Zelfvervullend

Als het morgen mooi weer lijkt te worden, leg ik andere kleding klaar dan wanneer er regen komt. Voorspellingen zijn superhandig in het dagelijks leven. Ze helpen ons om ons voor te bereiden op de toekomst en voorkomen verrassingen.

Verreweg het handigst zijn natuurlijk voorspellingen over menselijk gedrag. Als ik weet dat iedereen morgen in goud gaat investeren, is het handig om dat vandaag al te doen, nu de prijs nog vrij redelijk is. Het is fijn om een beetje op het gedrag van de kudde te kunnen anticiperen om mijn eigen gedrag daar handig op af te stemmen.

Je voelt ’m al: het grote verschil tussen voorspellingen over de natuur en voorspellingen over menselijk gedrag is dat de natuur zich niets aantrekt van hoe wij die voorspellingen gebruiken, terwijl voorspellingen over menselijk gedrag juist wél beïnvloeden wat mensen doen. Daarmee zijn voorspellingen over menselijk gedrag -ik trek even het gezicht van een of andere techniekfilosoof- niet neutraal.

De beruchte ‘wet’ van Moore
Het meest spectaculaire voorbeeld van een zelfvervullende voorspelling is de ‘Wet van Moore’. Gordon Moore bekeek in de jaren zestig de ontwikkeling van computerchips. Die werden steeds kleiner en krachtiger. Er bleek een exponentieel verband te zijn: elke twee jaar verdubbelde de rekenkracht per vierkante centimeter. Moore voorspelde dat die trend nog jaren door zou zetten – en dat is precies wat er gebeurde.

Het verbluffende van de wet van Moore is niet dat de computerchips na zijn voorspelling nog een tijdje lang in exponentieel tempo kleiner werden. Nee, het verbluffende is dat we, nu we 60 jaar verder zijn, nog steeds discussiëren of de technische ontwikkeling nu eindelijk eens begint te vertragen. De wet van Moore was veel langer geldig dan wie dan ook voor mogelijk had gehouden. In je telefoon zit meer rekenkracht dan er nodig was om een man op de maan te zetten. Zo sterk is deze ontwikkeling geweest.

Hoe kan dit? Is Moore misschien toch op een natuurwet gestuit? Heeft Gordon Moore verder kunnen zien dan anderen? Niemand denkt dat. Sociologen zijn het erover eens dat de wet van Moore een zelfvervullende voorspelling is. Omdat we collectief geloven dat de chips blijven krimpen, gaan we ons zo organiseren dat ze inderdaad gaan krimpen.

#hoedan?
Hoe werkt dat? Harro van Lente schrijft er mooi over, vind ik. Hij zegt dat dit soort toekomstverwachtingen over technologische ontwikkelingen drie rollen vervullen.

Ten eerste geven ze legitimiteit aan technische ontwikkelingen. Wil je een omvangrijk onderzoeksprogramma financieren om chips te laten krimpen, dan is het wel handig dat er een gedeeld geloof is dat het kan. En het helpt dat je denkt dat als jullie niet met kleinere chips komen, dat de concurrent het dan wel doet.

Ten tweede zijn collectieve verwachtingen richtinggevend. In principe kun je met de ontwikkeling van een computerchip alle kanten op. Je kunt een chip duurzamer willen maken, of multifunctioneler, of nou ja, bedenk nog maar wat nuttige eigenschappen voor computerchips. Maar omdat we met zijn allen denken dat kleinheid is wat écht telt, zetten we alles op alles om dat te bereiken.

Ten slotte hebben verwachtingen over technologische ontwikkeling ook een coördinerende werking. Als iedereen denkt dat de toekomst zit in nog kleinere minichips, dan kunnen we ook veel beter samenwerken die te ontwikkelen. Misschien is er wel leverancier die extra kleine minichiponderdeeltjes kan leveren, zolang er maar vraag naar is. Nou, die vraag is er, want we geloven allemaal in de grote minichipopgave.

En nu?
Maar als dit zo werkt… Als je met een handige voorspelling kunt zorgen dat iets daadwerkelijk gebeurt, kunnen we dat dan niet wat gerichter inzetten? Kunnen we dan niet wereldvrede voorspellen? Of een oplossing voor de klimaatcrisis of het verlies aan biodiversiteit? Misschien hebben we wat overtuigingskracht nodig, maar Moore liet zien dat het ogenschijnlijk onmogelijke binnen handbereik ligt.

Het antwoord is helaas nee. Voor wereldvrede is het min of meer geprobeerd. In zijn boek The End of History voorspelde Francis Fukuyama dat uiteindelijk alle landen zouden evolueren naar een liberale democratie. Volgens hem was dat namelijk het winnende systeem. En niet onbelangrijk: het is ook het meest vredelievende systeem. Fukuyama had behoorlijk wat overtuigingskracht, want met de val van de Muur vers in het geheugen, wilde iedereen graag geloven dat deze voorspelling het zou maken. Daar lag het niet aan.

