Kencultuur

Veel onderzoekers waar ik mee werk verwonderen zich over hoe ingewikkeld het is om samen te werken. Nu is samenwerken in het algemeen lastig, maar het blijkt extra lastig als jij en je collega’s andere studies gevolgd hebben en nòg lastiger als je dan ook nog samen iets nieuws wilt ontdekken. Dat kan namelijk op verschillende manieren en als je niet begrijpt waarom de ander een andere aanpak wil volgen en wat de waarde daarvan is, dan wil het nog wel eens ingewikkeld worden.

In samenwerkingen tussen onderzoekers uit verschillende disciplines spelen epistemische culturen een rol. Althans dat is wat Karin Knorr Cetina beweert in haar boek met deze titel. K.K. – zoals ze het zelf afkort – is een sociologe die de totstandkoming van wetenschappelijke kennis bestudeert. Ze heeft maandenlang in een laboratorium observaties gedaan en mensen gesproken, en daar conclusies uit geprobeerd te trekken over hoe die wetenschappers te werk gingen bij het doen van Heel Belangrijke Ontdekkingen.

Om precies te zijn vergelijkt K.K. in haar boek twee verschillende laboratoria. De deeltjesversneller in CERN, waar kernfysici kleine deeltjes met hoge energie op elkaar laten botsen in de hoop beter te begrijpen hoe subatomaire deeltjes zich gedragen. En een microbiologie-lab waar wetenschappers zich bezighouden met genetica, genetische modificatie en klonen, en waar proeven doorgaans gedaan worden door proefdieren te opereren.

Die keuze is van belang. Stel dat K.K. de praktijken van taalwetenschappers en natuurkundigen vergeleken had – en daarna tot de conclusie gekomen dat die heel anders werken – dan was niemand heel verbaasd geweest. Maar kernfysica en microbiologie zijn allebei harde bètawetenschappen, dus je zou misschien kunnen verwachten dat ze ongeveer hetzelfde werken.

Niet dus. Het CERN is een hoogtechnologische omgeving met apparaten die zo ingewikkeld zijn dat de meeste onderzoekers ze amper begrijpen. Elke botsing levert een ton aan data op. Er gaat heel veel werk zitten in het interpreteren van die data en uitsluiten dat de metingen op toeval berusten. Dat kan alleen collectief. Het CERN is een wereld van apparaten, symbolen en berekeningen; het Higgs-boson vinden teamwerk.

Het microbiologielab is heel anders. Onderzoekers moeten hun handen vuil maken, ze moeten met reageerbuisjes, microscopen, preparaten kunnen werken. Ze moeten muizen kunnen opereren met mini-scalpeltjes. In de microbiologie telt de directe waarneming en de fysieke vaardigheid van de onderzoeker. Het is een veel individuelere discipline waar onderzoekers parallel aan elkaar aan hun eigen onderzoek werken in plaats van samen op zoek te gaan naar een deeltje dat alleen nog in theorie bestaat.

Door deze vergelijking te trekken laat K.K. zien dat er verschillen zijn tussen de manieren waarop verschillende wetenschappen aan kennis komen en verschillen in hoe ze toetsen of die kennis ook boven elke twijfel verheven is; en dat die verschillen zich weer vertalen in de technische omgeving waarin wetenschappers werken, de werkpraktijken die ze onderhouden, en de sociale structuren die daar uit voortvloeien. Samen noemt ze dit ‘epistemische culturen’, wat ik voor dit blogje even in ‘kencultuur’ vertaald heb.

Het zou natuurlijk kunnen dat je nog altijd niet verrast bent. Dat je wel wist dat wetenschap veelvormig is. En dat je het vanzelfsprekend vindt dat de praktijken die je kiest voortvloeien uit datgene wat je probeert te leren kennen. Ik moet zeggen dat ik dat zelf ook had. Ik vond K.K. niet superscherp op het verschil tussen ‘culturen’ en ‘aanpakken’, ik was weinig verrast door de verschillen in de twee labs die ze bezocht en ik vond de schets daarvan wel wat karikaturaal.

Toch is de analyse van K.K. een belangrijke reality-check. In de eerste plaats voor die wetenschapsfilosofen die wetenschap wèl als uniform benaderen of die vooral uitgaan van de discipline die ze het beste kennen. Het zou natuurlijk kunnen dat er op een bepaald niveau van abstractie wel principes zijn te formuleren die voor alle wetenschappen gelden. Ik moet bijvoorbeeld denken aan het falsificatie-idee van Karl Popper. Maar als je aan dat soort principes vasthoudt, weet je meteen dat ze zo abstract zijn dat ze weinig met de alledaagse praktijk van wetenschappers te maken hebben.

