Nobel

De week waarin de Nobelprijzen worden uitgereikt vind ik altijd spannend. Zelf ben ik natuurlijk geen kanshebber en vaak ken ik de prijswinnaars ook helemaal niet. Maar de Nobelprijs is een bijzondere prijs. Zeker de prijzen voor natuur- en scheikunde – en vaak ook die voor economie –  zetten onderzoek in het zonnetje dat, toen het werd uitgevoerd, heel fundamenteel en soms onzinnig leek, maar waarvan door de jaren heen gebleken is dat er veel nuttige toepassingen uit zijn voortgevloeid. Dat is vrij uitzonderlijk: veel fundamenteel onderzoek is helemaal niet zo direct tot toepassingen te herleiden; en het levert altijd een mooi verhaal op: hoe een of andere bizarre zoektocht van een of andere wetenschapper ons uiteindelijk allemaal raakt.

Dit jaar ging de Nobelprijs voor de chemie bijvoorbeeld naar John Goodenough, Stanley Whittingham en Akira Yoshino voor fundamenteel onderzoek dat de basis legde voor de oplaadbare batterijen in onze telefoons en andere draagbare apparaten – en natuurlijk elektrische auto’s. Dit werk stamt uit de jaren 70 van de vorige eeuw. Geen van deze moderne toepassingen was in die tijd in beeld. Het was toen al prachtig werk, en het bleek een noodzakelijke schakel in latere technische ontwikkelingen die het gezicht van de huidige tijd bepalen.

Of niet? Hoewel veel mensen de Nobelprijs op deze manier aangrijpen om nog eens te onderstrepen hoe groot het belang van fundamenteel onderzoek voor de maatschappij is, denk ik dat ze het Nobel-verhaaltje te serieus nemen. Natuurlijk ben ik een voorstander om stevig te investeren in fundamenteel onderzoek, maar dat er soms jaren later nuttige toepassingen uit voortvloeien vind ik een slecht, onwetenschappelijk, argument voor dat type onderzoek.

De drogredenering die onder de letterlijke interpretatie van het Nobelprijsverhaaltje zit doe ik uit de doeken in mijn blogje stokoude kennis. Zoals ik daar al stel: je kunt voor elke bestaande toepassing wel fundamentele kennis aanwijzen die eraan ten grondslag ligt, maar dat zegt niet zoveel. In verreweg de meeste gevallen was die toepassing er ook wel gekomen zonder dat specifieke stukje onderzoek. Soms omdat de toepassing de kennis al vooruit is gesneld. De ontwikkeling van de thermodynamica is een gevolg van de ontwikkeling van de stoommachine en niet andersom. Maar meestal omdat die kennis anders gewoon iets later door andere wetenschappers ontwikkeld zou zijn. Niemand is onmisbaar voor de wetenschap. De tand des tijds kan echt wel wachten op de tweede of derde uitvinder.

Je kunt dus wel fundamentele kennis aanwijzen die bij een bepaalde toepassing hoort, maar dat is geen bewijs dat dat specifieke onderzoek een noodzakelijke – of zelfs maar een belangrijke schakel – was in de ontwikkeling van die toepassing. Het beste wat je achteraf kunt zeggen is dat het best van pas kwam. Het belang van fundamenteel onderzoek in het algemeen kun je er al helemaal niet uit afleiden, want dan moet je ook al dat fundamentele onderzoek meerekenen waar nooit iets buikbaars uitgekomen is.

Daar komt nog bij dat de Nobelprijs met zevenmijlslaarzen door de geschiedenis raast. Het is niet het oorspronkelijke, nogal explosieve, batterijtje van Wittingham dat in onze telefoons zit. Voordat die gemaakt kon worden waren nog honderden of misschien wel duizenden nieuwe ontdekkingen en ontwikkelingen nodig. Er ging niet voor niets vijftig jaar overheen. Hoe verhoudt de mankracht achter het fundamentele onderzoek zit zich eigenlijk tot de mankracht die nodig was om die batterijen echt werkend te krijgen?

Je kunt allerlei redenen hebben om fundamenteel onderzoek in het zonnetje te zetten. Dat er soms mooie toepassingen uit voortkomen spreekt tot de verbeelding, maar het is misleidend. De rol die het betreffende onderzoek écht heeft gespeeld voor die toepassingen is niet precies te achterhalen en vermoedelijk relatief klein.

Natuurlijk kunnen toepassingen en fundamentele kennis elkaar beïnvloeden en het is een Nobel-feestje waard om die bevruchting te vieren, maar dat feestje deugt op haar beurt niet als rechtvaardiging voor het bestaan van fundamenteel onderzoek. Daarom denk ik dat het contraproductief is om (oud) fundamenteel onderzoek te rechtvaardigen door te wijzen op moderne toepassingen. Als het argument niet klopt prikt iemand erop een dag doorheen.

Ik denk dat het beter is om het nut van fundamenteel onderzoek te verdedigen aan de hand van de waarde die het hier en nu voor ons heeft. Er zijn verschillende manieren waarop je dit kunt doen, maar ik zie het nut van fundamenteel onderzoek vooral vanuit zijn invloed op ander onderzoek. In fundamenteel onderzoek verkennen we wegen die we niet zouden verkennen als we ons druk maakten over toepassingen. Fundamenteel onderzoek vergroot zo onze horizon; het maakt ons slimmer. Als fundamenteel onderzoek andere wetenschappers, fundamenteel, of toegepast op een nieuwe manier aan het denken zet, is het goed onderzoek.

En of het ooit de lange weg naar een praktische toepassing vind? Ach.

Meer lezen?
In stokoude kennis bespreek ik uitgebreider waarom de toepassingen van nu niet herleidbaar zijn tot de oude kennis van toen. Ik ben van plan een blogje te schrijven over valorisatie waar ik nog eens in ga op kennis die wel tot toepassingen moet leiden.

Voor de informatie over de Nobelprijzen van dit jaar heb ik vooral gebruik gemaakt van het artikel daarover in het NRC, ik kende het onderzoek zelf niet voor de prijs uitgereikt werd. Ik heb me in deze post geconcentreerd op de verbinding die in de Nobelprijzen wordt gelegd tussen onderzoek en toepassing, maar ook andere aspecten van de Nobelprijs, zoals de focus op een individueel genie zijn kritiek waar. In Chemistry World verscheen daarover dit artikel.