Het probleem is, denk ik, dat wereldvrede – net als het invoeren van liberale democratie – niet echt past binnen het type samenwerking dat de Wet van Moore beschrijft. Op een bepaalde manier zitten er andere ‘spelregels’ in het technisch-economisch complex die het makkelijk maken alle neuzen dezelfde kant op te krijgen. Maar politieke ontwikkelingen zijn blijkbaar aan andere dynamieken onderhevig.

Toeval
Eigenlijk denk ik dat het vaak toeval is wanneer een zelfvervullende voorspelling zijn werk gaat doen. Je kunt wel een paar randvoorwaarden benoemen—zoals dat er een breed gedragen geloof moet zijn in de voorspelling, en dat deze moet aansluiten bij wat mensen toch al willen. Maar de waarheid is toch: soms gaat het vliegen en soms niet.

Daarmee is de zelfvervullende voorspelling een prima verklaring voor hoe dingen kunnen gaan, maar ook een verklaring die je niet als instrument kunt inzetten. Je kan voorspellen zoveel je wil, maar je kunt maar zeer ten dele bepalen wat mensen met die voorspelling gaan doen. Wat dat betreft is het verschil tussen menselijk gedrag en natuurwetten minder groot dan je zou denken.

Meer lezen?

Het idee dat voorspellingen eerder de bedoeling hebben om de wereld te vormen dan om ze te voorspellen besprak ik al een aantal keer. Bijvoorbeeld in: Toekomstindustrie, IQ, en In opdracht van de tijd. Over voorspellingen in ‘pure’ vorm sprak ik in Peilingen.

De wet van Moore en met name wat het exponentiele karakter ervan allemaal met ons doet besprak ik eerder in Verandersnelheid.

Broodheer

Deze zomer vroegen studenten hun universiteitsbestuurders om alle officiële banden met Israëlische universiteiten te verbreken. Eerder waren er soortgelijke protesten over de samenwerking tussen universiteiten en de fossiele industrie. Ook staat onderzoek naar dronezwermen onder druk, omdat deze technologie nu wordt gebruikt in lopende oorlogen. Ik heb veel sympathie voor deze oproepen om thought leadership te koppelen aan moreel leiderschap al was het alleen maar omdat het ongemak van universiteitsbestuurders bij deze kwesties zo veelzeggend is.

De olifant in de kamer is natuurlijk dat onafhankelijke wetenschap niet bestaat. Dat de academische vrijheid een mooi ideaal is, maar dat het lelijk wordt als ‘vrij’ geïnterpreteerd wordt als ‘waardenvrij’ of nòg erger ‘vrij van verantwoordelijkheid’. Universiteitsbestuurders vinden dat ingewikkeld, en dat is het ook.

De protesterende studenten beriepen zich op het boek Towers of Ivory and Steel van Maya Wind, waarin de sterke banden tussen de Israëlische universiteiten en het leger aan de kaak gesteld worden. Maar dit soort afhankelijkheden beperken zich natuurlijk niet tot Israël.

Afhankelijke wetenschap is van alle tijden. Galileo Galilei was een briljante en tegendraadse geest, maar hij kon zijn strijd met de heersende opvattingen en de kerk niet voeren zonder zijn beschermheer, markies Guidobaldo del Monte. De middeleeuwse scholastici kregen van de kerk de ruimte om filosofie te bedrijven, zodat ze het geloof konden versterken met rationele argumenten voor het bestaan van God,bijvoorbeeld. De adel, de kerk en later de staat willen best investeren in nieuwe kennis, maar een blanco cheque is wel wat veel gevraagd.

De afhankelijkheid van moderne wetenschap wordt vooral bepaald door financieringsstromen. De minister gaat gelukkig niet langs de universiteit om met wetenschappers te praten over of hun onderzoek wel deugt, maar de staat beslist wel over de hoeveelheid basisfinanciering in vergelijking met financiering door bedrijven, de verhouding tussen middelen voor onderwijs en onderzoek, en de organisatie van subsidiestromen. Dat is een systeem waarin er weinig speelruimte is voor de bedrijfsvoering van een universiteit.

Ook dat is niet nieuw. In De ontdekking van het weten stelt Chunglin Kwa dat de bloeitijd van de academische vrijheid in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw was. Tegelijkertijd was de financiering van de wetenschap door het leger nooit zo hoog. Na de Tweede Wereldoorlog en het begin van de Koude Oorlog werd wetenschap als zeer belangrijk beschouwd. De atoombom toonde aan dat fundamentele wetenschap kan leiden tot innovaties die een oorlog kunnen beslissen.

Het enthousiasme voor fundamenteel, onafhankelijk onderzoek is inmiddels flink afgenomen. Grote bedrijven zoals Philips hebben minder onderzoekers in dienst, en de overheid probeert het tekort te compenseren door financiering te richten op economische en maatschappelijke innovatie. Door het afnemen van overheidssteun voor onafhankelijk onderzoek, worden universiteiten op hun beurt steeds afhankelijker van directe financiering van het bedrijfsleven. Het grootkapitaal heeft de universiteiten zo in een dubbele tang en is daarmee de nieuwe broodheer van de wetenschap.

