Waardendragers

Mijn vrouw en ik waren kort geleden in Kamp Vught. Kamp Vught was in de tweede wereldoorlog een doorvoerkamp voor de Nazi’s, na de oorlog werden Nederlandse collaborateurs er gevangen gezet, waarna het kamp nog lang als vluchtelingenkamp in dienst geweest is. Kamp Vught bestaat uit grote barakken met honderden stapelbedden zoals je die wel uit films over concentratiekampen kent. Het is een ongemakkelijk gezicht, maar als je je het leven in het kamp voorstelt wordt het pas echt beklemmend. Die slaapzalen lagen vol uitgehongerde en veelal zieke mensen voorstellen. Overal lag er wel iemand te huilen of te schreeuwen. Mishandeling van gevangenen kwam er veel voor, in Vucht was het absolute dieptepunt het Bunkerdrama waarin 74 vrouwen een nacht in een cel van 9 bij 9 worden opgesloten, een incident dat zelfs de bezetter zelf te ver ging.

Terwijl we door het kamp werden rondgeleid, dwaalden mijn gedachten onwillekeurig af naar de experimenten van Milgram en Zimbardo. Dit zijn experimenten waarover ik, als ik een kansje zie, graag vertel in de klas. Milgram was geïnteresseerd in hoe mensen op autoriteit reageerden. Hij nodigde mensen uit in het lab om mee te doen aan een experiment ‘over leren’.  Proefpersonen werden gevraagd electroshoks uit te delen aan een andere proefpersoon die een lijst met woordjes aan het leren was. Bij elke nieuwe fout moest er een fellere electroshok uitgedeeld worden. In werkelijkheid was de andere proefpersoon een acteur. Hij speelde het effect van ernstige electroshoks na. Eerst vertoonde hij lichte schikreacties, maar al snel begon hij te klagen, dan te jammeren en te schreeuwen om ten slotte helemaal geen reactie meer te geven. Veel proefpersonen voelden zich steeds meer bezwaard electroshoks uit te delen, maar als de wetenschapper in de ruimte op neutrale toon zei dat het experiment vereiste dat de electroshoks werden uitgedeeld deden ze het toch, althans 65% van de proefpersonen ging door tot dat het maximum van 450 volt –  en absolute stilte in de andere ruimte – bereikt was.

Zimbardo bootste de situatie in een gevangenis na in het ‘Stanford Prison Experiment’. Hij nodigde een groep proefpersonen uit om in een rollenspel de situatie in een gevangenis na te spelen. De groep proefpersonen werd willekeurig ingedeeld in twee groepen waarvan één groep als gevangenen en de andere als bewakers werd aangewezen. De situatie van een gevangenis werd nauwkeurig nagebootst, de gevangen werden gearresteerd, kregen nummers enzovoort. De eerste dag gebeurde er weinig, maar al snel liep de situatie volledig uit de hand. Op de tweede dag kwamen een aantal gevangen in opstand, die werd ‘neergeslagen’ met brandblussers. Daarna gingen de bewakers steeds verder om controle te houden, ze gingen psychologische spelletjes spelen met de gevangenen, ze gingen straffen door matrassen weg te halen (gevangen moesten op beton slapen), ze weigerden om toiletemmers van de gevangen te verschonen, enzovoort. Het sadisme van de bewaking liep zo snel uit de hand dat het experiment vroegtijdig gestopt moest worden – na zes dagen al.

Studenten reageren vaak verbaast als ze over deze experimenten horen. Als ik ze de opzet van het experiment vertel en ze vraag om een voorspelling te doen over de uitkomsten dan onderschatten ze meestal het aantal mensen dat bereid is ernstige electroshoks uit te delen en de zwaarte van de mishandeling die de nepbewakers hebben toegepast. De waarheid die de experimenten van Milgram en Zimbardo laten zien, is dat ons gedrag in hoge mate door onze omgeving wordt bepaald, ook als die omgevingen dingen van ons vragen die we normaal gesproken niet zouden doen. In Vught ging het natuurlijk niet anders. Ook toen de Joodse gevangenen waren vervangen door Nederlandse collaborateurs en de Duitse bewakers door eerzame Nederlandse bewakers waren de pesterijen en mishandelingen aan de orde van de dag. De mishandelingen waren het gevolg van de rollen van bewaker en gevangene veel meer dan de afkomst of overtuiging van de mensen in het kamp. In kamp Vught en in andere concentratiekampen was het Stanford experiment al eens uitgevoerd.