En in de tweede plaats voor wetenschappers die de grenzen van hun discipline willen overstijgen. Daar begon ik dit blogje mee. Vanuit de cultuur waarin je bent opgegroeid krijg je natuurlijk waarden en normen mee. Je hebt ideeën over wat werkt en wat nodig en goed is. Het is al een ding te herkennen dat anderen het anders doen, laat staan om te erkennen dat die cultuur misschien beter past bij het soort problemen waar zij aan werken. Sociaal psychologen zijn misschien niet gebaat bij een ‘natuurkundige manier van denken’, hoeveel moeilijke problemen die laatsten er wel mee opgelost hebben. Taalkundigen zijn misschien niet, of maar zeer ten dele, gebaat bij kwantitatief onderzoek. En zo kunnen we wel even doorgaan. Het overstijgen van je eigen discipline vraagt om bescheidenheid en een culturele sensitiviteit die niet iedereen gegeven is.

Meer lezen?
Ik schreef eerder over de sociologie van de wetenschap in Lableven en De zwarte dozen van Latour. Een voorbeeld van een wetenschapsfilosofie die discipline overstijgend bedoeld is vind je in Het probleemoplossend vermogen van Larry Laudan.

Een uitgebreide bloemlezing van kenculturen schreef ik niet, maar ‘ontwerpen’ als discipline kreeg wel bijzondere aandacht in ontwerpkennis, doelkennis en ontwerperig.

Het boek van Karin Knorr Cetina is nog altijd te verkrijgen bij Harvard University Press

Memen

Memen vormen de spil in wat je wel een culturele evolutietheorie kan noemen. Richard Dawkins wijdt er in zijn boek ‘The Selfish Gene’ niet meer dan een hoofdstukje aan, maar het idee blijkt aanstekelijk en duikt op veel plekken op. Eigenlijk gebruikt Dawkins de evolutietheorie als metafoor voor de verandering van ons ‘gedachtengoed’. Memen – ideeën eigenlijk – verspreiden zich door communicatie en zijn onderhevig aan een cultureel selectieproces; net zoals genen zich door voortplanting verspreiden en aan natuurlijke selectie onderhevig zijn. Een soort heeft een genenpool, een cultuur een memenpool. Met het begrip memen in de hand kunnen allerlei concepten uit de evolutietheorie één op één ingezet worden voor het begrijpen van kennisontwikkeling.

Van mementheorie kun je van alles vinden, maar voor ik daar wat meer over zeg is het misschien goed om iets verder op de boodschap van het boek ‘The Selfish Gene’ zelf in te gaan. Dawkins is namelijk een reductionist pur sang. Het kernbetoog van Dawkins is dat de evolutie niet een evolutie van organismen of soorten is, maar een evolutie van genen. De genen vormen de bouwplannen van de organismen die ze gebruiken om de competitie met andere genen aan te gaan in hun strijd om het bestaan. Organismen zijn dus slechts “fenotypen”, machines die de genen (het “genotype”) om zich heen bouwen om zich succesvoller voort te planten. Alle zichtbare eigenschappen van die organismen zoals intelligentie of fysieke kracht zijn dus uiteindelijk terug te voeren op het succes van de genen die eigenschappen veroorzaken. Een gen in een sterk dier heeft nu eenmaal meer kans zich voort te planten dan een gen in een zwak dier. Het hele boek lang hamert Dawkins er in dat evolutie blind is; erg blind.

Terug naar de memen. De kracht van mementheorie zit vast in haar eenvoud en herkenbaarheid. Als soorten kunnen evolueren door toedoen van genen, waarom kunnen culturen dan niet evolueren door toedoen van memen? Memen springen van het ene naar het andere brein, planten zich daar, bevrucht door andere ideeën, voort en springen weer over. Sommige ideeën zijn succesvol en invloedrijk en springen van brein naar brein, andere ideeën zijn minder invloedrijk en zijn dus een kort ‘leven’ beschoren. Dit is een intuïtief idee en als de evolutietheorie zoveel verklaringskracht heeft voor het begrijpen van het ontstaan van soorten waarom kan mementheorie die rol dan niet voor de evolutie van culturen spelen?

Als metafoor vind ik mementheorie ook mooi. Ze lijkt erg op het idee van een kennisstroom dat ik eerder besprak. Het dwingt tot bescheidenheid over je eigen rol de ontwikkeling van ons gedachtengoed. Eigenlijk zegt mementheorie dat jouw ideeën niet bij jou ontspruiten, maar dat je ze te leen hebt en ze hooguit wat kan veranderen voor je ze weer de wereld in stuurt. Het beeld helpt ook om te begrijpen dat ideeënvorming iets is wat je samen doet. Je vormt ideeën door het gesprek aan te gaan met anderen; waarbij zowel de ideeën zelf als het gedachtengoed waarbinnen ze succesvol kunnen zijn zich moeten ontwikkelen. Een co-evolutie, zoals ook soorten en hun ecosysteem co-evolueren.

