Koloniaal

Kijk, we kunnen het Christopher Columbus natuurlijk niet verwijten: het zooitje ongeregeld dat achter hem kwam varen en vreselijk huishield onder de lokale bevolking van de Amerika’s. Maar dat die Europese rouwdouwers zich superieur waanden, nauwelijks oog hadden voor de lokale culturen en de waarde ervan niet inzagen, staat buiten kijf. En misschien — als ze wél geluisterd en gekeken hadden — hadden ze nog iets kunnen leren. Bijvoorbeeld over hoe je met elkaar omgaat.

Ik moet er vaak aan denken wanneer weer eens een of andere Design Thinking-goeroe roept dat alle beroepen innovatiever moeten worden, dat iedereen een designer is, en dat het goed zou zijn als leraren, accountants en chirurgen hun ‘design spier’ wat beter zouden trainen. Zou Tim Brown, bij het schrijven van Change By Design, hebben voorzien wat voor figuren ermee aan de haal zouden gaan — en welke onzin ze zouden verkondigen?

De meeste ontwerpers hebben een dubbel gevoel bij de Design Thinking-beweging. Ze vinden het fijn dat ze nergens meer hoeven uit te leggen dat ontwerpen breder is dan het maken van orginele stoelen – dat ontwerpers ook andere problemen kunnen oplossen dan het maken van producten en dat ze ook meer kunnen dan dingen mooi maken.
Maar ze schrikken van de randfiguren die, na een cursus Design Thinking, denken het licht te hebben gezien — en luidkeels, met weinig kennis van zaken, het evangelie beginnen te verkondigen. ‘Fijn dat je enthousiast bent,’ denken de ontwerpers, ‘maar het is geen trucje’. Je leert het niet in een week. Het is geen vaste methode, maar een heel repertoire. Het is zelfs niet één manier van denken, maar een heleboel tegelijk. Ontwerpdenken is complex en subtiel, en voor iedereen net een beetje anders.

En hoe moet dit eigenlijk voelen voor de professionals die onderwerp zijn van die bekeerdrang? Ik ken niet genoeg chirurgen om precies te weten hoe zij tegenover Design Thinking staan, maar ik kan me zo voorstellen dat ze zich afvragen wat dit in hemelsnaam met hun vak te maken heeft. Natuurlijk wordt er ook in de zorg geïnnoveerd, en daar komt ook wel een vorm van ontwerp bij kijken. Maar het idee dat chirurgen gebaat zijn bij een dagelijkse post-it sessie blijft toch een tikje absurd.

Mensen die een vak leren — biologen, laboranten en accountants, bijvoorbeeld — leren niet alleen feiten en vaardigheden, maar ook een manier van kijken. Je opleiding vormt je blik op de wereld: wat je als een probleem ziet, welke oplossingen je graag aandraagt, welke kennis je belangrijk vindt, en hoe je die kennis toepast. Elk vak heeft zijn eigen kenniscultuur. De denkwijze van biologen of accountants is geen toeval; die is gevormd door jaren praktijk, traditie en eindeloos geploeter met steeds terugkerende vraagstukken.

En daar wringt het. Ik moet de eerste Design Thinking-goeroe nog tegenkomen die zoiets zegt als: ‘Ik sprak laatst met een groep chirurgen, en de precisie en diepgaande kennis die zij in hun werk gebruiken, daar kunnen wij als ontwerpers echt iets van leren.’ Nee, wat ooit begon als een emancipatiebeweging voor ontwerpers, heeft zich ontwikkeld tot een marketingcampagne met koloniale trekjes. Ik zie nergens een echte uitwisseling of wederzijdse bevruchting van kennisculturen tussen disciplines — iets waar ik zeker voorstander van zou zijn. Wat ik wél zie, zijn mensen die ‘design’ prediken om zichzelf ook een keer superieur te kunnen voelen.

Het maffe is dat dat helemaal tegen de geest in gaat van ontwerp zoals ik het ken, en ook tegen datgene wat de grondleggers van de Design Thinking-beweging over ontwerp zeggen. Ontwerpers hebben de kennis uit de verschillende vakdisciplines waar ze mee werken nodig, en hun rol is vooral het combineren van diverse perspectieven tot een oplossing die meer is dan de som der delen. Daar past een bepaalde bescheidenheid bij, zeker ten aanzien van je eigen rol. Ontwerp zonder vakinhoud bestaat niet. Het past dan niet om de barricade op te gaan en dat stukje wat jou bijzonder maakt als norm voor de ander te stellen. Maar ja, de meeste Design Thinking-goeroes zijn misschien ook geen ontwerpers.