Het is natuurlijk ironisch dat de plek waar het vrijdenken de hoogste culturele status heeft, zo weinig financiële speelruimte heeft om dat ook mogelijk te maken. In het conflict tussen de studenten en de bestuurders vertegenwoordigen studenten de normen van de universiteit zèlf. Ze willen dat de universiteit doet wat ze zegt en kiest voor onafhankelijke kennisontwikkeling. En ze willen dat de bestuurders de wetenschap serieus nemen en er gevolg aan geven. Maar de bestuurders moeten aan het bedrijf, het personeel en de studenten denken. Ze zien niet zoveel ruimte om recht in de leer te zijn.
Is er een weg uit dit conflict? Ik denk dat universiteiten eerlijker naar zichzelf en naar studenten kunnen zijn over de onvermijdelijke afhankelijkheden. Natuurlijk kunnen wetenschappers zich onafhankelijk opstellen, maar kennisontwikkeling is niet neutraal en het gebruik ervan zeker niet. Wetenschappers dragen uiteindelijk verantwoordelijkheid voor beiden.

Universiteiten kunnen duidelijker zijn over de belangen waarmee ze te maken hebben. Door te laten zien waar afhankelijkheden liggen, waar ruimte is en waar om ruimte gestreden kan worden, leren ze studenten assertief te zijn en grenzen te stellen in een afhankelijke positie. Dat is misschien een waardevollere les dan het sprookje van academische vrijheid.

Want laten we eerlijk zijn: zodra het diploma behaald is, zijn studenten ook afhankelijk van de bedrijven en instellingen waarmee ze zich verbinden. Universiteiten zouden hun voorbeeldfunctie moeten inzetten om afgestudeerden weerbaarder te maken voor de machtsdynamieken in het bedrijfsleven en de samenleving. Welke houding daarbij past in kwesties van oorlog, vrede, mensenrechten en klimaat, laat ik aan de bestuurders. Vooralsnog denk ik dat de studenten best een punt hebben.

Meer lezen?
Ik schreef al eerder over de vraagstukken die samenhangen met kennisontwikkeling en toepassing in stokoude kennis, Nobel en valorisatie en over waarden in de wetenschap in doelkennis.

De informatie over machtsdynamieken in 20e eeuwse wetenschap haalde ik uit de ontdekking van het weten van Chunglin Kwa, waar ik eerder over schreef. De informatie over Towers of Ivory and Steel uit een bespreking van de lezing van Maya Wind in DUB.

Onuitdrukbaarheid

“Er zijn geen woorden meer voor wat ik voel, ik heb geen woorden meer voor jou”. De Jazzpolitie zong het in de jaren tachtig en in de liefde gebeurt het ons allemaal: dat we gevoelens ervaren die we als diep, waar en uniek zien – en die we, ondanks een overvloed aan liefdesliedjes, onmogelijk in woorden weten te vangen.

Maar de verliefden van deze wereld zijn niet de enigen die zich op onuitdrukbaarheid beroepen. Neem intuïtie. Intuïtie is een soort kennis die je niet gemakkelijk met anderen deelt, die mensen eerder “voelen” dan “denken” en waar, naast veel vrouwen, ook wiskundigen en ondernemers zich op beroepen. En je hebt de mystici. Mensen die via spirituele wegen, vaak door uitgebreide rituelen of zelfs met behulp van hallucinogene middelen, tot inzichten over het leven proberen te komen waarvan ze vervolgens claimen dat ze diep, waar en -helaas voor ons- onuitdrukbaar zijn.

Slaan die claims ergens op? Moeten we die hartstochtigen, genieën en zieners serieus nemen? Hebben ze echt kennis die niet in woorden uit te drukken is, of moeten we ze gewoon vragen een beetje beter hun best te doen? Over die vraag gaat dit blogje.

Is het brein of de taal de beperking?

Er zijn twee redenen te bedenken waarom dingen onuitdrukbaar kunnen zijn. De eerste is dat het brein niet alles kan bevatten omdat het daarvoor te beperkt is. Dit noemen we ‘gebonden betekenisgeving’. De kennis is er dus wel, maar je hoofd kan er niet bij. De tweede reden is dat het brein juist meer dingen kan bevatten dan met taal uit te drukken is. We weten het wel, maar niet op een talige manier. Dit noemen we het ‘mystieke argument’. In het eerste geval is het brein te klein, in het tweede geval de taal.

Laten we met het brein beginnen. De gedachte van gebonden betekenisgeving is vrij eenvoudig. Stel dat we het brein opvatten als een begrijpmachine. Is het dan redelijk te verwachten dat het brein werkelijk alles wat begrepen zou kunnen worden begrijpt? Vermoedelijk niet. Het brein heeft door de evolutie een structuur die het geschikt maakt voor bepaalde typen inzichten. Het kan dingen begrijpen die gelinkt zijn aan onze zintuigen en taal. Er zullen dus inzichten mogelijk zijn waar ons brein ongeschikt voor is, maar die door dolfijnen gretig worden uitgewisseld.

