Vraaggestuurd

“Zoals iedere vraag zijn ook deze vragen gebaseerd op voorkennis”. Ik trof dit zinnetje zomaar in het wild aan. Of, nou ja, in het wild… in de voorbeschouwing van “De ene die alles ziet, de Aarsman Collectie 2014 – 2021”. 

Hans Aarsman is bekend van zijn fotocolumn in de Volkskrant, waarin hij foto’s minutieus ontleedt, en vaak met behulp van journalistiek achtergrondonderzoek laat zien dat er veel meer te zien is dan je op het eerste gezicht zou zeggen.

Zijn columns barsten van de nieuwsgierigheid, maar het zou verkeerd zijn om te zeggen dat Aarsman de kunst van het onbevangen kijken demonstreert. Hij kijkt heel nauwkeurig en minutieus naar foto’s, maar hij doet dat met kennis van zaken. En als hij die kennis niet heeft, dan zoekt hij het wel uit. Waar kan die speelgoedvrachtauto van die vluchteling gekocht zijn? In welke landen wordt ze geleverd?

Ik denk dat voorstanders van vraaggestuurd onderwijs graag zouden zien dat hun leerlingen iets van het temperament van Hans Aarsman zouden hebben, dat ze alles in de wereld zouden bevragen, van de grootste lijnen tot de kleinste details en dat ze en op die manier de slimste van de klas worden. Maar of vraaggestuurd onderwijs de aanpak is om dat voor elkaar te krijgen is, met een bedoelde sneer, nog wel een open vraag.

Alle vragen zijn immers gebaseerd op kennis. Misschien moet ik het nog eens zeggen. Alle vragen zijn gebaseerd op kennis. Er waren allang eieren voor er kippen kwamen, maar er waren geen vragen voor er kennis was.

Is het dan verstandig, zoals gebruikelijk is in Agora-scholen of op HILL gebaseerde hogeronderwijsopleidingen, kennis pas aan te dragen als een leerling of student er om vraagt?

De premisse van vraaggestuurd onderwijs is dat een leerling veel meer leert als ze zelf de vraag bedacht heeft waar ze een antwoord op wil. Alleen dan heeft de leerling een intrinsieke motivatie tot leren en zo beklijft de kennis het beste. Of dat ook empirisch onderzocht is wil ik even in het midden laten. Waar ik veel meer vragen bij heb is wat de beste strategie is om leerlingen die vragen te laten stellen.

In aanbodgestuurd onderwijs is de docent van mening dat hij weet wat de essentiële vragen zijn in zijn vakgebied, en doet hij op allerlei manieren moeite om leerlingen ook te laten inzien dat dit Belangrijke Vragen zijn, nodigt de student uit antwoorden te vinden voor die vragen en biedt daarbij als het enigszins kan enige hulp. Nadeel is dat de student de vragen niet zelf gesteld heeft en de kennis dus minder beklijft.

In vraaggestuurd onderwijs biedt de  docent studenten uitdagingen waar moeilijk een antwoord op te vinden is als ze niet ook de Belangrijke Vragen beantwoorden. Dan wacht hij of zij tot studenten zelf de Belangrijke Vragen gaan stellen – en zodra het zover is biedt hij of zij natuurlijk hulp bij het beantwoorden ervan. De kennis beklijft dan beter.

Is dat efficiënter? Om daar antwoord op te geven moeten we de moeilijkheid die de student heeft om de Belangrijke Vragen te achterhalen, vanuit een bepaalde casus, afwegen tegen de motivatie- en leerwinst in het beantwoorden van die vraag ten opzichte van de situatie dat die door een docent is ingeleid.

Misschien voelde je mijn positie al aan, maar ik ben vrij skeptisch. De premisse van vraaggestuurd onderwijs is dat het beter is om studenten zelf te laten ontdekken wat de Grote Vragen zijn omdat ze dan pas gemotiveerd zijn om deze goed te beantwoorden. De premisse van aanbodgestuurd onderwijs is dat de docent de Grote Vragen aanreikt, de studenten motiveert om daar antwoorden op te vinden en ze daarbij begeleidt. Natuurlijk zijn er docenten die dit niet kunnen, maar kunnen die docenten dan wel problemen formuleren waarbij de Grote Vragen zichzelf opdringen aan studenten?

