.  Voor taalgebruik is gedeeld begrip van belang

Alledaags taalgebruik vereist dus intensieve samenwerking. Volgens Herbert Clark is dat alleen mogelijk door de common ground -het gedeeld begrip – die spreker en luisteraar hebben. Met common ground bedoelt Clark alles waarvan spreker en luisteraar weten dat ze het allebei weten. De volgende interactie laat het belang daarvan zien.

  • Jij: Verkoopt u ook friet?
  • Baliemedewerker: [kijkt je verdwaasd aan]

Als het goed is komt deze uitwisseling niet vaak voor. Als je een friettent inloopt mag je ervan uitgaan dat ze er friet verkopen. Jij en de baliemedewerker weten dat allebei. Het is dan ook heel onverwacht als je dat nog eens gaat vragen en dat roept dat aan de andere kant verwarring op. Gedeeld begrip bepaalt dus wat je wel en niet vraagt of vertelt en ook hoe de ander zal reageren.

Met de meeste mensen die je tegenkomt heb je veel gedeeld begrip. Het zijn bijvoorbeeld allemaal Nederlanders, waardoor je weet dat ze de taal machtig zijn, dat ze een basisidee hebben van belangrijke personen en gebeurtenissen in de geschiedenis en het nieuws. Als je ze op straat tegen komt mag je ervan uitgaan dat ze zien wat jij ziet, en daar kan je een in een gesprek op voortbouwen.

Wat gedeeld begrip is verschilt van persoon tot persoon. Mijn vrouw en ik weten meer van elkaar dan mijn studenten en ik. Daar moet ik rekening mee houden. Als ik mijn studenten iets vertel over mijn laatste vakantie dan zal ik daar veel uitgebreider op ingaan dan bij mijn vrouw. Als ik iemand tegenkom uit een heel ander land wordt het veel lastiger communiceren. Zonder een goede inschatting van wat de ander weet is het lastig een soepel gesprek op te zetten.

3. Als we taal gebruiken ontstaat gedeeld begrip.

Ik ben een fanatieke skeeleraar en nu ik je dat verteld heb is het gedeeld begrip. Ik wist allang dat ik een fanatieke skeeleraar ben en nu weet ik zeker dat jij het ook weet. Maar, ik mag er genoegzaam vanuit gaan dat er nog meer gedeeld begrip is ontstaan. Je weet nu dat ik aan buitensport doe, dat ik vermoedelijk ook kan schaatsen en nog wat dingen. Die komen dus mee met het gedeeld begrip.

Je reactie is erg belangrijk voor het gesprek. Blijkt daaruit dat je ook een skeeleraar bent, dan weet ik dat je je net als ik druk maakt over asfalt, routes en wieltjes en kan ik ‘dieper’ in de materie duiken. Er komt een hele berg gedeeld begrip bij. Blijkt dat je niet skeelert dan weet ik dat alles wat ik over skeeleren ga vertellen waarschijnlijk nieuw voor je is.

Elk zinnetje dat we wisselen krijgen we dus meer vaste grond onder de voeten. We weten beter wat de ander allemaal weet en wat nog niet en dat maakt het makkelijker om het gesprek te voeren. Het gedeelde begrip groeit elke wisseling: je bouwt voort op het gedeelde begrip wat je al hebt en je bouwt nieuw gedeeld begrip op.

4.  Betekenis geven doe je samen 

Het is duidelijk dat we taal gebruiken om te communiceren, dat gedeeld begrip daar een centrale rol in speelt en dat betekenissen van woorden gedeeld begrip zijn. Maar wat nou als we geen gedeeld begrip hebben? Dan worden de betekenissen gevormd door ons taalgebruik. Anders gezegd: taal ontstaat doordat we ermee communiceren. Bekijk het volgende voorbeeld:

  • Persoon 1:  Je weet toch dat roken ongezond is?
  • Persoon 2: YOLO man, YOLO!
  • Persoon 1: YOLO?
  • Persoon 2: Je leeft maar één keer! chillex!
  • Persoon 1: Nou dan leef ik liever één keer lang.

Op een bepaalde manier gaat deze interactie over of roken iets is dat je moet laten omdat het ongezond is of niet. Maar in de interactie wordt ook het begrip YOLO geïntroduceerd door persoon 2. Het had betekenis voor persoon 2, die waarschijnlijk weet dat het een afkorting is en wat die betekent, maar niet voor persoon 1 die het begrip voor het eerst hoort.

Het paar repareert het gebrek aan gedeeld begrip in beurt 3 en 4. Uit beurt 5 blijkt dat persoon 1 de betekenis van YOLO nu begrepen heeft. Persoon 1 weet waarschijnlijk niet dat YOLO een afkorting is die als woord gebruikt wordt, maar wel dat het een woord is dat door jongeren gebruikt wordt en in de plaats gekomen is van het oude gezegde pluk de dag.

Wat we hier gezien hebben is dus het ontstaan van een betekenis van YOLO. Mensen leren wat woorden betekenen doordat ze in gesprekken gebruikt worden en doordat ze daaruit oppikken hoe ze gebruikt worden. Het gevolg is dat iedereen nieuwe woorden kan introduceren of woorden kan veranderen. Door het gewoon te gebruiken pikken anderen het vanzelf op. Al snel gaan mensen om je heen het ook gebruiken. Als je hier heel erg invloedrijk in bent wordt het woord onderdeel van de standaardtaal.

Clark in actie

Voor Clark zijn betekenissen dus geen vaststaande eigenschappen van woorden, maar iets dat steeds opnieuw gevormd wordt door sprekers en luisteraars – in de duizenden gesprekjes die we voeren in ons leven. Taal is wat we ermee doen.

Daarom is taal per definitie iets levends en veranderlijks. Als jij en ik ervoor kiezen om het woord snups te gaan gebruiken voor iedereen die alleen betekenissen uit de Dikke van Dale accepteert, dan begrijpen jij en ik elkaar prima; en daar kan geen snups iets aan veranderen. Ooit komt het woord misschien zelfs in de Dikke van Dale en dan moeten zelfs de snupsen het woord snups accepteren.

Dat taal meestal niet zo snel verandert, komt omdat het handiger is te communiceren in taal die iedereen begrijpt en nieuwe taal dus maar mondjesmaat doorsijpelt. Je merkt ook dat nieuwe betekenissen heel sterk in kleine groepen ontstaan en gecultiveerd worden. Collega’s, jongeren, of eigenlijk alle mensen die veel met elkaar omgaan, ontwikkelen een eigen taal, met gelijksoortige uitspraak (dialect) en eigen woorden (jargon) die buiten die groep slecht begrepen worden.

Het is precies die connectie tussen groepslidmaatschap en betekenisvorming die ik in mijn andere Clarkiaanse blogjes besprak.

Meer lezen?

Ik schreef over de turbulente geschiedenis van het woord nep in betekenisdrift. Ik sprak over het ontstaan van jargon in jargon en over kantoorbubbels in spiegelpaleis.

In de wetenschapsfilosofie komt Bruno Latour het dichtst bij Clarks, talige benadering, zijn werk besprak ik in lableven. Herbert Clark ontvouwd zijn theorie in het boek Using Language, dat ik van harte aanbeveel.

कार betekent auto, volgens Google Translate, tenminste.