Toch gelooft niet iedereen in gebonden betekenisgeving. Er zijn filosofen die beweren dat gedachten losstaan van de infrastructuur waar ze uit voortkomen: gedachten zijn immers immaterieel. We breiden onze zintuigen ook steeds uit door meetinstrumenten te bouwen die dingen kunnen waarnemen waar wij ongeschikt voor zijn. Ons brein is misschien niet gebouwd om de relativiteitstheorie of quantummechanica te bevatten, maar door wetenschap en taal komen we een heel eind. Het tegenargument tegen gebonden betekenisgeving is dus dat taal een soort universele begrijpstof is die alle ideeën kan bevatten. Ook ideeën die ondenkbaar zijn.

Als de taal niet deugt…

Maar die argumentatie zal slecht vallen bij de Jazzpolitie, bezitsters van vrouwelijke intuïtie of de mystici. Zij zeggen juist dat taal niet toereikend is hun ervaringen en de inzichten die daar in loskomen te verwoorden. Dit wordt het mystieke argument genoemd.

Mystici gaan vaak zelfs zo ver dat ze het als een certificaat van echtheid beschouwen als ze hun inzichten niet onder woorden kunnen brengen. Volgens Johannes de evangelist kun je een goddelijk inzicht herkennen aan het feit dat het geen empirische vorm heeft. Je kunt een goddelijk inzicht niet uit de werkelijkheid afleiden en dus kun je het ook niet in woorden uitdrukken.

Zelf denk ik dat het certificaat van echtheid, naast het ware geloof ook voor échte liefde geldt. Als je er woorden voor hebt lijkt het ineens minder echt. In de liefde zijn we allemaal mystici.

Bestaan de woorden niet of volstaan ze niet?

Hoe kan het dat we dingen kunnen weten die we niet in woorden kunnen vatten? Waarom hebben we de woorden niet? Er zijn opnieuw grofweg twee mogelijkheden. Het kan zijn dat de woorden niet bestaan of dat de woorden niet volstaan.

Als de woorden niet bestaan zeggen filosofen dat een inzicht niet representeerbaar is. Het is een andere manier om te zeggen dat er te weinig woorden zijn. De logica is haast onontkoombaar. Een gemiddelde taal heeft ongeveer 50.000 woorden. Er zijn oneindig veel dingen die je zou willen kunnen zeggen. Dus hebben we altijd te weinig woorden. Het probleem met deze redenering is natuurlijk dat talen niet àf zijn. Als de woorden er niet voor zijn kunnen we er woorden voor verzinnen. Ik denk dat er goede redenen zijn waarom mystici en verliefden dat niet doen, maar daar kom ik zo op.

Eerst het tweede probleem: als woorden niet volstaan. Dit wordt door filosofen het onuitvoerbaarheidsprobleem genoemd. De gedachte is dat er wel woorden zijn om de inzichten mee uit te drukken, maar dat er een of andere blokkade is om ze daadwerkelijk uit te spreken. Omdat het te omstreden is bijvoorbeeld, of te moeilijk, te beschamend of te triviaal. Je kunt het wel denken in woorden, maar je krijgt het niet over je lippen. Ik denk dat dit de kwaal is waar de mystici aan leiden.

Hoe we nieuwe woorden maken….

Want als talen niet af zijn, en er zijn ergens geen woorden voor, dan kunnen we toch gewoon nieuwe woorden maken? Het ontstaan van nieuwe woorden vindt plaats in een proces dat conversational  grounding heet. Er zijn twee dingen voor nodig waar het de mystici aan ontbreekt. Een gedeelde ervaring en de behoefte om samen te werken.

Fictief voorbeeld. Wij hebben thuis iets staan met een merkwaardige vorm dat àltijd in de weg staat. Mijn vrouw en ik proberen het huis een beetje opgeruimd te houden, dus we kunnen elkaar helpen door het ding uit de weg te halen. Daarom willen we de ander kunnen vragen dat te doen en hebben we het een naam gegeven: stoel.

Het voorbeeld is een beetje flauw, maar de twee ingrediënten zitten er in. Mijn vrouw en ik moeten de stoel allebei kunnen zien en overtuigd zijn dat de ander hem kan zien – anders werkt het niet. Dit is de gedeelde ervaring. En we moeten er ook allebei belang bij hebben om er een woord voor te hebben: de behoefte om samen te werken aan een opgeruimd huis. Uit die twee ingrediënten: gedeelde ervaring en samenwerking ontstaat het woord vanzelf.

De mystieke ervaring is individueel….

Hier zit de crux bij de mystici. Mystici die veel moeite doen om een lijntje met God te openen zijn er meestal van overtuigd dat zij de enigen zijn die dat lijntje hebben. Ze willen helemaal niet dat de ervaringen die ze hebben breed gedeeld zijn. Als mystici met elkaar zouden samenwerken om God eens goed de waarheid te vertellen, dan zouden ze zeker taal ontwikkelen om te checken of iedereen God hetzelfde begrepen heeft. Mystieke ervaringen zijn niet zozeer onuitdrukbaar, er is vooral geen behoefte om ze uit te drukken.