Experimenten zijn waarheidsdragers en ik vind dat iedereen van de experimenten van Zimbardo en Milgram zou moeten weten, maar niet vanwege de waarheid die ze bloot legde– dat gedrag sterk door de sociale omgeving gestuurd word. Veel belangrijker vind ik dat deze experimenten ook waardendragers zijn. Door het belang van de omgeving op het gedrag te laten zien, laten ze ook het belang van universele waarden zoals gelijkwaardigheid zien en nopen ze tot bescheidenheid. Wat de proefpersonen van Milgram en Zimbardo deden, zouden wij allemaal kunnen doen en zo redeneren we meestal niet over de wereld. We overschatten ons zelf en ons vermogen ons eigen gedrag correct in te schatten schromelijk, we geneigd oorzaken van ons eigen gedrag vooral in onze omgeving te zoeken terwijl we bij anderen de persoon verantwoordelijk houden. We denken vaak over de schurk en de held als personages,  terwijl het eigenlijk rollen zijn. En die rollen kunnen vanuit het perspectief van de ander zomaar omgekeerd zijn. Steeds als we de ander op een grote of kleine manier als schurk wegzetten zouden we eigenlijk even terug moeten denken aan de proefpersonen die destijds zonder al te veel druk zware elektroshocks uit bleken te delen. Dat hadden wij ook kunnen zijn – echt.

Ik ben na het schrijven van dit blogje natuurlijk erg benieuwd naar jullie mening over experimenten als waardendragers. Dragen de experimenten van Zimbardo en Milgram nog andere waarden, en hoe dan? En welke andere experimenten zien jullie eigenlijk als waardedragers?

Meer lezen?

Het experiment van Milgram wordt prima beschreven op Simply Psychology, Wikipedia geeft een prima introductie van het Stanford Prison Experiment. Het bunkerdrama  in Kamp Vught word prima uit de doeken gedaan op hun website.

Ik reken waardendragers uiteraard tot de basiskennis, waar ik eerder een blogje over schreef en het experiment over eksters uit mijn vorige blogje reken ik ook tot de (lichte) waardendragers.

Eksters

Veel vragen worden met experimenten beslist. Experimenten zijn ook ideaal als je dingen zeker wil weten. Welke wasmachine gebruikt het minste energie? Zitten er in rietsuiker meer calorieën dan in fruitsuiker? Vertrouwen mensen eerder hun eigen waarnemingen dan die van de groep? Bestaat licht uit deeltjes of uit golven? Allemaal dingen die je met experimenten kan vaststellen – en op weinig andere manieren.

Het mooiste is als een experiment aantoont dat iets waar je altijd van dacht dat het onzin was toch waar blijkt te zijn of andersom. Het maakt niet uit of je met een Miele wast of een B-merk. Er zitten evenveel calorieën in fruitsuiker. Mensen vertrouwen de groep. Licht bestaat uit golvende deeltjes. Dat soort dingen. Ik vind het het mooist als een experiment iets aankaart waar iedereen al een mening over heeft. Neem Eksters. Schattige vogeltjes zijn dat met een voorkeur voor glimmende dingen. Pas dus op met je sieraden als je een Ekster ziet!

Het verbaast je misschien dat deze volkswijsheid nooit eerder aan een experiment onderworpen is, maar wij wetenschappers doen veel te weinig aan het toetsen van volkswijsheden. Onderzoekers van de Universiteit van Exeter (de naam is vast toeval) hebben het wel onderzocht en het blijkt dat Eksters een afkeer hebben van nieuwe dingen, of ze nu glimmen of niet. De onderzoekers plaatsten glimmende en niet-glimmende objecten in de buurt van het eten van wilde Eksters en bij de huiseksters van het lab. Beide groepen vermeden het eten waar voorwerpen bij geplaatst waren, of deze nu glommen of niet. Conclusie: wat de Ekster niet kent dat vreet hij niet.

Maar… Hoort er niet een kern van waarheid in dit soort volkswijsheden heden te zitten? Of anders… Als het niet waar is, hoe komen Eksters dan aan deze reputatie? Het antwoord op deze vraag schuilt in een gemene neiging van mensen om vooral te letten op dingen die in lijn zijn met wat ze al weten, de “confirmation bias”. Stel: je ziet een Ekster met een takje in zijn bek. Misschien dacht je nog “Wow! Een Ekster!”, maar je dacht niet: “Mmm… Eksters houden blijkbaar van niet-glimmende dingen zoals takjes”. Stel nu dat je een Ekster met een glimmend ding in zijn bek ziet. Dan denk je: “ZIE JE WEL!! Een Ekster met een glimmend ding! Het is DUS waar!” – goed gezien, maar toch niet helemaal eerlijk.

