Mijn moeder maakte er nogal een punt van dat je appels niet met peren kunt vergelijken. Nu is het lastig om een gezegde te bedenken dat ze niet regelmatig aanhaalt, maar serieus: appels en peren? Appels komen eerder in het alfabet dan peren, ze hebben een rondere vorm en ze zijn vaak zuurder. Hoppa, drie vergelijkingen in één zin.
Tja.., zul je zeggen. Het was misschien niet direct haar bedoeling om duidelijk te maken dat het niet kán,maar meer dat het niet altijd zinvol is. Als dat zo is, heeft ze wel een punt. Misschien kunnen we daar in de samenleving iets van leren. Toon me één manager die bij de presentatie van een nieuw dashboard met managementinformatie roept dat hij het overzicht niet wil – omdat hij, nog zo’n gezegde, niet iedereen over één kam wil scheren.
Waarom zouden we eigenlijk gezegden hebben die ons waarschuwen tegen het al te makkelijk vergelijken van -nou ja- onvergelijkbare grootheden? Was er ergens in het verleden een eerdere golf van neoliberalisme waarin alles wat meetbaar was waarde had – en al het andere niet? Zijn deze gezegden misschien een antwoord op een soort middeleeuwse toeslagenaffaire?
Jammer genoeg geeft Berend van der Kolk daar geen antwoord op in: De meetmaatschappij, waarom we alles meten en wat dat met ons doet. Hij lijkt al dat meten en vergelijken als iets moderns te zien dat misschien met Margaret Thatcher is begonnen, maar niet meteen iets wat – min of meer – intrinsiek is aan onze menselijke natuur, of als geworteld in oude menselijke culturen.
Goed, het is de laatste tijd ook wel een beetje doorgeslagen, al dat gemeet. Van der Kolk vond er het woord ‘indicatorisme’ voor uit. Hij stelt dat we tegenwoordig alles – van de stand van de economie tot de kleur van het truitje van de buurvrouw – proberen te vangen in meetbare indicatoren. Het probleem is dat we daardoor alleen maar naar de scores van die indicatoren kijken, en niet meer naar hoe de dingen werkelijk zijn
Van der Kolk, wiens boekje goed te vergelijken is met: Het best verkochte boek ooit, met deze titel van Sanne Blauw, bekritiseert deze neiging om alles meetbaar te willen maken. Niet alleen omdat cijfers niet ‘objectief’ zijn, maar vooral omdat ze ons gedrag negatief beïnvloeden.
Volgens Van der Kolk zijn er vijf dingen die we met cijfers doen die niet deugen. Allemaal komen ze er op neer dat voor mensen die cijfers als basis van hun beoordeling – van zichzelf of van anderen – gebruiken, de cijfers al snel een doel op zich worden.
Volgens Van der Kolk begaan werknemers die onder een sterk indicatorregime werken vijf vergissingen:
- Focus op eenvoudig te verbeteren indicatoren: Ze richten zich op taken die snel en gemakkelijk de cijfers verbeteren, zoals het uitvoeren van routinematige taken die weinig tijd kosten.
- Vermijden van moeilijke taken: Ze mijden taken die slecht scoren op de indicatoren, zoals het helpen van klanten met complexe of tijdrovende problemen.
- Korte-termijngerichtheid: Ze richten zich op directe resultaten die snel een indicator verbeteren, ten koste van langetermijndoelen.
- Negeren van niet-gemeten aspecten: Ze negeren taken die niet in een indicator zijn opgenomen, zoals het helpen van klanten met problemen die niet gemeten worden door het management.
- Manipulatie of fraude: Ze passen hun rapportages aan om de indicatoren te verbeteren, zelfs als dit niet overeenkomt met de werkelijke situatie.
Nou… Als we er echt zulke slechte mensen van worden, is het toch urgent om de vraag waarom we in de moderne samenleving eigenlijk zoveel met indicatoren werken, te beantwoorden. In de basis is dat niet moeilijk. Indicatoren worden gebruikt om op kwaliteit te sturen. Daar maken we vaak dankbaar gebruik van. Misschien worden we slechten mensen van al dat werken met indicatoren, maar ik ben ook wel blij dat elke stekker in elk stopcontact past, dat rot fruit niet in de winkel ligt en dat de NS een boete krijgt als er te weinig treinen op tijd rijden.
Het probleem is misschien niet zozeer het gebruik van indicatoren, maar het doorgeslagen gebruik ervan. Je zou hopen dat Van der Kolk daar iets over zegt. Wanneer is het te weinig, wanneer is het goed genoeg, vanaf wanneer slaat het door? Jammer genoeg gaat het daar in De Meetmaatschappij nauwelijks over. Hoewel Van der Kolk nuttige tips geeft voor verstandig omgaan met indicatoren—zoals het ‘met mate’ meten, het gezamenlijk opstellen van indicatoren en het rekening houden met de context – mis ik scherpte op de vraag hoe we kunnen herkennen dat indicatoren hun doel voorbij schieten.
Zou het niet geweldig zijn als we kunnen herkennen wanneer gebruik van indicatoren nog tot verbetering leidt en wanneer het teveel schade geeft? Als mensen zelf een sterk gevoel van kwaliteit hebben en geen blinde vlekken vertonen, zijn indicatoren misschien niet nodig; als er een hoge mate van standaardisering vereist is, kunnen ze juist wel waardevol zijn. Wat mij betreft komt Van der Kolk binnenkort met een vervolg waarin hij deze tienduizend euro vraag ook beantwoord!
Meer lezen?
Over de grootste twee excessen van de meetmaatschappij schreef ik al eens blogjes. In IQ bespreek ik hoe we onze hele samenleving inrichten rondom een meting van iets dat niet te meten is: intelligentie. In Peilingen ga ik in op onze worsteling om peilingen te zien voor wat ze zijn: matige voorspellingen van de verkiezingsuitslag. In Significantie bespreek ik de kritiek op de wetenschappelijke norm van statistische significantie.
De meetmaatschappij wordt ook steeds meer geautomatiseerd. Waarom ik daar geen voorstander van ben beschrijf ik in Computerbesluit.