En hier zit ook de crux bij de verliefden. Ook zij beschouwen hun liefde als hoogst individueel. Iedereen vindt John een adonis, maar wat Marieke voor hem voelt is zo speciaal: daar zijn geen woorden voor. Op de werkvloer gaat het de hele dag over John, maar die woorden zijn voor wat we sámen voor John voelen en die vallen dus af om Marieke’s unieke band met hem te beschrijven.

De woorden zijn er dus wel!

Onuitdrukbaarheid is eigenlijk geen vaststelling, maar eerder een bezwering en een uitsluitingsmechanisme.

Het punt is niet zozeer dat mystieke gevoelens – over je relatie met God, je intuïtie voor een oplossing of je liefde voor de ander – niet in woorden uit te drukken zijn; het is meer dat we het niet willen. Zodra we woorden geven aan mystieke ervaringen verliezen ze hun unieke, individuele karakter. We willen niet dat er woorden voor zijn. Die woorden bestaan wel, maar ze volstaan niet omdat woorden gedeelde dingen zijn, precies het verkeerde gereedschap om iets unieks mee aan te pakken.

En dat is inderdaad de kern van “liefdesliedjes”. Volgens de Jazzpolitie zijn alle liefdesliedjes al geschreven, waardoor er geen woorden overblijven om hun unieke liefde voor jou uit te drukken.

Meer lezen?

Het idee van conversational grounding besprak ik uitgebreid in het blogje De taalpragmatiek van Herbert Clark. Het idee van gebonden betekenisgeving besprak ik eerder in kenvermogen. Ik schreef al over de relatie tussen taal en kennis in jargon en in betekenisdrift.

Voor dit blogje maakte ik gebruik van het boek Ineffability and Philosophy van André Kukla. Ik heb zijn analyse grofweg gevolgd, maar wel sterk vereenvoudigd. Hij maakt zelf overigens geen gebruik van het idee van conversational grounding als uitweg uit het probleem.

Verandersnelheid

Hoe snel verandert de wereld eigenlijk? Ik stel de vraag eigenlijk niet omdat ik denk dat er een betekenisvol antwoord op te geven is, maar wel omdat ik in allerlei rapporten en visiedocumenten de opmerking tegenkom dat de wereld steeds sneller verandert. Tja. Dan komen er routinevragen bij me op, zoals: “is het wel waar?”, “wat bedoel je precies?”, “hoe meet je verandersnelheid eigenlijk?” en “waar komt dit idee vandaan?”. Veel te wetenschappelijk van me natuurlijk, maar, op het risico af de keizer zonder kleren te ontmaskeren, waag ik me er toch maar even aan.

In het boek De Duizelingwekkende Jaren bespreekt Philipp Blom de eerste vijftien jaar van de vorige eeuw: 1900-1915, de periode voor de Eerste Wereldoorlog. De schaduw die de twee wereldoorlogen over de twintigste eeuw zouden werpen, was nog niet in zicht. Het was een bloeiperiode voor het modernisme. De dynamo was het symbool voor oneindigheid, voor morele kracht. Ze draaide met duizelingwekkende snelheid rond. Snelheid was een thema. Fietsen zorgden voor een aanmerkelijk snellere verplaatsing van grote groepen mensen. Auto’s waren nog geen gemeengoed, maar autoraces kwamen al wel op. Maatschappelijke verhoudingen verschoven. De adel nam een steeds bescheidener rol in in de samenleving. Vrouwen eisten kiesrecht. Communicatietechnologie (telegraaf en telefoon) was in opkomst.

Weinig New Yorkers realiseren zich dat er door de drukte van de grote stad voortdurend berichten schieten van mensen die door enorme afstanden van elkaar zijn gescheiden. Boven de daken, dwars door de muren en in de lucht die we inademen, staan woorden geschreven in elektriciteit.’ – New York Times, 21 april 1912 -techgiganten

Poëtisch natuurlijk – en herkenbaar. Tegenwoordig zijn we er misschien iets minder lyrisch over, maar nog altijd geven technologische ontwikkelingen ons het gevoel ingehaald te worden door de tijd. De -alles gaat steeds sneller geest- waart evengoed door elke bladzijde van De Duizelingwekkende Jaren, als dat ze door onze moderne berichtgeving waart. De gedachte dat de wereld steeds sneller verandert is dus alvast van alle tijden – of tenminste van moderne tijden: minstens anderhalve eeuw oud. Dat is een lange tijd in een wereld die steeds sneller lijkt te gaan.

Is het dan reëel om te denken dat de wereld echt steeds sneller verandert – of is het eerder iets psychologisch? Elke verandering roept het gevoel op ingehaald te worden. Met objectieve verandersnelheid heeft dat mogelijk niets te maken. Misschien is het ook iets demografisch. Dat de oudere generatie altijd het gevoel heeft dat ze ingehaald wordt door de jeugd-  en daarom denkt dat de wereld steeds sneller gaat. Toen de ouderen nog jong waren werden ze immers nog niet ingehaald door de jeugd.