Zelfs als je reacties iets gebalanceerder zijn dan in het voorbeeld, is het makkelijk te snappen hoe Eksters hun reputatie kunnen houden. Als je eenmaal de reputatie hebt van zilverdief, zijn alle ogen op je gericht wanneer je het doet en nul ogen wanneer je het laat. In de praktijk zijn er zelfs geen waarnemingen nodig: het gaat om het aantal geloofwaardige beschuldigingen en als Ekster delf je dan het onderspit.

Zielig? Mwa. Maar wel een waarschuwing voor ons mensen. Als je denkt dat je iets zeker weet, vooral wanneer het is omdat iedereen het zeker weet – misschien is het dan tijd voor een eerlijk, vergelijkend, experiment.

Meer weten?

Het experiment met de Eksters is beschreven in:
http://www.theguardian.com/environment/2014/aug/18/silver-magpie-shine-research

De confirmation bias is een broertje van de selection bias, waar ik in mijn blogje over stokoude kennis al over sprak.

Metaforen voor het leven

Moois. Op de gevel van een boekwinkel, niet ver van mijn huis, staat deze tekst geschilderd: “een boek is als een bijl voor de bevroren zee in ons”. Ik hou van metaforen en deze heeft er twee: boeken worden met bijlen vergeleken en ons innerlijk met een bevroren zee. Maar, sinds kort zie ik veel meer in metaforen dan een mooie stijlfiguur. Dat komt door het boek ‘Metaphors We Live By’ van George Lakoff en Mark Johnson.

Lakoff en Johnson beweren dat metaforen veel meer zijn dan een speeltje voor dichters of romantische zielen. Nee…, we denken in metaforen: allemaal – de hele dag door. Lakoff en Johnson laten dat zien aan de hand van alledaags taalgebruik. Neem het idee van tijd. We hebben tijd genoeg. Lanterfanten is tijd verspillen. Je tijd is op. Dat meisje is je tijd niet waard. In al deze zinnetjes word tijd voorgesteld als iets waardevols dat snel op kan raken. Iets dat je goed moet besteden. Inderdaad: tijd is geld. Volgens Lakoff en Johnson begrijpen we wat tijd is door het te begrjpen als een schaars goed. Al deze zinnetjes zijn metaforen en ze laten zien hoe ons brein werkt, niet hoe we de taal versieren.

Als je eenmaal begint met het ontdekken van metaforen in alledaags taalgebruik, dan kun je nog wel even doorgaan en dat is dan ook precies wat Lakoff en Johnson doen. Liefde is een reis. Debat is oorlog. De economie is een (levend) wezen. Steeds gebruiken we vertrouwde concepten om abstractere concepten te begrijpen en dat begint volgens Lakoff en Johnson al heel vroeg. Richtingsmetaforen, bijvoorbeeld, leren we in onze vroegste jeugd en gebruiken we ons hele leven. Ook zinnetjes als: ‘de inflatie stijgt’,’ ik voel me down’ en ‘’de kern van het onderwerp’, zijn voorbeelden van alledaags metafoorgebruik. Als je het zo bekijkt begrijpen we bijna al onze concepten via metaforen. We stapelen concept op concept door metafoor in metafoor.

Er wordt wel gezegd dat wetenschap de werkelijkheid onttovert, maar het idee dat dat alles wat ik denk gebouwd kan zijn op metaforen vind ik zelf wel erg magisch. Ik weet niet of het waar is, maar als het zo is, dan is het een deel van het antwoord op de vraag naar basiskennis die ik hier al eerder stelde. Basiskennis is, in deze visie, kennis, die helpt andere ideeën te structureren. Misschien voldoet Goniometrie dan alsnog, maar misschien hebben we lessen nodig in grijstinten, liefde of speltheorie. Zeggen jullie het maar!

 Meer lezen?

Ik bespreek het boek “Metaphors We Live By” uitgebreider in mijn blog: Reasoning on Metaphorical Foundations.

Eerder stelde ik hier de vraag wat nu ècht basiskennis is: Basiskennis.