Ik denk dat dat laatste moeilijker is en dat vraaggestuurd onderwijs, ironisch genoeg alleen kans heeft op die plekken waar docenten al heel erg goed zijn in aanbodgestuurd onderwijs. Daarmee is vraaggestuurd onderwijs als onderwijsbeweging verdacht: als ik student was, zou ik kiezen voor een doordacht aanbod.

Meer lezen?

Ik vroeg me af wat we de mensen in het algemeen moeten onderwijzen in basiskennis,  ik sprak over adaptief vermogen – een belangrijk argument voor vraaggestuurd onderwijs in adaptief de 21e eeuw in.

Het boekje van Hans Aarsman is natuurlijk ook warm aanbevolen.

Adaptief de 21e eeuw in

Kennis is weer uit. Althans, in het onderwijs. Daar zijn 21st century skills in; en computational thinking. Die aandacht voor vaardigheden boven kennis is natuurlijk niet fonkelnieuw. Ik ben zo’n 25 jaar geleden tot docent opgeleid en sindsdien wordt ongeveer dezelfde mantra steeds in een nieuw, nog hipper, jasje gestoken.

Het gaat ongeveer zo. In de toekomst gaat feitenkennis minder belangrijk worden. Want leerlingen kunnen alles opzoeken op internet en bovendien verandert de wereld steeds sneller waardoor de ideeën verouderen waar je bij staat. Wat studenten ècht nodig hebben is leervermogen. Ze moeten nieuwe kennis tot zich kunnen nemen. Ze moeten multidisciplinair kunnen samenwerken. Ze moeten zich snel aan nieuwe situaties kunnen aanpassen. Zodat ze, in de turbulente tijden die voor ons liggen, met alle winden mee kunnen waaien. Zoiets.

Ja het klopt: ik ben daar sceptisch over. Er kloppen twee dingen niet aan: het geschetste wereldbeeld én de voorgestelde oplossing.

Eerst even die steeds sneller veranderende wereld. Klopt dat? Nou, nee. Zo snel gaan die veranderingen nu ook weer niet. Historici wijzen erop dat we al eeuwen het gevoel hebben dat de ontwikkelingen steeds sneller gaan, maar dat zegt misschien meer over ons dan over de daadwerkelijke ontwikkelingen in de wereld. Het revolutionaire en ontwrichtende karakter van nieuwe technologie wordt meestal nogal overdreven; zeker door de uitvinders.

En de digitale revolutie dan? Ja, natuurlijk. De smartphone is pas een dikke tien jaar oud en allang niet meer uit de samenleving weg te denken. Maar alles wat ik daar nu mee doe: e-mailen, internetten, gamen en bellen, doe ik al sinds mijn jeugd met andere technische middelen. De ‘revolutie’ is vooral dat ik het nu kan doen terwijl ik naar mijn werk fiets.

Revolutionair denken is volgens mij vooral een kwestie van aandacht. Als je je aandacht richt op wat er allemaal veranderd is, dan gaat het inderdaad allemaal razendsnel. Let je op wat er allemaal hetzelfde blijft, dan loopt het zo’n vaart niet.

Maar de ècht prangende kwestie is natuurlijk de voorgestelde oplossing. Is het voor het toekomstige aanpassingsvermogen van onze leerlingen goed om minder vakinhoud en meer leervaardigheden te onderwijzen? Met andere woorden: moeten we op de basisschool taal en rekenen, op de middelbare school natuurkunde en geschiedenis, of in het beroepsonderwijs kook- en programmeerles, vervangen door lessen over creativiteit, leren leren, probleemoplossen en samenwerken? Die vraag verdient een genuanceerd antwoord, dat volgens mij toch begint met: “nou nee” of “nog niet meteen”.

Het probleem met 21st century skills, ontwerpdenken of andere complexe vaardigheden is dat ze niet kunnen bestaan zonder vakinhoud. Kennistransfer – het hergebruiken van kennis die je in één context hebt geleerd in een nieuwe context – blijkt namelijk heel moeilijk te zijn. Creatieve schakers volgen bij het koken vaak simpele, vaste recepten, terwijl sterrenkoks nog geen toren van een pion kunnen onderscheiden. Het is alsof er verschillende ruimtes zijn in het brein: voor taal en rekenen, voor natuurkunde, en voor frisbee – en dat de taalcreativiteit niet naar het frisbeeveldje durft, of andersom. Je kunt studenten creativiteitsles geven tot je een ons weegt, maar zonder ze materiaal te geven om creatief mee te zijn – of zonder ze onder te dompelen in een vakwereld waarin hun creativiteit een plekje kunnen geven – heeft dat geen enkele zin.