Er is eigenlijk maar één scenario denkbaar waarin de wereld van 1900 tot en met vandaag inderdaad steeds sneller veranderde: exponentiële groei. Groeit de wereld – of misschien technologie – exponentieel? Het is natuurlijk precies waar dit idee vandaan komt. Zoals ik al eerder schreef is exponentiële groei lang een goed model geweest voor de wetenschap. En ook voor rekenkracht van computers is dat een hele tijd opgegaan. Eén van de belangrijkste bronnen van de terugkerende gedachte dat de wereld steeds sneller verandert is dan ook de wet van Moore.

Gordon Moore, lang de directeur van Intel, voorspelde in 1965 dat de hoeveelheid rekenkracht in computers elke twee jaar zou verdubbelen. Hij voorspelde dat dit in ieder geval nog tot 1975 door zou gaan, maar daarin bleek hij te voorzichtig. Pas sinds 2015 waarschuwen Intel en anderen dat de groeisnelheid afneemt. Een tweejaarlijkse verdubbeling – dát is exponentiële groei. Voor computers geldt: van 1965 tot 2015 groeide de rekenkracht steeds sneller. Dat bood ruim baan voor alles en iedereen die in radicale verandering van de wereld geloofde.

Maar is het waar? Brengt de opkomst van rekenkracht snelle veranderingen met zich mee? Ik bedoel in de wereld? In de manier waarop wij met elkaar communiceren, voor elkaar zorgen, onderwijs inrichten, van a naar b reizen, de dingen die we belangrijk vinden en waar we over in gesprek gaan?

Het antwoord is natuurlijk ja én nee. Alle sectoren die hier genoemd worden, krijgen te maken met digitalisering en met nieuwe praktijken, maar die veranderen niet in het zelfde exponentiële tempo.

Een verdubbeling van rekenkracht ervaren we meestal als een net iets soepelere, rijkere versie van een softwareproduct dat we al jaren gebruiken. Microsoft Word uit 2019 kan heus meer dan de eerste versie van WordPerfect uit 1979, maar de essentie van het product is in die 40 jaar natuurlijk hetzelfde gebleven. De rekenkracht is explosief toegenomen, maar dat is aan de toepassing nauwelijks te zien. Preciezer: we hebben die vermiljoenvoudiging van rekenkracht in 40 jaar gebruikt om te zorgen dat we de opmaak meteen kunnen zien en onze spelling real-time kunnen laten controleren. Fijn natuurlijk, maar geen revolutie.

Doen we wezenlijk meer met onze smartphones dan we daarvoor op vaste computers deden? Eigenlijk niet: gamen, internet, e-mail – het is allemaal niet erg nieuw. Sociale media? Als je het mij vraagt, is dat een update van e-mail. De enige online diensten echt die minder dan 20 jaar oud zijn zijn locatiediensten en streaming (on demand) media, maar om nu te zeggen dat TomTom en Netflix de wereld fundamenteel veranderd hebben?

Hoe kan het dat computersnelheid exponentieel groeit, maar wat we ermee doen nauwelijks lijkt te veranderen? En hoe kan het dat we al die tijd dat we dezelfde dingen aan het doen zijn met nieuwe computers, toch het gevoel hebben dat de (computer)technologie ons aan het inhalen is?

Ik denk dat het antwoord op beide vragen hetzelfde is. Mensen veranderen (hun praktijken) vrij langzaam en de mens is de maat der dingen. Natuurlijk: er zijn dingen mogelijk met moderne computertechnologie die hele andere manieren van leven en samenleven mogelijk maken, maar we willen die dingen niet en beginnen er dus niet aan. Natuurlijk: technologie heeft de afgelopen jaren aanleiding gegeven voor allerlei veranderingen in onze manier van leven en samenleven. Die veranderingen gingen ongeveer even snel als we aankonden als mensen. Voor de meesten was dat duizelingwekkend snel.

Technologische ontwikkelingen mogen dan vrij snel gaan: volwassen applicaties – die inspelen op wat mensen op dit moment nodig hebben – moeten reken houden met wat mensen nu kunnen en willen accepteren. Volwassen technologie schrijdt dus veel langzamer voort dan mogelijk zou zijn op basis van de ontwikkelingen.

Uit die frictie tussen wat technologisch mogelijk is en de verandering die volwassen applicaties belichamen en de verandering die we als mensen willen omarmen, komt het versnellingsdenken voort. Je moet maar eens opletten: snelheidsprofeten beginnen bijna altijd over nieuwe technologische mogelijkheden en ontwikkelingen die nog lang niet klaar zijn voor de langzame mensenmarkt. Het gaat nooit over de revolutionaire manier waarop tekstverwerkers zich in de afgelopen 40 jaar ontwikkeld hebben; omdat die zich niet revolutionair ontwikkeld hebben. En die nieuwe technologie waar ze het wel over hebben? Die zal zich ook niet revolutionair ontwikkelen. Simpelweg omdat wij mensen daar nog niet aan toe zijn.