Maar, als theorie vind ik mementheorie nogal overschat. In tegenstelling tot genen kunnen we memen niet onder de microscoop leggen en bekijken hoe ze veranderen. Er zijn maar een beperkt aantal genen, terwijl er oneindig veel memen kunnen bestaan. De koppeling tussen genen en organisme lijken me veel harder dan die tussen memen en cultuur. Dawkins laat in zijn boek heel goed zien dat de evolutietheorie zijn kracht voor een belangrijk deel dankt aan de moderne interpretatie ervan en het wetenschappelijke apparaat dat daar omheen gebouwd is. Dat kun je niet zo maar overzetten naar de wereld van gedachten. In die zin is mementheorie op dit moment waar de evolutietheorie was toen Darwin hem net publiceerde. Een wervend inzicht en een begin, misschien.

Een goede theorie helpt vaak om de juiste vragen te stellen. Maar, ik vraag me af of mementheorie ons niet eerder op het verkeerde dan op het goede spoor zet. In mementheorie doet alleen de aanstekelijkheid van een idee er toe. Hoe we ideeën verwerken of verbeteren doet er niet toe. Het maakt niet uit hoe we aan informatie komen, hoe we leren en zelfs niet hoe we communiceren. De inhoud van de ideeën is ook niet van belang. Mementheorie vindt het niet interessant wie Martin Luther King was en wat er van zijn visie van belang is voor de mensheid. Het enige waar mementheorie zich op richt is hoe hij zijn ideeën kon verspreiden en mogelijk wat maakte dat ze in goede aarde vielen.

En dan is er nog die extra reductiestap. Dawkins betoog voor het organisme als fenotype: een machine die door de genen gebouwd wordt om zichzelf succesvoller te kunnen voortplanten is vrij overtuigend. In mementheorie kun je een zelfde stap zetten. Vaak worden dan instituten zoals de kerk aangehaald. Zijn dat niet ook hele complexe machines, met als enige doel de verspreiding van het idee van God? Is God niet gewoon een succesvolle meme, die de kerk gebruikt om zich te handhaven tussen andere ideeën? Overtuigde atheïsten vinden dit wel een mooi plaatje, maar hetzelfde recept kan je natuurlijk op elk instituut of cultuurdrager toepassen. TV kan je zien als memencentralisatie, boeken als memenconservatie, scholen zijn er om de meme van scholing voor te planten, universiteiten voor de meme van wetenschap, parlementen voor de meme democratie, en zo voort. Ik vraag me af wat we daar mee opschieten. Dat een cultuur rust op breed gedragen basisideeën is wel algemeen aanvaard; het woord mentaliteit verwijst daar ook naar. Het is ook wel een houdbare stelling dat cultuurdragers de manifestaties zijn van de basisideeën van een cultuur. We kunnen ook nog zeggen dat ze helpen om die ideeën in stand te houden, maar om dat nu het enige doel te noemen. Dat is misschien wat ongepast.

Terwijl je dit las hebben allerlei ideeën zich in je hoofd genesteld en lekker liggen seksen met andere ideeën. Sommige voortbrengsels daarvan zullen mij weer inspireren tot een nieuw blogje vol potentiële ideeënsex. Toch? Vergeet die dus niet te delen, voor het voorbestaan van onze cultuur 🙂

Meer Lezen?

Ik beschreef eerder 2 andere metaforen voor kennis in kenniscontainers en in kennisstroom.

Ook schreef ik al eens over de evolutietheorie zelf in evolutiesnelheid.

Is kennis nuttig?

Is kennis nuttig? Als je die vraag stelt zeg je eigenlijk dat je hem ook met nee zou kunnen beantwoorden.  Als ik daar aan denk protesteren alle vezels in mijn lijf. Ik ben ontwerper, ik maak bruikbare dingen van mijn kennis. Ik ben docent: ik draag mijn kennis over. Ik ben onderzoeker: ik maak kennis. Ik gebruik en ontwikkel mijn kennis elke dag. Daarom is de vraag of een stukje kennis nuttig is, alledaagse kost voor me. Als ontwerper vraag ik me af:  is dit nuttig voor mijn ontwerp? Als docent: is het nuttig voor mijn studenten? Als onderzoeker: is het nuttig voor de wereld, de beroepsgroep?

Maar je zou die vraag ook in het algemeen kunnen stellen. Wat is het is het dat kennis (in het algemeen) nuttig maakt? Hebben we evenveel aan alle kennis? Is er nuttige kennis of minder nuttige kennis? Daar lees ik eigenlijk weinig over.

Daarom neem ik op deze blog even geen genoegen met het antwoord “voor mij wel” op de vraag naar het nut van kennis. Ik wil hier de ruimte nemen om te twijfelen en wikken en wegen over het nut van kennis in het algemeen en over het nut van bepaalde soorten kennis.

Omdat ik dat nodig vind om de dagelijkse beslissingen in mijn beroep met kennis van zaken te kunnen nemen. Omdat ik goede argumenten wil voor, – en misschien tegen – de kennismaatschappij. Omdat ik, met die argumenten in handen, op een meer doordachte manier kennis kan gebruiken, overdragen en maken. Dit blogje zal dus vol staan met vragen, inzichten en gezichtspunten over onze, en vooral mijn, omgang met kennis.

Hopelijk boeit dat jullie net zo als dat het mij doet.