Meer lezen?

Ik schreef eerder verschillende blogjes over de unieke kennis van ontwerpers. In ontwerpkennis bespreek dat er voor ontwerp andersoortige kennis nodig is dan die in de beschrijvende wetenschappen ontwikkeld wordt. In doelkennis bespreek ik een van die typen kennis. In ontwerperig ga ik in op de argumenten om ontwerp als eigen kennisdomein te zien. In denksoorten bespreek ik hoe moeilijk het is om een denksoort als ontwerpdenken of systeemdenken los van de inhoud te zien.

Het idee van kennisculturen besprak ik in kencultuur.

Ontwerperig

De titel van dit blogje is natuurlijk een wat flauwe vertaling van ‘Designerly’, maar ik kon niet goed om de ironie heen dat de bekendste emancipatiebeweging van ontwerpers, zich van zo’n guitig begrip bedient. Een betere vertaling is eigenlijk ontwerperserig, maar de kans dat je in een blogje met die titel tot hier was gekomen, leek me wel heel klein – dus dat durfde ik niet goed aan.

Afijn; wat is er aan de hand? Het gaat om de stelling dat ontwerpers over een ander soort kennis beschikken dan andere professionals en dat daar in het onderwijs en de wetenschap meer aandacht voor moet zijn. Ontwerpen zou door alles en iedereen veel serieuzer genomen moeten worden omdat er zich in de hoofden van ontwerpers heel bijzondere dingen afspelen: “designerly ways of knowing”.

Het is een populaire gedachte. Waar ik zelden iets lees over de unieke denkwijze van natuurkundigen, politieagenten of stratenmakers, rollen de boekjes over de denkwijzen van ontwerpers haast uit mijn boekenkast. Niet in de laatste plaats door de opkomst van ‘design thinking’, hoewel dat vaak meer over aanpak gaat dan over denkwijzen.

Er zit ook wel iets in. Zelf betoogde ik op dit blog al eens dat feitenkennis over de wereld niet genoeg is voor het doen van technische uitvindingen en ook niet voor allerlei andere veranderprocessen. Het is dus geen overbodige luxe om na te denken over wat voor soort kennis we hiervoor nodig hebben en hoe we zorgen dat voldoende van ons die kennis ook hebben. Maar of ontwerperserige manieren van kennen ons daarbij gaan helpen?

Het begrip ‘Designerly ways of knowing’ is gemunt door Nigel Cross. Cross was onderzoeker aan de faculteit voor industrieel ontwerp in Delft, een van de eerste universitaire ontwerpopleidingen. Hoewel harde ingenieurs zoals technisch natuurkundigen, elektrotechnici en werktuigbouwers in die tijd hun weg al hadden gevonden in de wetenschap, hadden minder technische opleidingen zoals architectuur en ontwerp iets uit te leggen. Hoezo waren dit academische disciplines? Hoe ziet een ontwerpwetenschap er uit? Welke standaarden voor wetenschappelijkheid worden daarbij gehanteerd?

Sommige onderzoekers reageerden hierop met een poging de activiteit van het ontwerpen te verwetenschappelijken. Het ontwerpproces moest voortaan zodanig worden uitgevoerd dat alle ontwerpbeslissingen herleidbaar waren – en zodoende aan wetenschappelijke kritiek onderworpen konden worden. Anderen stelden dat we in plaats daarvan juist ontwerp een volwaardigere plek in de wetenschap moesten geven, met respect voor de werk- en denkwijzen van ontwerpers. In plaats van het ontwerpen te verwetenschappelijken, moest er een vorm van wetenschap komen waar ontwerpers zich thuis in konden voelen. Eén van de auteurs die dat laatste betoogde was Nigel Cross – en de emancipatiegolf die hij hiermee startte is nog altijd volop gaande.