De ontluisterende bottom-line is dat we veranderen: zo snel als we kunnen. Dat geeft ons steeds het gevoel dat we de veranderingen maar nét kunnen bijhouden. Het zijn altijd duizelingwekkende jaren. De technologie heeft altijd de potentie om nog meer mogelijk te maken. De technologie zit ons altijd op de hielen.

Maar verandert de wereld steeds sneller? Nou nee. De toekomst raast helemaal niet op ons af. Mijn stelling is zelfs dat de wereld al jaren even snel verandert. Sneller dan ons lief is, misschien. Sneller dan we comfortabel kunnen bijhouden, wellicht. Maar niet met de snelheid van de technologie mee, maar met ónze snelheid – niet meer en niet minder.

Meer lezen? 
Ik sprak over de exponentiële groei van de wetenschap in Big Science (little science). Ik had het eerder het denken over verandering in in opdracht van de tijd, vooruitgang en halfwaardetijd.

Valorisatie

Nog zo’n begrip waar ik een dubbel gevoel bij heb: valorisatie. De vereniging van samenwerkende Nederlandse universiteiten (VSNU) beschrijft valorisatie als het ‘benutten van kennis’ door samen te werken met anderen, mensen iets te leren of – niet onbelangrijk -, door er geld mee te verdienen. Het kan immers zomaar zijn dat je als onderzoeker nieuwe technologie mogelijk maakt waar de BV Nederland wat aan heeft: CD’s, of oplaadbare batterijen ofzo. En dan zou het mooi zijn als je daarmee de economie ook een steuntje in de rug wil geven.

Je merkt het al. Ik loop niet zo warm voor dat economische argument. Als toepassingsgerichte onderzoeker vind ik het belangrijk dat mensen iets kunnen met de uitkomsten van mijn onderzoek, maar of dat nou per se ook geld moet opleveren?

Veel wetenschappers delen dit sentiment. Daarom is er ook veel kritiek op ons valorisatiebeleid. De focus op toepassing van kennis zou goede kennisontwikkeling in de weg staan en daardoor op de langere termijn nadelig uitpakken. De focus op de economie zou de onafhankelijkheid van het onderzoek in gevaar brengen. En de rol van de onderzoeker zou helemaal niet moeten zijn om geld te helpen verdienen, daar is het bedrijfsleven immers veel beter in.

Erg sterk vind ik die argumenten niet. Mijn bezwaar is dat ze niet gebaseerd zijn op een doordacht model van hoe innovatie in zijn werk gaat en hoe beleid daaraan bij kan dragen. Het grootste probleem is dat deze argumenten uitgaan van een strikte scheiding tussen kennisontwikkeling en gebruik. Of tenminste van de wenselijkheid daarvan. Kennisontwikkeling is het domein van universiteiten en het gebruik van kennis vindt plaats in de samenleving.

Zo’n ‘scheiding der machten’ lijkt mooi, maar er is wel wat tegen in te brengen. Het is een beetje alsof een autofabrikant zijn auto’s niet aan de slechte wegen in sommige landen wil aanpassen, omdat overheden nu eenmaal de wegen bouwen en autofabrikanten daar niets mee te maken hebben. Natuurlijk kan je je strikt aan de spreekwoordelijke schoenmakersleest houden, maar of het echt voor iedereen het beste is?

Dus, hoe dan wel? Laten we ons eens proberen te verplaatsen in de overheid. Als je als overheid wilt dat kennis (goed) gebruikt wordt, hoe stimuleer je dat dan?

Één vraag die je dan moet beantwoorden is hoe fundamentele inzichten zich vertalen in praktische toepassingen. Dat is geen gemakkelijke vraag. De onderstaande illustratie van ‘de reis van de kennis’ vind ik in dit opzicht verhelderend. Het laat voor één toepassing zien wie er allemaal nieuwe dingen mest leren voor dat ze breed toepasbaar was: de grafische gebruikersinterface. Reis van de kennisVoor wie de geschiedenis niet kent: vroeger bedienden we computers door commando’s in te typen. Op een dag werd de grafische gebruikersinterface ontwikkeld, waardoor we de computer met een aanwijsapparaat, iconen en menu’s konden gaan bedienen. Dit gebeurde bij Xerox, een bedrijf dat handelde in kopieermachines. Het werd populair gemaakt door Apple en Microsoft zorgde ervoor dat het wereldwijd de standaard werd.

In het diagram staat uiteengezet wie er wat voor soort dingen moest leren voordat de grafische gebruikersinterface een wereldstandaard werd. Het begint met het ontwikkelen van de fundamentele ideeën hebben geleid tot de ontwikkeling van grafische gebruikersinterface en het eindigt met professionals die deze nieuwe ontwerp principes voor het eerst in hun eigen praktijk gingen toepassen.

