Neutraal

Er is een zinnetje dat je vaak tegenkomt, waar ik me enorm aan erger.

Puntjepuntje is niet neutraal.

Het wordt vaak een beetje bijtend uitgesproken met een nadruk op het woordje is en soms ook op niet. In plaats van puntjepuntje kan je van alles invullen. Technologie, rechtspraak, journalistiek, wetenschap, en nog een handjevol beroepen of instituties die blijkbaar de illusie koesteren neutraal te zijn. Voor het snerende gemak noem ik de mensen die dit roepen even ‘de ontmaskeraars’

Daar zijn er veel van hoor. Als je nu nog steeds denkt dat technologie neutraal is dan heb je blijkbaar de laatste tijd de krant niet gelezen. Hetzelfde geldt trouwens voor de wetenschap en in toenemende mate ook de journalistiek en rechtspraak. Wil je in het debat van vandaag een beetje scoren, dan moet blijkbaar zeker stellen dat puntjepuntjes allemaal waardengedreven praktijken zijn en dat het de puntjepuntje-professionals zou sieren om eindelijk eens kleur te bekennen. D66.

Nu is het mij eigenlijk nooit opgevallen dat engineers beweren dat technologie neutraal is, of wetenschappers dat kennis neutraal is, of zelfs amper dat journalisten zeggen dat hun berichtgeving neutraal is. Volgens mij beweren deze professionals dat ze neutraliteit nastreven. Ze bekennen al kleur door te zeggen dat neutraliteit blijkbaar een kernwaarde, een ideaal voor ze is.

Nu hebben neutraliteit als feit en neutraliteit als ideaal volgens mij een ingewikkelde relatie, dus laat ik dat even uitpakken.

Neutraliteit als feit

Ergens is het een absurd idee dat technologie neutraal kan zijn. Het is immers gemaakt met een bedoeling – en bedoelingen zijn per definitie niet neutraal. We krijgen allemaal de kriebels als we iemand van de National Rifle Association (NRA) horen zeggen dat: “guns don’t kill people, people kill people”.

Toch is het onderscheid dat deze engerds maken relevant. Je kunt immers kijken naar de bedoeling van de techneuten en naar het gebruik van de technologie – en die komen niet altijd overeen. We weten dat mensen vaak andere dingen doen met technologie dan waar deze voor bedoeld is, of dat de technologie een eigen leven gaat leiden. En als dat zo is, wie is er dan verantwoordelijk voor het gebruik van de technologie: de ontwerper of de gebruiker?

Flauw zul je zeggen. Laat het NRA-voorbeeld niet duidelijk zien dat de bedoeling van ontwerpers en de bedoeling van gebruikers per definitie gekoppeld zijn? Dan delen ze toch ook de verantwoordelijkheid voor het eindresultaat? Dat klopt natuurlijk, maar die koppeling is niet voor alle technologie even sterk. Bij geweren is het heel duidelijk, maar hoe zit het met schilmesjes, of computerchips?

Daarmee is de ‘neutraliteit’ van technologie niet een alles-of-niets-ding. Er is technologie die voor heel veel verschillende doeleinden gemaakt is en die is neutraler dan technologie die voor één situatie gemaakt is. Daarnaast kun je niet altijd voorzien hoe technologie ingezet wordt, dus kun je de neutraliteit ervan niet altijd vooraf inschatten.

Het is gewoon een feit: technologie is niet neutraal. De hamvraag is alleen wel: is het ook een nuttig feit? Het is ook een feit dat alle dieren gewicht hebben, maar dat helpt niet zoveel bij het vergelijken van muggen en olifanten. Die hebben zeker allebei gewicht, maar je wil toch een gesprek voeren over hoeveel zwaarder een olifant wel niet is. Zo is het ook met de neutraliteit van technologie. In plaats van te hameren op neutraliteit als een alles-of-niets-ding, zou het beter zijn het als een meer-of-minder-ding te benaderen. Computerchips zijn neutraler dan wapens. Spijkers zijn behoorlijk neutraal. Dat soort uitspraken.

Neutraliteit als ideaal

Dat brengt ons bij neutraliteit als ideaal. Als neutraliteit een meer-of-minder-begrip is, dan kan je proberen zo neutraal mogelijk te zijn. Het duidelijkste voorbeeld hiervan vinden we misschien in de journalistiek. Veel journalisten zien het als hun taak de wereld te beschrijven zoals die is, en niet om daar stelling in te nemen. Ze zijn er zich van bewust dat je op meerdere manieren naar de wereld kan kijken, maar daar willen ze liever geen keuze tussen maken. Ze willen een buitenstaander zijn en belichten liever meerdere kanten van het verhaal door het principe van hoor en wederhoor toe te passen.

Klinkt goed, toch? Misschien is de journalistiek niet perfect in de uitvoering, maar op de keper beschouwd is neutraliteit een prima ideaal.