Cross ging daarbij verder dan de wetenschap alleen. Hij betoogde dat ontwerpen een derde ‘gebied’ in het hele onderwijs moest worden, naast de natuur- en menswetenschappen. Op de basisschool zou dit betekenen dat naast taal en rekenen ook techniek- of maakonderwijs een plek zou moeten krijgen. Op de middelbare school zouden de talen, zaakvakken en natuurwetenschappen aangevuld moeten worden met verschillende engineeringdisciplines en op de universiteiten zouden de ontwerpwetenschappen meer voeten aan de grond moeten krijgen.

Cross plaatst design naast de natuur- en menswetenschappen omdat die “intrinsieke waarde” hebben. Daarmee bedoelt Cross dat het onderwijs verder gaat dan de praktische, direct zichtbare uitkomsten. Bij natuurkunde leer je niet alleen de wet van Ohm; je krijgt ook iets mee van een natuurkundige blik op de wereld. Een focus op feiten, experimenten, de wetmatigheid van de natuur, bijvoorbeeld. De natuurwetenschappen dragen dus een bepaalde kenniscultuur met zich mee die belangrijk is in het leven. Design omvat volgens Cross ook zo’n diepere kenniscultuur, met een eigen blik op de wereld en intrinsieke waarde.

Nu vindt iedereen dat zijn vak meer aandacht verdient en dat kinderen het al vroeg moeten leren, maar de analyse van Nigel Cross is zeker interessant. Hij betoogt, net als ik, dat voor ontwerp andere kennis nodig is dan alleen de feitenkennis die natuurwetenschappers als hoogste doel lijken te zien. Daarnaast stelt hij dat er andere denkwijzen aan het ontwerpen ten grondslag liggen dan aan de wetenschappen: aandacht voor concrete oplossingen in plaats van abstracte ideeën, een idee voor hoe dingen anders kunnen zijn dan ze nu zijn, en het beheersen van niet-talige manieren om ideeën uit te drukken. Als ontwerpers op een andere manier, met andersoortige kennis, moeten leren omgaan, is dat dan niet flink wat onderwijs waard, liefst op vroege leeftijd?

Voordat we ja zeggen op deze vraag is het zinvol om er toch even wat kritischer naar te kijken. Immers, kan eenzelfde analyse niet gemaakt worden door een politieagent? Zou die niet kunnen betogen dat er drie ‘gebieden’ zijn: natuurwetenschap, geesteswetenschap en wetshandhaving? Het klinkt belachelijk misschien, maar de analyse kun je best rond krijgen. Zeker als je het niet beperkt tot politiewerk, maar naar een iets bredere categorie zoals handelingskennis. Kinderen moeten dan leren lezen, schrijven, maken en doen. Dat klinkt eigenlijk heel plausibel, maar als we zo makkelijk van twee naar drie, naar vier ‘gebieden’ kunnen redeneren, dan is een vijfde zo toegevoegd – en waar komen we dan uit?

Cross zou misschien antwoorden dat wetshandhaving een praktische vaardigheid is, terwijl ontwerp intrinsieke waarde heeft, maar dat vind ik geen sterk argument. Ik weet zeker dat je unieke denkwijzen en probleemoplossingsstrategieën kunt identificeren voor allerlei handelingsberoepen. Hebben ze daarmee ‘intrinsieke waarde’? En hoe beslissen we dat?

Wat sterk is aan het betoog van Cross, is dat hij vragen stelt bij de dominantie van de natuur- en menswetenschappen in ons onderwijs. Moet onderwijs gaan over hoe de wereld nu eenmaal is, of moeten kinderen leren om de wereld mede vorm te geven? Dat laatste lijkt hard nodig en als ontwerperserig denken daarvoor nodig is, vooruit dan maar.

Het zwakke punt van Cross’ betoog is dat hij alle antwoorden zoekt vanuit de ontwerpdiscipline waar hij zo thuis in is. Natuurlijk, we leven in een diep ontworpen wereld, maar dat maakt ontwerp nog niet het antwoord op alle vragen. Waar de natuurwetenschappen macht zoeken in wetmatigheden en de menswetenschappen in duiding, zoeken de ontwerpwetenschappen hun macht in maakbaarheid. Maar we weten allang dat die maakbaarheid beperkt is. Is ontwerp dan altijd het antwoord? Of vinden we het antwoord eerder in een slimme combinatie van wetmatigheid, duiding en maakbaarheid? Of is er nog meer nodig?