Een super simplistisch diagram. Het suggereert éénrichtingsverkeer: van fundamenteel naar toegepast, terwijl toepassingen ook vaak tot meer fundamentele vragen leiden. Het laat ook alle ontwikkelingen die er niet toe deden én alle kennis die onderweg geleend werd van andere praktijken of wetenschap buiten beschouwing. Tot slot gaat het plaatje over een aantal inzichten die altijd al met het oog op toepassingen ontwikkeld is en dus niet over ‘echt’ fundamenteel onderzoek.

Tegelijkertijd is het veel genuanceerder dan de vaak gebruikte tweedeling tussen kennisontwikkeling en -toepassing. Het plaatje geeft ook een mooi overzicht dat je kan helpen om uit te denken waar je als overheid je geld zou willen investeren.

Zou je al je geld zetten op de eerste kolom en alleen fundamenteel onderzoek stimuleren of zou je ook verderop in de pijplijn ondersteuning willen geven? Zou je een voorkeur hebben voor wetenschappers die aantoonbaar zicht hebben op wat er later met hun werk kan en moet gebeuren, zodat er iets helemaal rechts in het diagram terecht kan komen? Of behandel je de stappen in dit diagram liever als silo’s die zich niets van elkaar aan moeten trekken? Welke kolommen laat je aan de markt en welke kolommen krijgen subsidie – en hoeveel dan?

De Nederlandse overheid kiest ervoor het meeste publieke geld te investeren in de meest linkse stap: ontwikkelen van nieuwe kennis. Dit doen ze via de financiering van universitair onderzoek. Een klein deel gaat ook in de tweede stap: het ontwikkelen van nieuwe toepassingen. Dit gaat via de financiering van onderzoek in het HBO. De derde en vierde kolom worden voornamelijk aan het bedrijfsleven overgelaten.

Steeds wil de overheid dat onderzoekers laten zien dat ze zicht hebben op de rest van de keten. Van universitaire onderzoekers wordt gevraagd om inzichtelijk te maken wat in de tweede kolom mogelijk zou zijn, van onderzoekers in het HBO wordt gevraagd bedrijven uit de derde kolom te betrekken. Zodat de ‘doorstroming’ langs de verschillende stappen zo soepel mogelijk verloopt.

Of dit het best denkbare beleid is, weet ik niet, maar als je het mij vraagt zit er een logica achter. De vraag is misschien eerder waarom de middelen niet gelijkelijk verdeeld worden over àlle stappen en samenwerking tussen alle stappen wordt geëist, dan andersom.

  • Natuurlijk: fundamenteler onderzoek (naar nieuwe kennis) zou ook onafhankelijker moeten zijn, dan onderzoek naar nieuwe toepassingen, maar een harde scheiding tussen kolom 1 en 2 lijkt mij niet erg productief.
  • Natuurlijk: nieuwe kennis heeft een langere levensduur dan nieuwe toepassingen, maar dat maakt investeren in toepassingen nog geen slechte strategie.
  • Natuurlijk: voor alle deze stappen kan je je afvragen hoeveel de overheid en hoeveel het bedrijfsleven zou moeten investeren, maar het voorbeeld van Xerox laat meteen zien dat bedrijven in alle kolommen een rol kunnen spelen. Waarom de overheid dan niet?

Ik heb de indruk dat veel kritiek op ‘het valorisatiebeleid’ eerder ingegeven is door persoonlijke frustraties van wetenschappers dan door een doorwrochte wetenschappelijke analyse van effectief valorisatiebeleid. Dat is begrijpelijk: het denken start vaak in de eigen ervaring, maar wetenschappers laten zichzelf dan wel kennen. Zouden wetenschappers niet juist bij uitstek de beroepsgroep moeten zijn die vanuit de beste kennis in plaats van hun eigen ervaring en belang redeneren? Zouden wetenschappers niet de eersten moeten zijn die erkennen dat ze niet overal verstand van hebben en dus niet kunnen oordelen over dingen die buiten hun vakgebied liggen? Als het om wetenschapsbeleid gaat, zie ik daar weinig van terug.

Het is goed samen na te denken óf valorisatie belangrijk is, óf innovaties en geld verdienen doelen moeten zijn van de wetenschap en hóe dit het beste te stimuleren is, maar laten we dat doen aan de hand van de best beschikbare wetenschappelijke kennis over dit onderwerp. Laten we er niet van uitgaan dat we valorisatie-expert zijn, alleen maar omdat we al wetenschapper zijn.

Meer lezen?

Dit blogje is een vervolg op mijn blogje over de Nobelprijs, waar de relatie tussen fundamenteel onderzoek en bruikbare toepassingen, zoals die in die prijs voorgespiegeld worden bekritiseerde. De -breed gedragen- misverstanden over die relatie stelde ik eerder al eens aan de kaak in mijn blogje stokoude kennis. Het idee dat sommige kennis duurzamer is dan andere besprak ik al in halfwaardetijd en strategieën van wetenschappers om daar mee om te gaan in tijdmeters.

Voor de hier gebruikte definitie van valorisatie raadpleegde ik het VSNU rapport over dit onderwerp.