Nou ja. Er is best kritiek op te geven. Soms schiet de praktijk zijn doel voorbij. Zo heeft de journalistiek lang onevenredig veel aandacht gehad voor klimaatsceptici. Er was brede wetenschappelijke consensus over klimaatverandering, maar journalisten vonden het hun taak om ook het perspectief van de kriticasters in beeld te brengen. Daardoor ontstond bij lezers het idee dat die klimaatverandering hoogst discutabel was. Inmiddels kiezen de meeste journalisten in dit dossier vaker partij voor de wetenschap.

Er zijn dus voorbeelden te geven waar neutraliteit, of tenminste een bepaalde invulling ervan, onethisch kan zijn. Maar critici van neutrale journalistiek hebben nog een pijl op hun boog. Namelijk dat journalisten ondanks hun poging tot neutraliteit wel degelijk stelling nemen in een debat omdat ze hun stukken nu eenmaal vanuit een bepaald standpunt en bevoorrechte positie schrijven. De kritiek is dat ze door de pretentie van neutraliteit verantwoordelijkheid ontlopen.

Want als journalisten neutraal doen terwijl ze het niet zijn, hoe moeten we ze dan nog op hun standpunt aanspreken? Neem een nieuwsbericht over criminaliteit onder immigranten. Misschien is die de laatste tijd toegenomen. Een journalist kan zich beroepen op zijn neutraliteit en bijvoorbeeld zeggen dat hij alleen maar de feiten in kaart gebracht heeft. De criticus kan zeggen dat deze neutraliteit niet zoveel waard is, zolang de journalist niet ook over criminaliteit onder geboren Nederlanders schrijft. Binnen het artikel kan een journalist alles gedaan hebben wat nodig is, maar wat hier niet neutraal is, is de keuze voor het onderwerp zelf.

Een oplossing is reflexieve journalistiek, waar de journalist geen neutraliteit veinst, maar eerder de lezer meegeeft over waar hij zelf staat. Dit maakt kritiek mogelijk, en vanuit die kritiek ook een lerende journalistiek, maar het heeft ook nadelen. Reflexieve journalisten geven de missie op om hoeders te zijn van een gedeelde werkelijkheid. Ik vind dat jammer. Er is echt wat te zeggen voor een vrij strikte scheiding van feit en opinie.

De grote spraakverwarring

Ik geef het je op een briefje. Negen van de tien keer dat iemand beweert dat puntjepuntje ‘niet neutraal is’, bedoelen ze niet dat puntjepuntje niet neutraal is, maar dat de professionals achter het puntjepuntje te weinig rekenschap geven van de keuzes die ze maken. Waarom zijn bepaalde feiten geselecteerd? Welke bedoelingen heeft de technologie? Welke principes liggen ten grondslag aan een uitspraak? Dat soort werk. Dat vind ik legitieme vragen en het zou goed zijn als de ontmaskeraars die discussie zouden aanzwengelen.

Maar dat doen ze meestal niet. Ik ken eigenlijk weinig grotere dooddoeners dan het puntjepuntje-is-niet-neutraal-zinnetje. Wat er meestal gebeurt is dat de ontmaskeraars hun puntjepuntje-bezwering uitspreken en dan lekker achterover leunen met de rust van een debater die de feiten aan zijn kant heeft.

En daarna gebeurt er helemaal niets. De ontmaskeraars stellen namelijk geen vragen die de puntjepuntje-professionals uitnodigen om dieper na te denken over hun positie en die beter toe te lichten. Ze vragen niet: “hee op welke manieren kan deze technologie nog meer gebruikt worden en voel je je daar verantwoordelijk voor?” of “hee dit verhaal belicht keurig beide kanten, maar is er nog niet een derde perspectief dat aandacht verdient?”.

Ik vind het niet zo vreemd dat de puntjepuntje-professional dan niet denkt: oh laat ik eens flink zelfonderzoek doen naar mijn blinde vlekken en privileges en die voortaan beter meenemen in mijn werk. Die denkt: ‘Hee, natuurlijk zijn puntjepuntjes niet neutraal, maar ik heb mijn best gedaan om zo neutraal mogelijk te zijn. Daar is behoefte aan! Een beetje meer respect graag.

En ik geef de puntjepuntje-professionals dus groot gelijk.

Lieve ontmaskeraars: aan  sommige feiten moet je gehecht zijn. Dat het leven zuurstof nodig heeft. Dat groenten gezonder zijn dan snoepjes. Dat de gelegenheid de dief maakt. Dat soort feiten.

Maar het zou ons allemaal helpen ons een beetje te onthechten van het puntjepuntje-neutraal-feit. Goed. Neutraliteit bestaat misschien niet. Puntjepuntjes zijn nooit honderd procent neutraal. Maar vanwaar het gepest en gedram? In het kippenhok van de moderne wereld, snakken we soms naar een beetje neutraliteit. En daar komt bij dat neutraliteit geen alles-of-niets-ding is en rekenschap trouwens ook niet. Als we nu erkennen dat neutrale puntjepuntjes soms meer dan welkom zijn én dat het knap lastig kan zijn om ze te maken, dan kunnen we daarna met elkaar in gesprek. En volgt rekenschap vanzelf.

Meer lezen?

Ik schreef al eens over het verschil tussen feiten en idealen in doelkennis en waar. Ik schreef al eerder over het moderne medialandschap in bubbel en media.