Gelukkig is er een middenweg. We hoeven niet per se te kiezen tussen vak- of vaardighedenles. We kunnen die twee hand in hand laten gaan. Het is goed mogelijk om vakinhoud zò te onderwijzen dat studenten die flexibeler kunnen inzetten. 21st century content dus. Die middenweg wordt onderzocht door onderwijskundigen die zich richten op adaptieve expertise.

Het idee van adaptieve expertise start met een interessante asymmetrie. Terwijl het bijna altijd zo is dat mensen die creatief zijn, goed kunnen samenwerken en nieuwe problemen aan kunnen pakken óók experts zijn in hun vak – is het niet altijd zo dat experts in een vak ook die vaardigheden voor aanpassing hebben. Blijkbaar vloeien die vaardigheden voort uit vakkennis, maar niet altijd. Alsof je op een gekostumeerd bal komt en sommige gasten blijken een maskertje te dragen en anderen niet. Het roept de vraag op hoe die creatieve, of adaptieve, vakmensen zich onderscheiden, en of dat ook te leren is.

Volgens onderzoekers hebben adaptieve experts dezelfde vakkennis als gewone experts, maar is die op een andere manier ‘gerepresenteerd’. Adaptieve experts hebben blijkbaar hun bovenkamer beter op orde. Hun kennis is beter gestructureerd en abstracter dan die van gewone experts. Hierdoor zijn ze beter in staat om in nieuwe situaties opnieuw gebruik te maken van hun vakkennis. Adaptieve experts hebben adaptatie ook al geoefend. Ze hebben vaak meer ervaring met vernieuwende opdrachten en ze hebben de kans gehad hun eigen oplossingsstrategieën te ontwikkelen.

Wat ik interessant vind aan dit lijstje, is dat hier twee ‘kampen’ samenkomen die in de 21st century skills-discussie lijnrecht tegenover elkaar staan. Hoe zorg je dat leerlingen een gestructureerde kennisbasis verwerven en dat ze abstracte kennis opdoen? Dat kan met degelijk onderwijs met veel aandacht voor theorie. Hoe zorg je dat studenten hun kennis in nieuwe situaties kunnen toepassen en hun eigen oplossingsstrategieën kunnen ontwikkelen? Vrij onderwijs waar studenten losgelaten worden, in projecten bijvoorbeeld.

Het is dus én én en niet òf òf.

Kan 21st century-onderwijs je leerlingen flexibeler maken? Ik denk dat het er nogal van afhangt hoe je onderwijs er nu al uitziet. Geef je nu alleen klassiek onderwijs waarin vakkennis centraal staat, dan is het misschien raadzaam iets meer ruimte te maken voor leervaardigheden en het ontwikkelen van eigen oplossingsstrategieën. Maar, als je nu al veel met projecten werkt, loop je met nóg meer vaardighedenonderwijs het risico de vakkennis – die juist de basis vormt voor adaptieve expertise – uit te hollen. Volgens de adaptieve-expertisetheorie moet je feitelijk een middenweg zien te vinden.

Misschien denk je nu: “Maar dat deden we toch allang?” Dan sta je vast niet alleen. Verandering is relatief. Als je als docent of school de afgelopen 25 jaar met geen enkele mode bent meegegaan, wordt het hoog tijd voor een nieuwe garderobe. Maar als je steeds de mode hebt bijgehouden, kun je echt nog wel een jaartje toe met dat leuke jasje. Hét onderwijs hoeft niet helemaal anders. Heel erg ouderwets onderwijs moet (misschien) wél helemaal anders.

 Want zeg nou zelf: meer nog dan of het wel zinvol is, vraag je je bij onderwijsvernieuwing vaak af welk onderwijs de onderwijsvernieuwers zélf eigenlijk genoten hebben.

Meer Lezen?

Ik sprak al over kennistransfer toen ik me hier afvroeg wat echt basiskennis is. Ik sprak over de uitdagingen van het onderwijzen van nieuwe ontwikkelingen in mijn blog opkijken naar nieuwe kennis en ik schreef ik al eens een beschouwing over het vak geschiedenis.

Aan het denken over de toekomst en veranderingen besteedde ik aandacht in de blogjes vooruitgang en in opdracht van de tijd.

Voor dit artikel heb ik gebruik gemaakt van een systematische literatuurstudie over adaptieve expertise van de universiteit van Maastricht. Deze is helaas nog niet open access beschikbaar.