Mijn verwachting is dat we er daarmee niet zijn. We hebben eerder vier of vijf vertrekpunten nodig, en we moeten ons vooral richten op hoe die verschillende zienswijzen elkaar kunnen versterken. De emancipatie van het ontwerpstandpunt was daar misschien een noodzakelijk begin voor, maar nu moeten ontwerpers van de barricaden af en de synergie met andere disciplines beter onderzoeken.

Meer lezen?

Ik sprak eerder over de unieke kennis die voor ontwerpen nodig is in de blogjes ontwerpkennis en doelkennis. Dat de emancipatie die Cross startte nog niet af is blijkt uit de wetenschapsgeschiedenis van Rens Bod, waar engineering geen rol in lijkt te spelen. Ik vroeg me eerder af wat leerlingen op de basisschool echt moeten leren in basiskennis.

Voor dit blogje maakte ik vrij intensief gebruik van hoofdstuk 1 van ‘Designerly Way’s of Knowing‘, van Nigel Cross. Het boekje is inmiddels wat lastiger te verkrijgen, maar zeer het lezen waard.

Ontwerpkennis

Weten hoe iets zit en hoe iets kan, dat zijn heel verschillende zaken. Het zou voor sommige mannen misschien gezonder zijn om een paar kilo af te vallen, maar hoe ze dat voor elkaar moeten krijgen weten ze niet. Vooruit: misschien weten ze wel hoe het zou kunnen, maar lukt het ze toch niet. Want weten hoe het kan en het daadwerkelijk voor elkaar boksen zijn ook weer heel verschillende dingen.

Het zijn slechte voorbeelden, natuurlijk, maar dat feitenkennis zich niet één-op-één vertaalt in oplossingen voor wereldse problemen wordt eigenlijk door niemand ontkend. Tegelijkertijd blijkt het knap lastig om te zeggen hoe die relatie tussen feiten en oplossingen precies in elkaar zit. Veel mensen houden eraan vast dat oplossingen gebaseerd zijn op feiten, of dat ze dat zouden moeten zijn, maar het valt niet mee om dat uit te werken. De intuïtie zegt toch, dat er om een elektromotor te maken meer nodig is dan wetten over stroom en spanning.

Hoe ver is de wetenschapsfilosofie in het beantwoorden van dit vraagstuk? Zijn er al goede pogingen om vast te stellen dat – en hoe – ontwerpkennis anders is dan feitenkennis en hoe die twee soorten kennis samenhangen? Of lopen filosofen weer achter de feiten aan en discussiëren ze nog altijd of wetenschappers wel goede manieren hebben om de feiten zelf vast te stellen?

Nou ja, het laatste natuurlijk, maar er zijn wel uitzonderingen. Zo doen Anthonie Meijers en Peter Kroes een oproep aan collega-filosofen om dit probleem serieuzer te nemen. Het aardige van hun analyse is dat ze Edisons patent op de gloeilamp als basis gebruiken.

De uitvinding van de gloeilamp

Voor die lezers die de gloeilamp alleen nog uit het museum kennen… Het idee is vrij simpel: als je een elektrisch stroompje door een draad laat lopen wordt die draad warm. Je kunt de draad zoveel verwarmen dat hij gaat gloeien. In principe is dit een manier om elektriciteit in licht om te zetten. In principe, want de praktijk is best complex. Edison stelt:

Ik claim als mijn uitvinding:

1 Een elektrische lamp voor het geven van licht door gloeien, bestaande uit een gloeidraad van koolstof met hoge weerstand, gemaakt zoals beschreven en bevestigd aan metalen draden, zoals uiteengezet.

2 De combinatie van koolstoffilamenten met een geheel uit glas vervaardigde ontvanger en geleiders die door het glas gaan en uit welke ontvanger de lucht wordt afgevoerd voor de beschreven doeleinden.

3 Een koolstoffilament of -strip die opgerold en verbonden is met elektrische geleiders zodat slechts een deel van het oppervlak van dergelijke koolstofgeleiders blootgesteld wordt aan het uitstralen van licht, zoals uiteengezet.