 

 

 

Stokoude Kennis

Veel wetenschappers houden niet van de vraag of de kennis die ze ontwikkelen nuttig is. Ik vind dat niet zo vreemd. Vaak is het al knap lastig om te zeggen wat het nut is van de kennis die je al hebt, laat staan dat je dat alvast moet zeggen over je toekomstige ontdekkingen. Om van de vraag af te zijn vertellen ze vaak een sprookje. Daarin speelt een wetenschapper van een paar eeuwen terug de hoofdrol. Het verhaal gaat ongeveer zo. Neem wetenschapper X uit de 16e of 17e eeuw. Niemand begreep in zijn tijd waar hij het over had, of waarom je druk zou maken over wat hij te zeggen had. Maar nu, eeuwen later, gebruiken we juist die kennis elke dag! De moraal is: vraag niet naar het nut van kennis: de tand des tijds zal het ons leren.

Neem Gottfried Leibnitz. Deze Duitse wiskundige vond (onder andere) het binaire getalstelsel uit: al in 1679! Leibnitz liet zien dat een aantal wiskundige bewerkingen makkelijker waren als je alleen maar éénen en nullen als getallen gebruikte. Hij speculeerde ook dat er ooit machines zouden komen die op deze manier zouden werken, maar had hij natuurlijk geen Nintendo DS, iPad of maanlander voor ogen. In Leibnitz’ tijd leek binair rekenen nog een hobbypaardje van een fanatieke wiskundige, nu lijkt het een van de belangrijkste en nuttigste ontdekkingen ooit gedaan.

Ik vind het heel fijn hoor: dat Leibnitz het binaire getallenstelsel heeft uitgevonden, maar stel nu dat die dat niet gedaan had…. Zou, voordat Konrad Zuse in 1938 pas, de eerste binaire computer bouwde, echt niemand anders op dat idee gekomen zijn? Desnoods meneer Zuse zelf? Omdat hij het nodig had, bijvoorbeeld?

Wat het sprookje van de stokoude kennis zo sterk maakt is dat het waar gebeurd is. Wat het een sprookje maakt is dat als je maar goed genoeg zoekt er altijd wel  stokoude nuttige kennis te vinden is, ongeveer zoals er ook altijd wel een winnaar is van de Olympische Spelen.

Het probleem van de tand des tijds is namelijk dat ze de tijd heeft. Veel ideeën ontstaan langzaam, worden door meerde personen tegelijk ontwikkeld of keren steeds in een iets  andere gedaante terug. Als je alle ideeën die ooit bedacht zijn tot je beschikking hebt, dan is de kans dat iemand ooit al op een idee gekomen is waar je nu wat aan hebt vrij groot. Niet al die ideeën zijn zo uniek en sterk als binair rekenen, maar al met al vind je wel iemand die in het sprookje van de stokoude kennis past als je er naar op zoek gaat.

Daar komt nog bij dat de tand des tijds selectief is. Datgene wat we nog gebruiken uit de 17e eeuw (Newtons klassieke mechanica) staat ons helderder voor de geest dan datgene wat we niet meer gebruiken (Newtons alchemie en theologie). De 17e eeuw, lijkt, als we terugkijken dus een relatief vruchtbare periode van ideeën die vandaag nog nuttig zijn; simpelweg omdat we de onzin zijn vergeten.

Ik heb niets tegen het sprookje van de stokoude kennis, maar een goed antwoord op de vraag van het nut van kennis -of onderzoek- is het niet. Ik denk dat fundamemteel onderzoek zin heeft; dat we geld moeten stoppen in het vinden van het Higgs boson; en medewerkers van het Cern hoeven van mij niet uit te leggen wat we op korte termijn hebben aan hun metingen. Maar laten we ophouden het nut van stokoude kennis aan te voeren as rechtvaardiging van fundamenteel onderzoek, vandaag. Wetenschappelijk gezien snijdt dat te weinig hout.

Meer Lezen?

In mijn blogje Big Science ga ik in op de groei van de wetenschap sinds de wetenschappelijke revolutie. Dat werpt een interessant licht op de mythe van stokoude kennis.

In mijn blogjes halfwaardetijd en tijdmeters ga ik in op wat de tijd met kennis doet en hoe wetenschappers zich tegen de tand des tijds wapenen.

Helpt specialiseren?