4 hierin beschreven methode voor het bevestigen van de platina-rijdraden aan het koolstoffilament en het carboniseren van het geheel in een gesloten kamer, in hoofdzaak zoals uiteengezet.

Maakt Edison het hier onnodig ingewikkeld? Of is hij juist heel precies over wat er voor een gloeilamp nodig is? Het laatste is het geval. De principes: een geleider wordt warm als er een elektrische stroom doorheen gaat en bij zeer hoge temperaturen gaat hij gloeien, zijn bij lange na niet genoeg om een gloeilamp te bouwen.

Edison moest uitvinden welk materiaal hij het beste voor de gloeilamp kon gebruiken. Dat werd koolstof, omdat dat een hoge elektrische weerstand heeft en er dan minder stroom nodig om de draad te laten gloeien (1). Dat is weer nodig omdat je niet wilt dat de stroomdraad die naar de lamp toegaat ook gaat gloeien (3). Daarbij moest Edison nog zorgen dat de gloeidraad niet verbrandde. Dat zat voor een deel in de keuze voor het materiaal van de gloeidraad, maar wat ook hielp was om de gloeidraad in een glazen omhulsel te stoppen zonder zuurstof (2). Om dit te kunnen bereiken was een techniek nodig die kon zorgen dat er wel stroomdraden het glazen omhulsel in konden gaan, zonder dat er alsnog zuurstof in de lamp kwam (4).

Wat opvalt aan dit voorbeeld is dat er veel meer kennis nodig is dan het basisprincipe. Om dat principe concreet uit te werken moeten keuzes gemaakt worden die vervolgens weer tot nieuwe uitdagingen leiden. Er is meer concrete kennis nodig en die kennis is uitgebreider, ze omvat een veel breder scala aan onderwerpen dan eerst gedacht.

Maar je zou nog altijd kunnen zeggen dat het allemaal feitenkennis is. Er kwamen veel meer feiten bij kijken dan we ons eerst konden voorstellen en soms waren de oplossingen er allang voordat de feiten op een deugdelijke manier bewezen waren, maar dat is allemaal minder belangrijk. Als het lukt om een reconstructie te maken waarin we alle feiten die nodig zijn om een gloeilamp te kunnen maken op een rijtje zetten, dan vergeven we het Edison dat hij niet al die feiten kende, en dan stellen we met terugwerkende kracht dat de gloeilamp gebaseerd is op feitenkennis.

Wat Edison nog meer moest weten

Je raadt het al, dit is precies wat Anthonie Meijers en Peter Kroes betwisten. Zij wijzen erop dat er allerlei vormen van kennis een rol spelen die niet feitelijk van aard zijn. Laat ik er twee toelichten.

Know-how en voorschrijvende kennis
Hoe maak je een gloeidraad die niet opbrandt? Hoe vervaardig je een glazen bol? Hoe zuig je de lucht daaruit? Om een technisch artefact te kunnen maken moet je heel veel hoe-vragen beantwoorden.

Nu zou je kunnen zeggen dat een procedure bewezen kan worden. Als je met een rietje in een bol van gesmolten glas blaast en je laat het afkoelen ontstaat een hol glazen voorwerp. Dat kun je gewoon duizend keer doen en daarmee statistisch aantonen dat het werkt.

Maar Meijers en Kroes stellen dat je dan de werkzaamheid bewijst en niet de waarheid. Je doet geen uitspraak over de natuur, maar over hoe dingen aangepakt kunnen worden. Daar liggen menselijke keuzes aan ten grondslag, en het is dus een andere vorm van kennis dan de feitenkennis waar de meeste filosofie over gaat.

Kennis van functies
De functie van een gloeidraad is oplichten als je er een stroompje doorstuurt. Een belangrijk onderdeel van het werk van Edison was om het totale probleem van het maken van elektrisch licht op te delen in losse onderdelen met elk hun eigen functie. De gloeidraad voor het geven van licht, de glazen bol om de gloeidraad te beschermen tegen zuurstof en de aanhechting om te zorgen dat er toch stroom de bol in kan. Is het een vorm van feitenkennis dat je bepaalde onderdelen nodig hebt met specifieke functies?

Net als procedures zijn functies niet los te zien van menselijke keuzes. We willen bepaalde dingen bereiken. Daarom maken we functionaliteiten. Je kunt functionaliteiten kiezen of realiseren, maar niet bewijzen.

Vooruit, je zou misschien wel kunnen bewijzen dat het noodzakelijk is om de gloeidraad te beschermen tegen verbranding. Dan zeg je eigenlijk dat het een feit is dat de ene deeloplossing niet zonder de andere kan. Om twee redenen is dat problematisch. Ten eerste blijkt het vaak wél anders te kunnen. Inmiddels hebben we wél elektrisch licht zonder gloeidraad. Maar ten tweede blijft het om een technische keuze gaan, een keuze waarvan je de effectiviteit kan aantonen, maar niet de waarheid.

Conclusies

Meijers en Kroes beweren dus dat er kennis nodig is voor het maken van technische artefacten die niet feitelijk van aard is. De techniek is niet terug te brengen tot de natuurkunde, zelfs niet bij ogenschijnlijk simpele oplossingen zoals de gloeilamp. Filosofen zouden er dus goed aan doen om ook de andere soorten kennis die nodig zijn voor technische oplossingen te befilosoferen zodat we ontwerp en de technische wetenschappen beter begrijpen.

Of je het daarmee oneens kunt zijn dat weet ik niet, maar het voorbeeld van Edison laat wel zien dat een fundamenteler begrip van wat ontwerpkennis is niet vanzelf leidt tot een beter ontwerp, of tot sterkere ontwerpwetenschappen. Om die stap te zetten hebben we, naast betere basisprincipes, misschien ook concretere en uitgebreidere kennis nodig van de praktijken die we willen verbeteren. We hebben ontwerpkennis over ontwerpen nodig.

Meer lezen?
Ik baseerde me in dit blogje op het artikel “Extending the scope of the theory of knowledge.”, dat ik sterk vereenvoudigde, hopelijk zonder het orgineel al te veel geweld aan te doen.

Ik sprak al eerder over dit probleem in het blogje “in opdracht van de tijd”, waar ik bespreek hoe de Russische communistische revolutionairen het onderscheid tussen ontwerp- en feitenkennis niet kenden. In de technische wetenschappen wordt wel beweerd dat de visie van Larry Laudan die wetenschap als een vorm van probleemoplossen ziet de kritiek van Meijers en Kroes omzeilt, maar dat denk ik een stretch. Laudan besteed niet specifiek aandacht aan technische problemen.

Is kennis nuttig?

Is kennis nuttig? Als je die vraag stelt zeg je eigenlijk dat je hem ook met nee zou kunnen beantwoorden.  Als ik daar aan denk protesteren alle vezels in mijn lijf. Ik ben ontwerper, ik maak bruikbare dingen van mijn kennis. Ik ben docent: ik draag mijn kennis over. Ik ben onderzoeker: ik maak kennis. Ik gebruik en ontwikkel mijn kennis elke dag. Daarom is de vraag of een stukje kennis nuttig is, alledaagse kost voor me. Als ontwerper vraag ik me af:  is dit nuttig voor mijn ontwerp? Als docent: is het nuttig voor mijn studenten? Als onderzoeker: is het nuttig voor de wereld, de beroepsgroep?

Maar je zou die vraag ook in het algemeen kunnen stellen. Wat is het is het dat kennis (in het algemeen) nuttig maakt? Hebben we evenveel aan alle kennis? Is er nuttige kennis of minder nuttige kennis? Daar lees ik eigenlijk weinig over.

Daarom neem ik op deze blog even geen genoegen met het antwoord “voor mij wel” op de vraag naar het nut van kennis. Ik wil hier de ruimte nemen om te twijfelen en wikken en wegen over het nut van kennis in het algemeen en over het nut van bepaalde soorten kennis.

Omdat ik dat nodig vind om de dagelijkse beslissingen in mijn beroep met kennis van zaken te kunnen nemen. Omdat ik goede argumenten wil voor, – en misschien tegen – de kennismaatschappij. Omdat ik, met die argumenten in handen, op een meer doordachte manier kennis kan gebruiken, overdragen en maken. Dit blogje zal dus vol staan met vragen, inzichten en gezichtspunten over onze, en vooral mijn, omgang met kennis.

Hopelijk boeit dat jullie net zo als dat het mij doet.