De oude Griekse filosofen waren geen specialisten. Ze schreven over van alles: psychologie, wetenschap, wiskunde, politiek – het liep bij hen allemaal door elkaar. Ook de wetenschappers in de 17e eeuw, zoals Huygens of Newton, deden nog ontdekkingen over een breed scala aan onderwerpen. Tegenwoordig is dat bijna niet meer mogelijk. Je kunt nu eenmaal als mens maar een beperkt aantal dingen leren in je leven. Als je wilt dat daar iets helemaal nieuws tussen zit dan zal je je enorm moeten specialiseren. Ik had een docent op de universiteit die trots vertelde dat er maar 12 mensen op de hele wereld bezig waren met het onderwerp waar zijn proefschrift over ging: hij kende ze allemaal bij naam. Hij vond dat erg leuk, maar ik had mijn vraagtekens. De andere kant van de medaille is namelijk dat het in de moderne wetenschap bijna niet meer mogelijk is om een overzicht te hebben over wat we allemaal weten.

Is dat erg? Misschien. Neem het gedachtenexperiment van robotonderzoeker Rodney Brooks . Hij stelde zich voor wat er zou gebeuren als een groep pioniers in de vliegtuigtechniek uit 1890 met een tijdmachine naar onze tijd geteletransporteert kon worden. Ze zouden een tijdje in een vliegende Boeing 747 kunnen doorbrengen en daarna teruggaan naar hun eigen tijd. Meteen gingen ze proberen om de Boeing na te bouwen: er werden stoelen gemaakt, de meters uit de cockpit werden in elkaar gezet, dubbel glas werd ontwikkeld… In no-time zouden de vliegexperts een replica van de Boeing hebben staan. Maar vliegen deed die niet. Het gaat er bij een Boeing namelijk niet om hoe de onderdelen zelf precies gebouwd zijn, maar om hoe die onderdelen samenwerken om vliegen mogelijk te maken. En juist dat konden de vliegtuigingenieurs uit 1890 niet herleiden. Ook gedachtenexperimenten kunnen mislukken.

De wetenschap als geheel is geen mislukt project zoals de Boeing van de vliegtuigbouwers uit het gedachtenexperiment van Brooks. Maar het verhaal zet je wel aan het denken. Wat heeft het voor zin de onderdelen te beter te leren kennen als we geen zicht krijgen op de samenwerking ertussen? Specialisme brengt ons pas echt verder als die specialistische kennis ook weer gekoppeld kan worden aan andere kennis. We moeten wetenschappelijke vooruitgang misschien minder afmeten aan de ontwikkeling van kennis zelf en meer aan de mate waarin kennis bruikbaar gemaakt wordt voor andere vakgebieden.  Er is een Nobelprijs voor beste kenniskoppelaar nodig.

Meer lezen?

In Big Science bespreek ik de groei van wetenschap die de huidige specialisatie veroorzaakt.

Het artikel van Rodney Brooks waarin hij dit experiment beschrijft heet “Intelligence without representation”

Is kennis nuttig?

Is kennis nuttig? Als je die vraag stelt zeg je eigenlijk dat je hem ook met nee zou kunnen beantwoorden.  Als ik daar aan denk protesteren alle vezels in mijn lijf. Ik ben ontwerper, ik maak bruikbare dingen van mijn kennis. Ik ben docent: ik draag mijn kennis over. Ik ben onderzoeker: ik maak kennis. Ik gebruik en ontwikkel mijn kennis elke dag. Daarom is de vraag of een stukje kennis nuttig is, alledaagse kost voor me. Als ontwerper vraag ik me af:  is dit nuttig voor mijn ontwerp? Als docent: is het nuttig voor mijn studenten? Als onderzoeker: is het nuttig voor de wereld, de beroepsgroep?

Maar je zou die vraag ook in het algemeen kunnen stellen. Wat is het is het dat kennis (in het algemeen) nuttig maakt? Hebben we evenveel aan alle kennis? Is er nuttige kennis of minder nuttige kennis? Daar lees ik eigenlijk weinig over.

Daarom neem ik op deze blog even geen genoegen met het antwoord “voor mij wel” op de vraag naar het nut van kennis. Ik wil hier de ruimte nemen om te twijfelen en wikken en wegen over het nut van kennis in het algemeen en over het nut van bepaalde soorten kennis.

Omdat ik dat nodig vind om de dagelijkse beslissingen in mijn beroep met kennis van zaken te kunnen nemen. Omdat ik goede argumenten wil voor, – en misschien tegen – de kennismaatschappij. Omdat ik, met die argumenten in handen, op een meer doordachte manier kennis kan gebruiken, overdragen en maken. Dit blogje zal dus vol staan met vragen, inzichten en gezichtspunten over onze, en vooral mijn, omgang met kennis.

Hopelijk boeit dat jullie net zo als dat het mij doet.